← België

Arrest 263077 - Varia (openbaar ambt) - 25/04/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.077 Rolnummer: A. 243639/IX-10591 Zaak: Arrest 263077 - Varia (openbaar ambt) - 25/04/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-05-12 Raadplegingen: 90 - laatst gezien 2026-06-17 05:34 Fiche Arrest nr 263.077 van 25 april 2025 Openbaar ambt - Varia (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.077 no lien 282839 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 263.077 van 25 april 2025 in de zaak A. 243.639/IX-10.591 In zake: E.H. woonplaats kiezend te tegen : de FEDERALE PENSIOENDIENST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Liesbeth Van Schoubroeck kantoor houdend te 1020 Brussel Esplanade 1 bus 88 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp

  1. De verzoekschriften, ingediend op 30 november 2024 en 4 december 2024, strekken respectievelijk tot de nietigverklaring en de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing “d.d. 29 oktober 2024 van administratief assistent [G.D.R.], namens de Administrateur-generaal van de openbare instelling met rechtspersoonlijkheid Federale Pensioendienst tot maandelijkse inhouding van 3.328,45 euro van verzoekers pensioen”. Verzoeker vordert tevens een schadevergoeding tot herstel. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een administratief dossier ingediend. Adjunct-auditeur Christiaan Lesaffer heeft een verslag opgesteld over het beroep tot nietigverklaring met toepassing van artikel 93, eerste lid, van IX-10.591-1/6 het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’, over de vordering tot schorsing met toepassing van artikel 12 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’ en over het verzoek tot schadevergoeding tot herstel met toepassing van artikel 25/3 van voormeld besluit van de Regent. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 31 maart
  3. Staatsraad Jim Deridder heeft verslag uitgebracht. De verzoekende partij en advocaat Liesbeth Van Schoubroeck, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Christiaan Lesaffer, gemachtigd om ter terechtzitting advies te verlenen, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker blijkt met de Belgische Staat in een gerechtelijke procedure te zijn verwikkeld met betrekking tot fiscale schulden. Hij tekent bij de beslagrechter bij de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk verzet aan tegen een uitvoerend beslag onder derden dat bij de verwerende partij werd gelegd op zijn overheidspensioen. 3.
  6. Met een aangetekend schrijven van 29 oktober 2024 deelt de verwerende partij aan verzoeker mee dat de maandelijkse inhoudingen op zijn ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.077 IX-10.591-2/6 pensioen, die tijdens de vóórmelde verzetsprocedure waren opgeschort, vanaf november 2024 worden hervat. Dat is de bestreden beslissing. IV. Rechtsmacht van de Raad van State Standpunt van verzoeker
  7. Verzoeker betoogt ter terechtzitting dat de bestreden beslissing per definitie een handeling is van een administratief bestuur die bovendien, gelet op de inhoudingen die volgens verzoeker ná de handlichting van het beslag nog zijn verricht, getuigt van een discretionaire bevoegdheid. Verzoeker verwijst voorts naar een uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 13 december 2018 waarbij een door hem ingesteld beroep, dat betrekking had op een schending van het recht op een eerlijk proces, van de rol wordt weggelaten nadat de Belgische Staat hem een financiële vergoeding had uitbetaald. Sinds die procedure, zo stelt verzoeker, maakt de verwerende partij zich schuldig aan pesterijen. Beoordeling
  8. Verzoeker bestrijdt de beslissing van 29 oktober 2024 om de afhoudingen op zijn pensioen, in toepassing van het bij de verwerende partij gelegde derdenbeslag, te hervatten.
  9. Uit de artikelen 144, eerste lid, en 145 van de Grondwet volgt dat de geschillen over subjectieve rechten – altijd, wat de geschillen over burgerlijke rechten betreft en in principe, wat de geschillen over politieke rechten betreft – tot de rechtsmacht van de hoven en rechtbanken behoren. Onder voorbehoud van een toewijzing van bevoegdheid inzake politieke rechten, is de Raad van State dan ook zonder rechtsmacht om kennis te nemen van beroepen tot ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.077 IX-10.591-3/6 nietigverklaring waarvan het werkelijke en rechtstreekse voorwerp een geschil over subjectieve rechten betreft. Dat is het geval wanneer het annulatieberoep strekt tot de erkenning van een subjectief recht, waaromtrent het bestuur geen discretionaire, maar slechts een gebonden bevoegdheid bezit. 7.
  10. Artikel 569, eerste lid, 32 °, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals aangevuld bij artikel 4 van de wet van 23 maart 1999 ‘betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken’, geeft aan de rechtbanken van eerste aanleg de bevoegdheid voor de beslechting van “geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet”. Het betreft een zeer algemene bepaling. De fiscale kamers van de rechtbanken van eerste aanleg zijn niet alleen uitsluitend bevoegd voor geschillen in verband met het al dan niet verschuldigd zijn van belastingen of de grootte van de belastingschuld, maar ook voor individuele administratieve beslissingen waarbij een discretionaire beoordelingsmarge bestaat in verband met de toepassing van bepalingen van een belastingwet zoals het al dan niet toestaan van uitstel van betaling of afbetaling van de belasting. Die exclusieve bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg voor geschillen over individuele fiscale rechtshandelingen sluit de bevoegdheid van de Raad van State op grond van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State uit. Krachtens artikel 1395 van het Gerechtelijk Wetboek behoren bovendien alle vorderingen betreffende – onder meer – bewarende beslagen en middelen tot tenuitvoerlegging tot de bevoegdheid van de beslagrechter. Het is met andere woorden aan de beslagrechter dat verzoeker zijn grieven met betrekking tot de regelmatigheid en rechtmatigheid van de tenuitvoerlegging van het derdenbeslag kan voorleggen. Dit sluit evenzeer de bevoegdheid van de Raad van State uit. 7.
  11. Verzoekers betoog ter terechtzitting overtuigt de Raad van State niet ervan dat hij te dezen alsnog over rechtsmacht beschikt. IX-10.591-4/6 Verzoeker ziet een uitoefening van discretionaire bevoegdheid in de tijd die zou zijn verstreken tussen de handlichting van het beslag en de terugbetaling van ten onrechte door de gerechtsdeurwaarder ingehouden gelden. Daargelaten of hierbij niet eerder sprake is van een louter materiële handeling dan van een werkelijke beslissing en eveneens daargelaten of in voorkomend geval sprake is van de uitoefening van een discretionaire bevoegdheid, moet bovenal worden opgemerkt dat die handeling of beslissing hoe dan ook niet te vereenzelvigen is met de bestreden beslissing, die het voorwerp van het beroep uitmaakt. De uitspraak van het EHRM die verzoeker voorlegt, is evenmin van aard om de rechtsmacht van de Raad van State te beïnvloeden. Overigens moet worden vastgesteld dat deze uitspraak dateert van 13 december 2018, zodat verzoeker deze ter terechtzitting bezwaarlijk als een “nieuw element” kan aanvoeren.
  12. Uit wat voorafgaat blijkt dat de Raad van State niet bevoegd is om van het door verzoeker ingestelde beroep tot nietigverklaring kennis te nemen.
  13. Het auditoraat heeft terecht geoordeeld dat het door verzoeker ingestelde beroep kan worden afgedaan met een kort debat in de zin van artikel 93, eerste lid, van het voornoemde besluit van de Regent van 23 augustus
  14. V. De vordering tot schorsing en de eis tot schadevergoeding tot herstel
  15. De verwerping van het beroep tot nietigverklaring heeft tot gevolg dat ook de vordering tot schorsing, die er het accessorium van is, verworpen moet worden.
  16. Tot een vaststelling van een onwettigheid is de Raad van State in dit arrest, dat de procedure tot nietigverklaring afsluit, niet gekomen. Met toepassing van artikel 25/3, § 3, van het besluit van de Regent van 23 augustus ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.077 IX-10.591-5/6 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ wordt het verzoek tot het verkrijgen van een schadevergoeding tot herstel eveneens verworpen. BESLISSING
  17. De Raad van State verwerpt het beroep tot nietigverklaring, de vordering tot schorsing en het verzoek tot het verkrijgen van een schadevergoeding tot herstel.
  18. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vijfentwintig april tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Jim Deridder, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Jim Deridder IX-10.591-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.077 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.