id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.114 Rolnummer: A. 221897/VII-42633 Zaak: Arrest 263114 - Uitleveringen - 28/04/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-05-13 Raadplegingen: 186 - laatst gezien 2026-06-16 05:09 Fiche Arrest nr 263.114 van 28 april 2025 Vreemdelingen - Uitleveringen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 263.114 van 28 april 2025 in de zaak A. 221.897/VII-42.633 In zake: A.E. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rafael Jespers kantoor houdend te 2018 Antwerpen Broederminstraat 38 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bernard Derveaux kantoor houdend te 1000 Brussel Verenigingstraat 28 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
(2009)in Turkije en de verbreking daarvan (in 2011) heeft E. daarenboven geen nieuwe / andere klacht ingediend op basis van artikelen 3, 5 of 6 EVRM. In dit verband wordt nog verwezen naar de Nederlandse beslissing tot weigering van het statuut van politiek vluchteling van de IND dd. 20.06.2012 p. 15-19 en in het bijzonder p.16 - zie ook supra, nr. 24 e.v.. Het EHRM-arrest U. houdt enigszins verband met de zaak E. Het arrest stelde echter geen schending vast van de artikelen 2 of 3 EVRM, Ook artikel 6 EVRM bleek niet te zijn geschonden. Het Hof stelde enkel met betrekking tot de politiedetentie van U.’s zoon een schending van artikel 5§3 en een schending van artikel 5§5 EVRM vast. Voorts besloot het Hof tot een schending van artikel 8 EVRM. Het EHRM-arrest T. e.a. betreft wellswaar een zaak over de Turkse Hizbullah, doch deze is geheel niet in verband te brengen met de zaak E. Het arrest heeft evenmin een schending van artikel 2 of 3 EVRM vastgesteld. Het Hof kwam enkel tot de vaststelling van schendingen van artikel 5§3 en 5§5 (omtrent de ondergane voorlopige hechtenis), van artikel 6§1 en van artikel 13 EVRM. Deze laatste schending hield verband met de onredelijk lange duur van de strafprocedure - het betrof een bijzonder complexe en grootschalige zaak m.b.t. georganiseerde misdaad - en het ontbreken van een effectief rechtsmiddel - dat toelaat om binnen een redelijke termijn uitkomst te krijgen over een klacht die is ingediend vanwege de onredelijk lange duur van de strafprocedure. Uit de arresten U. en T. e.a. kan evenmin worden afgeleid dat E. thans of in de toekomst een ernstig risico zou lopen op flagrante rechtsweigering in Turkije. Evenmin kan uit het bestaan van voormelde beslissing en de arresten van het EHRM worden afgeleid dat E. in de toekomst opnieuw het voorwerp zou uitmaken van een schending van artikel 5 EVRM. Het EHRM hanteert in uitleveringszaken een bijzonder hoge drempel om een schending van artikel 6 EVRM in de verzoekende staat vast te stellen. De 'test' die het Hof in deze context hanteert is bijzonder ‘stringent’; zie in het bijzonder A. t. Zweden, nr. 37075/09, arrest 27 oktober 2011, § 115. Flagrante rechtsweigering betekent immers dat het strafproces manifest in strijd is - of manifest in strijd zou kunnen zijn indien de opgeëiste persoon in de verzoekende staat (verder) vervolgd dient te worden - met artikel 6 EVRM of de principes die in dit artikel zijn vervat (om S. t. Itallë [GC], no. 56581/00, § 84, ECHR 2006-11. Gelet op het voorgaande, maakte E. niet aannemelijk dat hij, indien uitgeleverd aan Turkije, aldaar zou verder zou VII-42.633-26/43 vervolgd worden c.q. opnieuw terechtstaan op een wijze die manifest in strijd dreigt te zijn met artikel 6 EVRM. Voor het overige wordt verwezen naar de discussie van de inleidende argumenten (‘feitelijke gegevens’) uit concl., 1, p. 2-5 onder supra, nrs. 21-22. Concluderend zijn er in casu geen specifieke, concrete of voldoende ernstige elementen voorhanden die het bestaan van een ernstig risico op flagrante rechtsweigering dan wel een ernstig risico op foltering, onmenselijke of onterende behandelingen of straffen in de zin van art. 2bis Uitleveringswet en art. 6 en 3 EVRM aannemelijk maken;” In het arrest van de K.I. van 24 februari 2014, waarnaar in de voormelde motivering van de bestreden beslissing uitdrukkelijk wordt verwezen, luidt het: “Na onderzoek van de elementen van het dossier stelt het Hof, kamer van inbeschuldigingstelling, vast dat er geen ernstige redenen bestaan waaruit de onmogelijkheid voor Turkije als verzoekende staat blijkt om aan de voorwaarden van artikel 5 en 6 van het EVRM te voldoen en dit om volgende redenen: - de algemene toestand van Turkije moet onderzocht in het licht van de huidige omstandigheden en niet louter op grond van de door de betrokkene opgesomde historische omstandigheden, - naar luid van de formele waarborgen […] die in het verzoek tot uitlevering worden gegeven tot staving van het verzoek tot uitlevering, zal de betrokkene door een gemeenrechtelijk rechtscollege worden berecht, zijnde de 6de kamer van het hof van assisen te Diyarbakir, die sedert 1 juni 2005 bevoegd zijn voor terrorisme misdrijven, volgens gewone rechtspleging die van kracht is in de verzoekende staat sedert 1 juni 2005 en met de rechten en rechtsmiddelen die eigen zijn aan het gerechtelijk systeem van Turkije, - nog volgens de formele waarborgen […] werden de Staatveiligheidshoven afgeschaft sedert 1 juni 2005, - voornoemde vernieuwingen werden ingevoerd in het kader van de integratie in de Europese Unie, - bij verschillen wat straffen en andere feiten betreft, tussen de oude en de nieuwe wetsbepalingen In beide strafwetboeken, zullen de wetsbepalingen die in het voordeel van de betrokkene zijn, toegepast worden, - overeenkomstig de wetsbepalingen weergegeven in de Inlichtingen bij het verzoek tot uitlevering […] riskeert de betrokkene een zware levenslange gevangenisstraf voor de misdrijven waarvoor de uitlevering wordt verzocht (art. 146 Turkse Strafwet nummer 765), doch deze straf wordt omgezet in andere straffen gelet op artikel 59 Turkse Strafwet 765, dat bepaalt dat, onafhankelijk van de verzachtende omstandigheden door de wet bepaald, de rechtbank telkens de bijzondere verzachtende omstandigheden ten gunste VII-42.633-27/43 van de betrokkene zal aanvaarden, zodat de levenslange straf zal vervangen worden door een opsluiting van 30 jaar […], - de voorlopige hechtenis ondergaan voor dat het vonnis kracht van gewijsde heeft gekregen, wordt afgetrokken van de veroordeling (art, 40 Turkse Strafwet nummer 765), - de Turkse Staat garandeert de toepassing van het specialiteitsbeginsel, - de Turkse Staat waarborgt verder dat de betrokkene alle rechten zal kunnen genieten die voorzien zijn in de Internationale verdragen waarin Turkije deelneemt alsmede van deze voorzien in het Turks intern recht. De door de betrokkene aangevoerde gegevens, ten opzichte van hemzelf hebben niet het concrete en reële karakter dat de aangevoerde risico's geloofwaardig zou maken. Zij doen niet in alle ernst vrezen dat hij het risico loopt aan een flagrante rechtsweigering of foltering of onmenselijke of onterende behandeling onderworpen te worden bij uitlevering. Ook de opmerking van de betrokkene dat uit het uitleveringsdossier niet blijkt dat de Turkse strafwetgeving thans over een adequaat middel zou beschikken tegen de schending van de redelijke termijn, waarvoor het reeds vroeger werd veroordeeld door het EHRM, heeft evenmin het concrete en reële karakter dat de aangevoerde mogelijke schending van de redelijke termijn geloofwaardig maakt. Dit argument doet niet in alle ernst vrezen dat de betrokken aan een flagrante rechtsweigering of foltering of onmenselijke of onterende behandeling wordt onderworpen, mocht hij uitgeleverd worden. Wat het verleden betreft bekwam de betrokkene reeds de verbintenis tot vergoeding van de schade door betaling van een geldsom, wegens een te lange voorhechtenis, waarvan door het EHRM akte werd genomen (EHRM arrest 21 juni 2011). Dat de betrokkene bij eventuele uitlevering aan Turkije verder in hechtenis zal blijven is eerder waarschijnlijk gelet op het feit dat hij zich heeft onttrokken na zijn vrijlating op 30 december 2009 en dit ondanks de langdurige hechtenis tijdens de behandeling van de zaak ten gronde in Diyarbakir, waarvoor hij reeds herstel ontving. Op grond van de stukken die in het dossier voorliggen kan dan ook geenszins gesteld worden dat, in tegenstelling tot hetgeen de betrokkene voorhoudt, de hem door het EVRM gewaarborgde rechten niet zullen worden gerespecteerd, hierin begrepen zijn rechten ten overstaan van het bij verstek uitgevaardigde bevel tot aanhouding.” 35. Naar luid van artikel 2bis, tweede lid, van de Uitleveringswet van 1874 kan uitlevering niet worden toegestaan “wanneer er ernstige risico's bestaan dat de persoon, indien hij wordt uitgeleverd, in de verzoekende Staat wordt onderworpen aan een flagrante rechtsweigering of aan foltering of onmenselijke en onterende behandeling”. Deze bepaling vereist dat de persoon wiens uitlevering wordt gevraagd, in de verzoekende staat met enige graad van waarschijnlijkheid VII-42.633-28/43 het voorwerp zal uitmaken van een schending van artikel 3 van het EVRM, dan wel van de meest ernstige schendingen van de artikelen 5 en 6 van het EVRM. Het EHRM heeft herhaaldelijk bevestigd dat de uitlevering naar een daartoe verzoekende staat een probleem ten aanzien van artikel 3 van het EVRM kan opleveren, en dus de uitleverende staat verantwoordelijk kan stellen, wanneer er ernstige en bewezen motieven bestaan om aan te nemen dat de betrokkene in de verzoekende staat een reëel gevaar loopt om te worden onderworpen aan behandelingen die in strijd zijn met artikel 3 van het EVRM (zie onder meer EHRM 7 juli 1989, Soering/Verenigd Koninkrijk, punten 88 en 91; EHRM [G.K.] 15 november 1996, Chahal/Verenigd Koninkrijk, punt 74; EHRM 4 februari 2005, Mamatkulov en Askolov/Turkije, punt 74 en EHRM 27 februari 2014, Zarmayev/België, punt 87). 36. Met de supra geciteerde overwegingen wordt in de bestreden beslissing, dan wel in het arrest van de K.I. van 24 februari 2014 waarnaar deze beslissing verwijst, omstandig uiteengezet waarom te dezen het door verzoeker aangehaalde risico op “flagrante rechtsweigering” of op een schending van de aangehaalde artikelen van het EVRM niet wordt aangenomen. De gronden hiervoor blijken duidelijk uit de bestreden beslissing zelf en het voormelde arrest van de K.I. Verzoeker toont niet aan dat die motivering niet afdoende zou zijn in het licht van de vereisten van de wet van 29 juli 1991. Anders dan verzoeker lijkt voorop te stellen, vereist de in de voormelde wet vervatte formelemotiveringsplicht immers niet dat in de bestreden beslissing wordt geantwoord op ieder door verzoeker in zijn conclusie voor de K.I. aangevoerd argument. Specifiek met betrekking tot artikel 5.3 van het EVRM, geeft de bestreden beslissing duidelijk de redenen weer waarom de verwerende partij van oordeel is dat er geen gevaar bestaat voor een onredelijke voorhechtenis, rekening gehouden met de door verzoeker voordien gevoerde procedure bij het EHRM die tot een minnelijke schikking met schadevergoeding voor verzoeker heeft geleid. VII-42.633-29/43 Uit wat voorafgaat blijkt dat de verwerende partij in de bestreden beslissing van oordeel is dat er geen aanwijzing is voor het bestaan van een ernstig risico dat verzoeker na uitlevering zou worden onderworpen aan flagrante rechtsweigering, foltering of onmenselijke of onterende behandeling. Verzoeker herhaalt in wezen zijn eigen reeds voor de K.I. ontwikkeld standpunt, maar hij maakt daarmee niet aannemelijk dat hij door zijn uitlevering naar Turkije een ernstig en reëel gevaar loopt aldaar te worden blootgesteld aan een behandeling die in strijd is met de artikelen 3 en 6 van het EVRM en dat de verzoekende partij met haar beoordeling deze verdragsbepalingen zou hebben geschonden. De “verdere uitwerking” van het vierde middel 37. Zoals reeds vermeld, is artikel 6 van het EVRM niet van toepassing op geschillen betreffende onder meer de verwijdering van vreemdelingen en derhalve niet op het beroep tot nietigverklaring waarmee verzoekers uitlevering aan de regering van Turkije wordt toegestaan. Vermits verzoeker in dit verband geen ander door het EVRM beschermd belang opwerpt, is de opgeworpen schending van artikel 13 van het EVRM evenmin ontvankelijk. Verzoeker steunt de voorgehouden schending van de redelijke termijn van het procesverloop in België op het feit dat het auditoraatsverslag van 1 juli 2024 hem pas op 23 juli 2024 werd meegedeeld, zes en een half jaar na verzoekers laatste procesdaad op 10 januari 2018. Daargelaten de vraag welk nadeel verzoeker daardoor heeft geleden – zo wordt niet betwist dat de bestreden beslissing ook na de verwerping van de vordering tot schorsing nooit werd uitgevoerd – ontslaat de gebeurlijke overschrijding van de redelijke termijn de Raad van State niet van zijn plicht uitspraak te doen over verzoekers beroep tot nietigverklaring. Dergelijke overschrijding verplicht de Raad van State er ook niet toe het beroep tot nietigverklaring gegrond te verklaren. Conclusie VII-42.633-30/43 38. Het vierde middel is in zijn beide onderdelen en in zijn “verdere uitwerking” in verzoekers laatste memorie, voor zover ontvankelijk, ongegrond. E. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel 39. Verzoeker werpt in een vijfde middel, dat hij in de toelichtende memorie herhaalt, de schending op van “de exceptie van politiek misdrijf”, van het beginsel ne bis in idem, van artikel 3 van het Europees Uitleveringsverdrag, van artikel 6 van de wet van 1 oktober 1833 ‘op de uitleveringen’ (hierna: Uitleveringswet van 1833), van artikel 1 van het eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Uitleveringsverdrag, van de ministeriële omzendbrief van 16 juni 1998 ‘betreffende uitlevering’ en van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991. Verzoeker voert in een eerste middelonderdeel aan dat hij voor de K.I. had opgeworpen dat “de exceptie van politiek misdrijf” diende te worden toegepast aangezien het enige misdrijf dat in het aanhoudingsmandaat en in het uitleveringsdossier formeel is opgenomen, de “poging tot gehele of gedeeltelijke wijziging van de Grondwet van de Turkse republiek door gebruik van geweld” is. Hiervoor wordt in het Turkse dossier uitsluitend artikel 146/1 van de Turkse strafwet vermeld. Volgens de bestreden beslissing is de kwalificatie van de feiten in de verzoekende staat “irrelevant” en zijn de misdrijven te kwalificeren als misdrijven van gemeen recht, waarbij wordt verwezen naar punt 28 van de bestreden beslissing. Verzoeker acht dit punt 28 evenwel niet relevant daar het handelt over de verjaring en niet over de beoordeling van de feiten met betrekking tot het politiek karakter ervan. Het is volgens hem overigens niet omdat feiten worden gekwalificeerd als feiten van gemeen recht, dat ze geen politiek delict zouden kunnen vormen. Sinds het Aanvullend Protocol bij het Europees Uitleveringsverdrag, dient met betrekking tot de misdrijven en inbreuken die niet kunnen worden beschouwd als politieke delicten, a contrario te worden aanvaard VII-42.633-31/43 dat de delicten die niet onder de definitie van artikel 1 van dat Protocol vallen, op zich wel kunnen worden beschouwd als politieke delicten. Verzoeker wijst er voorts op dat de Belgische rechtspraak een onderscheid maakt tussen zuiver politieke misdrijven, die vanwege hun aard de politieke orde op rechtstreekse wijze aantasten, en de gemengde politieke misdrijven, die in se gemeenrechtelijke misdrijven zijn, maar die omwille van de omstandigheden of de motieven van de dader als politiek misdrijf worden beschouwd. Opdat een gemeenrechtelijk misdrijf van politieke aard is, vereist de rechtspraak van het Hof van Cassatie dat eerst en vooral het misdrijf een politiek doel nastreeft, met andere woorden dat het een aanslag op de politieke orde beoogt, en vervolgens, dat het op zichzelf, werkelijk en rechtstreeks, zonder andere tussenfactoren, de door de dader beoogde uitwerking heeft. Verzoeker betoogt dat dit in casu onbetwistbaar het geval is, nu zijn uitlevering wordt gevraagd op basis van de hogervermelde verdenking. Het gaat, aldus verzoeker, om een verdenking wegens een beweerde inbreuk op de Turkse antiterreurwetgeving. Volgens verzoeker blijkt uit de door hem geciteerde rapporten dat Turkije de antiterreurwetgeving misbruikt voor politieke doeleinden. De beweging waarvan verzoeker deel zou uitmaken, Hizbullah, wordt verweten het grondwettelijk systeem van Turkije te willen wijzigen, en dit is ook het concrete misdrijf dat aan verzoeker wordt ten laste gelegd (“Poging tot gehele of gedeeltelijke wijziging van de Grondwet van de Turkse Republiek door gebruik van geweld”). Het gaat bijgevolg om een uitgesproken politiek misdrijf. Verzoeker wijst er voorts op dat artikel 3 van het Europees Uitleveringsverdrag het niet enkel heeft over een politiek delict, maar ook over een met een dergelijk delict samenhangend feit. Het gaat bijgevolg over een breder concept dan wat in de Belgische rechtspraak in het gemeen recht als een politiek delict wordt beschouwd. Verzoeker besluit dat de motivering niet volstaat in het licht van hetgeen hij voor de K.I. heeft aangevoerd en dat het begrip “politiek misdrijf” wordt miskend in de bestreden beslissing. Verzoeker voert in een tweede middelonderdeel aan dat, zelfs als het motief juist zou zijn dat de uitleveringsweigering door Nederland geen gezag van gewijsde heeft ten aanzien van enig ander land, dit de verwerende partij er niet VII-42.633-32/43 van ontslaat om te motiveren waarom de Nederlandse rechtspraak dan niet wordt bijgetreden. Verzoekers argument dat de Nederlandse rechter wel is uitgegaan van de door Turkije gegeven kwalificatie, namelijk artikel 146 van het Turkse Strafwetboek, wordt niet beantwoord door de redengeving in punt 30 van de bestreden beslissing. Zelfs als het om een misdrijf van gemeen recht zou gaan, zoals de verwerende partij ten onrechte voorhoudt, betekent dit volgens verzoeker niet dat geen motivering meer nodig is betreffende de kwalificatie door Turkije zelf van het misdrijf, laat staan dat zonder meer kan worden voorbijgegaan aan de kwalificatie door een andere rechtsstaat van het dossier met dezelfde feitelijke en juridische gegevens. 40. In zijn laatste memorie benadrukt verzoeker dat hij in Turkije niet wordt vervolgd voor moord maar voor een duidelijk politiek misdrijf. Beoordeling Eerste middelonderdeel 41. In de bestreden beslissing wordt vastgesteld dat de feiten waarvoor de regering van Turkije verzoekers uitlevering vraagt, naar Belgisch recht bestaat uit “deelneming aan – vijf feiten – moord”. Anders dan verzoeker voorhoudt, volstaat het gegeven dat in het verzoek tot uitlevering sprake is van “poging tot gehele of gedeeltelijke wijziging van de Grondwet van de Turkse republiek door gebruik van geweld”, niet om te besluiten tot het bestaan van een politiek misdrijf, waardoor de uitlevering niet zou mogen worden toegestaan. Artikel 6 van de Uitleveringswet van 1833 verbiedt uitdrukkelijk de uitlevering voor een politiek misdrijf of wegens een met een dergelijk misdrijf samenhangend misdrijf. Onder een politiek misdrijf in de zin van die bepaling worden enkel de feiten verstaan waarvan het exclusieve karakter bestaat in het VII-42.633-33/43 rechtstreeks afbreuk doen aan de politieke orde van een bepaald land. De voormelde bepaling mag echter niet worden toegepast op feiten die, wat ook het doel moge zijn dat de dader nastreeft en ongeacht de politieke vorm van het land waar het feit is gepleegd, zware gewelddaden tegen personen kunnen vormen. De feiten waarover het te dezen gaat, hebben betrekking op deelneming aan moord (vijf feiten) en dus op zware gewelddaden tegen personen. Het arrest van de K.I. van 24 februari 2024, waarnaar in de bestreden beslissing wordt verwezen, bevat dienaangaande nog de volgende nuttige overwegingen: “De feiten en beschouwingen die de betrokkene doet gelden ter onderbouwing van zijn stelling dat het om politieke misdrijven zou gaan, zijn niet van aard om vast te stellen dat hij als beweerd lid van de organisatie HIZBULLAH, precies door dit lidmaatschap aanslagen met een rechtstreekse uitwerking op de politieke orde zou hebben gepleegd. Tenslotte wordt vastgesteld dat bedoelde aanslagen daarenboven steeds dienen gericht te zijn tegen de instellingen zelf en niet – zoals in deze zaak volgens de vordering van de procureur-generaal te Diyarbakir van 31 juli 2001 – tegen personen zonder enige binding met het Turks staatsbestel.” Artikel 6 van de Uitleveringswet van 1833 wordt dan ook niet geschonden door dergelijke feiten niet te beschouwen als politieke misdrijven in de zin van die bepaling. 42. Artikel 3.1 van het Europees Uitleveringsverdrag bepaalt dat uitlevering niet wordt toegestaan, “indien het strafbare feit waarvoor zij wordt verzocht, door de aangezochte Partij als een politiek delict of als een met een dergelijk delict samenhangend feit wordt beschouwd”. Deze bepaling heeft betrekking op de kwalificatie in de aangezochte staat en de verwerende partij is net van oordeel dat het niet om een politiek delict of daarmee samenhangend feit gaat. Artikel 1 van het (eerste) Aanvullend Protocol bij het Europees Uitleveringsverdrag luidt: “Voor de toepassing van artikel 3 van het Verdrag, worden niet als politieke delicten beschouwd : VII-42.633-34/43
- a)misdrijven tegen de menselijkheid bedoeld in het Verdrag inzake de voorkoming en de bestraffing van genocide, aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 9 december 1948;
- b)inbreuken bedoeld in artikel 50 van het Verdrag van Geneve van 1949 voor de verbetering van het lot der gewonden en zieken, zich bevindende bij de strijdkrachten te velde, artikel 51 van het Verdrag van Genève van 1949 voor de verbetering van het lot der gewonden, zieken en schipbreukelingen van de strijdkrachten ter zee, artikel 130 van het Verdrag van Genève van 1949 betreffende de behandeling van krijgsgevangenen en artikel 147 van het Verdrag van Genève van 1949 betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd;
- c)alle soortgelijke niet reeds in de hierboven bedoelde bepalingen van de Verdragen van Geneve voorziene schendingen van de wetten van de oorlog die van kracht zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit Protocol, alsmede van de op dat tijdstip bestaande oorlogsgebruiken.” Dit artikel bevat drie categorieën van misdrijven of inbreuken die per definitie niet als politieke delicten worden beschouwd in de zin van artikel 3 van het Europees Uitleveringsverdrag. Dit houdt echter niet in dat alle andere misdrijven wel als politieke misdrijven kunnen worden beschouwd, ongeacht het feit dat ze – zoals te dezen – zware gewelddaden tegen personen vormen. Er kan alleszins niet uit worden afgeleid dat de feiten op grond waarvan verzoekers uitlevering is gevraagd en wordt toegestaan, verplicht als een politiek misdrijf moeten worden beschouwd. Het begrip “politiek delict” in het Europees Uitleveringsverdrag wordt derhalve niet miskend met de bestreden beslissing. Tweede middelonderdeel 43. De verwerende partij overweegt in de bestreden beslissing het volgende over de uitleveringsprocedure in hoofde van verzoeker in Nederland: “Ekinci bevond zich sinds 30.01.2011 in Nederland. Turkije verzocht op 23 november 2011 de uitlevering op grond van dezelfde feiten en titel aan Nederland. De uitlevering werd op 7 maart 2012 door de arrondissementsrechtbank te Zwolle ontoelaatbaar bevonden omdat het misdrijf waarvoor de uitlevering werd verzocht werd vergeleken en gelijkgesteld met een Nederlands misdrijf dat door de Nederlandse rechtspraak consistent als een politiek misdrijf wordt beschouwd (artikel 94 NSw). De Hoge Raad bevestigde op 9 oktober 2012 het ontoelaatbaarheidsvonnis van de arrondissementsrechtbank, ondanks de VII-42.633-35/43 andersluidende conclusie van advocaat-generaal Vegter. De Nederlandse uitleveringsprocedure c.q. de definitieve beslissing die daar is uit voortgevloeid, is net als de Belgische uitleveringsprocedure echter geen beslissing in de zin van artikel 6§1 EVRM - cf. supra, nr. 22 en de verwijzing naar de rechtspraak van het EHRM aldaar. Enkel de bevoegde Turkse rechtbanken kunnen de zaak ten gronde beoordelen. De Nederlandse uitleveringsbeslissing heeft bijgevolg geen gezag van gewijsde t.a.v. enig ander land dat later over het Turkse uitleveringsverzoek m.b.t. dezelfde persoon en dezelfde feiten zou moeten oordelen. Het beginsel ne bis in idem zoals vastgelegd in artikel 9 van de Europese uitleveringsovereenkomst zou enkel gelden indien Ekinci in België in het kader van een strafprocedure in de zin van artikel 6 EVRM wegens dezelfde strafbare feiten veroordeeld of vrijgesproken zou geweest zijn.” In het arrest van de K.I. van 24 februari 2014 luidt het nog “dat in de derde staat die Nederland is met betrekking tot het uitleveringsverzoek in kwestie, ter zake van de feiten waarop het verzoek tot uitlevering is gegrond, betrokkene niet door de bevoegde autoriteiten van deze derde staat onherroepelijk is berecht”, zodat “het bepaalde in de 4 alinea’s van artikel 9 van het Europees Uitleveringsverdrag van 1957 […] niet van toepassing [is] op het uitleveringsverzoek in kwestie”. 44. Het beginsel ne bis in idem wordt in artikel 9 van het Europees Uitleveringsverdrag als volgt verwoord: “Non bis in idem Uitlevering wordt niet toegestaan, wanneer de persoon wiens uitlevering is verzocht, ter zake van het feit of van de feiten waarop dit verzoek was gegrond, door de bevoegde autoriteiten van de aangezochte Partij onherroepelijk is berecht. Uitlevering kan worden geweigerd, indien de bevoegde autoriteiten van de aangezochte Partij hebben besloten ter zake van hetzelfde feit of dezelfde feiten geen vervolging in de stellen, dan wel een ingestelde vervolging te staken.” Dat Nederland de uitlevering niet heeft toegestaan omdat de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd naar Nederlands recht een politiek misdrijf zouden vormen, houdt niet in dat verzoeker in Nederland onherroepelijk is berecht voor de kwestieuze feiten. Verzoeker toont dan ook niet aan dat te dezen VII-42.633-36/43 sprake is een mogelijke dubbele bestraffing of dubbele berechting in geval van uitlevering aan Turkije. 45. Met de supra weergegeven motivering van de bestreden beslissing wordt derhalve op afdoende wijze gemotiveerd waarom het beginsel ne bis in idem niet wordt geschonden door het feit dat Nederland de door Turkije gevraagde uitlevering wel heeft geweigerd. Verder blijkt uit de bestreden beslissing duidelijk waarom het verzoek tot uitlevering in België wel kan worden toegestaan. De formelemotiveringsplicht vereist niet dat de motieven van de Nederlandse beslissing, die gesteund is op kwalificaties naar Nederlands recht en geen gezag van gewijsde heeft ten opzichte van de Belgische instanties, inhoudelijk worden weerlegd. Conclusie 46. Het vijfde middel is in zijn beide onderdelen ongegrond. F. Zesde middel Uiteenzetting van het middel 47. Verzoeker werpt in een zesde middel, dat hij in de toelichtende memorie herhaalt, de schending op van artikel 8 van het EVRM, van de artikelen 23 en 24 van richtlijn 2011/95 en van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991. Verzoeker voert in een eerste middelonderdeel aan dat de bestreden beslissing geen antwoord bevat betreffende de door hem opgeworpen specifieke toepassing van artikel 23 van richtlijn 2011/95. De bestreden beslissing bevat volgens verzoeker geen motief over het al of niet toepassen van deze VII-42.633-37/43 bepaling, noch over de door verzoeker ingeroepen noodzaak van een onderzoek van de instandhouding van het gezin. Verzoeker voert in een tweede middelonderdeel aan dat hij concrete elementen heeft aangehaald voor de noodzakelijk uit te voeren proportionaliteitsafweging op grond van artikel 8 van het EVRM en dat hij hierbij ook specifiek heeft gewezen op het belang van de kinderen. In de bestreden beslissing wordt hoofdzakelijk verwezen naar rechtspraak van het EHRM, zonder deze evenwel concreet te toetsen aan zijn situatie. Zo bevat de bestreden beslissing geen motivering met betrekking tot de kinderen en worden zij niet betrokken bij de beoordeling van verzoekers recht op gezinsleven, minstens wordt niet geantwoord op hetgeen verzoeker hierover heeft aangevoerd. Er is geen proportionaliteitsafweging conform artikel 8.2 van het EVRM gebeurd, waarbij de elementen “noodzaak, proportionaliteit en subsidiariteit” in overweging moeten worden genomen. Uit de zeer beperkte motivering in de eerste alinea van punt 36 van de bestreden beslissing kan volgens verzoeker niet worden afgeleid dat het om een echte proportionaliteitsafweging gaat. De verwijzing naar de asielprocedures en naar het feit dat het verblijfsrecht in België tot tweemaal toe zou zijn geweigerd, is niet relevant vermits in het kader van de uitlevering een autonome beoordeling moet worden gemaakt. Verzoeker wijst er verder op dat die weigeringsbeslissingen niet definitief zijn noch waren op het ogenblik van de uitleveringsbeslissing. Dat zijn verblijf in Nederland niet compatibel zou zijn “nu het gezinsleven zich in België situeert”, valt volgens verzoeker evenmin te begrijpen, daar de bestreden beslissing daarmee volledig de realiteit miskent van het gezin, met echtgenote en vier kinderen, en het gegeven dat zij steeds hebben samengewoond in de mate dat de vervolgingen van verzoeker dit toelieten,. Er wordt geen enkele overweging gewijd aan het familieleven in Turkije, het bestaan van vier kinderen, het gegeven dat verzoekers echtgenote en kinderen als vluchteling zijn erkend in België, precies omwille van verzoekers dossier en dus omdat zij familieleden van hem zijn, hoewel deze elementen door verzoeker waren ontwikkeld en alleszins gekend waren door de verwerende partij. Minstens is er volgens verzoeker geen proportionaliteitsafweging gebeurd tussen enerzijds de belangen van de Belgische VII-42.633-38/43 staat om uit te leveren en anderzijds de belangen van verzoekers gezinsleven, zodat de vereiste “eerlijke balanstoets” niet is uitgevoerd. 48. In zijn laatste memorie voegt verzoeker toe dat zijn echtgenote en vier kinderen in België verblijven en inmiddels de Belgische nationaliteit hebben, hetgeen ook voor zijn twee kleinkinderen het geval is. Verzoeker heeft nog een beroep tot nietigverklaring lopen bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen tegen de weigering van zijn verblijfsaanvraag in functie van zijn Belgisch minderjarig kind. Verzoeker heeft een inburgeringsattest en een certificaat Nederlands tweede taal. Hij besluit dat deze gegevens in aanmerking moeten worden genomen bij de toetsing aan artikel 8 van het EVRM. Beoordeling Eerste middelonderdeel 49. Artikel 23 van richtlijn 2011/95 heeft betrekking op de instandhouding van het gezin. Het betreft in het bijzonder gezinsleden van een persoon met de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus. Zoals het Hof van Cassatie reeds in zijn in de bestreden beslissing vermeld arrest van 22 april 2014 over verzoekers cassatieberoep tegen het arrest van de K.I. van 14 februari 2014 heeft geoordeeld, houdt het voornoemde artikel 23 niet in dat de uitlevering van een persoon die deze status niet heeft, moet worden geweigerd omdat zijn gezinsleden deze status wel hebben. In de bestreden beslissing moest dan ook niet nader worden gemotiveerd over artikel 23 van richtlijn 2011/95. Verder blijkt uit de beoordeling van het tweede middelonderdeel hierna, dat de verwerende partij wel degelijk verzoekers argumentatie betreffende de gevolgen van een uitlevering voor zijn voorgehouden familieleven in de beslissing betrekt. Tweede middelonderdeel VII-42.633-39/43 50. Met betrekking tot de inmenging in het gezinsleven en artikel 8 van het EVRM wordt in de bestreden beslissing overwogen: “37. Aangezien de verdediging tevens stelt dat de uitlevering van E. een SCHENDING VAN ZIJN FAMILIELEVEN zou uitmaken (concl., p. 50-52). Zijn gezin woont immers al geruime tijd in Antwerpen. Zijn echtgenote en vier kinderen verkregen in België het statuut van politiek vluchteling. E. heeft in laatste aanleg (thans voor de Raad van State) nog een asielprocedure lopen in Nederland. E. verzocht ook in België twee maal om asiel en verzocht om een verblijfstitel in Antwerpen; 38. Overwegende dat voor wat de lopende asielprocedures in extenso wordt verwezen naar supra, nrs. 23-25. In het bijzonder en in het licht van het in België (Antwerpen) gesitueerde familieleven valt te wijzen op het tot dusver twee maal toe geweigerde verblijfsrecht en de weigeringsbeslissingen m.b.t. de gezinshereniging. De voorbije asielprocedure in Nederland – E. verbleef enige tijd in Nederland - valt aan te stippen dat deze niet compatibel voorkomt, nu het familieleven zich in België, meer precies in Antwerpen en dus niet in Nederland situeert. Overwegende dat uitlevering met haar verdragsrechtelijke en wettelijke grondslag een legitieme uitzondering vormen op het recht op een privéleven en een familieleven. De constante rechtspraak van het EHRM toont aan dat het Hof slechts uitzonderlijk een schending vaststelt van het recht op familieleven wanneer een onderdaan of ingezetene wegens een in het buitentand gevoerde vervolging of een buitenlandse veroordeling het voorwerp uitmaakt van een uitleveringsprocedure. Zie om. Aronica t. Duitsland, nr. 72032/01, beslissing 18 april 2002, §2; Babar Ahmad e.a, t. VK, nrs. 24027/07, 11949/08 & 36742/08, beslissing 6 juli 2010, §172; Babar Ahmad e.a. t. VK, nrs. 24027/07, 11949/08 & 36742/08, 66911/09 & 67354/09, arrest 10 april 2012, §246 en §252; Shakurov t. Rusland, nr. 55822/10, EHRM, arrest 5 juni 2012, §§189-203. De enige te onderzoeken factor is de proportionaliteit van de uitlevering ais inbreuk op het familieleven: vgl. King t. VK, nr. 9742/07, beslissing 26 januari 2010, §29. In alle geciteerde zaken vond het EHRM de onmiskenbaar negatieve invloed van de uitlevering op het familieleven van de opgeëiste persoon in elk geval niet disproportioneel in het licht van het legitieme doel van de uitlevering. Aangezien de opgeëiste persoon het voorwerp uitmaakt van vervolging wegens ernstige misdrijven en vooralsnog geen verblijfsrecht heeft in België kan in casu geen gewag worden gemaakt van een uitzondering op het familieleven die in strijd zou zijn met artikel 8§2 EVRM;” In het arrest van de K.I. van 24 februari 2024 wordt dienaangaande reeds overwogen: VII-42.633-40/43 “De uitvoerbaarverklaring van het bevel tot aanhouding bij verstek van 20 september 2011 houdt geen schending in van het recht van de betrokkene op de eerbiediging van het gezinsleven zoals voorzien in artikel 8.1 EVRM of van de rechten voorzien in de artikelen 10 en 12 bis van de Vreemdelingenwet of van deze voorzien in artikel 23 van de richtlijn 2004/83/EG van 29 april 2004 inzake de minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen, als vluchteling of als persoon die anderszins Internationale bescherming behoeft, en dit om volgende redenen: - voorafgaand aan zijn aanvraag d.d. 12 juni 2013 tot verblijf in België bij zijn gezin, verbleef de betrokkene reeds enkele jaren in Nederland alwaar tegen hem een procedure tot uitlevering liep en hij een aanvraag deed om als politiek vluchteling te worden erkend; ~ gelet op de aanvraag d.d. 12 juni 2013 verbleef de betrokkene slechts gedurende een zeer korte termijn bij zijn gezin In België, meer bepaald aan de D. te Antwerpen, alwaar hij werd aangehouden; - het is weinig waarschijnlijk dat de betrokkene geen familiale of sociale banden zou hebben in Turkije; - de ernst en de hoeveelheid van de aan de betrokkene ten taste gelegde feiten in Turkije; - de redenen uiteengezet in de aanvullende rechtsvordering van 23 oktober 2013 dienaangaande (p. 7 en 8) van de procureur-generaal, die hier uitdrukkelijk worden hernomen. Hieraan wordt geen afbreuk gedaan door de vaststelling dat de echtgenote en de vier kinderen van de betrokkene in België werden erkend als politieke vluchtelingen en evenmin door de andere middelen aangehaald In de conclusie van de betrokkene.” 51. Artikel 8 van het EVRM bepaalt: “1. Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privéleven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling. 2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van ’s lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.” Aan de orde is enkel de proportionaliteitstoets vervat in artikel 8.2 van het EVRM. Volgens vaste rechtspraak van het EHRM primeert het gezins- of familieleven van verzoeker in een Staat slechts in “uitzonderlijke omstandigheden” op het legitieme doel van zijn uitlevering (EHRM 4 september VII-42.633-41/43 2014, nr. 140/10, Trabelsi/België, punt 169; EHRM 24 juli 2014, nr. 22.205/13, Čalovskis/Letland, punt 147; EHRM 5 juni 2012, nr. 55.822/10, Shakurov/Rusland, punt 196 en 202; EHRM 10 april 2012, nrs. 24027/07 e.a., Babar Ahmad e.a./Verenigd Koninkrijk, punt 252; EHRM (Déc.) 6 januari 2015, nr. 30.541/12, Vlas e.a./Roemenië, punt 47; EHRM (Déc.) 11 juni 2013, nr. 15.594/11, Ketchum/Roemenië, punt 34; EHRM (Déc.) 26 januari 2010, nr. 9.742/07, King/Verenigd Koninkrijk, punt 29). Artikel 8 van het EVRM staat er niet aan in de weg dat een contracterende Staat een gunstig gevolg geeft aan een verzoek tot uitlevering uitgaande van een andere Staat. De uitlevering is, in het licht van artikel 8.2 van het EVRM, aldus een bij de wet voorziene toegelaten inmenging van het openbaar gezag. De door verzoeker ingeroepen elementen zijn, zoals hierna concreet blijkt, het noodzakelijke en gebruikelijke gevolg van elke uitleveringsprocedure die leidt tot de detentie van een vreemdeling in een land waar hij niet gewoonlijk verblijft. Verzoeker heeft te dezen geen uitzonderlijke omstandigheden aangevoerd en beperkte zich reeds voor de K.I. tot de verwijzing naar zijn huwelijk met een erkend vluchteling, naar zijn Belgische kinderen, naar zijn verzoeken om internationale bescherming in Nederland en in België en naar zijn verblijfsaanvraag in België. Uit het administratief dossier blijkt overigens dat verzoeker nooit enig vast verblijf in België had en dat hem tot tweemaal toe het verblijfsrecht werd geweigerd en weigeringsbeslissingen werden genomen in het kader van zijn aanvragen tot gezinshereniging. Voorts oordeelt de verwerende partij niet onterecht dat verzoeker enige tijd in Nederland verbleef en er aldaar asiel aanvroeg, hetgeen evenmin verenigbaar voorkomt met zijn familieleven dat zich in België situeert, meer bepaald in Antwerpen en dus niet in Nederland. Aldus blijkt dat wel degelijk rekening is gehouden met verzoekers gezinssituatie. Zoals hij zelf aangeeft, beschikt verzoeker nog steeds over geen verblijfsrecht in België. Door in deze context te oordelen dat “de opgeëiste persoon het voorwerp uitmaakt van vervolging wegens ernstige misdrijven en vooralsnog geen VII-42.633-42/43 verblijfsrecht heeft in België” en dat er dus geen gewag kan gemaakt worden van “een uitzondering op het familieleven die in strijd zou zijn met artikel 8§2 EVRM”, blijkt niet dat de verwerende partij bij de afweging of de uitlevering van verzoeker proportioneel is met het belang van de Staat die om zijn uitlevering verzoekt, tot een conclusie is gekomen die strijdig is met artikel 8.2 van het EVRM. Verzoeker toont niet aan dat bij de voormelde afweging bepaalde elementen ten onrechte buiten beschouwing zouden zijn gelaten. 52. Het zesde middel is in zijn beide onderdelen ongegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op achtentwintig april tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-42.633-43/43 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.114 Gerelateerde publicatie(
- s)citeert: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110301.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div