id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.181 Rolnummer: A. 241128/IX-10414 Zaak: Arrest 263181 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 30/04/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-05-12 Raadplegingen: 97 - laatst gezien 2026-06-16 05:11 Fiche Arrest nr 263.181 van 30 april 2025 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 263.181 van 30 april 2025 in de zaak A. 241.128/IX-10.414 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bert Beelen en Hans-Kristof Carême kantoor houdend te 3000 Leuven Justus Lipsiusstraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het autonoom overheidsbedrijf SKEYES bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Nathanaëlle Kiekens, Ian Arnouts en Lieselotte Schellekens kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 5 februari 2024, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het directiecomité van het autonoom overheidsbedrijf skeyes van 7 december 2023 waarbij de beslissing van hetzelfde directiecomité van 6 juli 2023 “om […] geen voorafgaande schriftelijke toestemming aan [verzoeker] te geven om naast zijn functie als luchtverkeersleider bij skeyes een bezoldigde activiteit uit te oefenen als luchtverkeersleider in het buitenland, ook niet gedurende de periode van diens schorsing in het belang van de dienst” wordt bevestigd en gehandhaafd. IX-10.414-1/27 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Samuel Mens heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 31 maart 2025. Staatsraad Jurgen Neuts heeft verslag uitgebracht. Advocaat Hans-Kristof Carême, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Lieselotte Schellekens, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Samuel Mens, daartoe gemachtigd bij beslissing van de auditeur-generaal van 28 februari 2024, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoeker is bij de verwerende partij tewerkgesteld als eerstaanwezend verkeersleider ‘ADR’. IX-10.414-2/27 3.2. Blijkens een document van de verwerende partij, genaamd ‘Beschrijving van de feiten die aanleiding geven tot het nemen van een beslissing tot schorsing in hoogdringendheid in het belang van de dienst’, doen zich in september 2016, op 24 juli 2017 en op 11, 29 en 30 augustus 2017 met verzoeker een aantal incidenten of gebeurtenissen voor. Blijkens een ‘Incidentenrapport’ van de verwerende partij van 19 september 2017 doet zich met verzoeker op 18 september 2017 nog een voorval voor. 3.3. Door de verwerende partij wordt ten laste van verzoeker op grond van het incident dat zich op de werkvloer heeft voorgedaan op 24 juli 2017 een eerste tuchtprocedure opgestart. Op grond van de incidenten of gebeurtenissen op 11, 29 en 30 augustus 2017 en op 18 september 2017 volgt een tweede tuchtprocedure. 3.4. Gelet op de aard van (het merendeel van) de feiten die aanleiding zijn voor het opstarten van de twee tuchtprocedures ten laste van verzoeker, dienen de betrokken personen op 12 september 2017 tegen verzoeker een klacht met burgerlijke partijstelling in bij de onderzoeksrechter te Brussel. 3.5. Bij beslissingen van 15 september 2017, 29 september 2017, 30 mei 2018, 28 september 2018, 28 januari 2019, 25 november 2020 en 7 januari 2022 wordt verzoeker geschorst in het belang van de dienst, aanvankelijk met volledig behoud van de wedde en met ingang van 1 januari 2021 met gedeeltelijk behoud van de wedde. Verzoeker vecht sommige van die beslissingen aan met beroepen tot nietigverklaring bij de Raad van State (zaken A. 232.728/IX-9828 en A. 235.654/IX-10.005). Deze beroepen worden verworpen, respectievelijk bij arrest nr. 256.913 en arrest nr. 256.915 van 23 juni 2023. IX-10.414-3/27 3.6. Op 10 oktober 2017 beslist het directiecomité om de twee ten laste van verzoeker opgestarte tuchtvorderingen te schorsen totdat een in kracht van gewijsde gegane uitspraak zal zijn gedaan over de ingestelde strafvordering. 3.7. Op 29 maart 2021 spreekt de rechtbank van eerste aanleg te Brussel zich uit over de strafvervolging lastens verzoeker. Dat vonnis omschrijft de tenlasteleggingen ten aanzien van verzoeker als volgt: “A. mondelinge bedreigingen onder bevel of voorwaarde met aanslagen op personen of eigendommen waarop criminele straffen zijn gesteld Te Steenokkerzeel tussen 1 september 2016 en 19 september 2017, meermaals, mondeling, onder een bevel of onder een voorwaarde te hebben bedreigd met een aanslag op personen of op eigendommen, waarop een criminele straf gesteld is, namelijk: 1. tussen 1 september 2016 en 30 september 2016, op een onbepaalde datum, te hebben gedreigd de genaamde [D.D.] van de trap te duwen indien hij zich zou toegang verschaffen tot de luchtverkeerstoren op de luchthaven van Zaventem in het bijzijn van een cameraploeg, 2. op 30 augustus [2017], te hebben gedreigd de genaamden [J.D.], [D.D.], [T.J.] en [M.D.] te pijnigen, te folteren en mogelijks te doden indien hem een tuchtsanctie zou worden opgelegd en indien [J.D.] als ceo van Belgocontrol zou aanblijven, 3. op 18 september 2017, te hebben gedreigd na te denken over de manier waarop de genaamde [J.D.] zou worden vermoord indien de toegang tot de werkvloer hem verboden blijft. (art. 327 lid 1 Sw) B. bedreigingen door gebaren of zinnebeelden met aanslagen op personen of eigendommen waarop criminele straffen zijn gesteld Te Steenokkerzeel op 11 augustus 2017, door gebaren of zinnebeelden de genaamde [J.D.] te hebben bedreigd met een aanslag op personen of eigendommen, waarop een criminele straf gesteld is, namelijk door een snijbeweging te maken over keel. (art. 329 Sw).” IX-10.414-4/27 Het vonnis spreekt verzoeker vrij voor tenlastelegging A3. Voorts acht het de tenlasteleggingen A1, A2 – aangevuld als volgt: op 30 augustus 2017 in plaats van “op 30 augustus” – en B bewezen. Het veroordeelt verzoeker op strafgebied tot een gevangenisstraf van acht maanden en een geldboete van 150 euro, te verhogen met de opdeciemen, met uitstel van de tenuitvoerlegging gedurende een termijn van drie jaar wat de totaliteit van de hoofdgevangenisstraf betreft. 3.8. Op 23 april 2021 tekent verzoeker tegen het voormelde vonnis beroep aan bij het hof van beroep te Brussel. 3.9. Daaropvolgend beslist het directiecomité op 31 mei 2021 om de schorsing op te heffen van de twee ten laste van verzoeker opgestarte tuchtvorderingen voor de feiten die zich hebben voorgedaan op 24 juli 2017 enerzijds en op 11, 29 en 30 augustus 2017 alsook 18 september 2017 anderzijds en aldus beide tuchtvorderingen voort te zetten. 3.10. De beide tuchtvorderingen leiden finaal tot de beslissing van het directiecomité van 7 januari 2022 waaruit het ontslag van verzoeker bij tuchtmaatregel volgt. Ook (onder meer) deze beslissing bestrijdt verzoeker met een beroep tot nietigverklaring (zaak A. 235.645/IX-10.003). 3.11. Bij arrest nr. 256.914 van 23 juni 2023 vernietigt de Raad van State de voormelde tuchtbeslissing van 7 januari 2022. Daarbij wordt onder meer overwogen wat volgt: “20. Verzoeker voert in het middel onder meer de schending aan van artikel 28, § 4, van het administratief statuut. 21. Deze normatieve bepaling luidt: ‘De tuchtvordering wordt geschorst totdat een in kracht van gewijsde gegane uitspraak werd gedaan over de in voorkomend geval ingestelde strafvordering.’ IX-10.414-5/27 Ze houdt in dat de tuchtvordering die is ingeleid tegen een personeelslid van de verwerende partij, van rechtswege wordt geschorst gedurende de in voorkomend geval ingestelde strafvordering en dat die schorsing, eveneens van rechtswege, blijft duren totdat een in kracht van gewijsde gegane uitspraak is gedaan over die strafvordering. De omstandigheid dat aldus in een schorsing van rechtswege is voorzien, impliceert dat het bestuur omtrent het ingaan en het voortbestaan van de beoogde schorsing tot de in kracht van gewijsde gegane uitspraak over de strafvordering, zelfs geen uitdrukkelijke beslissing hoeft te nemen. De schorsing is uitvoerbaar louter uit kracht van de voormelde norm als zodanig. 22. In dit geval heeft het directiecomité op 10 oktober 2017 beslist om de twee ten laste van verzoeker ingeleide tuchtvorderingen te schorsen totdat een in kracht van gewijsde gegane uitspraak is gedaan over de strafvordering die eveneens tegen verzoeker is ingesteld. Als zodanig heeft deze beslissing niets toegevoegd – en vermocht ze dat ook niet te doen – aan hetgeen reeds van rechtswege volgde uit het voorschrift van artikel 28, § 4, van het administratief statuut. Ze is louter declaratief. 23. Op 31 mei 2021 beslist het directiecomité dat de schorsing van de ten laste van verzoeker opgestarte tuchtvorderingen wordt opgeheven en beide tuchtvorderingen derhalve worden voortgezet. Als wezenlijk motief daarvoor wordt in die beslissing vermeld dat ‘er een reëel risico is dat aan (de verwerende partij) een schending van de redelijke termijnvereiste verweten zou worden indien de definitieve uitkomst van de strafvordering wordt afgewacht’. Verzoeker doet gelden dat aldus het voorschrift van artikel 28, § 4, van het administratief statuut en, dienvolgens, het beginsel ‘patere legem quam ipse fecisti’ worden geschonden. […] 25. Verzoeker moet worden bijgevallen in zijn standpunt dat de voormelde beslissing van het directiecomité van 31 mei 2021 artikel 28, § 4, van het administratief statuut schendt. Immers door de schorsing van beide tuchtvorderingen ten laste van verzoeker op te heffen, doet deze beslissing afbreuk aan de schorsing van rechtswege van deze tuchtvorderingen, waarin door de voormelde normatieve bepaling is voorzien totdat een in kracht van gewijsde gegane uitspraak is gedaan over de ingestelde strafvordering. De schorsing van rechtswege leidt tot de temporele onbevoegdheid van de verwerende partij, om definitief uitspraak te doen over de tuchtvordering.” 3.12. De raadsman van verzoeker brengt met een e-mailbericht van 28 juni 2023 het voormelde arrest van 23 juni 2023 onder de aandacht van de verwerende partij: “Zodra dit [arrest] aan mijn cliënt zal zijn betekend, zal hij opnieuw statutair ambtenaar van Skeyes zijn. IX-10.414-6/27 Gelet op het onwettige tuchtontslag van 15 juli 2021 en om schade te beperken, heeft hij sedertdien elders en in het buitenland de functie van luchtverkeersleider uitgeoefend. Aangezien hij vanaf de betekening van het vermelde arrest van de Raad van State opnieuw zal ressorteren onder het Administratief Statuut van Skeyes, vraagt hij u nu reeds uitdrukkelijk om de toepassing van artikel 22 van het Administratief Statuut, zijnde de voorafgaande schriftelijke toestemming van het Directiecomité om een bezoldigde activiteit uit te oefenen als luchtverkeersleider in het buitenland en dit voor de duur van de schorsing bij ordemaatregel. U zal wel begrijpen dat de beslissing van het Directiecomité van 7 januari 2022 houdende de schorsing met behoud van wedde, uitgezonderd de weddecomplement, een belangrijk loonverlies voor hem betekent. In de mate dat die schorsing wordt gehandhaafd, wordt de vervulling van het ambt op die basis verhinderd zodat dat de uitoefening van een bezoldigde activiteit elders nooit aan de basis kan liggen van het feit dat de vervulling van het ambt bij Skeyes wordt verhinderd. De uitoefening van een soortgelijke activiteit als die bij Skeyes, kan onmogelijk strijdig zijn met de waardigheid van het ambt, noch zijn onafhankelijkheid in het gedrang brengen, noch een belangenconflict veroorzaken, te meer aangezien hij sedert september 2017 het ambt bij Skeyes niet heeft uitgeoefend en aangezien hij door het onwettige tuchtontslag van 15 juli 2021 de vrijheid kreeg om de betrokken activiteit elders uit te oefenen. Het spreekt voor zich dat de eventuele weigering door het Directiecomité om hem de gevraagde schriftelijke toestemming te verlenen, eens te meer rechtstreeks tot gevolg zal hebben dat er hem onmogelijk nog een langere schorsing kan worden opgelegd, al zeker niet met enig verlies van wedde, de weddecomplement inbegrepen, zulks na 6 jaar schorsing en gelet op het verlies van tuchtbevoegdheid om de redenen uiteengezet in mijn schrijven van heden […].” 3.13. Op 6 juli 2023 beslist het directiecomité van de verwerende partij om aan verzoeker geen schriftelijke voorafgaande toestemming te verlenen “om naast zijn functie als luchtverkeersleider bij skeyes een bezoldigde activiteit uit te oefenen als luchtverkeersleider in het buitenland, ook niet gedurende de periode van diens schorsing in het belang van de dienst”. Verzoeker stelt daartegen beroep in bij de Nederlandstalige adviesraad. Op 2 november 2023 bezorgt verzoeker, als reactie op het standpunt van de verwerende partij, nog een ‘replieknota’ aan de adviesraad. IX-10.414-7/27 3.14. Deze adviesraad adviseert op 20 november 2023 om aan verzoeker niet de gevraagde voorafgaande schriftelijke toestemming te verlenen. 3.15. Op 24 november 2023 deelt de raadsman van verzoeker aan de dienst human resources van de verwerende partij nog stukken mee “ter ondersteuning van zijn aanvraag en beroep”. 3.16. Op 7 december 2023 beslist het directiecomité andermaal om de gevraagde toestemming niet te verlenen. Deze beslissing is als volgt gemotiveerd: “Overwegende dat in de beslissing d.d. 6 juli 2023 in de eerste plaats wordt overwogen dat skeyes over ‘onvoldoende informatie beschikt om te oordelen dat er geen sprake is van één van de onverenigbaarheden die vermeld worden in artikel 21 van het Administratief Statuut’ alsook dat ‘het verlenen van een voorafgaande schriftelijke toestemming in die optiek, bij gebrek aan gedetailleerde informatie over de (modaliteiten van
- de)buitenlandse tewerkstelling van [verzoeker], het risico impliceert dat naderhand zou blijken dat de concrete (modaliteiten van
- de)functie die [verzoeker] in het buitenland uitoefent, effectief een onverenigbaarheid met zijn tewerkstelling bij skeyes inhoudt’. Dat de Adviesraad deze zienswijze ogenschijnlijk is bijgetreden door te stellen dat het verzoek van [verzoeker] ‘uiterst summier (was) qua praktische gegevens (…)’ alsook dat er een tekort was ‘aan meer specifieke elementen die door [verzoeker] immers niet waren aangevoerd en/of gedocumenteerd bij zijn aanvraag’. Dat de Adviesraad aldus van oordeel is dat het Directiecomité, zelfs rekening houdende met de bijkomende informatie die door [verzoeker] werd verstrekt tijdens de procedure voor de Adviesraad, ‘nog niet’ volledig is ingelicht. Zodat de oorspronkelijke overweging uit de beslissing d.d. 6 juli 2023 onverminderd overeind blijft. Overwegende dat in de beslissing d.d. 6 juli 2023 vervolgens ook wordt overwogen dat ‘een bezoldigde activiteit blijkens de artikelen 21 en 22 van het Administratief Statuut in essentie verboden is, behoudens voorafgaande schriftelijke toestemming van het Directiecomité, en enkel indien aldus geen onverenigbaarheid bestaat’ alsook dat ‘de bijzonderheden van de voorliggende situatie het onmogelijk maken om dergelijke toestemming te verlenen, omdat onvermijdelijk een onverenigbaarheid zal ontstaan’ zodat ‘in de gegeven omstandigheden niet te verantwoorden is dat [verzoeker] naast zijn tewerkstelling als IX-10.414-8/27 luchtverkeersleider bij skeyes tevens een functie van luchtverkeersleider in het buitenland zou mogen uitoefenen’. Dat de Adviesraad ook deze zienswijze ogenschijnlijk is bijgetreden door te stellen dat ‘zodanige cumul in de regel en in overeenstemming met artikel 21 van het A.S.A.s onverenigbaar is met de hoedanigheid van ambtenaar’, aangezien de belangen uit voormeld artikel ‘primordiaal’ zijn, alsook dat ‘zonder meer duidelijk (
- is)dat het verlenen van zodanige cumul uiterst uitzonderlijk behoort te zijn’ Dat de Adviesraad aldus van oordeel is dat ‘voormelde risico’s zoals omschreven in artikel 21 A.S.A.s. nog steeds niet met zekerheid alle te vermijden zijn’. Zodat de oorspronkelijke overweging uit de beslissing d.d. 6 juli 2023 onverminderd overeind blijft. Overwegende dat de raadsman van [verzoeker] via een e-mail d.d. 24 november 2023 – schijnbaar na kennisname van het advies van de Adviesraad – aan het Directiecomité een aantal bijkomende stukken (namelijk drie brieven van LVNL t.a.v. [verzoeker]) heeft bezorgd inzake zijn bezoldigde activiteit als luchtverkeersleider in Nederland en daarbij aangeeft om te ‘volharden in zijn beroep’. Dat vooreerst geen enkele toelichting wordt verstrekt inzake de inhoud en/of de relevantie van deze stukken/brieven, aangezien ter duiding enkel wordt opgemerkt dat deze stukken dienen ‘ter ondersteuning van zijn aanvraag en beroep’. Zodat niet valt in te zien hoe het louter bijbrengen van deze stukken afbreuk kan doen aan voormelde overwegingen van de beslissing d.d. 6 juli 2023, zoals ook bijgetreden door de Adviesraad. Dat deze stukken mogelijks worden bijgebracht in reactie op de vaststelling van de Adviesraad dat geen documentatie werd aangeleverd inzake de praktische elementen die [verzoeker] tijdens de procedure voor de Adviesraad heeft bijgebracht. Dat evenwel nog steeds geen volledige documentatie wordt bijgebracht, aangezien het eerste stuk dateert van augustus 2022, terwijl de sollicitatie van [verzoeker] bij LVNL al vanaf augustus 2021 zou dateren, en ook nog steeds niet bewezen wordt dat geen belangenconflict zou kunnen bestaan (inzonderheid wat betreft de mondelinge bewering van [verzoeker] ‘ter zitting dat hij in die functie geen contacten te onderhouden heeft met collega’s te Brussel’). Zodat dient te worden vastgesteld dat [verzoeker] niet alleen onvoldoende informatie verstrekte ten tijde van zijn oorspronkelijke aanvraag, maar ook op heden – bijna zes maanden later (!) – nog steeds nalaat om afdoende en volledige informatie te verstrekken opdat het Directiecomité (in de bewoordingen van de Adviesraad) ‘uiterst nauwgezet en volledig ingelicht’ zou kunnen oordelen over de aanvraag. Dat bovendien uit de nieuw aangeleverde stukken blijkt dat [verzoeker] in Nederland voltijds is tewerkgesteld volgens een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur (zie brief d.d. 27 juli 2023), waardoor rekening is te houden met een opzegtermijn (zoals ten andere ook wordt bevestigd in de IX-10.414-9/27 brief d.d. 3 augustus 2022 en de arbeidsovereenkomst die in bijlage daarbij gevoegd wordt). Dat dit aldus de overweging van de Adviesraad bevestigt dat ‘een eventuele tewerkstelling bij LVNL ook (zou) inhouden dat betrokkene in het geval dat de ordemaatregel ooit zou herzien worden niet onmiddellijk ter beschikking kan zijn van skeyes’. Zodat ook dit element eens te meer bevestigt dat het uitoefenen van een bezoldigde activiteit als luchtverkeersleider in het buitenland onverenigbaar is met de tewerkstelling als ambtenaar bij skeyes. Overwegende dat het Directiecomité aldus van oordeel is dat er geen reden is om de beslissing d.d. 6 juli 2023 te herzien. Overwegende dat het Directiecomité van oordeel is dat de overwegingen zoals geformuleerd in de beslissing d.d. 6 juli 2023 en gedurende de procedure voor de Adviesraad integraal overeind blijven.” Dat is de bestreden beslissing. 3.17. Bij arrest van 9 augustus 2024 bevestigt het hof van beroep te Brussel het sub 3.7 vermelde vonnis onder meer in de mate dat verzoeker schuldig wordt verklaard aan de tenlasteleggingen A.1, A.2 en B, maar – anders dan het voormelde vonnis – schort het de uitspraak van de veroordeling van verzoeker voor deze tenlasteleggingen op gedurende een termijn van vijf jaar. Bij beschikking van 7 november 2024 wordt het door verzoeker tegen dat arrest ingestelde cassatieberoep niet-toelaatbaar verklaard. Naar eigen zeggen, is aan verzoeker op 28 maart 2025 per aangetekend schrijven het voorstel van zijn hiërarchische overste bezorgd om hem het ontslag als tuchtmaatregel op te leggen. IV. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel 4.1. Het enige middel is geput uit de schending van de artikelen 21 en 22 van het administratief statuut van de ambtenaren van de verwerende partij (“administratief statuut”), de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 IX-10.414-10/27 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (“formelemotiveringswet”), “minstens van de materiële motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en het algemeen rechtsbeginsel ‘patere legem quam ipse fecisti’”. Verzoeker voert aan dat de bestreden beslissing vooreerst steunt op het motief dat de verwerende partij niet over voldoende informatie beschikt om te oordelen of er al dan niet sprake is van één van de in artikel 21 van het administratief statuut vermelde onverenigbaarheden. Verzoeker wijst in dat verband erop dat hij in zijn beroep voor de adviesraad “bijkomende en nauwkeurige informatie” heeft verstrekt, namelijk dat hij sinds 2021 voltijds werkzaam is bij LVNL in Nederland. Vervolgens heeft verzoeker in een nota die hij aan de adviesraad heeft bezorgd, nog extra informatie overgemaakt. Tot slot heeft hij met een e-mailbericht van 24 november 2023 nog additionele inlichtingen verstrekt. De verwerende partij weigert volgens verzoeker om op die informatie in te gaan en verschuilt zich achter het motief dat die informatie niet voldoende nauwkeurig is. Daarbij wordt niet aangegeven welke informatie zij nog nodig heeft. Verzoeker meent daarom dat het motief – “op zichzelf genomen, maar ook samen genomen met de andere weigeringsmotieven” – de aangevoerde bepalingen en beginselen schendt. Verzoeker betoogt voorts dat hij na het advies van de adviesraad nog stukken aan de verwerende partij heeft overgemaakt. Wanneer in dat verband in de bestreden beslissing wordt overwogen dat niet valt in te zien “hoe het louter bijbrengen van deze stukken afbreuk kan doen aan voormelde overwegingen van de beslissing d.d. 6 juli 2023, zoals ook bijgetreden door de Adviesraad”, is dat volgens verzoeker “volstrekt onjuist en niet gesteund op het administratief dossier aangezien de Adviesraad gelet op de chronologie van de feiten er onmogelijk kennis van heeft kunnen nemen en zodoende het directiecomité daar nooit in is kunnen bijtreden”. Dat levert volgens verzoeker een schending van de materiëlemotiveringsplicht op. IX-10.414-11/27 Verzoeker ziet niet de relevantie in van de overweging in de bestreden beslissing dat met de op 24 november 2023 bijgebrachte stukken nog steeds geen volledige informatie is verstrekt omdat het eerste stuk dateert van augustus 2022, terwijl verzoeker al één jaar eerder had gesolliciteerd. Hij wijst erop dat hij (wederrechtelijk) op 15 juli 2021 is ontslagen en dus vanaf dat moment “vrij was om te gaan en te staan waar hij wilde”. De relevantie van het motief wordt in de bestreden beslissing niet toegelicht. Verzoeker ziet daarin een schending van de formelemotiveringswet gelegen. Het motief kan – “op zichzelf genomen, maar ook samen genomen met de andere weigeringsmotieven” – de bestreden beslissing niet dragen. In de bestreden beslissing leest verzoeker nog dat “niettegenstaande die 3 nieuwe stukken” nog steeds niet is bewezen dat er geen belangenconflict zou bestaan “inzonderheid wat betreft de mondelinge bewering van verzoeker ter zitting van de Adviesraad van 7 november 2023 dat hij in die functie geen contacten te onderhouden heeft met collega’s te Brussel”. Volgens verzoeker houdt deze vaststelling verband met de overwegingen dat de verwerende partij over onvoldoende informatie beschikt om te oordelen of er sprake is van één van de onverenigbaarheden die in artikel 21 van het administratief statuut staan vermeld en dat het verlenen van een voorafgaande schriftelijke toestemming, bij gebrek aan gedetailleerde informatie over de buitenlandse tewerkstelling van verzoeker, het risico inhoudt dat naderhand zou blijken dat de concrete functie die verzoeker in het buitenland uitoefent, effectief een onverenigbaarheid inhoudt met zijn tewerkstelling bij de verwerende partij. De verwerende partij heeft het voorts wel over “de bijzonderheden van de voorliggende situatie”, maar laat na toe te lichten wat die bijzonderheden dan wel zouden zijn en waarom zij onvermijdelijk een onverenigbaarheid zouden doen ontstaan. Verzoeker meent dat het directiecomité én de adviesraad blijven “vasthangen in algemeenheden”. Er wordt wel verwezen naar de bewoordingen van artikel 21 van het administratief statuut, maar nooit wordt concreet gemotiveerd waarom de tewerkstelling van verzoeker bij LVNL een dergelijke IX-10.414-12/27 onverenigbaarheid oplevert. Verzoeker benadrukt tevens dat de verwerende partij “geheel voorbijgaat” aan “de bewijsstukken”, “niet in het minst de 3 brieven van LVNL” die hij op 24 november 2023 aan de verwerende partij heeft meegedeeld. Ook de volgende argumenten worden niet beantwoord: de verwerende partij beweert dat verzoeker na de vernietiging van het tuchtrechtelijk ontslag opnieuw werkzaam is bij haar, terwijl hij nog steeds is geschorst; verzoeker is al sinds 15 september 2017 niet meer werkzaam bij de verwerende partij, zodat ieder mogelijk conflict door de “dubbele tewerkstelling” is uitgesloten; verzoeker heeft in zijn aanvraag wel degelijk vermeld hoe conflicten kunnen worden vermeden, namelijk door de duur van de gevraagde toestemming te beperken totdat de schorsing door de verwerende partij wordt opgeheven. Verzoeker bekritiseert tevens het motief dat hij, door zijn arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur bij de buitenlandse werkgever, niet onmiddellijk beschikbaar zou zijn mocht aan zijn schorsing bij de verwerende partij een einde komen. Net daarom heeft hij gevraagd om de toestemming te geven voor de duur van deze schorsing. Dit motief heeft volgens verzoeker “geen voorwerp”, berust op een verkeerde lezing van zijn aanvraag en schendt dus de materiëlemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel. Verzoeker stelt nog dat hij ook “ervoor kan opteren om een opzegvergoeding aan zijn werkgever in Nederland te betalen, eerder dan een opzegtermijn uit te doen”. Hoe dan ook gaat dit motief voorbij aan de strekking van artikel 22 van het administratief statuut, “samen gelezen met de concrete omstandigheden eigen aan deze zaak”, vindt verzoeker. De verwerende partij heeft volgens hem zijn uitdiensttredingsdatum nog steeds niet geannuleerd en evenmin de gewijzigde aangiften van zijn loon- en arbeidstijdgegevens opgesteld. Dat van hem wordt verwacht dat hij onmiddellijk inzetbaar is, terwijl hij al meer dan zes jaar geschorst is, het directiecomité die schorsing al drie jaar niet meer geherevalueerd heeft, hij zijn beroepsbekwaamheid niet kan onderhouden, hij technisch onbekwaam zal worden verklaard op het ogenblik dat de schorsing wordt beëindigd en hij daardoor “geen loon heeft en zodoende zichzelf en zijn gezin niet in leven kan houden”, noemt verzoeker “kennelijk onredelijk”. IX-10.414-13/27 Tot slot doet verzoeker gelden dat de bestreden beslissing “[m]instens” een verkapte tuchtmaatregel is: de bestreden beslissing is “de straf die er in bestaat om aan verzoeker de toelating ex artikel 22 § 1 van het Administratief Statuut te weigeren met het enkele oogmerk om hem te schaden door de facto een beroepsverbod uit te vaardigen doordat hij dan nergens het beroep van luchtverkeersleider actief kan uitoefenen, nergens zijn technische bekwaamheid kan handhaven, en bovendien hem zonder loon te zetten, met de enkele bedoeling om verzoeker te dwingen tot het vrijwillig nemen van ontslag”. Hij doet in dat verband gelden wat volgt: “De verwerende partij stelt verzoeker voor onmogelijke keuzes en stort hem in totale sociale onzekerheid, terwijl ze nochtans alle bevoegdheid in handen heeft om de door haar beweerde onverenigbaarheid omtrent pecuniaire voordelen te vermijden, m.n.: - hetzij door de tuchtprocedure stop te zetten en de schorsing bij ordemaatregel op te heffen, in welk geval de aanvraag tot voorafgaande schriftelijke toestemming vervalt (want uitdrukkelijk geformuleerd ‘voor de duur van de schorsing bij ordemaatregel’. - hetzij door hem enerzijds de toestemming te verlenen om in het buitenland te werken, anderzijds de schorsing te herevalueren in die zin dat ze wordt opgelegd met inhouding van de volledige wedde. De bewering van Skeyes dat verzoeker zogezegd in strijd met artikel 22 van het Administratief Statuut zou handelen, net zoals in de kennisgeving van 11 juli 2023 waarin Skeyes benadrukt dat iedere overtreding van Titel IV Onverenigbaarheden van het Administratief Statuut (waaronder artikel 21 en 22) ‘zal bestraft worden overeenkomstig titel V betreffende de tuchtregeling (zie artikel 23 van het Administratief Statuut’ toont aan dat Skeyes nu reeds in aanvalsmodus gaat en de uitsluitende bedoeling heeft om verzoeker te straffen, reden waarom de voorafgaande schriftelijke toestemming hem wordt geweigerd. Daarbij dient te worden opgemerkt dat Skeyes sedert juli 2021, derhalve gedurende volle 30 maanden wederrechtelijk heeft nagelaten om aan verzoeker diens loon te betalen, zodoende een misdrijf plegend want in overtreding met de Loonbeschermingswet. Bovendien kan onmogelijk worden begrepen waarom Skeyes verzoeker bestraft met de weigering om hem de voorafgaande schriftelijke toestemming te verlenen op basis van het voorwendsel dat er onvoldoende informatie zou zijn gegeven, terwijl Skeyes op geen enkel ogenblik enige vraag aan verzoeker of diens raadsman heeft gesteld om bijkomende inlichten te verstrekken, tenzij het gegeven dat Skeyes gewoonweg geen enkele interesse heeft in bijkomende informatie aangezien ze toch de IX-10.414-14/27 voorafgaande schriftelijke toestemming wil weigeren, ongeacht de aard van die bijkomende informatie. Het motief is derhalve een drogreden, niet meer of niet minder. Het is zonneklaar, de bestreden beslissing strekt ertoe om verzoeker wederrechtelijk te straffen door hem de voorafgaande schriftelijke toestemming te weigeren, hem terugroepend in de rechtspositie zoals hij die sedert 15 september 2017 dient te ondergaan, m.n. die van een geschorste ambtenaar, met dien verstande dat hij vanaf 1 januari 2021 het weddecomplement niet mag behouden, en zonder dat verzoeker ook maar enigszins uitzicht heeft op het behoud van het overige gedeelte van zijn loon voor de toekomst.” 4.2. In de memorie van wederantwoord stelt verzoeker – onder meer – dat hem wordt verweten “dat hij strategisch zwijgt over de mogelijke contacten die hij vanuit zijn werkplaats in Beek zou kunnen hebben met luchtverkeersleiders in Brussel”. Hij betoogt in dat verband dat het “voor de beoordeling van de wettigheid van de bestreden beslissing […] niet [ertoe doet] welke inlichtingen er hierover nog bijkomend zouden worden verstrekt voor Uw Raad aangezien zij zodoende onmogelijk de wettige totstandkoming van de bestreden beslissing zouden hebben kunnen beïnvloeden”. Voorts wordt gesteld: “In ieder geval wordt dat verweer niet in de bestreden beslissing vermeld zodanig dat ieder motiveringsgebrek in de bestreden beslissing dienaangaande niet [wordt] rechtgezet. Er kan trouwens niet redelijk worden geloofd dat de verwerende partij zelf niet zou weten welke contacten de luchtverkeersleiders in Beek en Brussel onderling onderhouden. Artikel 22 van het Administratief Statuut schrijft niet voor dat het beslissende Directiecomité zich moet beperken tot de stukken die bij de aanvraag worden gevoegd en voorbij mag gaan [aan] alle informatie die vanuit haar expertise als organisator van de luchtverkeersleiding, dus ambtshalve gekend is. Toch vond de verwerende partij het niet nodig om in de bestreden beslissing ook maar één weigeringsmotief hieraan te besteden.” Voorts doet verzoeker in verband met zijn betoog dat de bestreden beslissing een verkapte tuchtmaatregel inhoudt, opmerken dat “[h]et […] precies bij afwezigheid van wettige motieven die de weigeringsbeslissing zouden kunnen schragen, [is] dat de bestreden beslissing zich manifesteert als een verkapte tuchtmaatregel om de redenen zoals uiteengezet in het verzoekschrift”. IX-10.414-15/27 4.3. In zijn laatste memorie doet verzoeker onder meer gelden wat volgt: “Het Auditoraat stelt dat het niet kennelijk onredelijk is dat Skeyes belang hecht aan het feit dat verzoeker vanuit zijn rol bij de Nederlandse luchtverkeersleiding geen contacten onderhoudt met de collega’s in Brussel en dat verzoeker niet in staat zou zijn gebleken om de onzekerheid en de vrees die daaromtrent bestaat bij Skeyes weg te nemen, kan niet worden begrepen aangezien verzoeker duidelijk heeft gesteld tijdens de hoorzitting voor de Adviesraad dat hij geen contacten heeft met de collega’s in Brussel, feit dat weliswaar niet wordt aangenomen door de verwerende partij, maar waar tegenover staat dat de verwerende partij geen enkele moeite doet om die verklaring van verzoeker tegen te spreken, terwijl zij daar perfect toe in staat moet zijn in de hypothese dat verzoeker wel dergelijke contacten zou hebben gehad, in acht genomen het feit dat verzoeker de functie reeds waarneemt sedert 2022. De verwerende partij zou er bijvoorbeeld mee hebben kunnen volstaan om de luchtverkeersleiders in Brussel hierover te bevragen, iets wat ze mogelijks wel heeft gedaan en wat mogelijks heeft geresulteerd in de bevestiging dat verzoeker geen contacten met de luchtverkeersleiders in Brussel heeft. De verwerende partij kan zich niet verschuilen achter de verplichting van verzoeker om informatie en documentatie over diens aanvraag te verstrekken, daar waar de verwerende partij zelf op een stapel informatie en documentatie zit.” Met betrekking tot zijn argument dat de bestreden beslissing een verkapte tuchtmaatregel is, betoogt verzoeker nog dat zulks “niet [berust] op louter subjectieve gevoelens, maar blijkt uit de feiten zoals uiteengezet in het verzoekschrift en waarvan heden bij de redactie van de laatste memorie de bevestiging blijkt uit de stukken 13 en 14, tevens uit de ontstentenis van enige herevaluatie van de preventieve schorsing en rechtsherstel na het tuchtontslag”. Beoordeling 5. Verzoeker voert onder meer de schending aan van het beginsel patere legem quam ipse fecisti. Nergens in het verzoekschrift zet hij uiteen hoe hij dat beginsel door de bestreden beslissing geschonden acht. In die mate is het middel onontvankelijk. IX-10.414-16/27 6. Artikel 21 van het administratief statuut bepaalt: “Met de hoedanigheid van ambtenaar is onverenigbaar elke bezigheid verricht door de ambtenaar, hetzij rechtstreeks, hetzij door middel van een tussenpersoon, die de belangen van skeyes kan schade, die de vervulling van het ambt verhindert, die strijdig is met de waardigheid van het ambt, die de onafhankelijkheid van de ambtenaar in het gedrang brengt, die een belangenconflict kan veroorzaken.” Artikel 22, § 1, van het administratief statuut luidt als volgt: “De ambtenaar mag geen bezoldigde activiteit uitoefenen zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van het Directiecomité. Het Directiecomité moet de aanvraag beoordelen op basis van artikel 21. Het Directiecomité moet een beslissing nemen binnen de vijftien dagen na ontvangst van de aanvraag daartoe, bij gebreke waarvan de toestemming wordt geacht te zijn verkregen. Tegen de beslissing van het Directiecomité, kan beroep worden aangetekend bij de Adviesraad.” Naar luid van artikel 22, § 2, van het administratief statuut wordt de machtiging tot cumulatie verleend voor een periode van vier jaar en is haar verlenging onderworpen aan een nieuwe, voorafgaandelijke en schriftelijke toestemming van het directiecomité. Artikel 23 van het administratief statuut bepaalt dat iedere overtreding van deze regels tuchtrechtelijk wordt bestraft. 7. Deze bepalingen maken duidelijk dat voor een ambtenaar van de verwerende partij die een andere “bezigheid” of “bezoldigde activiteit” wil ontplooien, de onverenigbaarheid de regel is en de cumulatie de uitzondering. Een cumulatie is bijgevolg geen recht maar een gunst. 8. Bij de beoordeling van de aanvaardbaarheid van een cumulatieactiviteit moet het bestuur onder meer nagaan of de gevraagde activiteit IX-10.414-17/27 de ambtenaar voor een belangenconflict zou kunnen plaatsen of schade zou kunnen toebrengen aan zijn belangen. Het bestuur beschikt bij deze beoordeling over een ruime discretionaire bevoegdheid. Het moet daarbij niet enkel nagaan of er een actueel belangenconflict bestaat of actuele schade is, maar ook of de activiteit mogelijk, zelfs in de toekomst, aanleiding zou kunnen geven tot een dergelijk belangenconflict of dergelijke schade. Daarbij moet nog worden bedacht dat het bestuur geen glazen bol heeft. Uit de bewoordingen van het hiervóór aangehaalde artikel 21 van het administratief statuut blijkt dat het volstaat dat dit belangenconflict of deze belangschade zich zou “kunnen” voordoen. Aangenomen wordt bijgevolg dat er pas dán een probleem zou rijzen indien de motieven zuiver hypothetisch zouden zijn: indien zou moeten worden aangenomen dat deze dermate vergezocht zijn dat ze noch in feite, noch in rechte voor aanvaardbare motieven zouden kunnen doorgaan. 9. Te dezen steunt de weigering van de cumulatieaanvraag op de overweging dat verzoeker “niet alleen onvoldoende informatie verstrekte ten tijde van zijn oorspronkelijke aanvraag, maar ook op heden […] nog steeds nalaat om afdoende en volledige informatie te verstrekken opdat het Directiecomité (in de bewoordingen van de Adviesraad) ‘uiterst nauwgezet en volledig ingelicht’ zou kunnen oordelen over de aanvraag”, namelijk onder meer omdat door verzoeker “nog steeds niet bewezen wordt dat geen belangenconflict zou kunnen bestaan (inzonderheid wat betreft de mondelinge bewering van [verzoeker] ‘ter zitting dat hij in die functie geen contacten te onderhouden heeft met collega’s te Brussel’)”. In het advies van de Nederlandstalige adviesraad van 20 november 2023 is te lezen dat verzoeker “in de procedure voor de Adviesraad IX-10.414-18/27 […] meer praktische elementen [heeft] gegeven” over zijn tewerkstelling, dat hij “ter zitting nog [verklaarde] dat hij in die functie geen contacten te onderhouden heeft met collega’s te Brussel”, maar dat de adviesraad van oordeel is dat onder meer die verklaring “door [verzoeker] niet [wordt] gedocumenteerd zodat elk nazicht onmogelijk is”. 10. Anders dan verzoeker het ziet, laat de bestreden beslissing, in samenhang gelezen met het voormelde advies, aldus afdoende verstaan waarom de verwerende partij van oordeel is dat de mogelijkheid van een belangenconflict of eventuele belangenschade in haren hoofde door verzoeker niet genoegzaam – meer in het bijzonder, niet “gedocumenteerd” – wordt tegengesproken en waarom zulks tot de afwijzing van zijn aanvraag moet leiden. Van een schending van de formelemotiveringswet overtuigt verzoeker bijgevolg niet. 11. Verzoeker erkent door zijn verklaring op de hoorzitting voor de adviesraad zelf de relevantie – in functie van een eventueel belangenconflict of schade aan de belangen van de verwerende partij – van het feit dat een contact met zijn collega’s bij de verwerende partij moet worden vermeden. De Raad van State kan zich daarbij alleen maar aansluiten. Immers, verzoeker is – ten tijde van de bestreden beslissing alvast in eerste aanleg – strafrechtelijk veroordeeld voor de bedreiging van een collega om hem “van de trap te duwen indien hij zich zou toegang verschaffen tot de luchtverkeerstoren op de luchthaven van Zaventem in het bijzijn van een cameraploeg”, de bedreiging van vier collega’s om hen “te pijnigen, te folteren en mogelijks te doden indien hem een tuchtsanctie zou worden opgelegd en indien [J.D.] als ceo van Belgocontrol zou aanblijven” en de bedreiging van deze laatstgenoemde “door een snijbeweging te maken over keel”. IX-10.414-19/27 12. In het licht daarvan en precies omwille van de verplichting die op haar rust om de in artikel 21 van het administratief statuut omschreven belangen te bewaken, kan de verwerende partij bezwaarlijk worden verweten dat zij van de onmogelijkheid van een contact tussen verzoeker en zijn collega’s te Brussel, voldoende concrete bewijzen verwacht. 13. Dat motief komt de Raad van State om de voormelde redenen derhalve niet als zuiver hypothetisch voor. 14. De vraag of in het administratief dossier voldoende elementen aanwezig zijn die dit motief ondersteunen, heeft betrekking op de materiëlemotiveringsplicht. 15. Verzoeker betoogt wel dat “niet redelijk [kan] worden geloofd dat de verwerende partij zelf niet zou weten welke contacten de luchtverkeersleiders in Beek en Brussel onderling onderhouden”. Evenwel doet de verwerende partij in haar memorie van antwoord opmerken dat de website van de buitenlandse werkgever van verzoeker uitdrukkelijk aangeeft dat “aan de zuidkant [wordt samengewerkt] met Brusselse luchtverkeersleiders”. Verzoeker doet gelden dat hij heeft verklaard dat hij geen contact heeft met de collega’s in Brussel en dat “de verwerende partij geen enkele moeite doet om die verklaring van verzoeker tegen te spreken, terwijl zij daar perfect toe in staat moet zijn in de hypothese dat verzoeker wel dergelijke contacten zou hebben gehad, in acht genomen het feit dat verzoeker de functie reeds waarneemt sedert 2022”. Welnu, door verwijzing naar de website van de buitenlandse werkgever van verzoeker, spreekt de verwerende partij de verklaring van verzoeker wel degelijk tegen. IX-10.414-20/27 16. Het laat zich voorts niet begrijpen hoe de suggestie van verzoeker om “de duur van de gevraagde voorafgaande schriftelijke toestemming te beperken totdat de schorsing bij ordemaatregel door [de verwerende partij] zal zijn opgeheven”, aan het voormelde probleem een oplossing kan bieden. 17. Evenmin valt in te zien hoe de verwerende partij met haar oordeel zou zijn voorbijgegaan aan de stukken die verzoeker nog ná het advies van de adviesraad – en dus in extremis – aan het directiecomité heeft overgemaakt. Deze stukken betreffen drie brieven van zijn buitenlandse werkgever gericht aan verzoeker, respectievelijk gedateerd 3 augustus 2022, 10 mei 2023 en 27 juli 2023. In de brief van 3 augustus 2022 wordt de selectie van verzoeker voor de opleiding tot verkeersleider te Beek bevestigd, wordt een “positief resultaat” van het beveiligingsonderzoek gemeld en wordt hem een arbeidsovereenkomst “voor bepaalde tijd” – voor de duur van de opleiding – aangeboden. Met de brief van 10 mei 2023 wordt meegedeeld dat verzoeker de “1e deelbevoegdheid (TWR) voor de functie van Verkeersleider RU Beek” heeft behaald, wordt gemeld dat zijn salaris en de overige arbeidsvoorwaarden ongewijzigd blijven en wordt hem succes gewenst bij het vervolg van de opleiding. De brief van 27 juli 2023, tot slot, leert dat verzoeker de “opleiding voor [de] tweede deelrating niet is gestart binnen 1 jaar vanaf de start van de opleiding”, waardoor de tijdelijke arbeidsovereenkomst met ingang van 1 augustus 2023 wordt omgezet naar een arbeidsovereenkomst “voor onbepaalde tijd”, dat de buitenlandse werkgever van verzoeker “de intentie [uitspreekt] dat, afhankelijk van de situatie, [hij] de doelstelling [heeft] om [verzoeker] de 2e IX-10.414-21/27 deelrating te laten voltooien” en dat de “overige arbeidsvoorwaarden” ongewijzigd blijven. Daarin leest ook de Raad van State geen informatie die mag doen aannemen dat een beroepsmatig contact tussen verzoeker in zijn functie bij de buitenlandse werkgever en zijn collega’s bij de verwerende partij, uitgesloten is. 18. Nochtans moest het voor verzoeker op grond van het advies van de adviesraad duidelijk zijn dat het onder meer dáár is waar de schoen wringt. Vastgesteld moet worden dat verzoeker niet ervoor heeft geopteerd om samen met de drie hiervóór vermelde stukken – de brieven van 3 augustus 2022, 10 mei 2023 en 27 juli 2023 – ook enig document aan de verwerende partij te bezorgen dat op objectieve wijze de zekerheid biedt dat zijn bewering dat “hij in die functie geen contacten te onderhouden heeft met collega’s te Brussel” ook met de werkelijkheid overeenstemt. Verzoeker laat evenwel na om te verduidelijken waarom hij dat niet heeft gedaan. 19. Van een schending van de materiëlemotiveringsplicht is bijgevolg evenmin sprake, net zomin als van de artikelen 21 en 22 van het administratief statuut. Aan het zorgvuldigheidsbeginsel geeft verzoeker geen aparte invulling. Ook van een schending van dat beginsel kan hij derhalve niet overtuigen. 20. Dat verzoeker niet erin slaagt de onwettigheid van het hiervóór besproken motief voor de weigering van de voorafgaande schriftelijke IX-10.414-22/27 toestemming aan te tonen, een motief dat bovendien de bestreden beslissing kan dragen, impliceert dat hij zonder belang is bij zijn kritiek op de andere weigeringsmotieven en de grief dat bepaalde van zijn argumenten die geen verband houden met het motief dat overeind blijft, onbeantwoord zouden zijn gebleven. Deze kritiek en grief worden hierna bijgevolg niet onderzocht. 21. Wél wordt nog ingegaan op het betoog van verzoeker dat de bestreden beslissing “[m]instens” een verkapte tuchtmaatregel uitmaakt. Wanneer een verzoekende partij aanvoert dat een beslissing die haar betreft en die zich naar de vorm níét als een tuchtmaatregel aandient, in werkelijkheid toch een verkapte tuchtmaatregel is, valt het aan haar toe om het voor de Raad van State geloofwaardig te maken dat, ondanks de schijn van het tegendeel, de bestreden beslissing er uitsluitend of hoofdzakelijk toe strekt haar te bestraffen wegens disciplinaire tekortkomingen. Tot het bestaan van een dergelijke, niet-veruitwendigde bedoeling, kan niet worden besloten op grond van louter subjectieve gevoelens van een verzoekende partij. Integendeel dient zij, met verwijzing naar concrete omstandigheden, aannemelijk te maken dat het determinerende, maar niet uitgedrukte motief van de maatregel erin bestaat haar te bestraffen. 22.1. In dat verband wijst verzoeker vooreerst erop dat de bestreden beslissing hem “in totale sociale onzekerheid [stort]”, terwijl de verwerende partij de mogelijkheid heeft “om de door haar beweerde onverenigbaarheid omtrent pecuniaire voordelen te vermijden” door ofwel de tuchtprocedure stop te zetten en de schorsing bij ordemaatregel op te heffen, ofwel de schorsing te herevalueren en aan verzoeker de toestemming te verlenen in het buitenland eenzelfde activiteit te ontplooien, zij het met inhouding van de volledige wedde. IX-10.414-23/27 Wanneer dat geldelijke motief het énige motief zou zijn waarop de bestreden beslissing steunt, zou dit argument van verzoeker het onderzoeken waard zijn. Verzoeker verliest echter uit het oog dat naast dát motief ook andere motieven voorhanden zijn, waarvan, zoals hiervóór gezien, minstens één de bestreden beslissing wettigt, namelijk dat door verzoeker niet aan de hand van objectieve gegevens de zekerheid wordt geboden dat een contact met zijn collega’s bij de verwerende partij is uitgesloten en bijgevolg ook het gevaar van een belangenconflict of belangenschade in hoofde van de verwerende partij. IX-10.414-24/27 Aldus overtuigt verzoeker niet ervan dat de verwerende partij de sleutel in handen zou hebben om zélf aan de ingeroepen onverenigbaarheid een einde te stellen. Evenmin maakt verzoeker bijgevolg aannemelijk dat zijn burgerrechtelijke vordering met betrekking tot de uitbetaling van loon of de mededeling van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening tot uitsluiting van verzoeker van het recht op uitkeringen voor de periode van 2 augustus 2021 tot 15 augustus 2022 en tot terugvordering van de voor die periode ontvangen uitkeringen, ter zake relevant is. 22.2. Dat de verwerende partij, door te wijzen op het feit dat iedere overtreding van de regels inzake de onverenigbaarheden zal worden bestraft overeenkomstig de tuchtregeling van het administratief statuut, in een “aanvalsmodus” verkeert en de “uitsluitende bedoeling heeft om verzoeker te straffen”, kan evenmin worden bijgevallen. Het overtreden van de regels inzake de onverenigbaarheden wordt door artikel 23 van het administratief statuut tuchtrechtelijk strafbaar gesteld. Het louter wijzen op deze mogelijke gevolgen, zoals ze in het administratief statuut zijn voorzien, toont geenszins aan dat de weigering van de gevraagde toestemming op zich uitsluitend of hoofdzakelijk ertoe strekt verzoeker te bestraffen. 22.3. Ook het feit dat verzoeker sinds juli 2021 geen loon meer zou hebben ontvangen, laat niet verstaan hoe verzoeker met de bestreden beslissing wordt gestraft. Dat aan verzoeker met ingang van 31 juli 2021 de tuchtstraf van het ontslag werd opgelegd – tuchtbeslissing die, zoals gezien, weliswaar door de Raad van State bij arrest nr. 256.914 van 23 juni 2023 is vernietigd – zal aan de niet-betaling van dat loon wellicht niet vreemd zijn. IX-10.414-25/27 22.4. Verzoeker verwijt de verwerende partij nog dat zij nooit een vraag om bijkomende inlichtingen heeft gesteld, terwijl het “voorwendsel” dat onvoldoende informatie werd verstrekt net de reden is om de gevraagde toestemming te weigeren. Ook daaruit leidt verzoeker af dat het enkel de bedoeling is om hem te straffen. De verwerende partij zou “gewoonweg geen enkele interesse” hebben voor die bijkomende informatie. Deze redenering van verzoeker valt de Raad van State evenmin bij. Vooreerst moet worden opgemerkt dat het aan de aanvrager van een voorafgaande schriftelijke toestemming tot cumulatie toevalt om de nodige stukken aan het bestuur te bezorgen die het in staat moeten stellen de aanvraag te beoordelen. Bovendien kon verzoeker al in de beslissing van het directiecomité van 6 juli 2023 en in het advies van de adviesraad vernemen dat de verwerende partij meer concrete informatie en bewijsstukken wenste. Verzoeker heeft die boodschap zéér wel begrepen, want hij heeft, zoals hij zelf aangeeft, bijkomende inlichtingen verstrekt bij zijn beroepschrift, in zijn replieknota voor de adviesraad en in een e-mailbericht van 24 november 2023. Evenwel bleek dat alvast voor één aspect nog steeds onvoldoende. 22.5. Verzoeker maakt met de door hem aangevoerde argumenten niet aannemelijk dat het determinerende motief van de bestreden beslissing erin bestaat hem te bestraffen. 23. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, niet gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. IX-10.414-26/27 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. 3. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op dertig april tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Wouter Pas, staatsraad, waarnemend voorzitter, Jurgen Neuts, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Wouter Pas IX-10.414-27/27 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.181 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div