← België

Arrest 263182 - Varia (justitie) - 30/04/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 april 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.182 Rolnummer: A. 244665/IX-10652 Zaak: Arrest 263182 - Varia (justitie) - 30/04/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-05-06 Raadplegingen: 95 - laatst gezien 2026-06-16 05:04 Fiche Arrest nr 263.182 van 30 april 2025 Justitie - Varia (justitie) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.182 no lien 283056 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 263.182 van 30 april 2025 in de zaak A. 244.665/IX-10.652 In zake:

  1. A.H.
  2. A.H. woonplaats kiezend te tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stefaan Verbouwe kantoor houdend te 1150 Brussel Tervurenlaan 270 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
  3. De vordering, ingesteld op 16 april 2025, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de overschrijving van een vermeende verbeurdverklaring van het pand gelegen te 2360 Oud-Turnhout, […], zoals opgenomen op 21 februari 2020 onder referentie 76-T-21/02/2020-02046 en van […] te Oud-Turnhout”. II. Verloop van de rechtspleging
  4. Bij beschikking van 18 april 2025 werd de procedurekalender vastgesteld. De verwerende partij heeft een nota ingediend. IX-10.652-1/6 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 april 2025, om 10.00 uur. Staatsraad Jim Deridder heeft verslag uitgebracht. De verzoekende partijen en advocaat Stefaan Verbouwe, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten
  6. In een arrest van 8 januari 2020 spreekt het hof van beroep te Antwerpen ten aanzien van de verzoekende partijen, ten belope van bepaalde sommen, de verbeurdverklaring uit van twee woningen te Oud-Turnhout. Op 21 februari 2020 wordt onder referentie ‘76-T-21/02/2020-02046’ op het Kantoor Rechtszekerheid Turnhout 1 kantmelding gemaakt van dit arrest. Dat is de bestreden beslissing. De verzoekende partijen stellen dat het vóórmelde arrest niet aan hen is betekend en dat zij van het bestaan van de bestreden beslissing, of althans van “de concrete gevolgen hiervan”, voor het eerst hebben kennisgenomen bij het opvragen van een afschrift bij het Kantoor Rechtszekerheid in het kader van een procedure bij de beslagrechter bij de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen. In die procedure verklaart de beslagrechter in een beschikking van 10 april 2025 het ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.182 IX-10.652-2/6 derdenverzet van de verzoekende partijen tegen de beschikking van 18 april 2024 waarbij een notaris wordt aangesteld om over te gaan tot veiling van inbeslaggenomen goederen en tot verrichting van de rangregeling, niet toelaatbaar. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
  7. De verzoekende partijen hebben op 24 april 2025 ‘conclusies’ neergelegd. Ofschoon in die conclusies het rolnummer van de huidige procedure wordt vermeld, blijkt dat het daarin vervatte betoog uitsluitend betrekking heeft op een bericht van de FOD Financiën van 21 mei
  8. Dat bericht vormt het voorwerp van het door de verzoekende partijen ingestelde beroep dat is gekend onder rolnummer A. 244.666/IX-10.653 en waarover bij arrest nr. 263.183 van heden uitspraak wordt gedaan. Er is derhalve geen reden om de ‘conclusies’ bij het debat in de huidige zaak te betrekken. V. Ontvankelijkheid van de vordering
  9. De verwerende partij betwist de ontvankelijkheid van de vordering. Er bestaat vooralsnog geen noodzaak om over de opgeworpen excepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over deze excepties dringt zich immers slechts op indien zou blijken dat de grondvoorwaarden voor schorsing vervuld zijn, hetgeen te dezen, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. VI. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  10. Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.182 IX-10.652-3/6 nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord. Overeenkomstig paragraaf 5 van datzelfde artikel wordt de zaak behandeld bij uiterst dringende noodzakelijkheid en derhalve binnen een termijn van vijftien dagen of minder, wanneer zulks in het opschrift wordt vermeld. VII. Uiterst dringende noodzakelijkheid
  11. De Raad van State heeft in zijn rechtspraak met betrekking tot het vereiste van de uiterst dringende noodzakelijkheid al vaak eraan herinnerd dat de toepassing van de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid een ernstige verstoring teweegbrengt in het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, dat ze de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum beperkt en de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij aanzienlijk in het gedrang brengt. De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven. Ze mag slechts worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. De feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen, dienen overeenkomstig artikel 8, § 1, tweede lid, 2°, van het koninklijk besluit van 19 november 2024 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding en tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ in het verzoekschrift te worden aangevoerd.
  12. In het verzoekschrift wijden de verzoekende partijen geen afzonderlijke bespreking aan de uiterst dringende noodzakelijkheid. Daargelaten dat zij onder het kopje ‘vordering’ stellen dat zij “[e]ventueel het opschortend effect bij uiterst dringende noodzakelijkheid” vorderen en daarmee dus de opportuniteitsbeoordeling aan de Raad van State lijken over te laten, zetten de ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.182 IX-10.652-4/6 verzoekende partijen enkel zeer summier uiteen dat zij “om erkenning van de uiterst dringende noodzaak [vragen] wegens het aanstaande verlies van eigendom zonder geldige rechtsgrond”. Of de bestreden beslissing inderdaad de verkoop van de twee verbeurdverklaarde onroerende goederen “zonder geldige rechtsgrond” mogelijk maakt, betreft de voorwaarde van een ernstig middel. De voorwaarde van een uiterst dringende noodzakelijkheid, namelijk de voorwaarde dat de onwettige beslissing de verzoekende partijen gebeurlijk in een zodanig urgente toestand doet belanden dat zelfs een schorsing volgens de gewone schorsingsprocedure nog te laat dreigt te komen, is van de eerste voorwaarde te onderscheiden en laat zich er niet zonder meer toe herleiden. Het staat niet aan de Raad van State om de rechtens vereiste uiterst dringende noodzakelijkheid in de plaats van de verzoekende partijen te formuleren en het dringend karakter van de zaak wordt niet vermoed, welke ook de aard van de bestreden beslissing is.
  13. De schorsingsvoorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid is niet vervuld. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. IX-10.652-5/6 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op dertig april tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Jim Deridder, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Jim Deridder IX-10.652-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.182 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.430 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.