← België

Arrest 263138 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 29/04/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.138 Rolnummer: A. 240971/VII-42356 Zaak: Arrest 263138 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 29/04/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-05-13 Raadplegingen: 82 - laatst gezien 2026-06-16 05:09 Fiche Arrest nr 263.138 van 29 april 2025 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 263.138 van 29 april 2025 in de zaak A. 240.971/VII-42.356 In zake : J.P. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Colin De Beir kantoor houdend te 9500 Geraardsbergen Pastorijstraat 19 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de PROVINCIE VLAAMS-BRABANT -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het cassatieberoep, ingesteld op 18 januari 2024, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2324-0279 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 14 december 2023 in de zaak 2122-RvVb-0349-A. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 19 februari
  3. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur An Van den broeck heeft op 6 juni 2024 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van VII-42.356-1/5 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’ (hierna: cassatieprocedurebesluit). Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 3 april
  4. Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht. Advocaat Fien De Corte, die loco advocaat Colin De Beir verschijnt voor verzoeker, is gehoord. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. Verzoeker vraagt een omgevingsvergunning voor de regularisatie van de verbouwing van een hoevewoning met schuur. 3.
  7. Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zemst weigert de vergunning. Na bestuurlijk beroep van verzoeker weigert ook de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant de vergunning, bij beslissing van 3 december
  8. VII-42.356-2/5 3.
  9. Het bestreden arrest verwerpt het beroep van verzoeker tegen de deputatiebeslissing van 3 december
  10. IV. Onderzoek van het middel tot nietigverklaring Uiteenzetting van het middel
  11. Verzoeker voert de schending aan van de artikelen 4.4.12 en 4.4.20 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), van artikel 149 van de Grondwet en artikel 32 van het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’, “respectievelijk artikel 45 van het besluit” van de Vlaamse regering van 16 mei 2014 ‘houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’. Volgens de uiteenzetting van het middel in de memorie van wederantwoord schendt de Raad voor Vergunningsbetwistingen artikel 4.4.20 VCRO doordat hij aan deze bepaling een interpretatie geeft die niet in de tekst ervan is terug te vinden, en er integendeel voorwaarden aan toevoegt. De Raad voor Vergunningsbetwistingen stelt volgens verzoeker ten onrechte dat slechts toepassing kan worden gemaakt van artikel 4.4.20 VCRO voor zover de initiële vergunning geen regularisatievergunning is (en wat de afwezigheid van goede trouw impliceert). Beoordeling
  12. Artikel 14, derde lid, van het cassatieprocedurebesluit bepaalt dat de memorie van wederantwoord de vorm heeft van een samenvattende memorie waarin alle argumenten van de verzoekende partij op een rij worden gezet. Behoudens wat de ontvankelijkheid van het beroep en van de middelen betreft, doet de Raad van State uitspraak op basis van de samenvattende memorie. VII-42.356-3/5 In het middel, zoals uiteengezet in de samenvattende memorie, maakt verzoeker niet duidelijk op welke wijze het bestreden arrest een schending zou inhouden van artikel 4.4.12 VCRO, artikel 149 van de Grondwet, artikel 32 van het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ en/of artikel 45 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2014 ‘houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’. Het onderzoek van de Raad van State is dan ook beperkt tot de aangevoerde schending van artikel 4.4.20 VCRO.
  13. Artikel 4.4.20 VCRO luidt: “§
  14. De mogelijkheden, vermeld in onderafdeling 2, zijn van overeenkomstige toepassing op zonevreemde woningen of andere constructies die geheel of gedeeltelijk zijn afgebroken, indien voldaan is aan beide hiernavolgende voorwaarden: 1° voorafgaand aan de afbraak werd een omgevingsvergunning tot verbouw of tot herbouw afgeleverd, en de aanvrager wenst het plan nu aan te passen of om te zetten naar herbouw; 2° de aanvraag wordt ingediend binnen de geldigheidstermijn van de initiële omgevingsvergunning tot herbouw of tot verbouw of wordt ingediend binnen een termijn van een jaar na de dag waarop het arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen waarbij de initiële omgevingsvergunning wordt vernietigd, definitief wordt. Telkens in onderafdeling 2 gerefereerd wordt aan het bestaande bouwvolume van een woning of een andere constructie, wordt daaronder voor de toepassing van het eerste lid het bouwvolume, voorafgaand aan de afbraak, verstaan. §
  15. […].” Het bestreden arrest oordeelt met betrekking tot de eerste voorwaarde van artikel 4.4.20, § 1, eerste lid: “Een vergunning die niet vooraf aan de afbraak afgegeven werd maar integendeel strekt tot de regularisatie van al uitgevoerde afbraakwerken kan niet als de initiële vergunning tot verbouw of herbouw in aanmerking worden genomen.” VII-42.356-4/5 Met deze beoordeling voegt de Raad voor Vergunningsbetwistingen geen voorwaarde toe aan artikel 4.4.20, § 1, VCRO, en miskent hij niet de draagwijdte van deze bepaling. Het middel is ongegrond. BESLISSING
  16. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  17. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negenentwintig april tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Francis Van Nuffel, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-42.356-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.138 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.