← België

Arrest 263114 - Uitleveringen - 28/04/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.114 Rolnummer: A. 221897/VII-42633 Zaak: Arrest 263114 - Uitleveringen - 28/04/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-05-13 Raadplegingen: 186 - laatst gezien 2026-06-16 05:09 Fiche Arrest nr 263.114 van 28 april 2025 Vreemdelingen - Uitleveringen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 263.114 van 28 april 2025 in de zaak A. 221.897/VII-42.633 In zake: A.E. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rafael Jespers kantoor houdend te 2018 Antwerpen Broederminstraat 38 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bernard Derveaux kantoor houdend te 1000 Brussel Verenigingstraat 28 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Verzoeker dient met een enig verzoekschrift op 10 april 2017 een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring in van de beslissing van de minister van Justitie van 26 juli 2016 waarbij de uitlevering van verzoeker aan de regering van Turkije wordt toegestaan. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 238.842 van 18 juli 2017 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. VII-42.633-1/43 Verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. Verzoeker heeft een toelichtende memorie ingediend. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft op 1 juli 2024 een verslag opgesteld over het beroep tot nietigverklaring met toepassing van artikel 12 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Verzoeker heeft een laatste memorie met verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 december
  3. Kamervoorzitter Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Rafael Jespers, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Bernard Derveaux, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten
  5. Met een brief van 16 september 2013 vraagt de Turkse overheid VII-42.633-2/43 de uitlevering van verzoeker, van Turkse nationaliteit, wegens feiten die naar Turks recht zijn omschreven als “poging tot gehele of gedeeltelijke wijziging van de grondwet van de Turkse republiek door gebruik van geweld”. De kamer van inbeschuldigingstelling van het hof van beroep te Antwerpen verklaart op 24 februari 2014 het Turkse bevel tot aanhouding van 20 september 2011 tegen verzoeker uitvoerbaar “in zoverre het de feiten viseert die naar Belgisch recht kunnen omschreven worden als mededaderschap aan moord te Diyarbikir, tussen 31 december 1996 en 1 januari 1998: - op G., op 29 juli 1997, - op B., op 2 augustus 1997, - op E., op niet nader bepaalde datum, - op E., op niet nader bepaalde datum, - op S., niet nader bepaalde datum.” Voor het overige wordt de uitvoerbaarverklaring van het bevel tot aanhouding geweigerd. Verder brengt de kamer van inbeschuldigingstelling van het hof van beroep te Antwerpen op 30 juni 2014 een gunstig advies uit over het verzoek tot uitlevering van verzoeker in zoverre dat verzoek betrekking heeft op de hierboven geciteerde feiten en een ongunstig advies in zoverre het de overige feiten betreft. Op 15 oktober 2015 staat de minister van Justitie de uitlevering toe van verzoeker aan de regering van Turkije, eveneens voor de voornoemde vijf als “deelneming aan moord” omschreven feiten en weigert hij de uitlevering voor het overige, gelet op de verjaring van de strafvordering naar Belgisch recht. 3.
  6. Met arrest nr. 234.722 van 12 mei 2016 beveelt de Raad van State de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de minister van Justitie van 15 oktober
  7. De Raad van State vernietigt die beslissing met arrest nr. 235.750 van 14 september
  8. VII-42.633-3/43 3.
  9. Op 26 juli 2016 staat de minister van Justitie opnieuw de uitlevering toe van verzoeker aan de regering van Turkije, eveneens voor de voornoemde vijf als “deelneming aan moord” omschreven feiten en weigert hij de uitlevering voor het overige, gelet op de verjaring van de strafvordering naar Belgisch recht. Dit is de thans bestreden beslissing. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  10. Verzoeker werpt in een eerste middel, dat hij in de toelichtende memorie herhaalt, de schending op van “de exceptie van vluchteling”, van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (hierna: EVRM), van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, van de artikelen 1.A, 2) en 33 van het internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (hierna: vluchtelingenverdrag), van het non refoulement-principe, van “richtlijn UNHCR, Guidance Note on Extradiction and International Refugee Protection, 2008”, van toelichtingen 6 en 14 bij richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 ‘inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming’, van artikel 2.1 van richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 ‘inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking)’ (hierna: richtlijn 2011/95) en van artikel 7 van richtlijn 2005/85/EG van de Raad VII-42.633-4/43 van 1 december 2005 ‘betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus’. Verzoeker voert aan dat noch een vluchteling noch een kandidaat-vluchteling kan worden uitgeleverd. Artikel 1.A, 2), van het vluchtelingenverdrag definieert als vluchteling iemand die een gegronde vrees heeft voor vervolging omwille van zijn of haar ras, politieke opinie, godsdienst, nationaliteit of lidmaatschap van een bepaalde sociale groep, waarbij het niet is vereist dat de betrokkene formeel is erkend als vluchteling. Verzoeker zet uiteen dat geen beslissing over een uitlevering kan worden genomen zolang geen definitieve beslissing is genomen over zijn verzoek om internationale bescherming en hij verwijst daartoe naar ’s Raads schorsingsarrest nr. 234.722 van 12 mei 2016 betreffende de eerder in zijnen hoofde genomen beslissing tot uitlevering van 14 oktober
  11. Doordat de verwerende partij de bestreden beslissing toch heeft genomen, is volgens verzoeker het non refoulement-beginsel geschonden.
  12. In zijn laatste memorie voegt verzoeker toe dat geen verzoek om internationale bescherming meer loopt. Hij stelt nog steeds een vrees voor vervolging in Turkije te koesteren, gezien de gronden waarop zijn uitlevering wordt gevraagd en de blijvende negatieve ontwikkeling van de mensenrechten in Turkije. Het is niet omdat zijn verzoeken tot internationale bescherming zijn afgewezen, dat verzoekers vrees niet meer bestaat.
  13. Ter terechtzitting bevestigt verzoeker dat geen enkel verzoek om internationale bescherming meer hangende is doch dat dit geen afbreuk doet aan zijn vrees voor vervolging in vluchtelingenrechtelijke zin. Beoordeling
  14. Uit de gegevens waarop de Raad van State vermag acht te slaan, blijkt, hetgeen verzoeker bevestigt, dat zowel zijn in België als in Nederland ingediende verzoeken om internationale bescherming zijn afgewezen en dat deze VII-42.633-5/43 beslissingen definitief zijn. Verzoeker bevestigt dat in zijnen hoofde geen verzoek om internationale bescherming meer in behandeling is. Bijgevolg heeft verzoeker geen belang bij het middel waarin hij voorhoudt dat geen beslissing over een verzoek tot uitlevering kan worden genomen in afwachting van een definitieve beslissing over zijn verzoek(-en) om internationale bescherming. Dat verzoeker zichzelf nog steeds beschouwt als iemand die voldoet aan de voorwaarden om als vluchteling te worden erkend, doet niet anders besluiten.
  15. Het eerste middel is niet ontvankelijk. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  16. Verzoeker werpt in een tweede middel, dat hij in de toelichtende memorie herhaalt, de schending op van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: wet van 29 juli 1991), van de artikelen 3, 6 en 13 van het EVRM en van de zorgvuldigheidsplicht. Verzoeker voert aan dat in de bestreden beslissing wordt aangehaald dat het advies van de kamer van inbeschuldigingstelling (hierna: K.I.) van 30 juni 2014 “onverkort gunstig [is] voor wat de feiten sub B., nl. deelneming aan – vijf feiten – moord”, doch dat hij geen kennis heeft gekregen van dat advies, hetgeen een schending inhoudt van artikel 3 van de wet van 29 juli
  17. Verzoeker was verplicht een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring in te dienen, wetende dat hij na inzage van het voormelde advies geen nieuw middel kan aanvoeren, zodat hij niet beschikt over een effectief rechtsmiddel. Dit wordt niet ongedaan gemaakt door het gegeven dat hij mogelijks in de loop van de huidige procedure kennis krijgt van het advies van de K.I. vermits VII-42.633-6/43 hij in de loop van deze procedure geen nieuwe middelen mag opwerpen. Verzoeker stelt dat “de bestreden beslissing alleszins niet motiveert of de inhoud van de motivering een weergave is van het advies”. Vermits hij zich ook inhoudelijk tegen het advies van de K.I. moet kunnen verweren, ziet verzoeker dit als een bijkomende reden om te stellen dat hij niet beschikt over een daadwerkelijk rechtsmiddel. Ook indien het advies van de K.I. wordt gevolgd in de bestreden beslissing, moet worden gemotiveerd waarom dat advies wordt gevolgd.
  18. In zijn laatste memorie voegt verzoeker toe dat het advies van de K.I. een verplicht advies is dat bij de bestreden beslissing moet worden gevoegd of erin moet worden opgenomen, opdat formeel en inhoudelijk kan worden nagaan of de wettelijke vereisten van dat advies vervuld zijn. Verzoeker licht toe dat in punt 27 van de bestreden beslissing wordt verwezen naar het eensluidend advies betreffende de verjaring maar dat in dat punt niet wordt vermeld welke de motivering en de argumenten van het advies zijn om de verjaring van kwalificatie B te verwerpen. Beoordeling
  19. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 verplichten de administratieve overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze. Het afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de formelemotiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. VII-42.633-7/43 Aan de formele motiveringsplicht kan worden voldaan door een verwijzing naar een advies, op voorwaarde dat de inhoud van het advies waarnaar wordt verwezen aan de betrokkene ter kennis is gebracht, dat dit advies zelf afdoende is gemotiveerd, dat het wordt bijgevallen in de uiteindelijke beslissing en dat er geen tegenstrijdige adviezen zijn.
  20. In de bestreden beslissing wordt eerst aangegeven door wie en op grond van welke feiten verzoekers uitlevering wordt gevraagd. De bestreden beslissing bevat een overzicht van de gevoerde Turkse strafprocedure en ze geeft het verloop van de in België gevolgde uitleveringsprocedure weer. Ook de door verzoeker aangehaalde feitelijke gegevens en zijn verweer worden samengevat. Inzake het advies van de K.I. van 30 juni 2014 wordt overwogen: “Gezien het gedeeltelijk gunstige advies uitgebracht door de – anders samengestelde – Kamer van Inbeschuldigingstelling te Antwerpen d.d. 30.06.
  21. Het advies stemt overeen met het (2de) exequaturarrest dd. 24.02.2014 [...]. Dit wil zeggen: Het advies is ongunstig voor de feiten sub. A (‘deelneming aan een vereniging van misdadigers met het oog op het plegen van aanslagen tegen personen’) en sub. C (‘deelneming aan’ – vijf feiten – ‘opzettelijke slagen en verwondingen’ en ‘deelneming aan’ ‘wederrechtelijke vrijheidsberoving’) omdat de verjaring van de strafvervolging naar Belgisch recht is bereikt”. Het advies is daarentegen onverkort gunstig voor wat de feiten sub. B, nl. deelneming aan – vijf feiten – moord [betreft].” Net wat betreft de door verzoeker ingeroepen verjaring van de feiten waarvoor verzoeker wordt uitgeleverd, wordt in de bestreden beslissing overwogen: “Overwegende dat het uitleveringsverzoek onmiskenbaar uitsluitend de (verdere) vervolging beoogt zodat enkel de verjaring van de strafvervolging onderzocht moet worden: door de verbreking van de Turkse veroordeling dd. 31.12.2009, is de veroordeling c.q. de straf logischerwijze komen te vervallen en is de strafvervolging komen te herleven. Naar Turks recht bepaalt artikel 66 van het Turks strafwetboek een verjaringstermijn van de strafvervolging van 30 jaar indien het misdrijf strafbaar is met een 'zware levenslange gevangenisstraf’. Artikel 67 van het Turkse Strafwetboek omschrijft daarenboven gronden voor de schorsing of de stuiting van de verjaring van de strafvordering. - zie voor de Engelse vertaling van het VII-42.633-8/43 Turkse strafwetboek: http://www.legislationline.ore/ en http://www.unodc.oreres/cld/document/tur/2004/criminal_code_law_no_52 37_html/. ‘Statute of Limitation ARTICLE 66-

(1)Unless otherwise is provided in the law, public action is dismissed upon lapse of: a) Thirty years in offenses requiring punishment of heavy life imprisonment,’ Vrij vertaald: ‘verjaring ARTIKEL 66-
(1)Tenzij anders bepaald in de wet, verjaard de strafvordering na verloop van:
  1. a)Dertig jaar voor misdrijven strafbaar met zware levenslange gevangenisstraf.(opsluiting),’ Rekening houdend met de in het uitleveringsverzoek aangegeven geïncrimineerde periode die een einde nam op 01.01.1998, verjaard de strafvordering naar Turks recht 30 jaar later logischerwijze ten laatste op 01.01.2028 - zie tevens de door Turkije verstrekte aanvullende informatie - supra, nr. 2. Overwegende dat, ook gelet op het 2de exequaturarrest dd. 24.02.2014 en het gelijkluidende advies dd. 30.06.2015 van de K.I. Antwerpen, de strafvordering naar Belgisch recht niet is verjaard m.b.t. de feiten gekwalificeerd als 'deelneming (mededaderschap) aan moord' (sub 'B'). De strafvordering is naar Belgisch recht daarentegen wel verjaard voor de overige feiten gekwalificeerd sub `A' en 'C' (cf. supra, nrs. 4 & 13 en 17). Rekening houdend met de naar Belgisch recht 'te erkennen' stuitingsdaden die tijdig, dus nuttig, in de loop van de Turkse strafprocedure zijn gesteld, is de verjaring van de strafvordering met betrekking tot de feiten sub 'B' nog niet bereikt - cf. Cass., 1 maart 2011, P.11.0227.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110301.3 ;” 13. Uit de bestreden beslissing blijkt aldus in welke mate het advies van de K.I. van 30 juni 2014 gunstig was voor het verzoek tot uitlevering, dat dit advies wordt gevolgd en op welke gronden de door verzoeker ingeroepen verjaring niet wordt aanvaard. Verder blijkt uit het administratief dossier dat verzoeker manifest kennis had van het exequaturarrest van de K.I. van 24 februari 2014 vermits hij tegen dat arrest cassatieberoep heeft ingesteld dat door het Hof van Cassatie werd verworpen op 22 april 2014. Verzoeker heeft in de procedure die tot het advies van de K.I. van 30 juni 2014 heeft geleid op 16 juni 2014 “besluiten inzake advies tot uitlevering” overgelegd waarin hij zelf verwijst naar het voornoemde arrest van 24 februari 2014 en naar “de rechtsvordering van het VII-42.633-9/43 Parket-Generaal van 15 mei 2024, die in essentie verwijst naar het arrest KI van 24 februari 2014 en het cassatiearrest van 22 april 2014”. De motivering in het advies van de K.I. van 30 juni 2014 stemt vrijwel letterlijk overeen met de motivering in het exequaturarrest van 24 februari 2014, hetgeen ook uitdrukkelijk wordt vermeld in de bestreden beslissing. Tot slot kan worden opgemerkt dat het arrest van de K.I. van 30 juni 2014 deel uitmaakte van het administratief dossier in de zaak A. 217.874/XIV-36.832, zijnde verzoekers beroep tot schorsing en beroep tot nietigverklaring tegen de beslissing van de verwerende partij van 15 oktober 2015, die heeft geleid tot ’s Raads schorsingsarrest nr. 234.722 van 12 mei 2016 en vernietigingsarrest nr. 235.750 van 14 september 2016. Verzoeker was aldus op de hoogte van de inhoud van het arrest van de K.I. van 30 juni 2014, waarop ook de thans bestreden beslissing is gesteund. Derhalve is voldaan aan de doelstellingen van de in de wet van 29 juli 1991 vervatte formelemotiveringsplicht, minstens heeft verzoeker geen belang bij de voorgehouden schending van deze wet. 14. De kritiek die er enkel in bestaat dat een advies niet bij de bestreden beslissing werd gevoegd noch als dusdanig in die beslissing werd opgenomen, houdt geen verband met het in artikel 3 van het EVRM bedoelde verbod op foltering of onmenselijke behandeling. Artikel 6 van het EVRM is niet van toepassing op geschillen betreffende de verwijdering van vreemdelingen, zoals het beroep tot nietigverklaring van een beslissing waarmee de uitlevering van een vreemdeling wordt toegestaan. Nu de schending van de beide voormelde verdragsbepalingen in het voorliggende middel niet op ontvankelijke wijze wordt opgeworpen en geen schending van een ander door het EVRM beschermd belang wordt opgeworpen, kan verzoeker evenmin op ontvankelijke wijze een schending van artikel 13 van het EVRM inroepen. 15. Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. VII-42.633-10/43 VII-42.633-11/43 C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 16. Verzoeker werpt in een derde middel, dat hij in de toelichtende memorie herhaalt, de schending op van artikel 7 van de Uitleveringswet van 15 maart 1874 (hierna: Uitleveringswet van 1874), van de artikelen 2.1, 10 en 12.2.c, van het Europees Verdrag betreffende uitlevering, opgemaakt te Parijs op 13 december 1957 (hierna: Europees Uitleveringsverdrag), van de artikelen 3 en 6 iuncto 13 van het EVRM, van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 en van het legaliteitsbeginsel. In een eerste middelonderdeel betwist verzoeker dat de feiten niet verjaard zouden zijn naar Belgisch recht. Uit het Turkse dossier blijkt dat verzoeker niet wordt vervolgd voor moord. In het Turkse aanhoudingsmandaat van 20 september 2011 wordt de uitlevering enkel gevraagd op basis van de feiten zoals gekwalificeerd door het Turkse Hof van Cassatie, meer bepaald voor “poging tot gehele of gedeeltelijke wijziging van de Grondwet van de Turkse Republiek door gebruik van geweld”. Het gaat om een inbreuk op artikel 146 van de Turkse strafwet, die volgens verzoeker overeenkomt met de terroristische misdrijven in artikel 137 e.v. van het Belgische strafwetboek. Voor deze laatste misdrijven geldt een kortere verjaringstermijn, namelijk vijf jaar na correctionalisering en maximum tien jaar. Verzoeker vervolgt dat de verjaring naar Belgisch recht niet geldig kon worden gestuit door het vonnis van 4 april 2002 van de staatsveiligheidsrechtbank in Turkije, nu deze in 2004 werd afgeschaft omdat ze als onwettig moest worden beschouwd en een onwettig vonnis geen stuitingsdaad kan vormen. Verder wordt volgens verzoeker in de bestreden beslissing ten onrechte voorgehouden dat de dubbele strafbaarstelling in abstracto dient te gebeuren en niet in concreto. Aangezien op het ogenblik van de feiten het terroristisch misdrijf nog niet in het Belgische strafwetboek was ingeschreven, kon volgens verzoeker geen Belgisch equivalent worden toegepast op het Turkse misdrijf. Tot slot merkt verzoeker op dat het misdrijf naar Belgisch recht ook VII-42.633-12/43 verjaard is omdat de verjaringstermijn op het ogenblik van de feiten tien jaar bedroeg en nog geen vijftien jaar. In een tweede middelonderdeel voert verzoeker aan dat in de bestreden beslissing met verwijzing naar de artikelen 66 en 67 van het Turkse strafwetboek wordt aangenomen dat de strafvordering niet is verjaard naar Turks recht, doch dat de tekst van deze bepalingen zich niet in het dossier bevindt. De bestreden beslissing vermeldt wel een Franse vertaling van het parket-generaal in Turkije, maar verzoeker acht een Franse vertaling in strijd met artikel 23 van het Europees Uitleveringsverdrag. Verder verwijst de bestreden beslissing naar een uittreksel van een website in het Engels, terwijl het niet aan de Belgische staat toekomt om zelf artikelen van de Turkse strafwet via internet op te zoeken. Dit schept volgens verzoeker grote rechtsonzekerheid daar geen enkele controle mogelijk is op de overeenstemming tussen de teksten op het internet en de officiële Turkse teksten. In een derde middelonderdeel voert verzoeker aan dat het dossier enkel informatie bevat over verjaringstermijnen inzake veroordelingen (artikel 102 van de Turkse strafwet nr. 765), doch niet inzake de vervolging van misdrijven. Het is volgens hem dan ook duidelijk dat het uitleveringsdossier geen juridische basis aanduidt waarop de bestreden beslissing kan worden gesteund om te stellen dat de verjaring niet is bereikt. Verzoeker merkt op dat de Turkse autoriteiten geen wetsartikel bijbrengen waaruit blijkt dat de verjaringstermijn 30 jaar zou zijn en hij stelt dat geen stuk in het dossier voldoende bewijskrachtig is om deze termijn te ondersteunen, zodat geen bewijs voorligt dat de feiten niet verjaard zijn. 17. In de toelichtende memorie voegt verzoeker toe dat de verjaring moet worden beoordeeld op het ogenblik dat tot de uitlevering zal worden overgegaan en dat de uitlevering bij het indienen van deze memorie nog niet heeft plaatsgevonden. Met betrekking tot het eerste middelonderdeel stelt verzoeker nog dat de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, dateren van de periode VII-42.633-13/43 tussen 31 december 1990 en 1 januari 1998, dat feit B zich situeert tussen 31 december 1996 en 1 januari 1998, dat de verjaring van de strafvervolging volgens Belgisch recht dient te worden beoordeeld en dat inmiddels twintig jaar zijn verstreken. 18. In zijn laatste memorie acht verzoeker het “een zeer betwistbare stelling” dat de feiten niet op dezelfde wijze zouden moeten worden gekwalificeerd, dat het zou volstaan dat het in de beide staten om “een” delict gaat en dat de beoordeling van de dubbele strafbaarheid enkel in abstracto zou dienen te gebeuren. Het advies van de K.I. is niet bindend en betekent niet dat verzoeker deze principiële discussie niet kan opwerpen in het kader van de beslissing tot uitlevering zelf. Met betrekking tot de verjaring benadrukt verzoeker dat geen bewijs voorligt van de verjaringstermijn van de strafvordering van 30 jaar naar Turks recht. Uit de bestreden beslissing kan ook niet worden opgemaakt wanneer de strafvordering naar Belgisch recht verjaart. Beoordeling Eerste middelonderdeel 19. Artikel 7 van de Uitleveringswet van 1874 luidt: “Tot uitlevering wordt er niet overgegaan zo sedert het ten laste gelegd feit, de vervolgingen of de veroordeling, de verjaring van de strafvordering of van de straf naar Belgisch recht is bereikt.” Artikel 2.1 van het Europees Uitleveringsverdrag bepaalt: “Tot uitlevering zullen kunnen leiden feiten die krachtens de wetten van de verzoekende Partij en van de aangezochte Partij strafbaar zijn gesteld met een vrijheidsstraf of met een maatregel welke vrijheidsbeneming VII-42.633-14/43 medebrengt, met een maximum van ten minste een jaar of met een zwaardere straf.” Artikel 10 van het Europees Uitleveringsverdrag stelt: “Uitlevering wordt niet toegestaan, indien volgens de wet van de verzoekende Partij of die van de aangezochte Partij het recht tot strafvervolging of de straf is verjaard.” 20. Het beginsel van de dubbele strafbaarstelling houdt in dat de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, luidens de Belgische én de buitenlandse wet strafbaar moeten zijn alvorens de uitlevering kan worden toegestaan. Die dubbele strafbaarstelling moet in abstracto worden onderzocht, los van de beoordeling van de schuld van de verdachte. Er moet enkel worden onderzocht of de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, ook in België strafbaar zijn. Anders dan verzoeker voorhoudt, is hierbij niet vereist dat de kwalificatie in België overeenstemt met de in de verzoekende staat gegeven kwalificatie. Verder dient geen rekening te worden gehouden met mogelijke verschoningsgronden, mogelijke verzachtende omstandigheden of een mogelijke correctionalisering. Het beginsel van de dubbele verjaring houdt in dat een uitlevering enkel kan worden toegestaan als de strafvordering of de straf van het misdrijf waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, nog niet is verjaard naar zowel het recht van de verzoekende staat als het Belgische recht. 21. Verzoekers uitlevering wordt met de bestreden beslissing toegestaan wegens vijf feiten “die naar Turks recht zijn gekwalificeerd als ‘poging om de grondwet van de Turkse republiek volledig of gedeeltelijk te wijzigen door gebruik te maken van geweld’ (art. 146/1 j° artt. 31, 33 en 40 Turkse Strafwetboek, Wet nr. 765)” en waarop “naar Belgisch recht de volgende kwalificaties van toepassing zijn: […] B. Deelneming (mededaderschap) aan moord (art. 66 en art 394 Sw.)”. VII-42.633-15/43 Verzoeker geeft als eigen kwalificatie van de kwestieuze feiten naar Belgisch recht op dat het zou gaan om een terroristisch misdrijf in de zin van artikel 137 e.v. van het Strafwetboek, doch hij zet niet uiteen en toont derhalve niet aan dat de kwalificatie van deelneming (mededaderschap) aan moord hierdoor zou moeten worden uitgesloten of onjuist zou zijn. Uit de beoordeling van het vijfde middel infra blijkt dat de daarin aangevoerde kritiek tegen deze laatste kwalificatie ongegrond is. In het licht van het voorgaande heeft verzoeker geen belang bij zijn kritiek dat artikel 137 van het Strafwetboek met het begrip “terroristisch misdrijf” pas van kracht is geworden na de feiten op grond waarvan zijn uitlevering wordt gevraagd. 22. Verzoeker voert aan dat naar Belgisch recht een (maximum) verjaringstermijn van tien jaar van toepassing is op de feiten waarvoor zijn uitlevering is toegestaan. Uit het voorgaande blijkt dat rekening moet worden gehouden met de verjaringstermijn voor deelneming (mededaderschap) aan moord en niet met de verjaringstermijn voor het in artikel 137 van het Strafwetboek bedoelde “terroristisch misdrijf”. In de bestreden beslissing wordt overwogen “dat, ook gelet op het 2de exequaturarrest dd. 24.02.2014 en het gelijkluidende advies dd. 30.06.2015 van de K.I. Antwerpen, de strafvordering naar Belgisch recht niet is verjaard m.b.t. de feiten gekwalificeerd als 'deelneming (mededaderschap) aan moord' (sub 'B')” en dat “[r]ekening houdend met de naar Belgisch recht 'te erkennen' stuitingsdaden die tijdig, dus nuttig, in de loop van de Turkse strafprocedure zijn gesteld, […] de verjaring van de strafvordering met betrekking tot de feiten sub 'B' nog niet [ is] bereikt - cf. Cass., 1 maart 2011, P.11.0227.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110301.3;” VII-42.633-16/43 In het voormelde arrest van 24 februari 2014 oordeelt de K.I. dat de verjaring naar Belgisch recht niet bereikt is. Zij neemt hiervoor de motieven over uit de vorderingen van de procureur-generaal van 10 oktober 2013 en 13 januari 2014, waarin wordt gesteld dat voor de feiten naar Belgisch recht, te omschrijven als mededaderschap aan moord, zijnde een niet correctionaliseerbare misdaad, de verjaring van de strafvordering 15 jaar bedraagt, doch dat voor het bestaan van een eventuele stuiting of schorsing van de lopende verjaringstermijn rekening kan worden gehouden met de door de bevoegde overheden van de verzoekende staat, in casu Turkije, gestelde daden, die naar Belgisch recht (meer bepaald in de hypothese dat zij gesteld zouden zijn door de Belgische bevoegde overheden ten aanzien van de naar Belgisch recht gekwalificeerde feiten) een gelijkaardig stuitend of schorsend effect zouden hebben gehad. Te dezen komt de procureur-generaal, daarin gevolgd door de K.I. in het arrest van 24 februari 2014, tot de conclusie “dat de aflevering door de voorzitter van de 6de kamer van het Hof van Assisen te Diyarbakir van het aanhoudingsbevel bij verstek dd. 20 september 2011 ll, afgeleverd binnen de naar Belgisch recht geldende verjaringstermijn van 15 jaar (die verstreek op 2 augustus 2012 ll.) ongetwijfeld aan te zien is als een geldende stuitingsdaad voor wat betreft het onderzoek van de verjaring van de strafvordering van de feiten die naar Belgisch recht kunnen omschreven worden als mededaderschap aan moord”. Verzoeker, die enkel voorhoudt dat een verjaringstermijn van tien jaar geldt voor een terroristisch misdrijf overeenkomstig artikel 137 van het Strafwetboek, toont niet de onwettigheid van de voormelde motivering aan. 23. Verzoeker voert in het eerste middelonderdeel geen kritiek aan tegen de vaststelling in de bestreden beslissing dat de verjaring van de strafvordering naar Turks recht niet is ingetreden. Tweede en derde middelonderdeel VII-42.633-17/43 24. Het tweede en het derde middelonderdeel hebben betrekking op het volgens verzoeker niet voorhanden zijn van een betrouwbare tekst van de ingeroepen bepalingen van het Turkse strafwetboek, waardoor ook de in Turkije geldende verjaringstermijn van 30 jaar onzeker zou zijn. 25. Artikel 12.2,
  2. c)van het Europees Uitleveringsverdrag bepaalt dat ter staving van het verzoek om uitlevering “[e]en afschrift van de toepasselijke wetsbepalingen of, indien zulks niet mogelijk is, een verklaring aangaande het toepasselijke recht, alsmede een zo nauwkeurig mogelijk signalement van de opgeëiste persoon, en alle andere inlichtingen die van belang zijn om zijn identiteit en nationaliteit vast te stellen” dienen te worden overgelegd. Artikel 23 van het voormelde verdrag stelt verder dat “[d]e over te leggen stukken dienen te zijn gesteld in de taal van de verzoekende Partij of in die van de aangezochte Partij” en dat “[l]aatstgenoemde Partij […] een vertaling [kan] eisen in de door haar te kiezen officiële taal van de Raad van Europa”. 26. Vooraf dient te worden opgemerkt dat verzoeker zich niet dienstig kan beroepen op artikel 23 van het Europees Uitleveringsverdrag. Deze bepaling is enkel gericht tot de om uitlevering verzoekende staat en de om uitlevering verzochte staat. Het is enkel deze laatste – en dus niet de persoon van wie de uitlevering wordt gevraagd – die op grond van de voormelde verdragsbepaling een vertaling kan eisen in de door haar te kiezen officiële taal van de Raad van Europa. 27. Zoals verzoeker zelf aangeeft en in de bestreden beslissing wordt vastgesteld, heeft het parket-generaal van Diyarbakir op 20 september 2013 een Franse vertaling bezorgd van de aanvullende informatie. De K.I. benadrukt in haar advies van 30 juni 2014 dat het Turkse recht op beëdigde wijze werd vertaald. Volgens verzoeker bevatten deze stukken niet de Turkse bepalingen inzake de verjaring van de strafvervolging. VII-42.633-18/43 In de bestreden beslissing is echter duidelijk de inhoud terug te vinden van de te dezen van toepassing geachte Turkse bepaling inzake de verjaring van de strafvervolging, namelijk dat artikel 66 van het Turkse strafwetboek een verjaringstermijn van de strafvervolging van 30 jaar bepaalt indien het misdrijf strafbaar is met een “zware levenslange gevangenisstraf” met vervolgens de overweging dat de in het uitleveringsverzoek aangegeven geïncrimineerde periode een einde nam op 01.01.1998 en de strafvordering naar Turks recht 30 jaar later verjaart, hetzij logischerwijze ten laatste op 01.01.2028. Geen door verzoeker aangehaalde bepaling verbiedt de verwerende partij in haar onderzoek zelf een vertaling van het desbetreffende Turkse artikel op te zoeken en het op te nemen in de bestreden beslissing. Gezien de concrete aanduiding van de Turkse bepaling inzake de verjaring van de strafvervolging, de weergave van de Engelse vertaling ervan, de vermelding van de websites die werden geraadpleegd en de weergave van een vrije Nederlandse vertaling van het desbetreffende Turkse wetsartikel, was verzoeker perfect in de mogelijkheid een eventuele onjuistheid aan te geven, hetzij in de weergave van de bepaling zelf, hetzij van de toepasselijkheid ervan. Met de opmerking dat de verwerende partij grote rechtsonzekerheid schept daar geen enkele controle mogelijk is op de overeenstemming tussen de teksten op het internet en de officiële Turkse teksten, betwist verzoeker niet als dusdanig de in de bestreden beslissing weergegeven inhoud noch de toepassing van artikel 66 van het Turkse strafwetboek. Hij toont wat dat betreft a fortiori geen onwettigheid aan. De bestreden beslissing bevat noch een weergave noch een vertaling van artikel 67 van het Turkse strafwetboek, doch enkel de vermelding dat het gronden omschrijft voor de schorsing of de stuiting van de verjaring van de strafvordering. Verzoeker heeft geen belang bij zijn kritiek dienaangaande nu in de bestreden beslissing geen toepassing wordt gemaakt van deze bepaling. Er wordt immers overwogen dat de feiten op grond waarvan de uitlevering wordt gevraagd, een einde hebben genomen op 1 januari 1998 en dat de strafvordering verjaart na 30 jaar, dus op 1 januari 2028. Dit vormt enkel een toepassing van artikel 66 van het Turkse strafwetboek, niet van artikel 67 van dat wetboek. VII-42.633-19/43 28. Uit het voorgaande blijkt nog dat verzoekers kritiek als zouden de ingeroepen Turkse bepalingen betrekking hebben op de verjaring van de straf en niet van de strafvervolging, feitelijke grondslag mist. VII-42.633-20/43 Conclusie 29. Het derde middel is in zijn drie onderdelen ongegrond. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel 30. Verzoeker werpt in een vierde middel, dat hij in de toelichtende memorie herhaalt, de schending op van artikel 2bis, tweede lid, van de Uitleveringswet van 1874, van de artikelen 3, 5 en 6 van het EVRM, van artikel 1 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991. Verzoeker voert in een eerste middelonderdeel aan dat de bestreden beslissing zonder enig inhoudelijk motief ten onrechte besluit tot de afwezigheid van een risico op schending van artikel 5 van het EVRM, terwijl een schending van de redelijke termijn van de voorhechtenis is vastgesteld in de arresten van het EHRM waarnaar verzoeker verwees. Het EHRM heeft in zijn arrest van 21 juni 2011 in hoofde van verzoeker reeds een schending vastgesteld van artikel 5.3 van het EVRM. De omstandigheid dat deze laatste zaak is beëindigd met een minnelijke schikking, betekent volgens verzoeker niet dat het risico op een onredelijke voorhechtenis thans niet zou bestaan, gelet op de actuele situatie en op de situatie die hem in Turkije te wachten staat. Verzoeker voert in een tweede middelonderdeel aan dat hij in zijn conclusie voor de K.I. omstandig had aangeduid waarom hij meent te worden blootgesteld aan ernstige risico’s op schending van de artikelen 3, 5 en 6 van het EVRM. De bestreden beslissing gaat op geen enkele wijze in op die uiteenzetting in verzoekers conclusie voor de K.I., hetgeen op zich reeds een schending van de motiveringsplicht inhoudt. Verzoeker herhaalt dat hij niet op de hoogte is van het advies van de K.I. van 30 juni 2014 en dat uit de bestreden beslissing evenmin kan VII-42.633-21/43 worden afgeleid wat de K.I. op dit punt zou hebben gesteld. De bestreden beslissing bevat geen enkel antwoord op verzoekers argumenten betreffende de interpretatie van de begrippen “ernstig risico”, “flagrante rechtsweigering” en “risico op foltering”, die nochtans de juridische grondslag vormen voor de beoordeling in casu. Ze gaat evenmin in op diverse zeer specifieke, concrete en talrijke elementen die verzoeker uitvoerig had ontwikkeld in zijn besluiten en die hij thans samengevat herhaalt. Waar de bestreden beslissing verwijst naar de Nederlandse beslissing tot weigering van het vluchtelingenstatuut, kan ze volgens verzoeker niet worden genomen voordat een definitieve beslissing is genomen over het Nederlandse asielverzoek. In de uitspraak van de Nederlandse Raad van State van 15 oktober 2015 wordt uitdrukkelijk gesteld dat er voor verzoeker een ernstig risico bestaat op schending van artikel 3 van het EVRM, zodat de Belgische overheid dit niet kan negeren. Verzoeker stelt voorts dat wanneer hij een (begin van) bewijs levert van een mogelijk risico op het ondergaan van een mensonterende behandeling, de Belgische staat verplicht is dit te onderzoeken. Volgens verzoeker is dit risico tot heden niet uit te sluiten en vormt het niet uitsluiten ervan op zich reeds een schending van artikel 3 van het EVRM. Verzoeker besluit dat een ernstig onderzoek naar dit risico ontbreekt en dat zijn argumenten zeer fragmentair of zelfs helemaal niet worden beantwoord. 31. In zijn laatste memorie voegt verzoeker toe dat artikel 2bis, tweede lid, van de Uitleveringswet van 1874 een actueel onderzoek vereist van de ernstige risico’s op flagrante rechtsweigering, foltering of onmenselijke of onterende behandeling. Hij verwijst naar recente rapporten waaruit blijkt dat hij als actieve politieke militant van Hizbullah op vandaag die ernstige risico’s loopt. De verwerende partij moet aantonen dat de kwestieuze risico’s niet enkel in 2014-2015 maar ook thans niet bestaan. 32. Daarnaast werpt verzoeker in zijn laatste memorie in een “verdere uitwerking” van het vierde middel een schending op van de artikelen 6.1 en 13 van het EVRM en van “de redelijke termijn”. VII-42.633-22/43 Op grond van artikel 13 van het EVRM moet verzoeker een daadwerkelijk rechtsmiddel hebben om, naast de schending van de redelijke termijn door de procesgang in Turkije, thans ook de schending van de redelijke termijn door de rechtsgang in België te kunnen opwerpen. Verzoeker heeft op 10 april 2017 het voorliggende beroep tot nietigverklaring ingesteld bij de Raad van State en zijn vordering tot schorsing werd op 18 juli 2017 verworpen omdat de vereiste spoedeisendheid niet werd aangetoond. Verzoeker heeft tijdig een verzoek tot voortzetting en een toelichtende memorie ingediend en zijn laatste procesdaad dateert van 10 januari 2018, doch het auditoraatsverslag werd hem pas ter kennis gebracht op 23 juli 2024. Verzoeker draagt geen enkele verantwoordelijkheid voor dit tijdsverloop. Hij acht artikel 6.1 van het EVRM geschonden evenals het recht op behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Verzoeker betwist dat het verzoek tot uitlevering nog enige actualiteit heeft, nu elf jaar zijn verstreken sedert dat verzoek van 16 september 2013. Hij stelt dat het Turkse staatsbestel en de gerechtelijke organisatie in belangrijke mate zijn gewijzigd sedert de gebeurtenissen in 2016 waarbij de Gülen-beweging werd beschuldigd van een staatsgreep. Het auditoraatsverslag bevat geen enkele actualisering, ook niet wat de mensenrechtensituatie in Turkije betreft. Beoordeling Het oorspronkelijke vierde middel 33. Verzoeker richt zich tegen de beoordeling in de bestreden beslissing van het voorgehouden gevaar voor “flagrante rechtsweigering” in Turkije. Het eerste middelonderdeel betreft het voorgehouden gevaar voor schending van de redelijke termijn van de voorhechtenis (artikel 5.3 van het VII-42.633-23/43 EVRM), het tweede middelonderdeel heeft ook betrekking op de artikelen 3 en 6 van het EVRM. Ze worden hierna samen behandeld. 34. De verwerende partij overweegt in de bestreden beslissing: “ 21. Gezien de voorafgaandelijke feitelijke 'gegevens' (concl., p. 2-5) en deze als volgt samen te vatten zijn - de nummers tussen haakjes verwijzen naar de nummers uit concl.: - E. ontkent de Turkse betichtingen. Er is sprake van een persoonsverwisseling. Hij zou vrijgesproken zijn van alle betichtingen die met ‘moord' of met ontvoering te maken hadden - zie het vonnis Hof van assisen Diyarbakir dd. 30.12.2009. De veroordeling betrof enkel zijn lidmaatschap van de Turkse Hizbullah, een terroristische organisatie in de zin van artikel 168/2 Turks Strafwetboek (1.2), - Het cassatieberoep dat tot de verbreking van voormelde veroordeling leidde (arrest dd. 26.01.2011), zou onder zware politieke druk ingediend zijn. De verbreking kwam er omdat de rechtbank niet de vervolging op basis van artikel 146/1 Turks strafwetboek in aanmerking had genomen (1.2). - E. zou tijdens zijn voorlopige hechtenis in Turkije aan foltering zijn onderworpen. Hierover zou in 2001 al een klacht zijn ingediend, zowel door E. als door familieleden van hem (1.3). - Naar aanleiding van de Turkse strafzaak diende E. een klacht in bij het EHRM. Die klacht leidde tot de toekenning van een schadevergoeding wegens de lange duur en de onregelmatigheid van de voorlopige hechtenis (1.4). - Een kroongetuige in de zaak E., U., werd in zijn cel dood aangetroffen. Over deze zaak werd eveneens een klacht ingediend bij het EHRM. Deze klacht leidde tot een gedeeltelijk vaststelling van schendingen van het EVRM, nl. van artt. 5§3 en 5§4 en artt. 6§1 en 13 EVRM. In een andere zaak (Tunce e.a.), ook met betrekking tot de vervolging van Hizbullah-leden bevond het EHRM Turkije eveneens in strijd met dezelfde artikelen (1.4). - Nederland weigerde op 07.03,2012 de uitlevering van E. aan Turkije toe te staan omwille van de uitleveringsexceptie voor politieke misdrijven (1.5). - De echtgenote en de kinderen van E. verkregen op 07.11.2012 in België het statuut van politiek vluchteling. Hijzelf verzocht aan het stadsbestuur van Antwerpen verblijfsrecht in het kader van de gezinshereniging. Bij de voorlopige aanhouding van E. in Antwerpen zou excessief geweld aangewend zijn (1.6). - Turkije heeft, zeker wat de vervolging van terrorismeverdachten betreft, een slecht imago. Statistieken van het EHRM leveren daarvan het bewijs (1.7). 22. Overwegende dat, ten eerste, de vermeende onschuld van E. kan enkel door de bevoegde Turkse rechtbanken en hoven worden beoordeeld de uitleveringsprocedure is immers geen procedure in de zin van artikel 6§1 EVRM - zie om. Zarmayev t. België, nr. 35/10, arrest 27 februari 2014, 5128 en de verwijzingen naar de consistente rechtspraak van de toenmalige VII-42.633-24/43 ECRM en het EHRM aldaar. De beweerde persoonsverwisseling is zonder enige onderbouwing opgeworpen. - Ten tweede: de kritiek op het procesverloop in Turkije mist eveneens onderbouwing. De bewering dat het Turkse cassatiearrest er slechts onder politieke druk zou zijn gekomen mist elke grondstag en kan niet uit het cassatiearrest noch uit enig ander stuk van het uitleveringsdossier worden afgeleid. De bijzonder lange duur van de voorlopige hechtenis en de overige klachten n.a.v. de Turkse strafprocedure werden geremedieerd in het kader van de beslissing van het EHRM dd. 21.06.2011 waarbij de minnelijke schikking tussen E. en de Turkse overheid werd geacteerd. Er werd een schadevergoeding toegekend (zie in extenso infra, nrs, 33-34). - Ten derde: statistieken van het EHRM m.b.t. Turkije bieden hooguit een erg algemeen en sterk veralgemenend beeld. Turkije heeft een veel grotere bevolking dan veel andere lidstaten van de Raad van Europa zodat louter statistisch gezien er een aanzienlijk hoger aantal klachten bij het EHRM c.q. beslissingen en arresten van het EHRM voorkomen. In hoeverre er daadwerkelijk schendingen werden vastgesteld van de artikelen van het EHRM die dan vervolgens in deze uitleveringscontext relevant kunnen zijn, zou op zich evenmin een invloed hebben: het Hof beoordeelt zaak per - inherent telkens verschillende - zaak, op zijn beurt ook in hun - niet zelden ondertussen historisch geworden - context te bezien, zodat uit de relevante rechtspraak bezwaarlijk algemene indrukken kunnen worden afgeleid waarvan de relevantie voor deze concrete zaak niet is aangetoond. - Ten vierde: de vermeende foltering ten tijde van de voorlopige hechtenis wordt opgeworpen maar verder niet onderbouwd in de conclusie en de stukken. Indien E. destijds inderdaad gefolterd zou zijn geweest, is het aannemelijk te stellen dat E. daarover een klacht, gebaseerd op de vermeende schending van artikel 3 EVRM zou hebben neergelegd. E.’s klacht had daarentegen uitsluitend betrekking op de excessief lange duur van de voorlopige hechtenis en niet over vermeende slechte behandeling c.q. foltering tijdens die hechtenis. Met betrekking tot de samenhangende zaak U. en de andere zaak m.b.t. een groot aantal leden van de Turkse Hizbullah, moet vastgesteld worden dat de klachten, in zoverre gebaseerd op vermeende schendingen van artikel 2 en / of 3 EVRM, als manifest ongegrond werden beschouwd (zie tevens infra, nrs 33-34). - Tenslotte zijn de argumenten rondom de asielprocedure(
  3. s)en het familieteven van E. (in België) op dit punt in het algemeen en in het kort te weerleggen doordat
(1)E. vooralsnog in Nederland noch in België het statuut van politiek vluchteling heeft verkregen en
(2)in België tot dusver tweemaal toe het verblijfsrecht is geweigerd en tot twee maal toe de verzoeken in het kader van gezinshereniging werden geweigerd (zie in extenso infra, nrs. 24-25);” En verder: VII-42.633-25/43 “Overwegende dat de aangehaalde EHRM-beslissing m.b.t. E. een beslissing is waarbij de minnelijke schikking die tussen E. en de Turkse overheid tot stand kwam werd bevestigd. Enkel op basis van een vastgestelde schending van artikel 5§3 EVRM werd een schadevergoeding toegekend. Uit de vaststelling van een schending van artikel 5§3 naar aanleiding van de zeer lange voorlopige hechtenis in Turkije kan niet worden afgeleid dat E. het voorwerp is geweest van flagrante rechtsweigering en nog minder dat E. in de toekomst het ernstig risico op flagrante rechtsweigering zou lopen. In dat verband valt ook te verwijzen naar de motivering van het cassatiearrest dd. 31.12.2013 en het tweede exequaturarrest dd. 24.02.201[4] (supra, nrs. 12-13). Naar aanleiding van zijn initiële veroordeling
(2009)in Turkije en de verbreking daarvan (in 2011) heeft E. daarenboven geen nieuwe / andere klacht ingediend op basis van artikelen 3, 5 of 6 EVRM. In dit verband wordt nog verwezen naar de Nederlandse beslissing tot weigering van het statuut van politiek vluchteling van de IND dd. 20.06.2012 p. 15-19 en in het bijzonder p.16 - zie ook supra, nr. 24 e.v.. Het EHRM-arrest U. houdt enigszins verband met de zaak E. Het arrest stelde echter geen schending vast van de artikelen 2 of 3 EVRM, Ook artikel 6 EVRM bleek niet te zijn geschonden. Het Hof stelde enkel met betrekking tot de politiedetentie van U.’s zoon een schending van artikel 5§3 en een schending van artikel 5§5 EVRM vast. Voorts besloot het Hof tot een schending van artikel 8 EVRM. Het EHRM-arrest T. e.a. betreft wellswaar een zaak over de Turkse Hizbullah, doch deze is geheel niet in verband te brengen met de zaak E. Het arrest heeft evenmin een schending van artikel 2 of 3 EVRM vastgesteld. Het Hof kwam enkel tot de vaststelling van schendingen van artikel 5§3 en 5§5 (omtrent de ondergane voorlopige hechtenis), van artikel 6§1 en van artikel 13 EVRM. Deze laatste schending hield verband met de onredelijk lange duur van de strafprocedure - het betrof een bijzonder complexe en grootschalige zaak m.b.t. georganiseerde misdaad - en het ontbreken van een effectief rechtsmiddel - dat toelaat om binnen een redelijke termijn uitkomst te krijgen over een klacht die is ingediend vanwege de onredelijk lange duur van de strafprocedure. Uit de arresten U. en T. e.a. kan evenmin worden afgeleid dat E. thans of in de toekomst een ernstig risico zou lopen op flagrante rechtsweigering in Turkije. Evenmin kan uit het bestaan van voormelde beslissing en de arresten van het EHRM worden afgeleid dat E. in de toekomst opnieuw het voorwerp zou uitmaken van een schending van artikel 5 EVRM. Het EHRM hanteert in uitleveringszaken een bijzonder hoge drempel om een schending van artikel 6 EVRM in de verzoekende staat vast te stellen. De 'test' die het Hof in deze context hanteert is bijzonder ‘stringent’; zie in het bijzonder A. t. Zweden, nr. 37075/09, arrest 27 oktober 2011, § 115. Flagrante rechtsweigering betekent immers dat het strafproces manifest in strijd is - of manifest in strijd zou kunnen zijn indien de opgeëiste persoon in de verzoekende staat (verder) vervolgd dient te worden - met artikel 6 EVRM of de principes die in dit artikel zijn vervat (om S. t. Itallë [GC], no. 56581/00, § 84, ECHR 2006-11. Gelet op het voorgaande, maakte E. niet aannemelijk dat hij, indien uitgeleverd aan Turkije, aldaar zou verder zou VII-42.633-26/43 vervolgd worden c.q. opnieuw terechtstaan op een wijze die manifest in strijd dreigt te zijn met artikel 6 EVRM. Voor het overige wordt verwezen naar de discussie van de inleidende argumenten (‘feitelijke gegevens’) uit concl., 1, p. 2-5 onder supra, nrs. 21-22. Concluderend zijn er in casu geen specifieke, concrete of voldoende ernstige elementen voorhanden die het bestaan van een ernstig risico op flagrante rechtsweigering dan wel een ernstig risico op foltering, onmenselijke of onterende behandelingen of straffen in de zin van art. 2bis Uitleveringswet en art. 6 en 3 EVRM aannemelijk maken;” In het arrest van de K.I. van 24 februari 2014, waarnaar in de voormelde motivering van de bestreden beslissing uitdrukkelijk wordt verwezen, luidt het: “Na onderzoek van de elementen van het dossier stelt het Hof, kamer van inbeschuldigingstelling, vast dat er geen ernstige redenen bestaan waaruit de onmogelijkheid voor Turkije als verzoekende staat blijkt om aan de voorwaarden van artikel 5 en 6 van het EVRM te voldoen en dit om volgende redenen: - de algemene toestand van Turkije moet onderzocht in het licht van de huidige omstandigheden en niet louter op grond van de door de betrokkene opgesomde historische omstandigheden, - naar luid van de formele waarborgen […] die in het verzoek tot uitlevering worden gegeven tot staving van het verzoek tot uitlevering, zal de betrokkene door een gemeenrechtelijk rechtscollege worden berecht, zijnde de 6de kamer van het hof van assisen te Diyarbakir, die sedert 1 juni 2005 bevoegd zijn voor terrorisme misdrijven, volgens gewone rechtspleging die van kracht is in de verzoekende staat sedert 1 juni 2005 en met de rechten en rechtsmiddelen die eigen zijn aan het gerechtelijk systeem van Turkije, - nog volgens de formele waarborgen […] werden de Staatveiligheidshoven afgeschaft sedert 1 juni 2005, - voornoemde vernieuwingen werden ingevoerd in het kader van de integratie in de Europese Unie, - bij verschillen wat straffen en andere feiten betreft, tussen de oude en de nieuwe wetsbepalingen In beide strafwetboeken, zullen de wetsbepalingen die in het voordeel van de betrokkene zijn, toegepast worden, - overeenkomstig de wetsbepalingen weergegeven in de Inlichtingen bij het verzoek tot uitlevering […] riskeert de betrokkene een zware levenslange gevangenisstraf voor de misdrijven waarvoor de uitlevering wordt verzocht (art. 146 Turkse Strafwet nummer 765), doch deze straf wordt omgezet in andere straffen gelet op artikel 59 Turkse Strafwet 765, dat bepaalt dat, onafhankelijk van de verzachtende omstandigheden door de wet bepaald, de rechtbank telkens de bijzondere verzachtende omstandigheden ten gunste VII-42.633-27/43 van de betrokkene zal aanvaarden, zodat de levenslange straf zal vervangen worden door een opsluiting van 30 jaar […], - de voorlopige hechtenis ondergaan voor dat het vonnis kracht van gewijsde heeft gekregen, wordt afgetrokken van de veroordeling (art, 40 Turkse Strafwet nummer 765), - de Turkse Staat garandeert de toepassing van het specialiteitsbeginsel, - de Turkse Staat waarborgt verder dat de betrokkene alle rechten zal kunnen genieten die voorzien zijn in de Internationale verdragen waarin Turkije deelneemt alsmede van deze voorzien in het Turks intern recht. De door de betrokkene aangevoerde gegevens, ten opzichte van hemzelf hebben niet het concrete en reële karakter dat de aangevoerde risico's geloofwaardig zou maken. Zij doen niet in alle ernst vrezen dat hij het risico loopt aan een flagrante rechtsweigering of foltering of onmenselijke of onterende behandeling onderworpen te worden bij uitlevering. Ook de opmerking van de betrokkene dat uit het uitleveringsdossier niet blijkt dat de Turkse strafwetgeving thans over een adequaat middel zou beschikken tegen de schending van de redelijke termijn, waarvoor het reeds vroeger werd veroordeeld door het EHRM, heeft evenmin het concrete en reële karakter dat de aangevoerde mogelijke schending van de redelijke termijn geloofwaardig maakt. Dit argument doet niet in alle ernst vrezen dat de betrokken aan een flagrante rechtsweigering of foltering of onmenselijke of onterende behandeling wordt onderworpen, mocht hij uitgeleverd worden. Wat het verleden betreft bekwam de betrokkene reeds de verbintenis tot vergoeding van de schade door betaling van een geldsom, wegens een te lange voorhechtenis, waarvan door het EHRM akte werd genomen (EHRM arrest 21 juni 2011). Dat de betrokkene bij eventuele uitlevering aan Turkije verder in hechtenis zal blijven is eerder waarschijnlijk gelet op het feit dat hij zich heeft onttrokken na zijn vrijlating op 30 december 2009 en dit ondanks de langdurige hechtenis tijdens de behandeling van de zaak ten gronde in Diyarbakir, waarvoor hij reeds herstel ontving. Op grond van de stukken die in het dossier voorliggen kan dan ook geenszins gesteld worden dat, in tegenstelling tot hetgeen de betrokkene voorhoudt, de hem door het EVRM gewaarborgde rechten niet zullen worden gerespecteerd, hierin begrepen zijn rechten ten overstaan van het bij verstek uitgevaardigde bevel tot aanhouding.” 35. Naar luid van artikel 2bis, tweede lid, van de Uitleveringswet van 1874 kan uitlevering niet worden toegestaan “wanneer er ernstige risico's bestaan dat de persoon, indien hij wordt uitgeleverd, in de verzoekende Staat wordt onderworpen aan een flagrante rechtsweigering of aan foltering of onmenselijke en onterende behandeling”. Deze bepaling vereist dat de persoon wiens uitlevering wordt gevraagd, in de verzoekende staat met enige graad van waarschijnlijkheid VII-42.633-28/43 het voorwerp zal uitmaken van een schending van artikel 3 van het EVRM, dan wel van de meest ernstige schendingen van de artikelen 5 en 6 van het EVRM. Het EHRM heeft herhaaldelijk bevestigd dat de uitlevering naar een daartoe verzoekende staat een probleem ten aanzien van artikel 3 van het EVRM kan opleveren, en dus de uitleverende staat verantwoordelijk kan stellen, wanneer er ernstige en bewezen motieven bestaan om aan te nemen dat de betrokkene in de verzoekende staat een reëel gevaar loopt om te worden onderworpen aan behandelingen die in strijd zijn met artikel 3 van het EVRM (zie onder meer EHRM 7 juli 1989, Soering/Verenigd Koninkrijk, punten 88 en 91; EHRM [G.K.] 15 november 1996, Chahal/Verenigd Koninkrijk, punt 74; EHRM 4 februari 2005, Mamatkulov en Askolov/Turkije, punt 74 en EHRM 27 februari 2014, Zarmayev/België, punt 87). 36. Met de supra geciteerde overwegingen wordt in de bestreden beslissing, dan wel in het arrest van de K.I. van 24 februari 2014 waarnaar deze beslissing verwijst, omstandig uiteengezet waarom te dezen het door verzoeker aangehaalde risico op “flagrante rechtsweigering” of op een schending van de aangehaalde artikelen van het EVRM niet wordt aangenomen. De gronden hiervoor blijken duidelijk uit de bestreden beslissing zelf en het voormelde arrest van de K.I. Verzoeker toont niet aan dat die motivering niet afdoende zou zijn in het licht van de vereisten van de wet van 29 juli 1991. Anders dan verzoeker lijkt voorop te stellen, vereist de in de voormelde wet vervatte formelemotiveringsplicht immers niet dat in de bestreden beslissing wordt geantwoord op ieder door verzoeker in zijn conclusie voor de K.I. aangevoerd argument. Specifiek met betrekking tot artikel 5.3 van het EVRM, geeft de bestreden beslissing duidelijk de redenen weer waarom de verwerende partij van oordeel is dat er geen gevaar bestaat voor een onredelijke voorhechtenis, rekening gehouden met de door verzoeker voordien gevoerde procedure bij het EHRM die tot een minnelijke schikking met schadevergoeding voor verzoeker heeft geleid. VII-42.633-29/43 Uit wat voorafgaat blijkt dat de verwerende partij in de bestreden beslissing van oordeel is dat er geen aanwijzing is voor het bestaan van een ernstig risico dat verzoeker na uitlevering zou worden onderworpen aan flagrante rechtsweigering, foltering of onmenselijke of onterende behandeling. Verzoeker herhaalt in wezen zijn eigen reeds voor de K.I. ontwikkeld standpunt, maar hij maakt daarmee niet aannemelijk dat hij door zijn uitlevering naar Turkije een ernstig en reëel gevaar loopt aldaar te worden blootgesteld aan een behandeling die in strijd is met de artikelen 3 en 6 van het EVRM en dat de verzoekende partij met haar beoordeling deze verdragsbepalingen zou hebben geschonden. De “verdere uitwerking” van het vierde middel 37. Zoals reeds vermeld, is artikel 6 van het EVRM niet van toepassing op geschillen betreffende onder meer de verwijdering van vreemdelingen en derhalve niet op het beroep tot nietigverklaring waarmee verzoekers uitlevering aan de regering van Turkije wordt toegestaan. Vermits verzoeker in dit verband geen ander door het EVRM beschermd belang opwerpt, is de opgeworpen schending van artikel 13 van het EVRM evenmin ontvankelijk. Verzoeker steunt de voorgehouden schending van de redelijke termijn van het procesverloop in België op het feit dat het auditoraatsverslag van 1 juli 2024 hem pas op 23 juli 2024 werd meegedeeld, zes en een half jaar na verzoekers laatste procesdaad op 10 januari 2018. Daargelaten de vraag welk nadeel verzoeker daardoor heeft geleden – zo wordt niet betwist dat de bestreden beslissing ook na de verwerping van de vordering tot schorsing nooit werd uitgevoerd – ontslaat de gebeurlijke overschrijding van de redelijke termijn de Raad van State niet van zijn plicht uitspraak te doen over verzoekers beroep tot nietigverklaring. Dergelijke overschrijding verplicht de Raad van State er ook niet toe het beroep tot nietigverklaring gegrond te verklaren. Conclusie VII-42.633-30/43 38. Het vierde middel is in zijn beide onderdelen en in zijn “verdere uitwerking” in verzoekers laatste memorie, voor zover ontvankelijk, ongegrond. E. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel 39. Verzoeker werpt in een vijfde middel, dat hij in de toelichtende memorie herhaalt, de schending op van “de exceptie van politiek misdrijf”, van het beginsel ne bis in idem, van artikel 3 van het Europees Uitleveringsverdrag, van artikel 6 van de wet van 1 oktober 1833 ‘op de uitleveringen’ (hierna: Uitleveringswet van 1833), van artikel 1 van het eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Uitleveringsverdrag, van de ministeriële omzendbrief van 16 juni 1998 ‘betreffende uitlevering’ en van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991. Verzoeker voert in een eerste middelonderdeel aan dat hij voor de K.I. had opgeworpen dat “de exceptie van politiek misdrijf” diende te worden toegepast aangezien het enige misdrijf dat in het aanhoudingsmandaat en in het uitleveringsdossier formeel is opgenomen, de “poging tot gehele of gedeeltelijke wijziging van de Grondwet van de Turkse republiek door gebruik van geweld” is. Hiervoor wordt in het Turkse dossier uitsluitend artikel 146/1 van de Turkse strafwet vermeld. Volgens de bestreden beslissing is de kwalificatie van de feiten in de verzoekende staat “irrelevant” en zijn de misdrijven te kwalificeren als misdrijven van gemeen recht, waarbij wordt verwezen naar punt 28 van de bestreden beslissing. Verzoeker acht dit punt 28 evenwel niet relevant daar het handelt over de verjaring en niet over de beoordeling van de feiten met betrekking tot het politiek karakter ervan. Het is volgens hem overigens niet omdat feiten worden gekwalificeerd als feiten van gemeen recht, dat ze geen politiek delict zouden kunnen vormen. Sinds het Aanvullend Protocol bij het Europees Uitleveringsverdrag, dient met betrekking tot de misdrijven en inbreuken die niet kunnen worden beschouwd als politieke delicten, a contrario te worden aanvaard VII-42.633-31/43 dat de delicten die niet onder de definitie van artikel 1 van dat Protocol vallen, op zich wel kunnen worden beschouwd als politieke delicten. Verzoeker wijst er voorts op dat de Belgische rechtspraak een onderscheid maakt tussen zuiver politieke misdrijven, die vanwege hun aard de politieke orde op rechtstreekse wijze aantasten, en de gemengde politieke misdrijven, die in se gemeenrechtelijke misdrijven zijn, maar die omwille van de omstandigheden of de motieven van de dader als politiek misdrijf worden beschouwd. Opdat een gemeenrechtelijk misdrijf van politieke aard is, vereist de rechtspraak van het Hof van Cassatie dat eerst en vooral het misdrijf een politiek doel nastreeft, met andere woorden dat het een aanslag op de politieke orde beoogt, en vervolgens, dat het op zichzelf, werkelijk en rechtstreeks, zonder andere tussenfactoren, de door de dader beoogde uitwerking heeft. Verzoeker betoogt dat dit in casu onbetwistbaar het geval is, nu zijn uitlevering wordt gevraagd op basis van de hogervermelde verdenking. Het gaat, aldus verzoeker, om een verdenking wegens een beweerde inbreuk op de Turkse antiterreurwetgeving. Volgens verzoeker blijkt uit de door hem geciteerde rapporten dat Turkije de antiterreurwetgeving misbruikt voor politieke doeleinden. De beweging waarvan verzoeker deel zou uitmaken, Hizbullah, wordt verweten het grondwettelijk systeem van Turkije te willen wijzigen, en dit is ook het concrete misdrijf dat aan verzoeker wordt ten laste gelegd (“Poging tot gehele of gedeeltelijke wijziging van de Grondwet van de Turkse Republiek door gebruik van geweld”). Het gaat bijgevolg om een uitgesproken politiek misdrijf. Verzoeker wijst er voorts op dat artikel 3 van het Europees Uitleveringsverdrag het niet enkel heeft over een politiek delict, maar ook over een met een dergelijk delict samenhangend feit. Het gaat bijgevolg over een breder concept dan wat in de Belgische rechtspraak in het gemeen recht als een politiek delict wordt beschouwd. Verzoeker besluit dat de motivering niet volstaat in het licht van hetgeen hij voor de K.I. heeft aangevoerd en dat het begrip “politiek misdrijf” wordt miskend in de bestreden beslissing. Verzoeker voert in een tweede middelonderdeel aan dat, zelfs als het motief juist zou zijn dat de uitleveringsweigering door Nederland geen gezag van gewijsde heeft ten aanzien van enig ander land, dit de verwerende partij er niet VII-42.633-32/43 van ontslaat om te motiveren waarom de Nederlandse rechtspraak dan niet wordt bijgetreden. Verzoekers argument dat de Nederlandse rechter wel is uitgegaan van de door Turkije gegeven kwalificatie, namelijk artikel 146 van het Turkse Strafwetboek, wordt niet beantwoord door de redengeving in punt 30 van de bestreden beslissing. Zelfs als het om een misdrijf van gemeen recht zou gaan, zoals de verwerende partij ten onrechte voorhoudt, betekent dit volgens verzoeker niet dat geen motivering meer nodig is betreffende de kwalificatie door Turkije zelf van het misdrijf, laat staan dat zonder meer kan worden voorbijgegaan aan de kwalificatie door een andere rechtsstaat van het dossier met dezelfde feitelijke en juridische gegevens. 40. In zijn laatste memorie benadrukt verzoeker dat hij in Turkije niet wordt vervolgd voor moord maar voor een duidelijk politiek misdrijf. Beoordeling Eerste middelonderdeel 41. In de bestreden beslissing wordt vastgesteld dat de feiten waarvoor de regering van Turkije verzoekers uitlevering vraagt, naar Belgisch recht bestaat uit “deelneming aan – vijf feiten – moord”. Anders dan verzoeker voorhoudt, volstaat het gegeven dat in het verzoek tot uitlevering sprake is van “poging tot gehele of gedeeltelijke wijziging van de Grondwet van de Turkse republiek door gebruik van geweld”, niet om te besluiten tot het bestaan van een politiek misdrijf, waardoor de uitlevering niet zou mogen worden toegestaan. Artikel 6 van de Uitleveringswet van 1833 verbiedt uitdrukkelijk de uitlevering voor een politiek misdrijf of wegens een met een dergelijk misdrijf samenhangend misdrijf. Onder een politiek misdrijf in de zin van die bepaling worden enkel de feiten verstaan waarvan het exclusieve karakter bestaat in het VII-42.633-33/43 rechtstreeks afbreuk doen aan de politieke orde van een bepaald land. De voormelde bepaling mag echter niet worden toegepast op feiten die, wat ook het doel moge zijn dat de dader nastreeft en ongeacht de politieke vorm van het land waar het feit is gepleegd, zware gewelddaden tegen personen kunnen vormen. De feiten waarover het te dezen gaat, hebben betrekking op deelneming aan moord (vijf feiten) en dus op zware gewelddaden tegen personen. Het arrest van de K.I. van 24 februari 2024, waarnaar in de bestreden beslissing wordt verwezen, bevat dienaangaande nog de volgende nuttige overwegingen: “De feiten en beschouwingen die de betrokkene doet gelden ter onderbouwing van zijn stelling dat het om politieke misdrijven zou gaan, zijn niet van aard om vast te stellen dat hij als beweerd lid van de organisatie HIZBULLAH, precies door dit lidmaatschap aanslagen met een rechtstreekse uitwerking op de politieke orde zou hebben gepleegd. Tenslotte wordt vastgesteld dat bedoelde aanslagen daarenboven steeds dienen gericht te zijn tegen de instellingen zelf en niet – zoals in deze zaak volgens de vordering van de procureur-generaal te Diyarbakir van 31 juli 2001 – tegen personen zonder enige binding met het Turks staatsbestel.” Artikel 6 van de Uitleveringswet van 1833 wordt dan ook niet geschonden door dergelijke feiten niet te beschouwen als politieke misdrijven in de zin van die bepaling. 42. Artikel 3.1 van het Europees Uitleveringsverdrag bepaalt dat uitlevering niet wordt toegestaan, “indien het strafbare feit waarvoor zij wordt verzocht, door de aangezochte Partij als een politiek delict of als een met een dergelijk delict samenhangend feit wordt beschouwd”. Deze bepaling heeft betrekking op de kwalificatie in de aangezochte staat en de verwerende partij is net van oordeel dat het niet om een politiek delict of daarmee samenhangend feit gaat. Artikel 1 van het (eerste) Aanvullend Protocol bij het Europees Uitleveringsverdrag luidt: “Voor de toepassing van artikel 3 van het Verdrag, worden niet als politieke delicten beschouwd : VII-42.633-34/43
  1. a)misdrijven tegen de menselijkheid bedoeld in het Verdrag inzake de voorkoming en de bestraffing van genocide, aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 9 december 1948;
  2. b)inbreuken bedoeld in artikel 50 van het Verdrag van Geneve van 1949 voor de verbetering van het lot der gewonden en zieken, zich bevindende bij de strijdkrachten te velde, artikel 51 van het Verdrag van Genève van 1949 voor de verbetering van het lot der gewonden, zieken en schipbreukelingen van de strijdkrachten ter zee, artikel 130 van het Verdrag van Genève van 1949 betreffende de behandeling van krijgsgevangenen en artikel 147 van het Verdrag van Genève van 1949 betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd;
  3. c)alle soortgelijke niet reeds in de hierboven bedoelde bepalingen van de Verdragen van Geneve voorziene schendingen van de wetten van de oorlog die van kracht zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit Protocol, alsmede van de op dat tijdstip bestaande oorlogsgebruiken.” Dit artikel bevat drie categorieën van misdrijven of inbreuken die per definitie niet als politieke delicten worden beschouwd in de zin van artikel 3 van het Europees Uitleveringsverdrag. Dit houdt echter niet in dat alle andere misdrijven wel als politieke misdrijven kunnen worden beschouwd, ongeacht het feit dat ze – zoals te dezen – zware gewelddaden tegen personen vormen. Er kan alleszins niet uit worden afgeleid dat de feiten op grond waarvan verzoekers uitlevering is gevraagd en wordt toegestaan, verplicht als een politiek misdrijf moeten worden beschouwd. Het begrip “politiek delict” in het Europees Uitleveringsverdrag wordt derhalve niet miskend met de bestreden beslissing. Tweede middelonderdeel 43. De verwerende partij overweegt in de bestreden beslissing het volgende over de uitleveringsprocedure in hoofde van verzoeker in Nederland: “Ekinci bevond zich sinds 30.01.2011 in Nederland. Turkije verzocht op 23 november 2011 de uitlevering op grond van dezelfde feiten en titel aan Nederland. De uitlevering werd op 7 maart 2012 door de arrondissementsrechtbank te Zwolle ontoelaatbaar bevonden omdat het misdrijf waarvoor de uitlevering werd verzocht werd vergeleken en gelijkgesteld met een Nederlands misdrijf dat door de Nederlandse rechtspraak consistent als een politiek misdrijf wordt beschouwd (artikel 94 NSw). De Hoge Raad bevestigde op 9 oktober 2012 het ontoelaatbaarheidsvonnis van de arrondissementsrechtbank, ondanks de VII-42.633-35/43 andersluidende conclusie van advocaat-generaal Vegter. De Nederlandse uitleveringsprocedure c.q. de definitieve beslissing die daar is uit voortgevloeid, is net als de Belgische uitleveringsprocedure echter geen beslissing in de zin van artikel 6§1 EVRM - cf. supra, nr. 22 en de verwijzing naar de rechtspraak van het EHRM aldaar. Enkel de bevoegde Turkse rechtbanken kunnen de zaak ten gronde beoordelen. De Nederlandse uitleveringsbeslissing heeft bijgevolg geen gezag van gewijsde t.a.v. enig ander land dat later over het Turkse uitleveringsverzoek m.b.t. dezelfde persoon en dezelfde feiten zou moeten oordelen. Het beginsel ne bis in idem zoals vastgelegd in artikel 9 van de Europese uitleveringsovereenkomst zou enkel gelden indien Ekinci in België in het kader van een strafprocedure in de zin van artikel 6 EVRM wegens dezelfde strafbare feiten veroordeeld of vrijgesproken zou geweest zijn.” In het arrest van de K.I. van 24 februari 2014 luidt het nog “dat in de derde staat die Nederland is met betrekking tot het uitleveringsverzoek in kwestie, ter zake van de feiten waarop het verzoek tot uitlevering is gegrond, betrokkene niet door de bevoegde autoriteiten van deze derde staat onherroepelijk is berecht”, zodat “het bepaalde in de 4 alinea’s van artikel 9 van het Europees Uitleveringsverdrag van 1957 […] niet van toepassing [is] op het uitleveringsverzoek in kwestie”. 44. Het beginsel ne bis in idem wordt in artikel 9 van het Europees Uitleveringsverdrag als volgt verwoord: “Non bis in idem Uitlevering wordt niet toegestaan, wanneer de persoon wiens uitlevering is verzocht, ter zake van het feit of van de feiten waarop dit verzoek was gegrond, door de bevoegde autoriteiten van de aangezochte Partij onherroepelijk is berecht. Uitlevering kan worden geweigerd, indien de bevoegde autoriteiten van de aangezochte Partij hebben besloten ter zake van hetzelfde feit of dezelfde feiten geen vervolging in de stellen, dan wel een ingestelde vervolging te staken.” Dat Nederland de uitlevering niet heeft toegestaan omdat de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd naar Nederlands recht een politiek misdrijf zouden vormen, houdt niet in dat verzoeker in Nederland onherroepelijk is berecht voor de kwestieuze feiten. Verzoeker toont dan ook niet aan dat te dezen VII-42.633-36/43 sprake is een mogelijke dubbele bestraffing of dubbele berechting in geval van uitlevering aan Turkije. 45. Met de supra weergegeven motivering van de bestreden beslissing wordt derhalve op afdoende wijze gemotiveerd waarom het beginsel ne bis in idem niet wordt geschonden door het feit dat Nederland de door Turkije gevraagde uitlevering wel heeft geweigerd. Verder blijkt uit de bestreden beslissing duidelijk waarom het verzoek tot uitlevering in België wel kan worden toegestaan. De formelemotiveringsplicht vereist niet dat de motieven van de Nederlandse beslissing, die gesteund is op kwalificaties naar Nederlands recht en geen gezag van gewijsde heeft ten opzichte van de Belgische instanties, inhoudelijk worden weerlegd. Conclusie 46. Het vijfde middel is in zijn beide onderdelen ongegrond. F. Zesde middel Uiteenzetting van het middel 47. Verzoeker werpt in een zesde middel, dat hij in de toelichtende memorie herhaalt, de schending op van artikel 8 van het EVRM, van de artikelen 23 en 24 van richtlijn 2011/95 en van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991. Verzoeker voert in een eerste middelonderdeel aan dat de bestreden beslissing geen antwoord bevat betreffende de door hem opgeworpen specifieke toepassing van artikel 23 van richtlijn 2011/95. De bestreden beslissing bevat volgens verzoeker geen motief over het al of niet toepassen van deze VII-42.633-37/43 bepaling, noch over de door verzoeker ingeroepen noodzaak van een onderzoek van de instandhouding van het gezin. Verzoeker voert in een tweede middelonderdeel aan dat hij concrete elementen heeft aangehaald voor de noodzakelijk uit te voeren proportionaliteitsafweging op grond van artikel 8 van het EVRM en dat hij hierbij ook specifiek heeft gewezen op het belang van de kinderen. In de bestreden beslissing wordt hoofdzakelijk verwezen naar rechtspraak van het EHRM, zonder deze evenwel concreet te toetsen aan zijn situatie. Zo bevat de bestreden beslissing geen motivering met betrekking tot de kinderen en worden zij niet betrokken bij de beoordeling van verzoekers recht op gezinsleven, minstens wordt niet geantwoord op hetgeen verzoeker hierover heeft aangevoerd. Er is geen proportionaliteitsafweging conform artikel 8.2 van het EVRM gebeurd, waarbij de elementen “noodzaak, proportionaliteit en subsidiariteit” in overweging moeten worden genomen. Uit de zeer beperkte motivering in de eerste alinea van punt 36 van de bestreden beslissing kan volgens verzoeker niet worden afgeleid dat het om een echte proportionaliteitsafweging gaat. De verwijzing naar de asielprocedures en naar het feit dat het verblijfsrecht in België tot tweemaal toe zou zijn geweigerd, is niet relevant vermits in het kader van de uitlevering een autonome beoordeling moet worden gemaakt. Verzoeker wijst er verder op dat die weigeringsbeslissingen niet definitief zijn noch waren op het ogenblik van de uitleveringsbeslissing. Dat zijn verblijf in Nederland niet compatibel zou zijn “nu het gezinsleven zich in België situeert”, valt volgens verzoeker evenmin te begrijpen, daar de bestreden beslissing daarmee volledig de realiteit miskent van het gezin, met echtgenote en vier kinderen, en het gegeven dat zij steeds hebben samengewoond in de mate dat de vervolgingen van verzoeker dit toelieten,. Er wordt geen enkele overweging gewijd aan het familieleven in Turkije, het bestaan van vier kinderen, het gegeven dat verzoekers echtgenote en kinderen als vluchteling zijn erkend in België, precies omwille van verzoekers dossier en dus omdat zij familieleden van hem zijn, hoewel deze elementen door verzoeker waren ontwikkeld en alleszins gekend waren door de verwerende partij. Minstens is er volgens verzoeker geen proportionaliteitsafweging gebeurd tussen enerzijds de belangen van de Belgische VII-42.633-38/43 staat om uit te leveren en anderzijds de belangen van verzoekers gezinsleven, zodat de vereiste “eerlijke balanstoets” niet is uitgevoerd. 48. In zijn laatste memorie voegt verzoeker toe dat zijn echtgenote en vier kinderen in België verblijven en inmiddels de Belgische nationaliteit hebben, hetgeen ook voor zijn twee kleinkinderen het geval is. Verzoeker heeft nog een beroep tot nietigverklaring lopen bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen tegen de weigering van zijn verblijfsaanvraag in functie van zijn Belgisch minderjarig kind. Verzoeker heeft een inburgeringsattest en een certificaat Nederlands tweede taal. Hij besluit dat deze gegevens in aanmerking moeten worden genomen bij de toetsing aan artikel 8 van het EVRM. Beoordeling Eerste middelonderdeel 49. Artikel 23 van richtlijn 2011/95 heeft betrekking op de instandhouding van het gezin. Het betreft in het bijzonder gezinsleden van een persoon met de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus. Zoals het Hof van Cassatie reeds in zijn in de bestreden beslissing vermeld arrest van 22 april 2014 over verzoekers cassatieberoep tegen het arrest van de K.I. van 14 februari 2014 heeft geoordeeld, houdt het voornoemde artikel 23 niet in dat de uitlevering van een persoon die deze status niet heeft, moet worden geweigerd omdat zijn gezinsleden deze status wel hebben. In de bestreden beslissing moest dan ook niet nader worden gemotiveerd over artikel 23 van richtlijn 2011/95. Verder blijkt uit de beoordeling van het tweede middelonderdeel hierna, dat de verwerende partij wel degelijk verzoekers argumentatie betreffende de gevolgen van een uitlevering voor zijn voorgehouden familieleven in de beslissing betrekt. Tweede middelonderdeel VII-42.633-39/43 50. Met betrekking tot de inmenging in het gezinsleven en artikel 8 van het EVRM wordt in de bestreden beslissing overwogen: “37. Aangezien de verdediging tevens stelt dat de uitlevering van E. een SCHENDING VAN ZIJN FAMILIELEVEN zou uitmaken (concl., p. 50-52). Zijn gezin woont immers al geruime tijd in Antwerpen. Zijn echtgenote en vier kinderen verkregen in België het statuut van politiek vluchteling. E. heeft in laatste aanleg (thans voor de Raad van State) nog een asielprocedure lopen in Nederland. E. verzocht ook in België twee maal om asiel en verzocht om een verblijfstitel in Antwerpen; 38. Overwegende dat voor wat de lopende asielprocedures in extenso wordt verwezen naar supra, nrs. 23-25. In het bijzonder en in het licht van het in België (Antwerpen) gesitueerde familieleven valt te wijzen op het tot dusver twee maal toe geweigerde verblijfsrecht en de weigeringsbeslissingen m.b.t. de gezinshereniging. De voorbije asielprocedure in Nederland – E. verbleef enige tijd in Nederland - valt aan te stippen dat deze niet compatibel voorkomt, nu het familieleven zich in België, meer precies in Antwerpen en dus niet in Nederland situeert. Overwegende dat uitlevering met haar verdragsrechtelijke en wettelijke grondslag een legitieme uitzondering vormen op het recht op een privéleven en een familieleven. De constante rechtspraak van het EHRM toont aan dat het Hof slechts uitzonderlijk een schending vaststelt van het recht op familieleven wanneer een onderdaan of ingezetene wegens een in het buitentand gevoerde vervolging of een buitenlandse veroordeling het voorwerp uitmaakt van een uitleveringsprocedure. Zie om. Aronica t. Duitsland, nr. 72032/01, beslissing 18 april 2002, §2; Babar Ahmad e.a, t. VK, nrs. 24027/07, 11949/08 & 36742/08, beslissing 6 juli 2010, §172; Babar Ahmad e.a. t. VK, nrs. 24027/07, 11949/08 & 36742/08, 66911/09 & 67354/09, arrest 10 april 2012, §246 en §252; Shakurov t. Rusland, nr. 55822/10, EHRM, arrest 5 juni 2012, §§189-203. De enige te onderzoeken factor is de proportionaliteit van de uitlevering ais inbreuk op het familieleven: vgl. King t. VK, nr. 9742/07, beslissing 26 januari 2010, §29. In alle geciteerde zaken vond het EHRM de onmiskenbaar negatieve invloed van de uitlevering op het familieleven van de opgeëiste persoon in elk geval niet disproportioneel in het licht van het legitieme doel van de uitlevering. Aangezien de opgeëiste persoon het voorwerp uitmaakt van vervolging wegens ernstige misdrijven en vooralsnog geen verblijfsrecht heeft in België kan in casu geen gewag worden gemaakt van een uitzondering op het familieleven die in strijd zou zijn met artikel 8§2 EVRM;” In het arrest van de K.I. van 24 februari 2024 wordt dienaangaande reeds overwogen: VII-42.633-40/43 “De uitvoerbaarverklaring van het bevel tot aanhouding bij verstek van 20 september 2011 houdt geen schending in van het recht van de betrokkene op de eerbiediging van het gezinsleven zoals voorzien in artikel 8.1 EVRM of van de rechten voorzien in de artikelen 10 en 12 bis van de Vreemdelingenwet of van deze voorzien in artikel 23 van de richtlijn 2004/83/EG van 29 april 2004 inzake de minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen, als vluchteling of als persoon die anderszins Internationale bescherming behoeft, en dit om volgende redenen: - voorafgaand aan zijn aanvraag d.d. 12 juni 2013 tot verblijf in België bij zijn gezin, verbleef de betrokkene reeds enkele jaren in Nederland alwaar tegen hem een procedure tot uitlevering liep en hij een aanvraag deed om als politiek vluchteling te worden erkend; ~ gelet op de aanvraag d.d. 12 juni 2013 verbleef de betrokkene slechts gedurende een zeer korte termijn bij zijn gezin In België, meer bepaald aan de D. te Antwerpen, alwaar hij werd aangehouden; - het is weinig waarschijnlijk dat de betrokkene geen familiale of sociale banden zou hebben in Turkije; - de ernst en de hoeveelheid van de aan de betrokkene ten taste gelegde feiten in Turkije; - de redenen uiteengezet in de aanvullende rechtsvordering van 23 oktober 2013 dienaangaande (p. 7 en 8) van de procureur-generaal, die hier uitdrukkelijk worden hernomen. Hieraan wordt geen afbreuk gedaan door de vaststelling dat de echtgenote en de vier kinderen van de betrokkene in België werden erkend als politieke vluchtelingen en evenmin door de andere middelen aangehaald In de conclusie van de betrokkene.” 51. Artikel 8 van het EVRM bepaalt: “1. Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privéleven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling. 2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van ’s lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.” Aan de orde is enkel de proportionaliteitstoets vervat in artikel 8.2 van het EVRM. Volgens vaste rechtspraak van het EHRM primeert het gezins- of familieleven van verzoeker in een Staat slechts in “uitzonderlijke omstandigheden” op het legitieme doel van zijn uitlevering (EHRM 4 september VII-42.633-41/43 2014, nr. 140/10, Trabelsi/België, punt 169; EHRM 24 juli 2014, nr. 22.205/13, Čalovskis/Letland, punt 147; EHRM 5 juni 2012, nr. 55.822/10, Shakurov/Rusland, punt 196 en 202; EHRM 10 april 2012, nrs. 24027/07 e.a., Babar Ahmad e.a./Verenigd Koninkrijk, punt 252; EHRM (Déc.) 6 januari 2015, nr. 30.541/12, Vlas e.a./Roemenië, punt 47; EHRM (Déc.) 11 juni 2013, nr. 15.594/11, Ketchum/Roemenië, punt 34; EHRM (Déc.) 26 januari 2010, nr. 9.742/07, King/Verenigd Koninkrijk, punt 29). Artikel 8 van het EVRM staat er niet aan in de weg dat een contracterende Staat een gunstig gevolg geeft aan een verzoek tot uitlevering uitgaande van een andere Staat. De uitlevering is, in het licht van artikel 8.2 van het EVRM, aldus een bij de wet voorziene toegelaten inmenging van het openbaar gezag. De door verzoeker ingeroepen elementen zijn, zoals hierna concreet blijkt, het noodzakelijke en gebruikelijke gevolg van elke uitleveringsprocedure die leidt tot de detentie van een vreemdeling in een land waar hij niet gewoonlijk verblijft. Verzoeker heeft te dezen geen uitzonderlijke omstandigheden aangevoerd en beperkte zich reeds voor de K.I. tot de verwijzing naar zijn huwelijk met een erkend vluchteling, naar zijn Belgische kinderen, naar zijn verzoeken om internationale bescherming in Nederland en in België en naar zijn verblijfsaanvraag in België. Uit het administratief dossier blijkt overigens dat verzoeker nooit enig vast verblijf in België had en dat hem tot tweemaal toe het verblijfsrecht werd geweigerd en weigeringsbeslissingen werden genomen in het kader van zijn aanvragen tot gezinshereniging. Voorts oordeelt de verwerende partij niet onterecht dat verzoeker enige tijd in Nederland verbleef en er aldaar asiel aanvroeg, hetgeen evenmin verenigbaar voorkomt met zijn familieleven dat zich in België situeert, meer bepaald in Antwerpen en dus niet in Nederland. Aldus blijkt dat wel degelijk rekening is gehouden met verzoekers gezinssituatie. Zoals hij zelf aangeeft, beschikt verzoeker nog steeds over geen verblijfsrecht in België. Door in deze context te oordelen dat “de opgeëiste persoon het voorwerp uitmaakt van vervolging wegens ernstige misdrijven en vooralsnog geen VII-42.633-42/43 verblijfsrecht heeft in België” en dat er dus geen gewag kan gemaakt worden van “een uitzondering op het familieleven die in strijd zou zijn met artikel 8§2 EVRM”, blijkt niet dat de verwerende partij bij de afweging of de uitlevering van verzoeker proportioneel is met het belang van de Staat die om zijn uitlevering verzoekt, tot een conclusie is gekomen die strijdig is met artikel 8.2 van het EVRM. Verzoeker toont niet aan dat bij de voormelde afweging bepaalde elementen ten onrechte buiten beschouwing zouden zijn gelaten. 52. Het zesde middel is in zijn beide onderdelen ongegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op achtentwintig april tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-42.633-43/43 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.114 Gerelateerde publicatie(
  4. s)citeert: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110301.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.