id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.137 Rolnummer: A. 241399/VII-42429 Zaak: Arrest 263137 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 29/04/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-05-13 Raadplegingen: 87 - laatst gezien 2026-06-16 05:09 Fiche Arrest nr 263.137 van 29 april 2025 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.137 no lien 283013 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 263.137 van 29 april 2025 in de zaak A. 241.399/VII-42.429 In zake :
- de BV MEANDER
- Y.W.
- R.D. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Peter Flamey en Glenn Declercq kantoor houdend te 2018 Antwerpen Jan Van Rijswijcklaan 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : K.V. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jan Stijns en Tina Merckx kantoor houdend te 3001 Leuven Philipssite 5 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 5 maart 2024, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2324-0414 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 1 februari 2024 in de zaak 2223-RvVb-0337-A. II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 4 juni
- VII-42.429-1/13 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur An Van den broeck heeft op 6 september 2024 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 3 april
- Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht. Advocaat Margot Dehaen, die loco advocaten Peter Flamey en Glenn Declercq verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Tina Merckx, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Na bestuurlijk beroep van de verwerende partij weigert de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant op 24 januari 2019 om aan de eerste verzoekende partij een stedenbouwkundige vergunning te verlenen voor de ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.137 VII-42.429-2/13 regularisatie en verbouwing van een woning met frituur. De Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) verwerpt het vernietigingsberoep tegen deze beslissing bij arrest van 1 oktober
- Het cassatieberoep tegen dat arrest wordt verworpen door de Raad van State bij arrest nr. 252.220 van 25 november
- 3.
- De eerste verzoekende partij dient op 16 maart 2022 een nieuwe aanvraag in voor een omgevingsvergunning voor de regularisatie en verbouwing van een bestaande woning en eetgelegenheid, en het plaatsen van een scherm tegen de perceelsgrens. Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Huldenberg verleent op 8 juni 2022 de omgevingsvergunning. 3.
- De verwerende partij tekent bestuurlijk beroep aan tegen de vergunningsbeslissing van 8 juni
- De deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant beslist op 8 december 2022 om het beroep te verwerpen en de omgevingsvergunning te verlenen. 3.
- De verwerende partij dient bij de RvVb een beroep in tot vernietiging van de deputatiebeslissing van 8 december
- Het bestreden arrest vernietigt die deputatiebeslissing. IV. Onderzoek van het middel tot nietigverklaring Uiteenzetting van het middel
- De verzoekende partijen voeren de schending aan van artikel 149 van de Grondwet, artikel 32 van het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ (hierna: DBRC), het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en artikel 63/1 van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’ (hierna: omgevingsvergunningsdecreet). VII-42.429-3/13
- Zij komen op tegen de beslissing van het bestreden arrest dat het eerste en tweede middel tot nietigverklaring gegrond heeft bevonden. Het bestreden arrest hanteert daartoe volgende motieven: “
- Het beginsel van de materiële motiveringsplicht houdt in dat er voor elke administratieve beslissing rechtens en in feite aanvaardbare motieven moeten bestaan. Dit betekent onder meer dat die motieven moeten steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die relevant zijn en met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld en dat de motieven pertinent moeten zijn en de beslissing naar recht moeten kunnen verantwoorden. Het rechtszekerheidsbeginsel houdt in dat een recht voorzienbaar en toegankelijk moet zijn zodat de rechtszoekende in staat is een rechtshandeling op voorhand in te schatten en waarbij deze moet kunnen vertrouwen op een zekere standvastigheid bij het bestuur. Het vertrouwensbeginsel is hier eveneens een uitdrukking van, omdat het betekent dat de rechtszoekende, voortgaande op eerdere houdingen of door een overheid ingenomen standpunten, op een bepaalde uitkomst mocht vertrouwen. Dit betekent evenwel niet dat de [deputatie] tegenover een vroegere beoordeling geen gewijzigd standpunt zou kunnen innemen. Voorwaarde is echter wel dat dit gewijzigd standpunt volgt uit een nieuw onderzoek van de feitelijke gegevens van de zaak en dat dit standpunt niet berust op onjuiste gronden. Om te voldoen aan de formele motiveringsplicht moet een vergunningverlenende overheid de redenen vermelden waarop ze haar beslissing steunt, zodat een belanghebbende met kennis van zaken de beslissing kan aanvechten. Wanneer er doorheen de administratieve (beroeps)procedure concrete bezwaren of grieven werden geuit, of wanneer de provinciale omgevingsambtenaar dienaangaande andersluidend oordeelt, geldt voor de [deputatie] een verstrengde motiveringsplicht en zal ze haar beslissing des te preciezer, concreter en zorgvuldiger dienen te motiveren. Voor wat betreft de provinciale omgevingsambtenaar vloeit dit tevens voort uit artikel 63/1 Omgevingsvergunningsdecreet. Artikel 63/1 Omgevingsvergunningsdecreet bepaalt dat de provinciale omgevingsambtenaar voor elke beslissing over een administratief beroep een verslag opstelt wanneer de deputatie de bevoegde overheid is en er geen advies van een omgevingsvergunningscommissie vereist is. Het verslag is een onderdeel van het vergunningendossier, toetst de aanvraag aan de regelgeving en bevat eventueel een voorstel van antwoord op de standpunten, opmerkingen en bezwaren die tijdens het eventueel openbaar onderzoek ingediend zijn. Het artikel legt in zijn derde lid aan de [deputatie] de verplichting op om rekening te houden met het verslag en in het bijzonder in de vergunningsbeslissing te motiveren hoe ze rekening houdt met het verslag. VII-42.429-4/13 Het gegeven dat de betrokken standpunten niet punt voor punt moeten weerlegd worden, doet daaraan geen afbreuk. De [deputatie] moet aangeven of afdoende laten blijken waarom ze de argumentatie ingenomen in de bezwaren en beroepsgrieven, dan wel in het verslag van de provinciale omgevingsambtenaar, niet volgt. Het louter tegenspreken van die argumentatie volstaat dus niet. Uit de bestreden beslissing moet blijken waarom in tegengestelde zin wordt beslist.
- De [deputatie] oordeelt over de bouwdiepte als volgt in de bestreden beslissing: […] De beoordeling van de [deputatie] is in tegenspraak met haar eerdere (weigerings)beslissing van 24 januari 2019 waarin het volgende gesteld werd: […] De voorliggende aanvraag is een nieuwe aanvraag. Evenwel verschilt de nieuwe aanvraag slechts op een aantal punten ten aanzien van de in 2013 ingediende aanvraag, die werd geweigerd. De bouwdiepte in de voorliggende aanvraag is ongewijzigd in vergelijking met de vorige aanvraag.
- Het verslag van 22 november 2022 van de provinciale omgevingsambtenaar bepaalt over de bouwdiepte het volgende: […]
- De aanvraag brengt de initiële bouwdiepte van 13,37 m tot een totale bouwdiepte van 22,75 m. De [deputatie] stelt zowel in haar weigeringsbeslissing van 24 januari 2019 (hierna: de weigeringsbeslissing) als in de bestreden beslissing dat de [verzoekende partijen in cassatie] geen rechten kunnen putten uit een vergunning die niet nageleefd werd. Op dat punt volgt ze eveneens het verslag van de provinciale omgevingsambtenaar. In de bestreden beslissing stelt de [deputatie] vervolgens dat sinds de weigeringsbeslissing, de kern van Huldenberg verder is ontwikkeld en er een actuele ruimtelijke beoordeling van het project moet plaatsvinden. In die optiek kan de [deputatie] inderdaad tot een afwijkende beoordeling komen. Ze moet daarvoor wel afdoende elementen aanhalen die haar gewijzigde standpunt verantwoorden. Het louter tegenspreken van de motieven uit de weigeringsbeslissing en het verslag van de provinciale omgevingsambtenaar volstaat niet.
- In de bestreden beslissing somt de [deputatie] dezelfde bouwdieptes op als in de weigeringsbeslissing en het verslag van de provinciale omgevingsambtenaar. Ze komt tot dezelfde gemiddelde relevante bouwdiepte van 14,8 m. Die bouwdiepte komt volgens de weigeringsbeslissing en het verslag van de provinciale omgevingsambtenaar niet in de buurt van de gevraagde bouwdiepte van 22,75 m. In de bestreden beslissing verwijst de [deputatie] naar ‘nieuwe’ referentiepunten met een diepere bouwdiepte. Die referentiepunten zouden ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.137 VII-42.429-5/13 ook de bouwdiepte van het aangevraagde inpasbaar maken. Zo verwijst ze naar de ontwikkeling ter hoogte van huisnummers 16-20, een supermarkt met bovenliggende appartementen en de recente aanvulling daaraan met nieuwe meergezinswoningen die een bouwdiepte hebben van 35 m. In de weigeringsbeslissing had de [deputatie] ook oog voor de supermarkt en de bovenliggende appartementen op huisnummers 16-20, maar stelde ze dat door de perceelsconfiguratie die bouwdiepte niet relevant is voor de omgeving. Ook in het verslag van de provinciale omgevingsambtenaar wordt naar die huisnummers verwezen. De omgevingsambtenaar stelt dat door de samenvoeging van percelen, die inbreiding niet relevant is voor de omgeving. De verwerende partij verwijst nu naar een aanvullende meergezinswoning links hiervan, maar maakt nergens aannemelijk waarom, gelet op de samenvoeging van percelen en de perceelsconfiguratie, die gehele ontwikkeling plots wel relevant is voor de bouwdiepte in de omgeving. De [deputatie] komt op dit punt dus niet verder dan het louter tegenspreken van het door haar ingenomen standpunt in de weigeringsbeslissing en het advies van de provinciale omgevingsambtenaar. Daarnaast verwijst de [deputatie] naar ‘historische’ voorbeelden met een soortgelijke bouwdiepte. Zo wijst ze op de bakkerij op huisnummer 5 met een bouwdiepte van 27 m. In de weigeringsbeslissing verwees de [deputatie] ook al naar de bakkerij. Daarbij stelde de [deputatie] vast dat die bouwdiepte niet harmonieert met wat voorkomt in de omgeving. Ook het verslag van de provinciale omgevingsambtenaar oordeelt in die zin. Het is onduidelijk waarom de [deputatie] nu plotseling een ander oordeel heeft over die bouwdiepte. Bovendien ontmoet ze de opmerkingen van de omgevingsambtenaar niet, maar spreekt ze louter die beoordeling tegen. Vervolgens concludeert de [deputatie] in de bestreden beslissing dat de bouwdiepte van een kern-ondersteunende handelszaak niet louter beoordeeld kan of mag worden aan de omliggende eengezinswoningen. Dit is opnieuw een tegenovergesteld standpunt dan ingenomen in de weigeringsbeslissing. Toen oordeelde ze over de aanpalende eengezinswoning dat ‘Zelfs al zou dit het enige pand in de hele omgeving zijn met dergelijke beperkte bouwdiepte of dergelijk lage bebouwingsgraad, kan hier niet worden aan voorbijgegaan’. De [deputatie] stelde toen vast dat een bouwdiepte die meer dan het dubbele bedraagt dan die van het naastgelegen pand onverantwoord is. Ook de provinciale omgevingsambtenaar zet uiteen dat er een evenwicht moet zijn met de onmiddellijke omgeving. Ze verwijst ook naar de arresten van de [RvVb] die vooraf gingen aan de weigeringsbeslissing. Tot slot beoordeelt de [deputatie] de impact op het aanpalende perceel, maar spreekt louter de weigeringsbeslissing tegen, zonder dit afdoende te motiveren. Zo stelt de [deputatie] in de bestreden beslissing dat de bouwdiepte overeenstemt met de diepte van de verharde zone van het aanpalende pand. Echter in de weigeringsbeslissing stelde de [deputatie] uitdrukkelijk dat de achterbouw die verbonden is door een verharding, niet meetelt voor de berekening van de bouwdiepte, en die bouwdiepte dus niet kon verantwoorden.
- VII-42.429-6/13 Uit voorgaande blijkt dat de [deputatie] een totaal ander standpunt inneemt dan het door haar eerder ingenomen standpunt in haar weigeringsbeslissing. Ze wijkt ook af van het verslag van de provinciale omgevingsambtenaar. Dit doet ze zonder dat daarvoor in de stukken van het dossier, noch in de bestreden beslissing een concrete en afdoende motivering gevonden kan worden. De referentiepunten die al in 2019 werden aangehaald worden ook in de bestreden beslissing hernomen, maar anders beoordeeld. In het licht van het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel, die gelet op de weigeringsbeslissing en het andersluidende verslag ook een verstrengde motiveringsplicht met zich meebrengen, kan de motivering in de bestreden beslissing niet als concreet precies en afdoende beschouwd worden. De [deputatie] motiveert onvoldoende waarom het aangevraagde tegen een eerdere weigeringsbeslissing in, nu wel een bouwdiepte heeft die verenigbaar is met de goede ruimtelijke ordening.”
- In het eerste onderdeel van het middel wordt de schending aangevoerd van het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. De verzoekende partijen zetten uiteen dat uit deze beginselen volgt dat de overheid de gerechtvaardigde verwachtingen van de burger in de regel niet mag beschamen. Indien een burger in redelijkheid had dienen te beseffen dat de opgewekte verwachtingen niet kunnen of mogen worden gehonoreerd, kan het rechtszekerheidsbeginsel niet worden ingeroepen. Als cassatierechter kan de Raad van State nagaan of de rechter het begrip gerechtvaardigde verwachtingen niet heeft miskend door uit de vastgestelde feiten gevolgen af te leiden die hiermee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord. Alhoewel het bestreden arrest overweegt dat het vergunningverlenend bestuur tot een afwijkende beoordeling kan komen in het licht van de sinds de weigeringsbeslissing verdere ontwikkeling van de kern van Huldenberg die leidt tot een actuele ruimtelijke beoordeling, beoordeelt het bestreden arrest de door het bestuur relevant geachte nieuwe referentiepunten met nieuwe bouwdiepte als onvoldoende gemotiveerd. Met die beoordeling leidt het bestreden arrest volgens de verzoekende partijen uit de in aanmerking genomen feiten gevolgen af die geen verband houden met de in aanmerking genomen beginselen van de rechtszekerheid en het rechtmatig gewekt vertrouwen en die de beoordeling van het arrest niet kunnen verantwoorden. Het bestreden arrest VII-42.429-7/13 oordeelt immers niet dat deze nieuwe referentiepunten vreemd zijn aan de actuele ontwikkeling, noch dat deze niet bepalend zijn voor een actuele ruimtelijke ontwikkeling. Het bestreden arrest beperkt zich tot een loutere verwijzing naar het andersluidend verslag van de provinciale omgevingsambtenaar om tot zijn oordeel te komen dat de door de beoordeling van de deputatie over de als relevant in aanmerking genomen referentiepunten met nieuwe bouwdiepte niet voldoet aan de motiveringsplicht, zonder te beslissen dat die beoordeling over de inmiddels geactualiseerde ontwikkeling vreemd is aan het vergunde project en bijgevolg niet relevant is voor een afwijkende ruimtelijke beoordeling.
- Volgens het tweede onderdeel van het middel schendt het bestreden arrest de grondwettelijke motiveringsplicht. De motieven van het arrest zijn volgens de verzoekende partijen tegenstrijdig, doordat het arrest enerzijds overweegt dat een inmiddels gewijzigde ontwikkeling een gewijzigde ruimtelijke beoordeling verantwoordt, en wat de bouwdiepte betreft verwijst naar de door de deputatie in aanmerking genomen referentiepunten, en anderzijds de beoordeling van deze referentiepunten onvoldoende gemotiveerd acht zonder te oordelen dat die beoordeling onjuist is, kennelijk onredelijk is, of de beoordeling niet kan verantwoorden.
- In het derde onderdeel van het middel wordt de schending aangevoerd van artikel 63/1 van het omgevingsvergunningsdecreet. Naar luid van die bepaling moet het vergunningverlenend bestuur in de motivering enkel aangeven op welke wijze rekening gehouden wordt met het verslag van de provinciale omgevingsambtenaar. Door te oordelen dat de deputatie niet verder komt dan het louter tegenspreken van het eerder standpunt van haar weigeringsbeslissing en het advies van de provinciale omgevingsambtenaar, geeft het arrest aan deze bepaling een onwettige draagwijdte. “Tegenspreken” betekent immers “zeggen dat het niet zo is, ontkennen, loochenen, of zich met woorden verzetten”, wat gelijk staat aan aangeven waarom men het niet eens is met het advies. Door het “louter tegenspreken” als onvoldoende te beschouwen zonder aan te geven waarom die beoordeling niet doet blijken van de redenen die doen ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.137 VII-42.429-8/13 begrijpen waarom een niet bindend advies niet wordt gevolgd, schendt het arrest de ingeroepen bepaling. VII-42.429-9/13 Beoordeling
- De verzoekende partijen voeren geen kritiek op de algemene omschrijving die het bestreden arrest geeft van de inhoud van het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, waarbij de RvVb erop wijst dat uit deze beginselen van behoorlijk bestuur volgt dat een vergunningverlenende overheid tegenover een vroegere beoordeling een gewijzigd standpunt kan innemen op voorwaarde dat dit gewijzigd standpunt volgt uit een nieuw onderzoek van de feitelijke gegevens van de zaak en dat dit standpunt niet berust op onjuiste gronden. Het bestreden arrest stelt vast: - het voorwerp van de vergunningsaanvraag die geleid heeft tot de bestreden vergunningsbeslissing van de deputatie verschilt slechts op een aantal punten van de aanvraag die geleid heeft tot de weigeringsbeslissing van de deputatie van 24 januari 2019, waarbij de bouwdiepte ongewijzigd is gebleven; - de deputatie stelt in de bestreden vergunningsbeslissing dat de kern van Huldenberg sinds de weigeringsbeslissing verder is ontwikkeld en dat er een actuele ruimtelijke beoordeling moet gebeuren; - de beoordeling van de deputatie in de bestreden vergunningsbeslissing van de in aanmerking te nemen bouwdiepte van omliggende gebouwen (in het kader van de beoordeling van de overeenstemming van de aanvraag met de goede ruimtelijke ordening), is in tegenspraak met de beoordeling die hiervan werd gemaakt in de weigeringsbeslissing van 24 januari
- Het oordeel dat uit het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, gelezen in samenhang met de materiële- en formelemotiveringsplicht, volgt dat de actuele ruimtelijke beoordeling van het project kan leiden tot een afwijking van de beoordeling van de weigeringsbeslissing van 24 januari 2019 op voorwaarde dat hiervoor afdoende elementen worden aangehaald die het gewijzigd standpunt verantwoorden, waarbij ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.137 VII-42.429-10/13 het louter tegenspreken van de motieven uit de weigeringsbeslissing niet volstaat, is naar recht verantwoord. In zoverre de verzoekende partijen het bestreden arrest verwijten niet te hebben geoordeeld dat de door het bestuur relevant geachte nieuwe referentiepunten met nieuwe bouwdiepte vreemd zijn aan de actuele ontwikkeling, noch dat deze niet bepalend zijn voor een actuele ruimtelijke ontwikkeling, mist hun kritiek feitelijke grondslag. De RvVb gaat immers concreet in op de referentiepunten van de supermarkt (huisnummers 16-20) en de bakkerij (huisnummer 5) en duidt aan waarom het standpunt van de deputatie volgens hem niet de vereiste verantwoording biedt. Het eerste onderdeel van het middel is ongegrond.
- De in artikel 149 van de Grondwet en artikel 32 DBRC ingeschreven rechterlijke motiveringsverplichting heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak voldoet aan deze motiveringsplicht wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet - al waren ze verkeerd of onwettig - die hem ertoe brengen zijn beslissing te nemen. Bij de beoordeling of de rechterlijke motiveringsverplichting werd nageleefd, is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Het gaat er dan ook niet om of de motivering omstandig of juist is. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van artikel 149 van de Grondwet. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. Het is niet tegenstrijdig enerzijds te overwegen dat een inmiddels gewijzigde ontwikkeling een gewijzigde ruimtelijke beoordeling verantwoordt, en wat de bouwdiepte betreft daarbij te verwijzen naar de door de deputatie in aanmerking genomen referentiepunten, en anderzijds de beoordeling ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.137 VII-42.429-11/13 van deze referentiepunten onvoldoende gemotiveerd te achten. In zoverre wordt aangevoerd dat het bestreden arrest tegenstrijdige motieven bevat, mist de kritiek feitelijke grondslag. In zoverre de verzoekende partijen de schending van artikel 149 van de Grondwet en artikel 32 DBRC afleiden uit de omstandigheid dat de RvVb de beoordeling van de referentiepunten onvoldoende acht zonder te oordelen dat die beoordeling onjuist is, kennelijk onredelijk is, of de beoordeling niet kan verantwoorden, gaan zij uit van een verkeerd begrip van de rechterlijke motiveringsplicht. Het tweede middelonderdeel is ongegrond.
- Artikel 63/1 van het omgevingsvergunningsdecreet bepaalt dat de deputatie in haar motivering moet aangeven “op welke wijze rekening wordt gehouden met het verslag” van de provinciale omgevingsambtenaar. Wanneer de deputatie afwijkt van de visie die wordt uitgedrukt in het verslag van de provinciale omgevingsambtenaar, volgt uit deze bepaling, gelezen in samenhang met de verplichting om een vergunningsbeslissing afdoende te motiveren, dat uit de motieven van de beslissing moet blijken waarom van die visie wordt afgeweken. De verwerende partij heeft in het annulatiemiddel voor de RvVb zowel de schending opgeworpen van artikel 63/1 van het omgevingsvergunningsdecreet, als van het beginsel van de formelemotiveringsplicht. De beoordeling dat het “louter tegenspreken” van het standpunt van de provinciale omgevingsambtenaar niet volstaat als motivering voor de afwijkende visie, is dan ook naar recht verantwoord. VII-42.429-12/13 Het derde middelonderdeel is ongegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 600 euro, elk voor een derde, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negenentwintig april tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Francis Van Nuffel, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-42.429-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.137 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div