← België

Arrest 263139 - Natuurbehoud - Vergunningen - 29/04/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.139 Rolnummer: A. 241292/VII-42415 Zaak: Arrest 263139 - Natuurbehoud - Vergunningen - 29/04/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-05-13 Raadplegingen: 86 - laatst gezien 2026-06-16 05:09 Fiche Arrest nr 263.139 van 29 april 2025 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Natuurbehoud - Vergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.139 no lien 283015 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 263.139 van 29 april 2025 in de zaak A. 241.292/VII-42.415 In zake :

  1. P.D.
  2. K.L. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Koen Van Wynsberge kantoor houdend te 9860 Oosterzele Kwaadbeek 47A bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steve Ronse en Thomas Quintens kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de CV FLUVIUS SYSTEM OPERATOR bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sven Boullart en Jelle Snauwaert kantoor houdend te 9000 Gent Voskenslaan 419 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  3. Het beroep, ingesteld op 20 februari 2024, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme van 19 december 2023 ‘houdende uitspraak over het beroep tegen het besluit van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (OVAM) van 31 oktober 2019 waarbij de OVAM een eindverklaring aflevert conform artikel 68 van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 op basis van de resultaten van het eindevaluatieonderzoek met als titel “Eindevaluatieonderzoek voormalige gasfabriek, Papiermolenstraat 33 A te 9500 VII-42.415-1/22 Geraardsbergen” en waarbij de OVAM besluit dat de doelstellingen van de bodemsanering werden bereikt en de bodemsaneringswerken kunnen worden beëindigd’. II. Verloop van de rechtspleging
  4. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Met een verzoekschrift van 27 april 2024 heeft de cv Fluvius System Operator gevraagd om in het geding te mogen tussenkomen. Auditeur Benny De Sutter heeft op 29 augustus 2024 een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 maart
  5. Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht. Advocaat Koen Van Wynsberge, die verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Thomas Quintens, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Ibe Delbeke, die loco advocaten Sven Boullart en Jelle Snauwaert verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Auditeur Benny De Sutter heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. VII-42.415-2/22 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. III. Tussenkomst
  7. De cv Fluvius System Operator heeft belang bij de uitkomst van het beroep. Bijgevolg moet het verzoek tot tussenkomst worden ingewilligd. IV. Feiten 4.
  8. In opdracht van de tussenkomende partij werden bodemsaneringswerken uitgevoerd op het terrein van de voormalige gasfabriek aan de Papiermolenstraat te Geraardsbergen en omliggende percelen. De Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (hierna: OVAM) heeft daartoe op 15 september 2014 een bodemsaneringsproject conform verklaard met de bepalingen van het decreet van 27 oktober 2006 ‘betreffende de bodemsanering en de bodembescherming’ (hierna: bodemdecreet). De verzoekende partijen zijn eigenaars van percelen waarop die bodemsaneringswerken werden uitgevoerd. 4.
  9. Na uitvoering van de saneringswerken stelt de erkende bodemsaneringsdeskundige nv Arcadis Belgium op 23 augustus 2019 een verslag op van het eindevaluatieonderzoek. Op 31 oktober 2019 levert OVAM de eindverklaring af waarin zij besluit dat uit de resultaten van het eindevaluatieonderzoek blijkt “dat met de uitvoering van de bodemsaneringswerken de doelstellingen van de bodemsanering werden bereikt” en dat de bodemsaneringswerken kunnen worden beëindigd. 4.
  10. De verzoekende partijen stellen op 31 december 2019 bestuurlijk beroep in tegen de eindverklaring van 31 oktober
  11. In dat beroepschrift voeren zij onder meer aan dat zij niet de mogelijkheid hebben gekregen om kennis te nemen van het verslag van het eindevaluatieonderzoek. Op 10 februari 2020 bezorgt OVAM een verweernota aan de verwerende partij. De tussenkomende partij dient op 17 februari 2020 een nota met opmerkingen in. VII-42.415-3/22 4.
  12. Met een bericht van 6 april 2023 stelt de verwerende partij de verzoekende partijen in de gelegenheid om hun beroepschrift aan te vullen, nu zij inmiddels de digitale versie van het verslag van het eindevaluatieonderzoek hebben verkregen. De verzoekende partijen bezorgen op 27 april 2023 een aanvulling op hun beroepschrift. OVAM vult haar verweer aan op 9 mei 2023, en de tussenkomende partij bezorgt op 6 juni 2023 een aanvullende nota met opmerkingen. 4.
  13. Met het bestreden besluit van 19 december 2023 verklaart de verwerende partij het bestuurlijk beroep ongegrond en bevestigt zij de beslissing van OVAM. Het besluit berust op volgende motieven: “In het conform verklaarde bodemsaneringsproject werd beoogd om door middel van de vooropgestelde saneringstechniek, op grond van het BATNEEC-principe, grond- en grondwaterverontreiniging met teer (minerale olie, benzeen, naftaleen), PAK’s en cyanide ter hoogte van de voormalige gasfabriek te saneren, meer bepaald door middel van ontgraving, bemaling en monitoring van de natuurlijke afbraak van het teerpluim en opvolging van de cyanide verontreiniging in het grondwater. Met betrekking tot de vooropgestelde saneringstechniek werd daarbij voorzien dat er een restverontreiniging zal achterblijven in het vaste deel van de aarde ter hoogte van het gebouw. Ook op de rest van het terrein werd verwacht dat er restverontreiniging zou achterblijven aangezien enkel is voorzien de risico’s weg te nemen. Bijkomende ontgravingen van de verontreiniging tot de bodemsaneringsnorm worden niet als BATNEEC beschouwd. Na de sanering is er dan ook een restverontreiniging aanwezig met benzo(a)pyreen, cyanides en minerale olie (teer) in het vaste deel van de aarde op volgende locaties: perceel […], perceel […] en de openbare weg. De saneringsvariant die gekozen is, namelijk saneringsvariant 1, voorziet niet in sanering tot de bodemsaneringsnorm, maar in sanering van de bronzones en toplaag. Dit heeft tot gevolg dat de totale vuilvrachtvermindering en ontgraving minder groot is. Variant 1 heeft ook tot gevolg dat er beperkingen zijn voor het gebruik van de bodem na sanering, maar dat de voorziene schade en het risico op potentiële schade kleiner is. Tot slot werd voorzien in een back-upvariant aangezien het [bodemsaneringsproject] niet voorziet in een actieve sanering van het grondwater en er ter hoogte van het gebouw niet kan worden ontgraven. Wat de inhoud van het bodemsaneringsproject van 23 mei 2014 en de opgeworpen hiaten en tekortkomingen in het bodemsaneringsproject van 23 mei 2014 betreft, kan geoordeeld worden dat hierover al een beslissing genomen werd. Het diensthoofd van de juridische dienst van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie heeft bij besluit van 12 november 2014 geoordeeld dat het administratief beroep tegen de conformverklaring van het bodemsaneringsproject van 23 mei 2014 laattijdig werd ingediend en aldus onontvankelijk is. De beroepers hebben tegen dit onontvankelijkheidsbesluit ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.139 VII-42.415-4/22 van 12 november 2014 een verzoekschrift tot nietigverklaring ingediend bij de Raad van State op 9 januari
  14. De Raad van State heeft bij arrest van 9 juli 2015 (met nummer 231.891) de vordering tot schorsing verworpen en bij arrest van 2 maart 2017 (met nummer 237.532) het verzoek tot nietigverklaring verworpen. De beslissing van de OVAM van 15 september 2014 waarbij de OVAM het bodemsaneringsproject van 23 mei 2014 conform verklaarde aan de bepalingen van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006, werd hierdoor definitief. De argumenten van de beroepers met betrekking tot het bodemsaneringsproject zijn als gevolg niet relevant en behoeven geen verdere beoordeling. De inhoud van het bodemsaneringsproject werd in het verleden reeds bepaald en vastgelegd en kan niet meer betwist worden bij het afleveren van de eindverklaring. Wat betreft de inhoud en vorm van het eindevaluatieonderzoek van 23 augustus 2019 opgesteld door ARCADIS BELGIUM NV, kan verwezen worden naar de standaardprocedure Bodemsaneringswerken, Eindevaluatie en Nazorg. Er moet voor de beoordeling van het eindevaluatieonderzoek ook rekening gehouden worden met de tussentijdse verslagen en de bijlagen. Voor wat betreft de meeste argumenten van de beroepers kan verwezen worden naar de tussentijdse verslagen en de verschillende bijlages bij zowel de tussentijdse verslagen als het eindevaluatieonderzoek. Zo is er bijvoorbeeld wel degelijk een beschrijving van de uitgevoerde bodemsaneringswerken terug te vinden in het administratief dossier, meer specifiek dan in het tussentijdse rapport van 26 mei 2016 en in de bijlagen bij dit rapport alsook in het rapport van het eindevaluatieonderzoek van 23 augustus 2019 en haar bijlagen. De OVAM moet overeenkomstig artikel 68 van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 een eindverklaring afleveren op basis van de resultaten van het eindevaluatieonderzoek. Wat het afgegraven volume vervuilde grond zoals voorzien en beschreven in het bodemsaneringsproject betreft, kan gesteld worden dat dit richtinggevend is en niet bindend. Een eventuele afwijking hiervan wordt niet gesanctioneerd en vereist geen toelichting in de eindverklaring. Dit vormt geen argument om de bestreden beslissing op te heffen. In het eindevaluatieonderzoek van 23 augustus 2019 alsook in het tussentijds rapport van 26 mei 2016 is uitvoerig beschreven welke afgravingen werden uitgevoerd en in welke zin deze afwijken van de oorspronkelijk voorziene afgravingen en motivatie. De bodemsaneringsdeskundige heeft onder meer vermeld in het eerste tussentijdse rapport van 26 mei 2015 dat tijdens de effectieve uitvoering van de bodemsaneringswerken na de ontgraving van toplaag door middel van sleuvenonderzoek is gebleken dat de gashouders zelf niet verontreinigd waren en de bodem van de tussenliggende laag een kwaliteit heeft die betekent dat deze niet afgevoerd moest worden. Om deze reden [werd] er een minder grote hoeveelheid grond afgegraven dan voorzien in het bodemsaneringsproject. Er werden ook bijkomende verontreinigingspots vastgesteld en ontgraven die niet in het bodemsaneringsproject voorzien waren in functie van het saneringsdoel, namelijk ontgraving van de bronzones met teer- en cyanideverontreiniging en de toplaag (diffuse verontreiniging) alsook natuurlijke afbraak van de grondwaterverontreiniging. Dit in tegenstelling tot de niet [gekozen] Variant 2 waarvan het saneringsdoel gericht was op de ontgraving tot de bodemsaneringsnorm en natuurlijke afbraak van de ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.139 VII-42.415-5/22 grondwaterverontreiniging. De ontgraving werd dus uitgevoerd zo ver als technisch mogelijk en er werd voldaan aan het saneringsconcept. Wat betreft de verontreiniging met teer rond de leidingen onder het gebouw kan gesteld worden dat het een beperkte hoeveelheid teer betreft die zich boven de terugsaneerwaarden situeert. In het eindevaluatieonderzoek wordt gesteld dat aangezien het niet duidelijk is hoe de leiding verder loopt onder de aanwezige nutsleidingen en of de leiding aan de andere kant open was[,] de leiding niet verwijderd en gereinigd kon worden. Aldus werd de leiding afgesloten met een stuk plastiek en omstort met beton. De restverontreiniging die aanwezig is betreft waarden hoger dan de bodemsaneringsnorm. De genomen maatregelen om verdere verspreiding van de verontreiniging tegen te gaan zijn kennelijk redelijk conform het BATNEEC-principe gezien verdere ontgraving technisch niet mogelijk was. In het eindevaluatieonderzoek en haar bijlagen kan een uitvoerige beschrijving gevonden worden onder de risico-evaluatie, die stelt dat er van de aanwezige restverontreinigingen met concentraties boven de saneringsdoelstelling geen ernstige bedreiging uitgaat, waarom de saneringsdoelstellingen bereikt worden. Uit deze blijkt niet dat de beslissing van de OVAM dat er op basis van de resultaten van het eindevaluatieonderzoek er geen ernstige bedreiging meer uitgaat van de restverontreiniging, kennelijk onredelijk is. Verder stellen de beroepers dat er een grondwaterbemaling in het bodemsaneringsproject voorzien was zodat de ontgraving in het droge kon uitgevoerd worden. In het eindevaluatierapport valt te lezen dat er een wijziging werd uitgevoerd tegenover het conform verklaarde bodemsaneringsproject waarbij gezien de lage grondwaterstand gedurende de periode van de saneringswerken het uiteindelijk niet noodzakelijk was om een grondwaterbemaling uit te voeren voor de ontgraving tot 2,5 m-mv. Bijkomend werd nabij het gebouw ter hoogte van de cyanideverontreinigingskern 3 in moten ontgraven zoals voorzien in de aanvullende stabiliteitsstudie. Deze stabiliteitsstudie werd opgemaakt naar aanleiding van opmerkingen van de OVAM in kader van de conformverklaring van het bodemsaneringsproject. Aldus werd geen gebruik gemaakt van de waterzuiveringsinstallatie, zoals ook formeel genoteerd in het eerste tussentijdse rapport. De beroepers betogen dat er een back-up variant in het bodemsaneringsproject voorzien is waarvan de eindverklaring onvoldoende gemotiveerd is wat betreft de beslissing om deze niet op te starten. Echter in het bodemsaneringsproject is te lezen dat er als back-up een drain en pompput wordt geplaatst indien tijdens het afgraven van de teerkern tegen het gebouw, onder het gebouw verontreiniging boven de terugsaneerwaarde werd vastgesteld en die verontreiniging niet ontgraven kan worden. Bijkomend wordt er gesteld dat de voorwaarden die zijn opgesteld voor de opstart van de back-upvariant niet zijn voldaan. Zo werd aangetoond dat er weldegelijk voldoende natuurlijke attenuatie plaatsvindt die geen significante verspreiding toestaat. De tussentijdse evaluatie stelt dat er geen drain met pompput werd geplaatst omdat de ontgraving kon worden uitgevoerd zonder bemaling. Er werd dus geen grondwaterverlaging gerealiseerd en geen drain geplaatst in de verzadigde zone. Deze beoordeling van de bodemsaneringsdeskundige lijkt aldus niet kennelijk onredelijk. VII-42.415-6/22 Wat de cyanide verontreiniging betreft kan gesteld worden dat het eindevaluatierapport op een kennelijk redelijke manier aantoont [dat] aan het saneringsdoel, zijnde risicoverwijdering en het aantonen van natuurlijke afbraak, is voldaan. Wat betreft de concentratiewaarde voor cyanide in de toplaag in het vaste deel van de aarde (160 mg/kg d.s.), kan gesteld worden dat hoewel deze de saneringswaarde (12 mg/kg d.s.) overstijgt er weldegelijk is aangetoond in kader van het grondwatermonitoringsonderzoek dat er een stabiel profiel is (door onder meer de aanwezigheid van redox parameters zoals sulfaat, ijzer, nitraat/nitriet en methaan). Aldus kan ook dit argument van de beroepers niet worden aangenomen als afdoende om de eindverklaring niet af te leveren. Het eindevaluatieonderzoek [vermeldt] met betrekking tot de toekomstige bestemming dat de bodemsanering ‘gericht is op risicoreductie rekening houdend met het huidige/toekomstige bestemmingstype op het terrein. In het saneringsconcept en de uiteindelijke sanering werd hiermee dus rekening gehouden (…).’ In het kader van risicobeheersing wordt volgens de beroepers in het eindevaluatieonderzoek onvoldoende rekening gehouden met de toekomstige bestemming van de site. Zo wordt geen rekening gehouden met opwaaiing door stof als [mogelijke] verspreidingsroute. Echter conform de standaardprocedure BBO (september 2015) kunnen er vijf types van verspreidingsrisico’s worden gedefinieerd, waaronder ‘verontreiniging in de toplaag van het vaste deel van de aarde die aanleiding kan geven tot een bodemverontreiniging in de omgeving door verwaaiing’. De restverontreiniging die zich bevindt op de grond is daarentegen niet aanwezig in de toplaag waardoor het risico op verspreiding door verwaaiing kennelijk redelijk beoordeeld lijkt door de bodemsaneringsdeskundige als ‘niet verwacht’. Ook verspreiding in het grondwater wordt niet verwacht gezien de stabiele situatie zoals vastgesteld tijdens de grondwatermonitoring. Dat gebruiksbeperkingen werden opgelegd werd reeds in het bodemsaneringsproject voorzien in het kader van gebruik als woonzone (bestemmingstype III) wat hier niet opnieuw kan worden betwist zoals reeds hoger vastgesteld. Verder werpen de beroepers inhoudelijk niets op en aldus kan dit argument niet worden [aangenomen]. De beroepers werpen voorts op dat er in de bestreden beslissing niet zou zijn gemotiveerd waarom er geen ernstige bedreiging meer zou uitgaan van de restverontreiniging of nog waarom de risico-evaluatie afdoende garanties zou bieden dat de saneringsdoelstellingen bereikt worden. In het kader van het eindevaluatieonderzoek van 23 augustus 2019 werd de restverontreiniging duidelijk in kaart gebracht, zoals te vinden in bijlage 10 bij het eindevaluatierapport. Alsook werd via een [locatiespecifieke] risicobeoordeling (S-risk - een door OVAM erkend blootstellingsmodel) een inschatting gemaakt van de potentiële risico’s die uitgaan van deze restverontreiniging. In het kader van het verspreidingsrisico zijn een aantal gebruiksadviezen opgelegd, in tegenstelling tot wat de beroepers beweren. Uit deze risicobeoordeling is gebleken dat er van de restverontreiniging geen risico’s uitgaan. Op basis daarvan kan dan ook in de eindverklaring worden gesteld dat er besloten kan worden dat er geen ernstige bedreiging uitgaat van deze restverontreiniging. Het eindevaluatieonderzoek heeft aldus aangetoond waarom de saneringsdoelstellingen bereikt worden en dat de bodemsaneringswerken overeenkomstig artikel 62 van het Bodemdecreet ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.139 VII-42.415-7/22 van 27 oktober 2006 werden uitgevoerd. Uit deze blijkt niet dat de beslissing van de OVAM waarvan op basis van de resultaten van het eindevaluatieonderzoek er geen ernstige bedreiging meer uitgaat van de restverontreiniging en dat de saneringsdoelstellingen werden bereikt, kennelijk onredelijk is. Het verdient herhaling om te benadrukken dat het eindevaluatieonderzoek uitvoerig alle elementen en saneringsmaatregelen en opties zoals deze vermeld zijn in het bodemsaneringsproject bespreekt. De OVAM is niet verplicht om in de bestreden beslissing elk onderdeel te hernemen, gezien ze haar eindverklaring neemt op basis van de resultaten van het eindevaluatieonderzoek. Met betrekking tot perceel […] kan gesteld worden dat dit perceel is opgenomen in de gemeentelijke inventaris van Geraardsbergen zoals verplicht volgens artikel 7 van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 en daarom als risicogrond op het bodemattest wordt vermeld. Dit perceel is een verspreidingsperceel waarvoor in het bodemsaneringsproject geen actieve saneringsmaatregelen waren voorzien ter hoogte van dit perceel. In kader van de monitoring van de grondwaterkwaliteit werden er peilbuizen ter hoogte van dit perceel bemonsterd en werd op basis van de resultaten besloten dat er geen verdere maatregelen noodzakelijk zijn. Het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 en het VLAREBO-besluit van 14 december 2007 bevatten geen specifieke vormvereisten voor een eindverklaring. Dat er in de eindverklaring verwezen wordt naar het eindevaluatieonderzoek en het tussentijdsverslag is toegestaan zonder dat er in de eindverklaring alle voorgaande onderzoeken en vaststellingen worden opgenomen. Een eindverklaring wordt conform artikel 68 van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 afgeleverd als de doelstellingen van de bodemsanering worden bereikt volgens de OVAM en dit op basis van de resultaten van het eindevaluatieonderzoek. Het eindevaluatieonderzoek kan verwijzen naar onder meer het tussentijds verslag. Een toelichting over de gebruikte saneringstechniek of de saneringsdoelstellingen is echter geen decretaal verplicht onderdeel van een eindverklaring. Er kan besloten worden dat naast de niet relevantie van bepaalde argumenten, er ook gesteld kan worden dat enkele andere argumenten van de beroepers niet volledig correct zijn, zoals de onzorgvuldige beoordeling en motivering van de risicobeoordeling. Bovendien verliezen de beroepers uit het oog dat over de meeste argumenten uit het beroepsschrift reeds in het verleden uitspraak gebeurde en deze argumenten nu niet meer ter discussie kunnen staan. In casu tonen de beroepers niet aan dat de doelstelling van de bodemsanering conform artikel 67 van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 niet werd bereikt en aldus de eindverklaring niet mocht afgeleverd worden door de OVAM. De beslissing van de OVAM waarbij de OVAM de eindverklaring aflevert conform artikel 68 van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 op basis van de resultaten van het eindevaluatieonderzoek met als titel ‘Eindevaluatieonderzoek voormalige gasfabriek, Papiermolenstraat 33A te 9500 Geraardsbergen’ en waarbij de OVAM besluit dat de doelstellingen van de bodemsanering werden bereikt en de bodemsaneringswerken kunnen worden beëindigd, is aldus niet kennelijk onredelijk. […] VII-42.415-8/22 Bijgevolg bestaat er aanleiding toe het beroep ongegrond te verklaren en de bestreden beslissing te bevestigen. Opmerking: de aangehaalde problematiek omtrent eventuele kosten en lasten verbonden aan de op de percelen voorkomende restverontreiniging in het vaste deel van de aarde en in het grondwater, valt buiten de beoordelingsbevoegdheid van dit beroep. De beroepers kunnen desgevallend eventuele latere kosten en/of lasten verbonden aan deze restverontreiniging terugvorderen van diegene die de bodemverontreiniging heeft veroorzaakt overeenkomstig artikel 16 tot en met 18 van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006.” V. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie
  15. De tussenkomende partij voert aan dat de verzoekende partijen geen belang hebben bij het vernietigingsberoep, zodat het beroep niet ontvankelijk is. Zij betoogt dat de verwerende partij na een eventuele vernietiging in beginsel een nieuwe beslissing moet nemen over het bestuurlijk beroep van de verzoekende partijen, maar dan zal moeten vaststellen dat de redelijke termijn is verstreken zodat zij niet langer over de bevoegdheid beschikt om een uitspraak te doen. Het bestuurlijk beroep van de verzoekende partijen werd ingesteld op 31 december 2019 en ontvankelijk verklaard op 16 januari
  16. Het bestreden besluit dateert van 19 december 2023, wat volgens de tussenkomende partij buiten de redelijke termijn is om over het beroep uitspraak te doen. Nu de verwerende partij in geval van vernietiging van het bestreden besluit niet langer de bevoegdheid heeft om een beslissing te nemen over het bestuurlijke beroep, wordt de met het bestuurlijk beroep bestreden beslissing van OVAM definitief. De vernietiging van het bestreden besluit kan de verzoekende partijen bijgevolg geen voordeel opleveren. Beoordeling
  17. De exceptie van de tussenkomende partij nodigt de Raad van State uit om te oordelen dat de redelijke termijn reeds was overschreden ten tijde ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.139 VII-42.415-9/22 van het bestreden besluit, en a fortiori zal overschreden zijn wanneer de verwerende partij na vernietiging van het bestreden besluit een nieuwe beslissing dient te nemen. De verzoekende partijen voeren niet aan dat het bestreden besluit werd genomen met overtreding van de redelijke termijn om uitspraak te doen over hun bestuurlijk beroep. Zij zouden overigens in beginsel geen belang hebben bij een dergelijk middel. De Raad van State dient zich dan ook niet uit te spreken over de vraag of de redelijke termijn reeds was overschreden ten tijde van het bestreden besluit. De vraag of de redelijke termijn zal zijn overschreden op het tijdstip van de nieuwe beslissing die de verwerende partij dient te nemen na vernietiging van het bestreden besluit, kan maar beoordeeld worden in het licht van de concrete omstandigheden van de zaak zoals zij op dat tijdstip worden vastgesteld. De exceptie wordt verworpen. VI. Onderzoek van het middel tot nietigverklaring Standpunt van de verzoekende partijen
  18. De verzoekende partijen voeren de schending aan van de artikelen 67 en 68 van het bodemdecreet, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: motiveringswet), en van het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en de materiëlemotiveringsplicht als beginselen van behoorlijk bestuur. Zij verdelen het middel in twee onderdelen.
  19. In het eerste onderdeel zetten de verzoekende partijen uiteen dat de risico-evaluatie in het eindevaluatierapport niet toelaat te besluiten dat er geen ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.139 VII-42.415-10/22 ernstige bedreiging uitgaat van de restverontreiniging. De verzoekende partijen wijzen erop dat uit het rapport niet blijkt op grond van welke reden de saneringsplichtige kon volstaan met een beperkte grondwatermonitoring. Het bodemsaneringsproject erkende immers het risico op verspreiding van verontreiniging. Ook het eindevaluatieonderzoek geeft zeer duidelijk aan dat er op diverse percelen in het vaste deel van de aarde een potentieel risico bestaat als gevolg van verspreiding, onder meer via het grondwater, en stelt dat de risico’s als gevolg van de verspreiding van cyanide en benzoapyreen geherevalueerd moeten worden na grondwatermonitoring. De overweging in het bestreden besluit dat het eindevaluatierapport op kennelijk redelijke wijze aantoont dat aan het saneringsdoel is voldaan, strijdt met wat in dat rapport is gesteld omtrent de noodzaak tot herevaluatie en grondwatermonitoring. De inhoud van het eindevaluatierapport laat de verwerende partij niet toe om te stellen dat OVAM op voldoende gemotiveerde en zorgvuldige wijze een eindverklaring heeft afgeleverd. Ook het motief van het bestreden besluit dat het eindevaluatierapport, met betrekking tot de verontreiniging met cyanide, op kennelijk redelijke wijze aantoont dat aan het saneringsdoel is voldaan, is strijdig met wat in hetzelfde verslag wordt gesteld omtrent de noodzaak tot herevaluatie en grondwatermonitoring. Minstens licht het bestreden besluit niet toe waarom de in het eindevaluatieonderzoek voorgeschreven evaluatie en monitoring toch terzijde zouden kunnen worden geschoven door OVAM in de eindverklaring. Volgens de verzoekende partijen gaat het bestreden besluit hieraan volledig voorbij. Nochtans hebben de verzoekende partijen uitdrukkelijk erop gewezen dat het loutere feit dat de gemeten waarden stabiel zouden blijven, niet volstaat om te besluiten dat het humaan en toxicologisch risico van deze verontreinigingskernen zou kunnen worden uitgesloten. Hiervoor hebben zij uitdrukkelijk verwezen naar de uiteenzetting van het eindevaluatierapport over de verspreidingsroutes, die zij uitdrukkelijk aanhalen. Verder voeren de verzoekende partijen aan dat de eindverklaring van OVAM en het bestreden besluit ten onrechte hebben aanvaard dat er sprake is van “een stabiele situatie”, nu uit een overzichtstabel blijkt dat de waarden voor ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.139 VII-42.415-11/22 cyanide in grondwater hoger zijn dan de initiële maximale concentratie. De bestreden beslissing is dan ook onzorgvuldig tot stand gekomen en onzorgvuldig gemotiveerd omdat zij de eindverklaring zonder meer bevestigt, terwijl uit het eindevaluatieonderzoek duidelijk blijkt dat de door OVAM gemaakte conclusie niet gedragen wordt door de daarin gestelde conclusies en aanbevelingen.
  20. In het tweede onderdeel van het middel laten de verzoekende partijen gelden dat het bodemsaneringsproject in meer omvattende werken voorzag dan deze vermeld in de eindverklaring. De verzoekende partijen merken op dat slechts 2/3 van het te ontgraven volume effectief werd afgegraven. Uit de eindverklaring blijkt niet, minstens niet afdoende, waarom er ondanks de ontoereikende afgraving toch sprake zou zijn van het bereiken van de saneringsdoelstelling. Integendeel bevestigt het eindevaluatierapport dat de hoeveelheid effectief afgegraven aarde significant lager ligt dan de in het bodemsaneringsproject voorgeschreven hoeveelheid. Zij wijzen erop dat het bodemsaneringsproject daarnaast nog voorzag in milieukundige begeleiding tijdens de ontgraving, afvoer van verontreinigde gronden, monitoring van de natuurlijke afbraak van de teerpluim, opvolging van de cyanideverontreiniging in het grondwater, en grondwateronttrekking als back-up plan. Op deze punten wordt in de eindverklaring amper of zelfs niet ingegaan. Het eindevaluatierapport motiveert onvoldoende waarom niet werd beslist om de back-up variant op te starten in het kader van de monitoring van de natuurlijke afbraak van de teerpluim en in het kader van de opvolging van de cyanideverontreiniging in het grondwater. Tevens wordt de verspreiding van cyanide in het grondwater volgens de verzoekende partijen onterecht beschouwd als afgeperkt. Zij wijzen erop dat dit besluit slechts is gebaseerd op de meting in één peilbuis (P1602) met een “groen” resultaat, en dat een hermeting ter verificatie noodzakelijk is. Metingen in een andere peilbuis (P1601), waar nog steeds een “gele” concentratiewaarde voor cyanide wordt aangegeven, werden namelijk niet in ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.139 VII-42.415-12/22 rekening gebracht. De verwerende partij kan haar stelling in het bestreden besluit dat er geen risico’s uitgaan van de restverontreiniging niet baseren op een eindevaluatieonderzoek dat zelf behept blijkt te zijn met onzorgvuldigheden en met name omdat klaarblijkelijk enkel gunstige waarnemingen in rekening werden gebracht bij het beoordelen van het verspreidingsrisico. Ook het verspreidingsrisico van de verontreiniging vanuit de leidingen wordt volgens de verzoekende partijen onvoldoende beoordeeld in het bestreden besluit. De verwerende partij beperkt zich tot de standaardmotivering dat de genomen maatregelen verdere verspreiding tegengaan en conform het BATNEEC-principe zijn. Die motivering volstaat niet nu het eindevaluatierapport zelf het risico op verspreiding van teer via de andere kant van de leiding erkent. Ten slotte wordt volgens de verzoekende partijen ook over de opvolging van de cyanideverontreiniging in het grondwater en de back-up grondwateronttrekking amper gerept in de eindverklaring, en dit niettegenstaande de vaststelling dat de beoogde saneringsdoelstelling voor cyanide niet werd bereikt en het verspreidingsrisico niet kan worden uitgesloten. De loutere bewering dat aan de voorwaarden voor de opstart van de back-up variant niet is voldaan, en dat er voldoende natuurlijke attenuatie plaatsvindt, is een stijlformule die niet toelaat daadwerkelijk kennis te nemen van de motieven die aan de beslissing ten grondslag liggen.
  21. In de memorie van wederantwoord herhalen de verzoekende partijen met betrekking tot het eerste middelonderdeel dat het eindevaluatieonderzoek uitdrukkelijk aangeeft dat voor diverse percelen een herevaluatie noodzakelijk is na grondwatermonitoring. De omstandigheid dat er al eerder een monitoring heeft plaatsgevonden, is irrelevant. De noodzakelijk geachte monitoring moet uiteraard nog gebeuren nà de eindverklaring. Verder is het volgens de verzoekende partijen onjuist dat stabiele situaties geen actueel en humaan toxicologisch risico kunnen inhouden. De verontreiniging met cyanide is stabiel, maar ook aanhoudend, zodat een herevaluatie op basis van grondwatermonitoring noodzakelijk blijft. De ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.139 VII-42.415-13/22 aanwezigheid van cyanide, een zeer toxische stof, boven de saneringsdoelstelling kan ernstige gevolgen hebben voor het milieu en de volksgezondheid. Stabiele hoge concentraties betekenen niet dat de situatie veilig is, maar eerder dat de verontreiniging aanhoudt.
  22. In de laatste memorie benadrukken de verzoekende partijen met betrekking tot het eerste onderdeel van het middel nogmaals de tijdslijn. Wanneer het verslag van het eindevaluatieonderzoek van 23 augustus 2019 aangeeft dat herevaluatie na grondwateronderzoek noodzakelijk is, betekent dit dat deze monitoring nog moet plaatsvinden na de eindverklaring. Met betrekking tot de kritiek betreffende de afperking van de verontreiniging van het grondwater met cyanide, die in het tweede onderdeel van het middel wordt gevoerd, voeren de verzoekende partijen in de laatste memorie nog aan dat cyanide zich, afhankelijk van geohydrologische omstandigheden, onvoorspelbaar kan verspreiden. Het feit dat de meting in peilbuis P1601 een hogere concentratie toont, ondanks haar stroomopwaartse ligging, wijst erop dat de verontreiniging niet volledig kan worden afgeperkt door alleen naar de richting van de grondwaterstroming te kijken. Beoordeling
  23. De artikelen 67 en 68 van het bodemdecreet, die samen de afdeling IV “Eindevaluatieonderzoek en eindverklaring” vormen van het hoofdstuk V “Bodemsanering” van het decreet, luiden: “Artikel
  24. §
  25. De bodemsaneringswerken worden beëindigd na het bereiken van de doelstellingen van de bodemsanering. §
  26. Na de uitvoering van de bodemsaneringswerken wordt een eindevaluatieonderzoek uitgevoerd waarin de resultaten van de bodemsaneringswerken worden opgenomen en waarin zo nodig een voorstel van nazorg wordt geformuleerd. §
  27. Een eindevaluatieonderzoek wordt uitgevoerd onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige conform de standaardprocedure, vastgesteld door de Vlaamse Regering op voorstel van de OVAM. Bij gebrek aan dergelijke standaardprocedure wordt het eindevaluatieonderzoek uitgevoerd ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.139 VII-42.415-14/22 volgens een code van goede praktijk. Een verslag van het eindevaluatieonderzoek wordt opgemaakt en bij de OVAM ingediend door de bodemsaneringsdeskundige conform de voormelde standaardprocedure. Artikel
  28. Als de doelstellingen van de bodemsanering worden bereikt, levert de OVAM op basis van de resultaten van het eindevaluatieonderzoek een eindverklaring af. De OVAM bezorgt de eindverklaring aan de opdrachtgever van de bodemsaneringswerken en de personen, vermeld in artikel 11 of 22, als die bekend zijn bij de OVAM. Alle belanghebbenden kunnen tegen deze beslissing van de OVAM een beroep indienen bij de Vlaamse Regering overeenkomstig de bepalingen van artikel 153 tot en met 155.” Met het bestreden besluit doet de verwerende partij uitspraak over een beroep bedoeld in artikel 68, tweede lid, van het bodemdecreet. Op grond van artikel 155, § 1, tweede lid, van het bodemdecreet is de bevoegdheid van de beroepsinstantie beperkt tot een marginale toetsing waarbij uitspraak wordt gedaan over de manifeste onredelijkheid van de bestreden beslissing van OVAM. De decreetgever heeft aldus aan de bestuurlijke beroepsinstantie slechts een beperkte toetsingsbevoegdheid verleend waarbij de beslissing van OVAM maar kan worden ongedaan gemaakt wanneer blijkt dat zij naar het oordeel van de beroepsinstantie manifest onredelijk is. Deze beperkte bevoegdheid wordt verantwoord door de omstandigheid dat OVAM zich uitspreekt als bodemsaneringsdeskundige (Parl.St. Vl.Parl. 2005-06, nr. 867/1, 72).
  29. Naar luid van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet moeten de bestuurshandelingen uitdrukkelijk en afdoende de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Als beginsel van behoorlijk bestuur houdt het zorgvuldigheidsbeginsel in dat het bestuur elke beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden, en zich aldus moet baseren op een correcte feitenvinding. Het redelijkheidsbeginsel wordt geschonden wanneer het bestuur een beslissing neemt die kennelijk onredelijk is, met andere woorden een beslissing die geen enkel redelijk handelend bestuur in de gegeven ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.139 VII-42.415-15/22 omstandigheden zou hebben genomen. De materiëlemotiveringsplicht als beginsel van behoorlijk bestuur houdt in dat de bestuurshandeling moet worden gedragen door motieven die in feite juist en in rechte aanvaardbaar zijn, en die daarom, naar aanleiding van het wettigheidstoezicht, moeten kunnen worden gecontroleerd aan de hand van de gegevens van het administratief dossier. Eerste onderdeel van het middel
  30. In zoverre de verzoekende partijen in het eerste onderdeel van het middel aanvoeren dat de eindverklaring van OVAM en het bestreden besluit strijdig zijn met wat in het rapport van het eindevaluatieonderzoek wordt gesteld omtrent de noodzaak tot herevaluatie en grondwateronderzoek, berust hun kritiek op het verkeerd uitgangspunt dat op die noodzaak zou zijn gewezen in het verslag van het eindevaluatieonderzoek. De door de verzoekende partijen aangehaalde passages waarin daarop wordt gewezen, komen uit het tussentijds verslag van 26 mei 2016 dat door de bodemsaneringsdeskundige werd opgesteld na de ontgravingswerken. Na dit tussentijds verslag werd in 2017-2019 de grondwatermonitoring uitgevoerd, en in het verslag van het eindevaluatieonderzoek van 23 augustus 2019 wordt op basis van de resultaten van die monitoring besloten dat er geen ernstige bedreiging meer uitgaat van de verontreiniging van het grondwater zodat geen verdere maatregelen in de vorm van nazorg of gebruiksbeperkingen nodig zijn. Ook de door de verzoekende partijen aangehaalde uiteenzetting over de verspreidingsroutes bevindt zich niet in het verslag van het eindevaluatieonderzoek, maar in een bijlage ervan, namelijk de risico-evaluatie die werd uitgevoerd nà de ontgraving in 2016 en die gediend heeft voor het tussentijds verslag van 26 mei
  31. De kritiek dat de verwerende partij de bepalingen van het bodemdecreet, de motiveringswet of beginselen van behoorlijk bestuur heeft miskend door voorbij te gaan aan een door de bodemsaneringsdeskundige aangegeven noodzaak tot herevaluatie en grondwateronderzoek, mist dan ook feitelijke grondslag. De verwerende partij heeft in het bestreden besluit terecht ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.139 VII-42.415-16/22 erop gewezen dat de argumenten van de verzoekende partijen in dit verband “niet relevant” zijn.
  32. Met betrekking tot de concentratie van cyanide in het grondwater blijkt uit de gegevens van het eindevaluatieonderzoek inderdaad dat de resultaten van de grondwatermonitoring een licht hogere concentratie (3.700 µg/l) hebben aangegeven dan de initiële maximale concentratie (3.400 µg/l) en hoger blijft dan de saneringsdoelstelling (1.500 µg/l). De bodemsaneringsdeskundige gaf in het verslag van het eindevaluatieonderzoek aan dat niettemin een “stabiele situatie” werd vastgesteld: “4.2.2.2.2 Cyanideverontreiniging De terugsaneerwaarde voor cyanide (1.500 μg/l) wordt nog overschreden in twee peilbuizen, namelijk P1301-o en P1301-d. In peilbuis P1501 was de gemeten concentratie tijdens de laatste 2 monitoringsrondes gelijk aan de saneringsdoelstelling. De verontreiniging in deze 3 peilbuizen situeert zich ter hoogte van de vroegere cyanidekern. De concentraties in de peilbuizen lagen gedurende de opeenvolgende monitoringsrondes steeds in dezelfde grootteorde. Hoewel de saneringsdoelstelling tijdens de laatste monitoringsronde van januari 2019 dus nog niet behaald werd, kunnen we wel spreken van een stabiele situatie. Bovendien is de verontreiniging afgeperkt in zuidelijke richting door middel van peilbuis P1602.” Op basis van een uitgebreide, wetenschappelijk onderbouwde, risico-evaluatie heeft de bodemsaneringsdeskundige vervolgens besloten dat “een actueel en potentieel humaan toxicologisch, ecologisch en verspreidingsrisico [niet wordt] verwacht uitgaande van de restverontreiniging met cyanide in het grondwater”. De verzoekende partijen gaan niet in op deze risico-evaluatie en slagen er dan ook niet in te overtuigen dat de enkele vaststelling dat tijdens de grondwatermonitoring in een peilbuis een concentratie van cyanide in het grondwater van 3.700 µg/l werd gemeten, betekent dat het kennelijk onredelijk is om de conclusie bij te treden dat hier sprake is van “een stabiele situatie” die geen ernstige bedreiging vormt. De kritiek die in het eerste onderdeel van het middel wordt ontwikkeld, is ongegrond. VII-42.415-17/22 Tweede onderdeel van het middel
  33. Met de in het tweede onderdeel van het middel aangevoerde kritiek stellen de verzoekende partijen steevast hun eigen inzichten over de deugdelijkheid van de uitgevoerde sanering en de risico’s die nog zouden uitgaan van de restverontreiniging boven de technisch en wetenschappelijk onderbouwde bevindingen van het verslag van het eindevaluatieonderzoek dat door een bodemsaneringsdeskundige werd opgesteld conform de standaardprocedure, en op basis waarvan OVAM, die eveneens een bodemsaneringsdeskundige is, heeft vastgesteld dat de doelstellingen van de bodemsanering werden bereikt.
  34. De verzoekende partijen hernemen in het middelonderdeel verschillende punten van kritiek die zij reeds in hun bestuurlijk beroep hebben laten gelden en die in het bestreden besluit als volgt worden beantwoord: - met betrekking tot de hoeveelheid afgegraven grond die minder is dan was voorzien in het bodemsaneringsproject: “Wat het afgegraven volume vervuilde grond zoals voorzien en beschreven in het bodemsaneringsproject betreft, kan gesteld worden dat dit richtinggevend is en niet bindend. Een eventuele afwijking hiervan wordt niet gesanctioneerd en vereist geen toelichting in de eindverklaring. Dit vormt geen argument om de bestreden beslissing op te heffen. In het eindevaluatieonderzoek van 23 augustus 2019 alsook in het tussentijds rapport van 26 mei 2016 is uitvoerig beschreven welke afgravingen werden uitgevoerd en in welke zin deze afwijken van de oorspronkelijk voorziene afgravingen en motivatie. De bodemsaneringsdeskundige heeft onder meer vermeld in het eerste tussentijdse rapport van 26 mei 2015 dat tijdens de effectieve uitvoering van de bodemsaneringswerken na de ontgraving van toplaag door middel van sleuvenonderzoek is gebleken dat de gashouders zelf niet verontreinigd waren en de bodem van de tussenliggende laag een kwaliteit heeft die betekent dat deze niet afgevoerd moest worden. Om deze reden [werd] er een minder grote hoeveelheid grond afgegraven dan voorzien in het bodemsaneringsproject. Er werden ook bijkomende verontreinigingspots vastgesteld en ontgraven die niet in het bodemsaneringsproject voorzien waren in functie van het saneringsdoel, namelijk ontgraving van de bronzones met teer- en cyanideverontreiniging en de toplaag (diffuse verontreiniging) alsook natuurlijke afbraak van de grondwaterverontreiniging. Dit in tegenstelling tot de niet [gekozen] Variant 2 waarvan het saneringsdoel gericht was op de ontgraving tot de bodemsaneringsnorm en natuurlijke afbraak van de grondwaterverontreiniging. De ontgraving werd dus uitgevoerd zo ver als ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.139 VII-42.415-18/22 technisch mogelijk en er werd voldaan aan het saneringsconcept.” - met betrekking tot de beslissing om de back-up variant niet op te starten: “De beroepers betogen dat er een back-up variant in het bodemsaneringsproject voorzien is waarvan de eindverklaring onvoldoende gemotiveerd is wat betreft de beslissing om deze niet op te starten. Echter in het bodemsaneringsproject is te lezen dat er als back-up een drain en pompput wordt geplaatst indien tijdens het afgraven van de teerkern tegen het gebouw, onder het gebouw verontreiniging boven de terugsaneerwaarde werd vastgesteld en die verontreiniging niet ontgraven kan worden. Bijkomend wordt er gesteld dat de voorwaarden die zijn opgesteld voor de opstart van de back-upvariant niet zijn voldaan. Zo werd aangetoond dat er weldegelijk voldoende natuurlijke attenuatie plaatsvindt die geen significante verspreiding toestaat. De tussentijdse evaluatie stelt dat er geen drain met pompput werd geplaatst omdat de ontgraving kon worden uitgevoerd zonder bemaling. Er werd dus geen grondwaterverlaging gerealiseerd en geen drain geplaatst in de verzadigde zone. Deze beoordeling van de bodemsaneringsdeskundige lijkt aldus niet kennelijk onredelijk.” - met betrekking tot de vaststelling dat de verspreiding van cyanide in het grondwater in zuidelijke richting afgeperkt is: “Wat de cyanide verontreiniging betreft kan gesteld worden dat het eindevaluatierapport op een kennelijk redelijke manier aantoont [dat] aan het saneringsdoel, zijnde risicoverwijdering en het aantonen van natuurlijke afbraak, is voldaan. […] […] Ook verspreiding in het grondwater wordt niet verwacht gezien de stabiele situatie zoals vastgesteld tijdens de grondwatermonitoring.” - met betrekking tot de restverontreiniging met teer rond de leidingen: “Wat betreft de verontreiniging met teer rond de leidingen onder het gebouw kan gesteld worden dat het een beperkte hoeveelheid teer betreft die zich boven de terugsaneerwaarden situeert. In het eindevaluatieonderzoek wordt gesteld dat aangezien het niet duidelijk is hoe de leiding verder loopt onder de aanwezige nutsleidingen en of de leiding aan de andere kant open was[,] de leiding niet verwijderd en gereinigd kon worden. Aldus werd de leiding afgesloten met een stuk plastiek en omstort met beton. De restverontreiniging die aanwezig is betreft waarden hoger dan de bodemsaneringsnorm. De genomen maatregelen om verdere verspreiding van de verontreiniging tegen te gaan zijn kennelijk redelijk conform het BATNEEC-principe gezien verdere ontgraving technisch niet mogelijk was. In het eindevaluatieonderzoek en haar bijlagen kan een uitvoerige beschrijving gevonden worden onder de risico-evaluatie, die stelt dat er van de aanwezige restverontreinigingen met concentraties boven de saneringsdoelstelling geen ernstige bedreiging uitgaat, waarom de ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.139 VII-42.415-19/22 saneringsdoelstellingen bereikt worden. Uit deze blijkt niet dat de beslissing van de OVAM dat er op basis van de resultaten van het eindevaluatieonderzoek er geen ernstige bedreiging meer uitgaat van de restverontreiniging, kennelijk onredelijk is.” - met betrekking tot de kritiek dat OVAM in de eindverklaring niet of onvoldoende ingaat op bepaalde aspecten: “Het verdient herhaling om te benadrukken dat het eindevaluatieonderzoek uitvoerig alle elementen en saneringsmaatregelen en opties zoals deze vermeld zijn in het bodemsaneringsproject bespreekt. De OVAM is niet verplicht om in de bestreden beslissing elk onderdeel te hernemen, gezien ze haar eindverklaring neemt op basis van de resultaten van het eindevaluatieonderzoek.”
  35. De verzoekende partijen slagen er niet in te overtuigen dat de verwerende partij ten onrechte, op grond van een onzorgvuldig onderzoek van de gegevens van het dossier, tot deze bevindingen is gekomen en op grond daarvan heeft besloten dat OVAM niet kennelijk onredelijk heeft vastgesteld dat de saneringsdoelstelling werd bereikt. Met de hiervoor aangehaalde overwegingen worden de beweringen van de verzoekende partijen op afdoende wijze weerlegd, zodat de bepalingen van de motiveringswet niet zijn miskend. Evenmin tonen de verzoekende partijen een schending aan van de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel of het redelijkheidsbeginsel. Het bestreden besluit behandelt weliswaar niet specifiek het vraagstuk of op correcte wijze kan worden vastgesteld dat de verontreiniging van het grondwater met cyanide in zuidelijke richting is afgeperkt. De verzoekende partijen kunnen echter niet overtuigen dat het kennelijk onredelijk zou kunnen zijn om die vaststelling te maken. Het wordt immers niet ingezien wat de pertinentie zou kunnen zijn van de door hen aangehaalde omstandigheid dat daarbij geen rekening zou zijn gehouden met het “gele” onderzoeksresultaat van peilbuis P
  36. Uit de gegevens van het dossier die door de verzoekende partijen niet worden tegengesproken blijkt immers dat het grondwater ter plaatse in noordelijke tot noordoostelijke richting stroomt, en dat peilbuis P1601 (met een “geel” resultaat) zich ten noordoosten van peilbuis P1602 (met een “groen” resultaat) bevindt. Een “groen” resultaat betekent dat de gemeten concentratie zich bevindt VII-42.415-20/22 onder de streefwaarde van 5 µg/l. Een “geel” resultaat betekent dat de gemeten concentratie zich weliswaar bevindt boven de streefwaarde van 5 µg/l, doch onder de richtwaarde van 40 µg/l, onder de bodemsaneringsnorm van 70 µg/l en onder de terugsaneerwaarde van 1.500 µg/l blijft. Met de stelling dat dit alles niet zou opwegen tegen het beweerde feit dat cyanide “zich onvoorspelbaar kan verspreiden” trachten de verzoekende partijen eens te meer zonder enige wetenschappelijke en technische onderbouwing aan hun eigen inzichten meer gewicht te geven dan aan de bevindingen van de bodemsaneringsdeskundige. In deze omstandigheden blijkt niet dat de beoordeling van de verwerende partij dat het eindevaluatierapport op een kennelijk redelijke manier aantoont dat aan het saneringsdoel voor de grondwaterverontreiniging is voldaan, onjuist is.
  37. De kritiek die in het tweede onderdeel van het middel wordt ontwikkeld, is ongegrond. BESLISSING
  38. Het verzoek van de cv Fluvius System Operator tot tussenkomst wordt ingewilligd.
  39. De Raad van State verwerpt het beroep.
  40. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. VII-42.415-21/22 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negenentwintig april tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Francis Van Nuffel, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-42.415-22/22 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.139 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.