id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.204 Rolnummer: A. 244272/IX-10631 Zaak: Arrest 263204 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 06/05/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-05-14 Raadplegingen: 94 - laatst gezien 2026-06-16 05:04 Fiche Arrest nr 263.204 van 6 mei 2025 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 263.204 van 6 mei 2025 in de zaak A. 244.272/IX-10.631 In zake: R.L. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Thierry Van Noorbeeck en Annelies Vodderie kantoor houdend te 3290 Diest Leuvensestraat 17 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: HR RAIL, nv van publiek recht bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Chris Van Olmen en Vincent Vuylsteke kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 221 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 25 februari 2025, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de raad van beroep van de nv HR Rail van 3 december 2024 waarbij aan verzoeker “het tuchtrechtelijk ontslag met bekrachtiging van de preventieve schorsing” wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij beschikking van 3 maart 2025 werd de procedurekalender vastgesteld. IX-10.631-1/9 De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en het administratief dossier neergelegd. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 april
- Staatsraad Jurgen Neuts heeft verslag uitgebracht. Advocaat Thierry Van Noorbeeck, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Laurent Generet, die loco advocaten Chris Van Olmen en Vincent Vuylsteke verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is in 1991 in dienst getreden bij de Belgische Spoorwegen. Hij is ten tijde van de bestreden beslissing werkzaam als rangeermeester in statutair verband bij de NMBS. 3.
- Het Compliance & Investigation Office (“C&IO”) van de NMBS stelt in een verslag van 4 juli 2024 in verband met “[m]ogelijk misbruik van fietsvergoeding” vast dat verzoeker aanvragen heeft gedaan tot het bekomen van een fietsvergoeding “op dagen dat betrokkene met de auto komt”. Volgens IX-10.631-2/9 dit verslag gaat het om 69 van de 75 dagen waarvoor verzoeker deze vergoeding heeft aangevraagd in de periode van 20 juni 2022 tot 7 juli
- 3.
- Op 19 juli 2024 stelt de onmiddellijke chef van verzoeker voor om aan verzoeker de tuchtmaatregel ‘tuchtrechtelijk ontslag’ op te leggen. Op dezelfde dag wordt voorgesteld om verzoeker preventief te schorsen. 3.
- Op 10 september 2024 wordt verzoeker preventief geschorst. 3.
- Op 23 september 2024, na kennisname van de rechtvaardiging door verzoeker en na advies van de onmiddellijke chef van verzoeker en van de hiërarchische overste van de onmiddellijke chef, beslist de adjunct van de algemeen directeur van de verwerende partij om verzoeker tuchtrechtelijk te ontslaan. Verzoeker stelt daartegen beroep in bij de raad van beroep. 3.
- Verzoeker gehoord, beslist de raad van beroep op 3 december 2024 om aan verzoeker het “tuchtrechtelijk ontslag met bekrachtiging van de preventieve schorsing” op te leggen. Dat is de bestreden beslissing. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een IX-10.631-3/9 versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord. V. Spoedeisendheid
- Zoals sub 4 in herinnering is gebracht, kan krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen indien, onder meer, “de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring”.
- Het komt er voor een verzoekende partij die beweert dat de zaak te spoedeisend is om de uitkomst van het annulatieberoep te kunnen afwachten, op aan om van die urgentie te overtuigen aan de hand van de concrete feiten die zij in haar vordering aanvoert. Dit houdt in dat het aan deze partij toevalt om in haar verzoekschrift op de omstandigheden van haar zaak betrokken, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen waarom de nadelige gevolgen die een tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor haar persoonlijk veroorzaakt, niet gedragen kunnen worden gedurende de gewone doorlooptijd van de annulatieprocedure en waarom de afloop van deze procedure bijgevolg niet afgewacht kan worden. Die gegevens moeten door de verzoekende partij worden onderbouwd op een wijze die de rechter toelaat om ze te verifiëren, zodat hij kan aftoetsen of ze de beweerde spoedeisendheid inderdaad verantwoorden. De spoedeisendheid van de zaak wordt niet vermoed, welke ook de aard van de bestreden beslissing is. 7.
- Naar eis van artikel 17, § 2, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift tot schorsing “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van deze vordering wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 4, § 1, eerste lid, 5°, van het IX-10.631-4/9 koninklijk besluit van 19 november 2024 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding en tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. 7.
- Een dergelijke, op de verantwoording van de spoedeisendheid toegeschreven uiteenzetting van de feiten ontbreekt in het verzoekschrift. Wat verzoeker wel doet, is een door hem gevreesd “moeilijk te herstellen ernstig nadeel” beschrijven. Verzoeker verliest uit het oog dat de voorwaarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel verlaten is sinds de hervorming van de procedure bij wet van 20 januari 2014 die in werking is getreden op 1 maart 2014 – ruim elf jaar geleden. Thans staat ter beoordeling van de Raad van State een volkomen andere wettelijke voorwaarde – de spoedeisendheid – waarvan de wettelijke draagwijdte niet gelijk is aan die van de vereiste van ‘moeilijk te herstellen ernstig nadeel’. 8.
- Wat, in de op zich niet ter zake doende uiteenzetting van het ‘moeilijk te herstellen ernstig nadeel’, begrepen zou kunnen worden als een argument om de uitkomst van de procedure ten gronde niet af te wachten – en dus te betrekken op de spoedeisendheid – refereert aan een financieel nadeel dat verzoeker zou lijden als gevolg van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Hij betoogt “niet langer […] over een inkomen vanwege verweerster” te kunnen beschikken en “niet langer […] aan zijn financiële verplichtingen” te kunnen voldoen. Dat levert volgens hem “vanzelfsprekend een ernstig financieel nadeel” op. Enkel een schorsing kan volgens hem soelaas bieden, want een latere eventuele nietigverklaring kan “de reeds ontstane schade in hoofde van verzoeker, niet passend [compenseren]”. Ook moet vermeden worden dat hij “reeds op zoek zou dienen te gaan naar een andere tewerkstelling”. IX-10.631-5/9 8.
- Om de spoedeisendheid aan te tonen, volstaat het niet te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht. Het moeten afwachten van het normale procedureverloop in het kader van een beroep tot nietigverklaring maakt het onvermijdelijke lot uit van elke beroepindiener en het staat aan de verzoekende partij om aan te tonen dat zij het resultaat van de procedure tot nietigverklaring niet kan afwachten op straffe van zich in een toestand te bevinden met ernstige schadelijke gevolgen. Overigens moet die verzoekende partij zich er rekenschap van geven dat een vordering tot schorsing luidens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, mag worden ingesteld “op elk moment”. 8.
- Verzoeker voert uitsluitend een financieel nadeel aan. 8.
- Evenwel volstaat het op zich niet om een financieel nadeel in te roepen, om de behandeling van zijn zaak bij spoedeisendheid te rechtvaardigen. Immers, een financieel verlies kan in beginsel worden hersteld na een eventueel vernietigingsarrest. Uitzonderlijk kan het anders zijn. Dan moet de verzoekende partij wel bijzondere redenen aanvoeren waaruit blijkt dat de financiële gevolgen een zodanige impact hebben op haar persoonlijke toestand, dat zij ze niet kan ondergaan tot aan de uitspraak ten gronde, op gevaar af dat ze alsdan onomkeerbaar zouden blijken. Van een verzoekende partij wordt bijgevolg verwacht dat zij de financiële gevolgen die voortvloeien uit de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing concreet aantoont én aannemelijk maakt dat ze in beginsel onomkeerbaar zijn. De omvang van een financieel nadeel moet dus, om een gebeurlijke schorsing te kunnen verantwoorden, dermate zijn dat een verzoekende partij de duur die een annulatieprocedure in beslag neemt, niet zal kunnen overbruggen. Een verzoekende partij kan zich niet ertoe beperken te IX-10.631-6/9 stellen dat zij dit nadeel lijdt, zonder enig gegeven te verstrekken omtrent het bestaan en de omvang ervan. 8.
- Dat het tuchtrechtelijk ontslag financiële gevolgen heeft, laat zich raden. Om de rechter evenwel ervan te overtuigen dat de impact van de financiële gevolgen redelijkerwijze niet gedragen kan worden tot een uitspraak volgt over het beroep tot nietigverklaring, mag van verzoeker wel een minimale inspanning worden gevraagd om die impact toe te lichten en op zijn individuele situatie te betrekken. In het verzoekschrift bepaalt verzoeker zich ertoe te stellen dat hij “niet langer […] over een inkomen vanwege verweerster” kan beschikken en dat hij “niet langer […] aan zijn financiële verplichtingen [zal kunnen voldoen]”. Verzoeker laat echter na ook maar enig inzicht te verschaffen in zijn financiële toestand. Van eventuele andere inkomsten, zijn spaargelden, zijn uitgaven en zijn beweerde financiële verplichtingen – kortom zijn vermogenstoestand – brengt verzoeker geen enkel bewijs bij. Evenmin licht hij zijn gezinssituatie toe. Zonder enig stuk omtrent zijn bestaansmiddelen en de toestand waarin hij verkeert, maakt verzoeker het voor de Raad van State onmogelijk om zijn bewering dat hij de beëindiging van zijn tewerkstelling op financieel vlak niet of moeilijk het hoofd kan bieden, daadwerkelijk te toetsen. 8.
- Het formulier waaruit blijkt dat verzoeker kosteloze juridische tweedelijnsbijstand geniet, is niet van aard om wat voorafgaat anders te zien. Het maakt immers niet duidelijk op grond van welke bescheiden tot die conclusie is gekomen en bijgevolg is een controle ervan door de rechter thans onmogelijk. 8.
- Voorts bedenkt de Raad van State nog dat bij een eventuele nietigverklaring van de bestreden beslissing verzoeker wordt geacht nooit tuchtrechtelijk ontslagen te zijn geweest, zodat zijn loopbaan, ook geldelijk, moet worden gereconstrueerd. IX-10.631-7/9 Het betoog van verzoeker dat het door hem omschreven financiële nadeel door een “vernietiging ten gronde […] niet passend gecompenseerd zal kunnen worden”, zonder nadere toelichting van de bijzondere omstandigheden die daartoe zouden doen besluiten, kan bijgevolg niet worden bijgevallen. 8.
- Of verzoeker door de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing ertoe gedwongen wordt “op zoek […] te gaan naar een andere tewerkstelling” – zoals hij beweert en daargelaten of zulks een nadeel uitmaakt dat de spoedeisendheid van zijn vordering kan verantwoorden – hangt samen met het bewijs van zijn vermogenstoestand op vandaag. Tot dat bewijs komt verzoeker, zoals gezien, evenwel niet.
- Besluit van wat voorafgaat, is dat verzoeker nalaat de noodzakelijke specifieke gegevens aan te brengen die in concreto aantonen dat de zaak voor hem spoedeisend is. VI. Conclusie
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. IX-10.631-8/9 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zes mei tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Jurgen Neuts, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Jurgen Neuts IX-10.631-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.204 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.062 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div