← België

Arrest 263214 - Overheidsopdrachten - 06/05/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.214 Rolnummer: A. 244548/XIV-39772 Zaak: Arrest 263214 - Overheidsopdrachten - 06/05/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-05-08 Raadplegingen: 194 - laatst gezien 2026-06-18 22:00 Fiche Arrest nr 263.214 van 6 mei 2025 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 263.214 van 6 mei 2025 in de zaak A. 244.548/XIV-39.772 In zake: de NV D. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jo Goethals kantoor houdend te 8800 Roeselare Kwadestraat 151B/41 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de NATIONALE MAATSCHAPPIJ DER BELGISCHE SPOORWEGEN (NMBS), nv van publiek recht bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Barteld Schutyser, Daan Degrande en Simon Dael kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 99 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partijen:

  1. de NV K.
  2. de NV G. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Olivier Eschweiler kantoor houdend te 4130 Esneux rue de Mery 42 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
  3. De vordering, ingesteld op 2 april 2025, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen […] met betrekking tot XIV-39.772-1/26 de overheidsopdracht [Groenonderhoud, sneeuwruimen en zoutstrooien] waarbij de opdracht voor de ‘loten’ 1, 3, 4 en 7 werd gegund aan respectievelijk [de nv K. en de nv G.], al dan niet samen met het bestek nr. CS5/0004228821 [dat] samen met de bestreden handeling een complexe administratieve rechtshandeling uitmaakt”. II. Verloop van de rechtspleging
  4. Bij beschikking van 3 april 2025 werd de procedurekalender vastgesteld. De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een administratief dossier ingediend. Met verzoekschriften van 14 april 2025 hebben de nv K. en de nv G. gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 april 2025, om 12.00 uur. Staatsraad Patricia De Somere heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jo Goethals, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaten Daan Degrande en Simon Dael, die verschijnen voor de verwerende partij, en advocaat Anne Custers die loco advocaat Olivier Eschweiler verschijnt voor de tussenkomende partijen, zijn gehoord. Auditeur Thomas Maes heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. XIV-39.772-2/26 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. De verwerende partij schrijft een overheidsopdracht voor diensten uit met als voorwerp ‘Raamovereenkomst voor het sneeuwruimen, zout strooien en groenonderhoud van de perrons, parkings en andere terreinen in 7 loten’, voor een duur van acht jaar. De opdracht wordt geplaatst met de onderhandelingsprocedure met voorafgaande oproep tot mededinging overeenkomstig artikel 120 van de wet van 17 juni 2016 ‘inzake overheidsopdrachten’ (hierna: wet van 17 juni 2016), bepaling die geldt voor de speciale sectoren. De opdracht wordt nationaal en Europees bekendgemaakt. 3.
  7. Er worden achttien aanvragen tot deelneming ingediend. Op 13 maart 2024 beslist de verwerende partij om vijftien ondernemingen, waaronder de verzoekende partij, te selecteren en hen uit te nodigen een offerte in te dienen, waarbij hen het bestek ter beschikking wordt gesteld. Luidens punt 9 ‘Opmaken van de inschrijving’ van het administratief bestek dient de inschrijver onder meer “[a]le documenten gevraagd in de Technische Specificaties”, en “[d]e ingevulde prijzentemplate (bijlagen D-G)” toe te voegen. Luidens punt 14 ‘Gunningscriteria’ worden de offertes beoordeeld aan de hand van de volgende gunningscriteria: XIV-39.772-3/26 “ 1 Prijs 85% 2 CSR [Corporate social responsibility] 15% Toelichting:
  8. Prijs (85%) De inschrijver die de laagste totaalprijs per lot aanbiedt in zijn offerte krijgt het maximum aantal punten

(85). De andere ingediende offertes krijgen een score die het resultaat is van de volgende formule: Toegekende score = 85 x ((laagste prijs) / (prijs van de inschrijver))
  1. CSR (15%) Beschrijving: De NMBS beoordeelt de milieu- en sociale impact van de door de inschrijver voorgestelde leveringen/diensten gedurende hun volledige levenscyclus, om zo bij te dragen aan de volgende duurzame doelstellingen: […]”. Voorts zijn onder punt 21 ‘Bijkomende vermeldingen’, ‘Clausules voor nieuwe forfaits & wijzigingen van bestaande forfaits’, de volgende bestekbepalingen in deze zaak relevant: “
  2. Afspraken bij gedegradeerde startsituatie • Wanneer de startsituatie van een bepaalde zone sterk gedegradeerd is kunnen er bijkomende kosten in rekening gebracht worden om de situatie terug op een aanvaardbaar niveau te brengen. • Deze paragraaf is enkel van toepassing voor wat betreft de dienst van groenonderhoud. Deze paragraaf is niet van toepassing voor wat betreft de dienst rond wintermaatregelen. • Voorbeelden van gedegradeerde situaties zijn: een parkeerplaats is reeds meerdere jaren niet meer in gebruik en overwoekerd door onkruid, … • We onderscheiden hierbij verschillende niveaus van degradatie: ° Lichte verwildering: Dit zijn situaties waarbij er gedurende een periode van minstens 6 maanden geen interventie meer zijn uitgevoerd of equivalente degradatie door andere omstandigheden ° Gemiddelde verwildering: Dit zijn situaties waarbij er gedurende een periode van minstens 12 maanden geen interventies meer zijn uitgevoerd of equivalente degradatie door andere omstandigheden ° Zware verwildering: Dit zijn situaties waarbij er gedurende een periode van minstens 24 maanden geen interventies meer zijn uitgevoerd of equivalente degradatie door andere omstandigheden • De leidend ambtenaar is exclusief bevoegd om te beoordelen of er werkelijk sprake is van een degradatie en om het niveau ervan in te schatten • In zijn offerte dient de leverancier een percentage op te geven waarmee de prijzen verhoogd worden indien er door de leidend ambtenaar een verhoogde degradatie is vastgesteld: ° __ % voor lichte verwildering XIV-39.772-4/26 ° ___ % voor gemiddelde verwildering • Voor het geval van zware verwildering zal de leidend ambtenaar een specifieke offerte vragen. Als de prijs aanvaardbaar is kan de leidend ambtenaar deze bestellen binnen het kader van de overeenkomst. Indien de leidend ambtenaar de prijzen niet billijk acht dan zal NMBS uitkijken naar alternatieven • In het geval de leverancier bij de aanvang van een bepaalde dienst vaststelt dat er een bepaalde niveau van degradatie is en niet op voorhand toestemming kreeg van de leidend ambtenaar om de toeslag voor lichte of gemiddelde verwildering toe te passen dient hij contact te nemen met de leidend ambtenaar om de situatie verder uit te klaren vooraleer hij de dienstverlening mag aanvatten.” Het technisch bestek bevat technische specificaties betreffende het groenonderhoud, het sneeuwruimen en het zoutstrooien. De ‘Technische specificaties groendonderhoud’ bestaan uit zeven delen. In Deel
  3. ‘Onkruidbeheersing’ wordt gesteld: “Overzicht werken op perrons en parkings Bij de prijsstelling zullen de Inschrijvers per station een gedetailleerde infofiche ontvangen. Deze infofiche bevat alle te onderhouden zones in en rondom het station met betrekking tot de deelopdrachten ‘Light’ en ‘Profound’. […] De Opdrachtnemer dient in het kader van deze ‘Light’ en ‘Profound’ opdrachten een vaste prijs (forfaitaire prijs) per station op te geven. Dat wil zeggen dat onafhankelijk van het aantal benodigde uren, de prijs per station op voorhand is vastgelegd en niet wijzigbaar is. Hij dient deze prijs per station in te vullen in het gepaste tabblad van de inventaris ‘Meetstaat groenonderhoud light en profound’ (alle loten). […] 1.1 – Deelopdracht ‘LIGHT’ Algemeen Het doel van deze deelopdracht is om de netheid, veiligheid en esthetiek van de vegetatie te handhaven. Omvat het uitvoeren van maaibeurten op grasperken, maaien van terreinen die gelegen zijn direct naast een perron, wieden van onkruid op perrons, stationsomgeving, toegangswegen en fietsenstallingen die direct gelegen zijn naast het perron. Beschrijving: - De prestaties gebeuren op aanvraag van de leidend ambtenaar. In de inventaris wordt per station een raming van het aantal Light beurten opgegeven. […] XIV-39.772-5/26 - Het wieden van onkruid op de perrons binnen de veiligheidszone van het spoor is enkel toegelaten wanneer de veiligheidsprocedure ‘Kijk-Uit’ kan worden toegepast. Een lijst van stations waar bepaalde perrons niet voldoen aan de veiligheidsprocedure ‘Kijk- Uit’ zal als bijlage A worden toegevoegd. […] De prestaties omvatten: - Het manueel of mechanisch wieden van onkruid omvat het verwijderen van ongewenste vegetatie, zoals grassen, kruiden en ander onkruid, […] - Het inkorten van het gras op grasperken, terreinen zodanig dat over de hele oppervlakte een gelijkmatige hoogte van 1 à 3 cm wordt verkregen […] - Alle groenafval dient te worden verwijderd buiten de aanhorigheden van het spoorwegdomein tenzij anders bepaald in de infofiches. […] - Het onderhoud van fietsstallingen kan zowel manueel als mechanisch gebeuren. 1.2 – Deelopdracht ‘PROFOUND’ Algemeen Het doel van deze deelopdracht is om de netheid, veiligheid, esthetiek en toegankelijkheid van de groenvoorzieningen te handhaven en te verbeteren. De deelopdracht ‘Profound’ omvat de uitgebreide onderhoudswerkzaamheden voor groenvoorzieningen op aangewezen locaties van de NMBS, waaronder het wieden van onkruid, maaien op parkings, maaien van grasperken en terreinen, vrijmaken van afsluitingen, snoeien van bodembedekkers, bloemperken en overhangende takken, struiken scheren van hagen en haagmassieven…. Beschrijving: - De prestaties gebeuren op aanvraag van de leidend ambtenaar. Profound beurten gaan 1 tot 2 keer per jaar aangevraagd worden. […] De prestaties omvatten: - Wieden van onkruid op parkings en fietsenstallingen, perrons of andere oppervlaktes […] - Vrijmaken van de afsluiting: […] - Snoeien van overhangende takken […] - Snoeien van bodembedekkers en bloemperken […] - Snoeien van struiken […] - Scheren van hagen en haagmassieven […] De volgende delen van het lastenboek bevatten en beschrijven de prestaties voor terreinen die nog niet vervat zitten in voorgaande infofiches en die op vraag van de leidend ambtenaar dienen uitgevoerd worden.” XIV-39.772-6/26 In de ‘Technische specificaties sneeuwruimen en zoutstrooien’ zijn volgende bepalingen in deze zaak relevant: “1.4 Te behandelen zones De Opdrachtgever voegt de plannen van de te behandelen zones toe aan dit bestek. De Inschrijver kan deze per lot en per station terugvinden in de bijlage ‘Infofiches De-icing’. In de te behandelen zones is er al dan niet een procedure MET KIJKUIT van toepassing. Een overzicht van de stations MET en ZONDER KIJKUIT als ook het overzicht van de classificatie (Large, Medium en Small) van de stations bevinden zich tevens in bijlage. […] 2.5 Strooien en ruimen in normale winterse omstandigheden Onder ‘normale winterse omstandigheden’ wordt een verse sneeuwlaag 20 cm begrepen. Verkeer is dan mogelijk zonder voorafgaande sneeuwruiming. Er mag geen supplement aangerekend worden voor het sneeuwruimen en zout strooien tijdens normale winterse omstandigheden. 2.6 Strooien en ruimen in uitzonderlijke winterse omstandigheden Onder ‘uitzonderlijke winterse omstandigheden’ wordt begrepen: een verse sneeuwlaag van minstens 20 cm, bijvoorbeeld op een parking waar een auto van het type berline niet meer kan rijden of parkeren als geen sneeuw geruimd wordt. Er mag een supplement aangerekend worden voor het sneeuwruimen en zout strooien tijdens uitzonderlijke winterse omstandigheden. De Inschrijver dient deze vergoeding dit supplement te vermelden in het ‘Deel III – Permanentievergoeding / Supplement’ op het tabblad ‘zout’ van het betreffende lot in de meetstaat ‘B23 Meetstaat de-icing (alle loten)’.” Als bijlagen worden meetstaten per lot voor elk van de drie gevraagde diensten ‘Groenonderhoud’, ‘Sneeuwruimen’ en ‘Zoutstrooien’ gevoegd. Wat het ‘Groenonderhoud’ betreft, worden de vermoedelijke hoeveelheden opgegeven voor de delen 1 tot 7, en wordt voor deel 1 ‘Onkruidbestrijding’ voor de deelopdrachten ‘light’ en ‘profound’ verwezen naar aparte meetstaten waarin per locatie een forfaitaire prijs per onderhoudsbeurt wordt gevraagd, met opgave van het geraamd aantal beurten per jaar. XIV-39.772-7/26 Ook in de meetstaten ‘Sneeuwruimen’ en ‘Zoutstrooien’ wordt telkens per locatie een forfaitaire prijs per onderhoudsbeurt gevraagd, met opgave van het geraamd aantal beurten per jaar. 3.
  4. Op 25 november 2024 bezorgt de verwerende partij de geselecteerde ondernemingen voor de loten 1 tot 4 nog een gedetailleerd overzicht van de vereiste diensten per station, zoals de gevraagde frequentie, het aantal m² en type ondergrond, het type onderhoud (light of profound), of de veiligheidsprocedure ‘Kijk-Uit’ kan worden toegepast, en de uit te voeren taken. 3.
  5. Tien ondernemingen, waaronder de verzoekende partij, dienen tijdig een eerste offerte in. Op 23 december 2024 vraagt de verwerende partij aan alle inschrijvers van de loten 1, 3, 4 en 7, om een detail te bezorgen van hoe de prijs berekend is voor 1 opgegeven station, als volgt: “Wij zijn momenteel bezig met het prijsonderzoek van de verschillende offertes. Hierbij vallen ons enkele grote verschillen op, waarbij het met de informatie uit de offertes niet mogelijk is om te achterhalen waar deze verschillen vandaan komen. Daarom vragen wij u voor elk perceel waarvoor u de offerte hebt ingediend een detail te bezorgen van hoe de prijs berekend is voor 1 opgegeven station (zie hieronder). Dit detail is op volgende manier te verduidelijk[en]; het voorbeeld is op basis van perceel 1, maar het principe is geldig voor alle percelen: • Perceel 1 – A02 – Antwerpen-Centraal; prijs ‘FF/beurt’ o Gelieve de prijsopbouw te detailleren voor ‘Light’, b.v. Eenheid Eenheidsprijs Aantal Totaal Manuren A €/uur 8 uren 8*A € Machine 1 B €/dag Halve dag 1/2*B € Machine 2 C €/dag 1 dag C€ Marge, overheid, admin, D € forfait 1 forfait D€ … De eenheidsprijs in de offerte is Z € = 8*A € + 1/2 B € + C € + D € o Gelieve de prijsopbouw te detailleren voor ‘Prof’ XIV-39.772-8/26 Zelfde methode o Gelieve de prijsopbouw te detailleren voor ‘Zout’ Zelfde methode […] o Gelieve de prijsopbouw te detailleren voor ‘Sneeuw’ Zelfde methode.” Er wordt op gewezen dat dit een vraag tot verduidelijking is en geen vraag tot verbeterde offerte, en dat het bij het detailleren van de prijzen niet is toegestaan om de ingediende eenheidsprijzen te wijzigen. De inschrijvers, waaronder de verzoekende partij, bezorgen hun antwoord. De verzoekende partij maakt in haar brief van 13 januari 2025 opmerkingen over de juridische context van de vraag, en stelt dat het geen vraag om een prijsverantwoording kan betreffen. 3.
  6. Met een bericht van 4 februari 2025 stelt de verwerende partij de inschrijvers in kennis van een aantal wijzigingen van het bestek als volgt: “- Inventaris o De stations die bij de eerste offerte ontbraken of andere aanpassingen zijn in het geel aangeduid. o Geen ‘Light’ prestaties nodig voor volgende stations (aangegeven in de aangepaste inventaris – Bijlage D) ▪ Lot 6 – Zuid-oost: Luik-Guillemins ▪ Lot 7 – Zuid-west: Bergen o Geen ‘Profound’ prestaties nodig voor volgende stations (aangegeven in de aangepaste inventaris – Bijlage D) ▪ Lot 6 – Zuid-oost: Chapelle-Dieu, Château-de-Seilles, Flémalle-Grande, Leignon, Leman, Luik-Carré, Luik-Sint-Lambertus, Mazy, Méry, Pepinster-Cité & Verviers-Paleis ▪ Lot 7 – Zuid-west: Couvin, Le Campinaire, Lillois, Solre-sur-Sambre, Roux & Brugelette - De kandidaten kunnen het percentage voor verhoogde degradatie opgeven in de aangepaste meetstaat Groenonderhoud – prestaties (Bijlage E). - De kandidaten kunnen het percentage voor dringende & uitzonderlijke prestaties opgeven in de aangepaste meetstaat De-icing, Deel III in de tab ‘Zout’ van het desbetreffende lot (Bijlage F). - Infofiches: de fiches van de ontbrekende stations (lot 5, 6 & 7) zijn toegevoegd op de beperkte Teams (waar de inschrijver reeds toegang tot heeft). Voor de extra/nieuwe infofiches werd een nieuwe folder per lot aangemaakt. XIV-39.772-9/26 - Voor de correcte informatie (oppervlakten, ondergrond, …) dienen de kandidaten zich te baseren op de gegevens die vermeld staan in de infofiches. - De vernieuwde minimale veiligheidsmaatregelen voor activiteiten in/nabij de sporen: gelieve ons kennisname en akkoord met dit document te bevestigen bij het indienen van de beste offerte.” Bij dit bericht worden eveneens aangepaste meetstaten meegedeeld. De inschrijvers worden uitgenodigd hun finale offerte in te dienen tegen uiterlijk 14 februari
  7. De verzoekende partij dient op 14 februari 2025 een BAFO in. In de begeleidende brief maakt zij de volgende opmerking: “Naar aanleiding van de aanpassing van de meetstaat en de toevoeging van nieuwe posten binnen het bestek CS5/0004228821, wensen wij hierbij een opmerking te formuleren met betrekking tot de duidelijkheid en interpretatie van de offerteaanvraag. Bij de recente wijzigingen merken wij dat er nieuwe posten zijn toegevoegd in de meetstaat E, met name: • Post ‘Aanpassing forfait bij gedegradeerde situatie’ o % voor lichte verwildering o % voor gemiddelde verwildering Wij noteren dat voor deze posten geen bijkomende beschrijving is opgenomen in het bestek of de meetstaat. Tevens lijkt er geen expliciete koppeling te zijn met de categorieën ‘Light’ en ‘Profound’ prestaties zoals vermeld en beschreven in het bestek. Aangezien het bestek en meetstaat bepalend is voor een correcte en uniforme prijszetting, merken wij op dat de huidige formulering van deze posten kan leiden tot interpretatieverschillen tussen inschrijvers. • Het blijft onduidelijk op basis van welke objectieve criteria lichte of gemiddelde verwildering wordt beoordeeld. • Zonder verdere specificatie bestaat het risico dat verschillende inschrijvers deze posten op een andere manier berekenen, wat de uniformiteit en vergelijkbaarheid van de offertes kan beïnvloeden. In dit kader wensen wij deze opmerking te formuleren, zodat de inschrijvers op een correcte en gelijkwaardige basis hun offertes kunnen indienen. Dit met het oog op een transparante en objectieve beoordeling van de ingediende offertes. Wij danken u alvast voor de ontvangst van deze opmerkingen en blijven uiteraard ter beschikking voor verdere toelichting indien gewenst.” XIV-39.772-10/26 3.
  8. Op 17 maart 2025 keurt de gedelegeerd bestuurder van de NMBS de ‘gemotiveerde gunningsbeslissing van opdracht groenonderhoud en sneeuwruimen B-ST (CS5/0004228821)’ goed. Wat de regelmatigheid van de offertes betreft, wordt gesteld: “3.1.
  9. Administratieve en technische regelmatigheid De ingediende offertes zijn vooreerst onderzocht op regelmatigheid. De offertes werden ondertekend door de daartoe bevoegde personen. De offertes bevatten de informatie zoals gevraagd in de opdrachtdocumenten en komen bijgevolg in aanmerking voor verdere analyse, behalve de offertes van [J.] (zie hieronder) en [C.] (zie punt 3.1.2). De offerte van [J.] voldeed niet aan de gestelde eisen in de aanbestedingsdocumenten. De volgende tekortkomingen werden vastgesteld: Het ontbreken van prijzen per post Geen toelichting rond CSR (Corporate Social Responsibility) Geen technische documentatie Gezien het belang van deze componenten voor een volledige en correcte beoordeling, kan NMBS de offerte van [J.] niet in overweging nemen. 3.1.
  10. Nazicht/bevraging van de prijzen Bij de bevraging van de prijzen is gebleken dat de onderneming [C.] veel minder uren aanrekent (ongeveer 50% van het gemiddeld aantal uren dat de andere kandidaten inzetten). Deze afwijking heeft geleid tot aanzienlijk lagere prijzen. Het inzetten van een te laag aantal uren zal echter leiden tot ondermaatse kwaliteit en het niet behalen van de beoogde doelen. Om deze redenen kan NMBS de offerte van onderneming [C.] niet accepteren, aangezien NMBS van mening is dat de voorgestelde aanpak niet in overeenstemming is met de vereisten en verwachtingen van deze opdracht.” Na de vergelijking van de offertes aan de hand van de twee gunningscriteria wordt beslist, onder meer, de loten 1 en 3 te gunnen aan de nv K., en de loten 4 en 7 aan de nv G. Dit is de bestreden beslissing. XIV-39.772-11/26 IV. Tussenkomst
  11. De nv K. en de nv G. blijken voordeel te halen uit de bestreden beslissing en hebben er belang bij dat de vordering wordt afgewezen. Bijgevolg moet hun verzoek tot tussenkomst worden ingewilligd. V. Verzoek tot vertrouwelijke behandeling van bepaalde stukken
  12. De verwerende partij en de tussenkomende partijen vragen om de vertrouwelijke behandeling van bepaalde door hen neergelegde stukken die zij in de inventaris als vertrouwelijk aanduiden en waarbij zij de redenen opgeven waarom zij om die vertrouwelijke behandeling vragen. Er zijn geen gronden aangevoerd door de partijen om het aangevoerde vertrouwelijk karakter ervan, althans in deze fase van het geding, te lichten. De Raad van State mag overigens deze stukken in zijn beoordeling betrekken. VI. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  13. Krachtens artikel 17, §§ 1, 5 en 6, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, gelezen in samenhang met de artikelen 15 en 31 van de wet van 17 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies’, moet enkel worden onderzocht of in de voorliggende vordering tot schorsing die is ingesteld volgens de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, een ernstig middel waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling of een klaarblijkelijke onwettigheid wordt aangevoerd. XIV-39.772-12/26 VII. Onderzoek van het enig middel Uiteenzetting van het middel
  14. De verzoekende partij voert aan dat de bestreden beslissing onwettig is “omdat het bestek, waarop de beslissing is geënt en die beslissing, die samen met het bestek een complexe administratieve rechtshandeling vormt de volgende bepalingen schendt: -Art. 10 en 11 GW en het daarin neergelegde gelijkheidsbeginsel; -Artikel 4, 125,§2 OW en artikel 147 OW; -Artikel 81 e.v. OW meer in het bijzonder art. 84 juncto art. 43 Kb Plaatsing speciale sectoren 18/06/2017; -Art. 16 OW juncto art. 6-7 KB Plaatsing speciale sectoren. - Het principe van de vrije mededinging zoals neergelegd in art. II.104 Wetboek van Economisch recht; - Art. 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen […] - Het gelijkheidsbeginsel, het transparantiebeginsel zorgvuldigheidbeginsel en minstens het materieel motiveringsbeginsel.” Zij vat het enige middel samen als volgt: “Te dezen is het zo dat verzoekende partij zich geconfronteerd zag met een bestek waar 85% van de punten gekoppeld werd aan het verzoek om een forfait prijs te bieden gekoppeld aan niet bijzonder gedefinieerde begrippen ‘light’ en ‘profound’. Verzoekende partij heeft naar best vermogen en zo onderbouwd mogelijk een prijs opgebouwd (hetgeen zijn kon gelet op haar ervaring met de aan de aan de voorliggende opdracht voorafgaande opdracht) en aangeboden. In die zin zag verzoekende partij dan ook niet meteen de noodzaak om tegen het bestek zich tot uw Raad te wenden. De prima facie ‘onduidelijkheid’ betekent evenwel niet ipso facto onwettigheid. Naderhand is evenwel moeten blijken dat de verwerende partij, zelfs expliciet, toegaf dat het niet mogelijk was op een ernstige wijze de offertes te gaan vergelijken zodat zij voorstelde om middels nieuwe ‘subgunningscriteria’ toch een vastere basis te bieden. Daartegen heeft verzoekende partij zich expliciet verzet en zij heeft, zoals het hoorde en gevraagd de samenstelling van de prijs die zij heeft gebruikt, toegelicht. De verwerende partij heeft op de opmerking van de verzoekende partij niet gereageerd, maar heeft naderhand, in het kader van de BAFO-fase zelfs een wijziging aan het bestek gaan toevoegen. XIV-39.772-13/26 Dit gebeurde evenwel niet met een expliciete beslissing, laat staan dat deze wijziging aan de ruime mededinging werd onderworpen. Nochtans waren er 15 partijen geselecteerd. Vijf hebben, na kennisname van het bestek, afgehaakt. Deze vijf kregen in elk geval niet de mogelijkheid om een bod te doen op het gewijzigde bestek. Verzoekende partij kon zich dan ook niet tegen een dergelijke beslissing tot uw Raad wenden. Uiteindelijk werd een gunningsbeslissing genomen waarin geen begin van antwoord te lezen valt omtrent de opmerkingen van de verzoekende partij. Verzoekende partij is van mening dat de bestreden onwettig is omdat ze, samen met het even onwettig bestek waarmee ze een complexe administratieve rechtshandeling vormt het gelijkheidsbeginsel, het mededingingsbeginsel en het transparantiebeginsel schendt. Minstens is er sprake van de schending van de formele motiveringsplicht, minstens de materiële motiveringsplicht, omdat de verwerende partij heeft nagelaten in de bestreden beslissing een motivering op te nemen met betrekking tot de expliciet door de verzoekende partij, terloops de procedure gemaakte opmerkingen. De caduciteit van het bestek en de uiteindelijke beslissing maakt dat de prijzen ‘überhaupt’ niet op een redelijke en rechtmatige wijze konden worden aangeboden en vergeleken zodat het feit dat verzoekende partij niet als tweede uit de bus kwam qua prijs op zich haar de bevoegdheid niet kan ontnemen om zich tot uw Raad te wenden. Immers, als de opdracht uiteindelijk, na schorsing dan wel vernietiging, wel op een correcte wijze zou worden uitgeschreven dan zou verzoekende partij minstens wel een kans hebben om minstens één lot aan haar gegund te zien. Het gaat hier immers over een geval waarbij de opdracht aan geen enkele inschrijver rechtsgeldig mocht worden toegewezen.”
  15. “Omtrent de ontvankelijkheid van het middelonderdeel dat betrekking heeft op het bestek” verwijst de verzoekende partij naar het arrest van 2 december 2005, nr. 152.173, ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.173, inzake Labonorm, om te stellen dat zij naar aanleiding van de betwisting van een gunningsbeslissing alsnog de onwettigheid van het bestek kan inroepen. De verwerende partij heeft terloops de gunningsprocedure zelf moeten vaststellen dat de opdracht niet kan worden gegund omdat de prijzen niet konden worden vergeleken. Dit maakt dat het bestek onwettig was, maar evenzeer de reparaties door de verwerende partij.
  16. “Omtrent de gegrondheid van dit middel” licht de verzoekende partij nog het volgende toe. XIV-39.772-14/26 In wat als een eerste onderdeel kan worden beschouwd, stelt de verzoekende partij dat het bestreden besluit waarbij de loten 1, 3, 4 en 7 worden gegund, onwettig is “omdat het gebaseerd is op een bestek dat onwettig is wat leidde tot post factum onregelmatige reparaties aan de bestekvoorwaarden”. Zij stelt dat “door zelf aan te geven dat de vergelijking niet meteen mogelijk was, […] de verwerende partij zelf [aangaf] dat het bestek strijdig is met het transparantiebeginsel”. Het oorspronkelijke bestek was onduidelijk gelet op het feit dat de verwerende partij zelf erop wees dat een vergelijking niet mogelijk was zonder de nieuwe subgunningscriteria (die de verzoekende partij in elk geval niet heeft willen toepassen).Voorts verwijst de verzoekende partij naar een arrest van het Europees Hof van Justitie van 24 november 2005, C-331/04, ATI EAC, ECLI:EU:C:2005:718 (overweging 32), waarin het Hof erop wees dat er slechts nieuwe gunningscriteria mogen worden toegepast onder bepaalde voorwaarden. Te dezen is het zo dat hoe dan ook niet alle geselecteerden een offerte hebben kunnen indienen aan de hand van de nieuwe gegevens. Ook tijdens de BAFO- fase zijn de spelregels gewijzigd. In die zin sporen de overwegingen van het gunningsverslag als zouden de gunningscriteria van het bestek uiteindelijk zijn toegepast niet met de realiteit. De verzoekende partij verwijst naar haar opmerkingen in de brief van 14 februari
  17. De verzoekende partij verwijst ook naar een arrest van het Hof van Justitie van 5 april 2017, C-298/15, Borta, ECLI:EU:C:2017:266, waarin het Hof van Justitie oordeelde dat een wijziging van de opdrachtdocumenten in de loop van de procedure slechts mogelijk is als de gelijkheid van de inschrijvers is gewaarborgd en de mededinging niet is verstoord, in die zin dat ze niet van die aard mogen zijn dat zij geen potentiële inschrijvers zouden kunnen hebben aangetrokken. Volgens haar zou dit te dezen uiteraard wel gekund hebben: een vijftal geselecteerden hebben afgehaakt, mogelijks zouden die wel aan boord zijn gebleven hadden zijn precies geweten waarover het ging. Het is pas wanneer de voorwaarden en regels van de plaatsingsprocedure voldoende duidelijk zijn dat ondernemers een offerte kunnen indienen die aan de verwachtingen van de aanbesteder voldoet. XIV-39.772-15/26 De verzoekende partij betoogt dat hiermee eveneens het gelijkheidsbeginsel, vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, en artikel 4 van de wet van 17 juni 2016, is geschonden. Ook de principes van de artikelen 125 en 147 van de wet van 17 juni 2016 zijn geschonden, in het bijzonder artikel 147, § 4, “nu de mededingers werden uitgenodigd om terloops de procedure hun offerte te wijzingen op essentiële elementen terwijl er geen sprake was van het feit dat er documenten ontbraken of dat documentatie niet volledig of onjuist was”. “Daarenboven zijn de ‘spelregels’ of gunningscriteria ook terloops de procedure gewijzigd wat dus een schending is van art. 147 juncto 81 ev OW.” De verzoekende partij vervolgt: “
  18. De wijziging krachtens het bericht van 4 februari 2025 heeft als gevolg dat waar het bestek vertrekt van het principe van 6 beurten light en 2 beurten profound per locatie, er uiteindelijk slechts 48% tot 70% van de prestaties die oorspronkelijk werden aangekondigd daadwerkelijk zullen worden uitgevoerd. Anderzijds is het wel zo dat er in prijsverhogingsmechanismen is voorzien tot meer dan 30 % voor gedegradeerde situaties. Waarover gaat het? Onkruid wieden. Als men, zoals blijkt uit de brief van 4 februari 2025 proportioneel veel profound werken gaat schrappen, in mensentaal grondig snoei en opkuiswerk, dan zal dat ipso facto tot degradatie leiden. Immers de natuur ‘groeit’ nu eenmaal en als er niet wordt onderhouden, dan wordt het een wildernis, in het jargon van het bestek ‘degradatie’ genoemd. En precies dan kan er meer aangerekend worden. Dit kan door de lage inschrijvers (p.m. soms gaan die zelfs tot de helft van de prijs van de andere mededingers) gebruikt worden om de prijs kunstmatig te gaan opdrijven. Hierdoor wordt het prijscriterium kunstmatig verstoord en ontstaat een verborgen mechanisme van postcontractuele herziening die niet vooraf objectief kon worden ingeschat of kenbaar was. Dit is eens te meer een element van een gebrek aan transparantie en een schending van het gelijkheidsbeginsel. Bovendien is een overheid in een dergelijke situatie ook onzorgvuldig.
  19. Verzoekende partij herhaalt nogmaals dat haar eerdere opmerkingen dienaangaande niet worden beantwoord. Uit de beslissing blijkt met geen woord waarom de kritiek die verzoekende partij uitte niet terecht zou zijn geweest. Dit maakt een schending uit van art. 2 en 3 FMW minstens van het motiveringsbeginsel.” XIV-39.772-16/26 In wat als een tweede onderdeel kan worden beschouwd, stelt de verzoekende partij wat volgt: “Ten andere, het belangrijkste criterium is de prijs. Als men de verschillende loten bekijkt: - Lot 1 [nv K.] biedt € 524.097 terwijl het gemiddelde van de andere inschrijvers de helft hoger ligt met sowieso een verschil van ongeveer €
  20. - Lot 3: [nv K.] biedt € 734.518,
  21. Het verschil met de tweede is bijna € 200.000 - Lot 4: [nv G.] biedt € 649.863,90 terwijl het verschil met de tweede ook €150.000 is - Lot 7: [nv G.] biedt € 1.693.418, het verschil met de tweede, derde en vierde die ongeveer gelijk zijn bedraagt om en bij de € 400.
  22. Spijts deze duidelijke ‘dumpingprijzen’ heeft de verwerende partij nagelaten de abnormaliteit van de prijzen te beoordelen. Nochtans bepaalt art. 43 KB Plaatsing speciale sectoren: […] Uit het bestreden besluit blijkt niet dat er een grondig prijzenonderzoek is gebeurd. In elk geval is het prijzenonderzoek onzorgvuldig gebeurd. Het mag dan wel zo zijn dat er een beleidsruimte is, dit ontslaat de verwerende partij niet van een grondig prijsonderzoek waarvan de weerslag terug moet te vinden zijn in de beslissing. Ook deze ontbreekt. Minstens is er schending van de formele motiveringsplicht, allerminstens van het motiveringsbeginsel. Bovendien is het ook zo dat de raming die oorspronkelijk werd gemaakt fel afsteekt tegenover het budget dat men uiteindelijk kan besteden aan de opdracht. De raming blijkt post factum niet realistisch en te zijn gebeurd op onvolledige gegevens waardoor de offerte evaluatie uiteindelijk niet is gebeurd op objectief en vergelijkbare grondslagen. Dit maakt dan ook een schending uit van art. 16 OW juncto art. 6 en 7 KB Plaatsing, minstens in strijd met de zorgvuldigheidsplicht.” In wat als een derde onderdeel kan worden beschouwd, stelt de verzoekende partij wat volgt: “
  23. Hoewel verzoekende partij niet de tweede is en dit argument maar ontvankelijk kan worden ingesteld door de tweede, mochten alle argumenten zoals hierboven uiteen gezet falen, wenst de verzoekende partij toch op te merken dat het bestek voorschrijft dat er maximaal aan de zelfde partij 3 loten kunnen gegund worden. Nu blijkt [K.] de vier te dezen relevante loten te hebben binnengehaald. Nochtans, zie de open source documenten, namelijk de statuten, zijn de beide ondernemingen dusdanig met elkaar vervlochten (zelfde adres, zelfde bestuurders, zelfde activiteiten) dat er duidelijk slechts in schijn sprake is van XIV-39.772-17/26 twee verschillende rechtspersonen. Een dergelijke handelswijze is strijdig met het bestek en de mededinging.” Excepties
  24. De verwerende partij meent dat de verwarde en ontoegankelijke wijze waarop de middelen zijn geformuleerd, vragen over de ontvankelijkheid van die middelen doet rijzen. Minstens doet dit afbreuk aan haar rechten van verdediging. Zij weet immers niet precies en concreet wat nu juist het bezwaar van de verzoekende partij is en in welk opzicht zij zich daartegen kan verdedigen. Zij tracht de geformuleerde kritieken te weerleggen op de wijze zoals deze door haar werden begrepen en doet dit onder dat voorbehoud.
  25. Voorts werpt de verwerende partij een exceptie van niet-ontvankelijkheid van het middel op bij gebrek aan belang. Uit de gunningsbeslissing blijkt dat de offerte van de verzoekende partij voor geen enkel perceel als tweede werd gerangschikt. De puntenverschillen die zij moet kunnen overbruggen om haar kritieken ontvankelijk te kunnen formuleren, zijn bovendien aanzienlijk: voor de percelen 4 en 7 bedraagt het puntenverschil respectievelijk 19,82 en 19,9 punten, en voor de percelen 1 en 3 respectievelijk 38,61 en 31,62 punten. De verwerende partij licht voor elk van de drie geformuleerde kritieken toe wat de impact op de totaalscores zou zijn indien deze kritieken ernstig zouden worden bevonden. Zij besluit dat de verzoekende partij niet aannemelijk maakt dat in geval van een nieuwe beoordeling haar offerte toch de economisch meest voordelige offerte zou zijn. Beoordeling Vooraf
  26. Artikel 2, § 1, 3°, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van XIV-39.772-18/26 de Raad van State’ (hierna: de algemene procedureregeling) schrijft voor dat het beroep “een uiteenzetting van de feiten en de middelen” moet bevatten. Luidens het tweede lid van die bepaling bestaat het middel “uit de vermelding van de rechtsregel waarvan de schending aangevoerd wordt en van de wijze waarop die rechtsregel concreet overtreden zou zijn”. Opdat een middel ontvankelijk zou zijn, is minstens vereist dat summier doch duidelijk de beweerde onregelmatigheid van de bestreden beslissing wordt aangegeven. De vereiste om een middel voldoende duidelijk en nauwkeurig te formuleren strekt er toe het tegensprekelijke karakter van de schriftelijke procedure en de rechten van verdediging van de verwerende partij te waarborgen. Het komt overigens niet aan de Raad van State toe om uit een juridisch niet onderbouwde uiteenzetting zelf middelen te construeren die voldoen aan de vereiste van de algemene procedureregeling.
  27. Gelet op de door de verwerende partij opgeworpen onduidelijkheid van het middel, die de Raad van State bijtreedt, wordt hierna de essentie van het middel beoordeeld, zoals dat door de verwerende partij redelijkerwijze moest worden begrepen. Het meerdere en het overige is niet ontvankelijk wegens obscuri libelli. Eerste onderdeel
  28. De beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie en het daaruit voortvloeiende transparantiebeginsel impliceren dat alle voorwaarden en modaliteiten van de gunningsprocedure in het bestek worden geformuleerd op een duidelijke, nauwkeurige en ondubbelzinnige wijze zodat alle behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijvers de juiste draagwijdte ervan kunnen begrijpen en zij deze op dezelfde manier kunnen interpreteren, en zodat de aanbestedende dienst in staat is om metterdaad na te gaan of de offertes van de XIV-39.772-19/26 inschrijvers beantwoorden aan de criteria die op de betrokken opdracht van toepassing zijn. In beginsel beschikt de aanbestedende entiteit in het kader van een onderhandelingsprocedure met bekendmaking in de speciale sectoren overeenkomstig artikel 120 van de wet van 17 juni 2016, over een grote vrijheid om met de inschrijvers te onderhandelen en om de procedure in te richten en te doorlopen. In het kader van die onderhandelingsprocedure lijkt het niet uitgesloten dat bepaalde voorwaarden van de opdracht in de loop van de onderhandelingen worden aangepast. Overeenkomstig de beginselen vermeld in artikel 4 van de wet van 17 juni 2016 dienen bij dergelijke wijzigingen de aanbestedende overheden de aannemers, de leveranciers en de dienstverleners wel op “gelijke, niet-discriminerende en transparante wijze” te behandelen.
  29. De verzoekende partij stelt vooreerst dat het initieel bestek strijdig zou zijn met het transparantiebeginsel, gelet op het feit dat de verwerende partij er zelf op wees dat een vergelijking niet mogelijk was. Op het eerste gezicht verwijst zij in dit verband naar de brief van de verwerende partij van 23 december 2024, waarbij deze aan alle inschrijvers van de loten 1, 3, 4 en 7 vraagt “om een detail te bezorgen van hoe de prijs berekend is voor 1 opgegeven station”. De omstandigheid dat de verwerende partij een vraag om verduidelijking over de opgegeven prijzen richt aan alle inschrijvers, omdat haar bij het prijsonderzoek “enkele grote verschillen [opvallen], waarbij het met de informatie uit de offertes niet mogelijk is om te achterhalen waar deze verschillen vandaan komen”, lijkt op het eerste gezicht niet te wijzen op een onduidelijkheid in het bestek dat van aard zou zijn het gelijkheidsbeginsel te schenden. De verwerende partij maakt in de nota integendeel aannemelijk dat, aangezien zij in het bestek enkel de forfaitaire prijzen per onderhoudsbeurt per locatie heeft gevraagd, zij door het bijkomend opvragen van de prijsopbouw van de reeds opgegeven prijzen, kon nagaan welke prijzen de inschrijvers hanteerden om tot die forfaitaire prijs voor een onderhoudsbeurt te komen. XIV-39.772-20/26
  30. De verzoekende partij stelt vervolgens dat de verwerende partij onrechtmatig “nieuwe subgunningscriteria” in het bestek zou hebben toegevoegd. Zij stelt dat het bericht van 4 februari 2025 als gevolg heeft dat “waar het bestek vertrekt van het principe van 6 beurten light en 2 beurten profound per locatie, er uiteindelijk slechts 48% tot 70% van de prestaties die oorspronkelijk werden aangekondigd daadwerkelijk zullen worden uitgevoerd”, en dat in prijsverhogingsmechanismen is voorzien tot meer dan 30 % voor gedegradeerde situaties, waardoor het prijscriterium kunstmatig wordt verstoord en een verborgen mechanisme van postcontractuele herziening ontstaat die niet vooraf objectief kon worden ingeschat. De verzoekende partij zet niet nader uiteen waarom volgens haar “nieuwe subgunningscriteria” werden ingevoerd, en dit valt op het eerste gezicht niet evident in te zien. In die mate is het middel niet-ontvankelijk. Wat het bericht van 4 februari 2025 betreft, verduidelijkt de verwerende partij in de nota dat drie categorieën van wijzigingen werden doorgevoerd. Zij stelt dat een eerste categorie de wijzigingen betreft die aan de meetstaten werden aangebracht met betrekking tot de concrete prestaties die in elk van de stations zijn vereist; dat voor de percelen 1, 3 en 4 in dat verband niets werd gewijzigd en voor perceel 7 twee stations (Tournai en Ham sur Heure) aan de meetstaat werden toegevoegd, de light prestaties in één station en de profound prestaties in zes stations werden geschrapt. Deze aanpassingen aan de respectieve meetstaten lijken op het eerste gezicht inderdaad een wijziging aan de gevraagde uit te voeren prestaties te betreffen. Aangezien deze wijzigingen aan alle inschrijvers op gelijke wijze werd meegedeeld, waarna zij in de mogelijkheid waren een BAFO-offerte in te dienen, lijkt op het eerste gezicht geen schending van het gelijkheidsbeginsel voor te liggen. Een tweede categorie van wijzigingen betreft de verduidelijking dat de inschrijvers de percentages “bij gedegradeerde situatie”, “uitzonderlijke XIV-39.772-21/26 winterse omstandigheden” en “dringende prestaties” in de aangepaste meetstaten kunnen opgeven. De verwerende partij maakt op het eerste gezicht aannemelijk dat dit enkel een formele aanpassing van de betreffende meetstaten betreft, terwijl reeds in punt 21 ‘Bijkomende vermeldingen’, ‘Clausules voor nieuwe forfaits & wijzigingen van bestaande forfaits’, ‘
  31. Afspraken bij gedegradeerde startsituatie’ van het initieel (administratief) bestek was voorzien dat de inschrijver in zijn offerte een percentage dient op te geven waarmee de prijzen verhoogd worden indien er door de leidend ambtenaar een verhoogde degradatie is vastgesteld, namelijk “° __ % voor lichte verwildering ° ___ % voor gemiddelde verwildering”, en waarbij onder “lichte verwildering” wordt begrepen “situaties waarbij er gedurende een periode van minstens 6 maanden geen interventie meer zijn uitgevoerd of equivalente degradatie door andere omstandigheden”, en onder “gemiddelde verwildering” “situaties waarbij er gedurende een periode van minstens 12 maanden geen interventies meer zijn uitgevoerd of equivalente degradatie door andere omstandigheden”. Ook in punt 2.6 ‘Strooien en ruimen in uitzonderlijke winterse omstandigheden’ van het initieel (technisch) bestek was reeds voorzien dat de inschrijver in die omstandigheden een supplement kan aanrekenen. Wat die (beweerde) wijzigingen betreft, lijkt bijgevolg op het eerste gezicht evenmin een schending van het gelijkheidsbeginsel voor te liggen. Voor zover de verzoekende partij nog stelt dat haar opmerkingen in de brief van 14 februari 2025 dienaangaande niet werden beantwoord, lijkt op het eerste gezicht de vaststelling te volstaan dat zij ook in die brief uitgaat van het onjuist uitgangspunt dat “nieuwe posten” zouden zijn toegevoegd in de meetstaat en er voor die begrippen geen bijkomende beschrijving zou zijn opgenomen. Deze opmerkingen lijken op het eerste gezicht niet formeel te moeten worden beantwoord. Een derde categorie van wijzigingen betreft de mededeling van bepaalde zaken louter ter informatie aan de inschrijvers, namelijk de ontbrekende infofiches van de percelen 5, 6 en 7, waarin wordt toegelicht hoe het station en de omgeving eruitzien, alsook de laatste versie van de praktische gids ‘Bepaling van XIV-39.772-22/26 de minimale veiligheidsmaatregelen voor activiteiten in of in de nabijheid van de sporen van het openbare netwerk’. De verwerende partij maakt aannemelijk dat, gelet op het louter informatief karakter van deze documenten, deze geen impact hadden op de prijzen die de inschrijvers in de meetstaten moesten opnemen.
  32. De verzoekende partij maakt, gelet op het voorgaande, op het eerste gezicht niet aannemelijk dat de aanbestedende entiteit, door het initieel bestek goed te keuren, dan wel via het bericht van 4 februari 2025 wijzigingen aan te brengen aan dat bestek, de aangevoerde regelgeving en beginselen zou hebben geschonden. Daargelaten de vraag of de verzoekende partij belang heeft bij dit middelonderdeel, zoals de verwerende partij opwerpt, is het eerste middelonderdeel niet ernstig. Tweede onderdeel
  33. In wat als een tweede middelonderdeel kan worden beschouwd, doet de verzoekende partij in essentie gelden dat de BAFO-offertes van de nv K. en de nv G. hadden moeten worden geweerd omdat ze abnormaal lage prijzen bevatten. De verwerende partij werpt in de nota op het eerste gezicht terecht op dat, aangezien de offerte van de verzoekende partij voor geen enkel van de betrokken percelen van de opdracht als tweede werd gerangschikt, dit argument, zelfs indien het ernstig zou blijken, er niet toe kan leiden dat de verzoekende partij als eerste zou worden gerangschikt en voor gunning van één van de betrokken percelen van de opdracht in aanmerking zou kunnen komen.
  34. Bovendien blijkt uit het stuk ‘Prijsonderzoek van de eerste offertes’, vertrouwelijk stuk dat de Raad heeft kunnen inzien, dat de verwerende partij de prijzen van de eerste offertes heeft onderzocht. Zij heeft in het kader van een algemeen prijsonderzoek aan alle inschrijvers een vraag tot verduidelijking XIV-39.772-23/26 van de prijsopbouw van de door hen opgegeven prijzen gesteld. Uit het stuk ‘Analyse van de prijsontleding’, eveneens een vertrouwelijk stuk dat de Raad heeft kunnen inzien, blijkt voorts dat de verwerende partij alsdan de prijzen aan de hand van deze door de inschrijvers bezorgde inlichtingen nogmaals heeft onderzocht. Blijkens de bestreden beslissing is bij die “bevraging van de prijzen” gebleken dat één inschrijver veel minder uren aanrekent, afwijking die heeft geleid tot aanzienlijk lagere prijzen, en wordt de offerte van die inschrijver om die reden niet aanvaard. De verzoekende partij maakt op het eerste gezicht niet aannemelijk dat te dezen sprake zou zijn van een onwettigheid die van die aard is dat de opdracht aan geen enkele inschrijver rechtsgeldig kon worden gegund.
  35. Voor zover de verzoekende partij voorts nog stelt dat “de raming die oorspronkelijk werd gemaakt fel afsteekt tegenover het budget dat men uiteindelijk kan besteden aan de opdracht”, toont zij op het eerste gezicht niet aan op welke wijze deze vaststelling een invloed zou hebben gehad op de keuze voor de meest voordelige offerte en zou dienen te leiden tot de onwettigheid van de bestreden beslissing. In die mate is het middel niet-ontvankelijk.
  36. Het tweede middelonderdeel kan niet worden aangenomen. Derde onderdeel
  37. In wat als een derde middelonderdeel kan worden beschouwd, doet de verzoekende partij in essentie gelden dat de verwerende partij de nv K. en de nv G. als één inschrijver had moeten behandelen, zodat de gunning van in totaal vier percelen aan deze twee inschrijvers het maximaal toegestane aantal percelen per inschrijver overschrijdt. De verwerende partij werpt in de nota op het eerste gezicht terecht op dat, aangezien de verzoekende partij voor geen enkel van de betrokken XIV-39.772-24/26 percelen van de opdracht als tweede werd gerangschikt, ook dit argument, zelfs indien het ernstig zou blijken, er niet toe kan leiden dat de verzoekende partij als eerste zou worden gerangschikt en voor gunning van één van de betrokken percelen van de opdracht in aanmerking zou kunnen komen.
  38. Het derde middelonderdeel is niet-ontvankelijk bij gebrek aan belang. BESLISSING
  39. Het verzoek van de nv K. en de nv G. tot tussenkomst in het administratief kort geding wordt ingewilligd.
  40. De Raad van State verwerpt de vordering.
  41. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 26 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 300 euro, elk voor de helft. XIV-39.772-25/26 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zes mei tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Patricia De Somere, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Patricia De Somere XIV-39.772-26/26 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.214 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.152.173 ECLI:EU:C:2005:718 ECLI:EU:C:2017:266 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.