id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.233 Rolnummer: A. 244268/XII-9850 Zaak: Arrest 263233 - Dierenwelzijn - 08/05/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-05-13 Raadplegingen: 94 - laatst gezien 2026-06-13 05:50 Fiche Arrest nr 263.233 van 8 mei 2025 Sociale zaken en volksgezondheid - Dierenwelzijn Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 263.é van 8 mei 2025 in de zaak A. 244.268/XII-9850 In zake:
- V.P.
- O.P. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Evi Van den Perre kantoor houdend te 9200 Dendermonde Steenweg van Aalst 25 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Isabelle Cooreman kantoor houdend te 1082 Brussel Keizer Karellaan 586 bus 9 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 24 februari 2025, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 23 december 2024 waarbij de paarden met ID 981100006035739 en 981100004589400 en één niet gechipt veulen in volle eigendom worden gegeven aan het dierenasiel waar zij momenteel verblijven (dossiernummer: G-24-3841c) en van de beslissing van 23 december 2024 waarbij de paarden met ID 981100004991978 en 981100006047944 in volle eigendom worden gegeven aan het dierenasiel waar zij momenteel verblijven (dossiernummer: G-24-3841d). ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.é XII-9850-1/10 II. Verloop van de rechtspleging
- Bij beschikking van 11 maart 2025 werd de procedurekalender vastgesteld. De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een administratief dossier ingediend. Eerste auditeur Anja Somers heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 mei 2025, om 11.00 uur. Staatsraad Frédéric Vanneste heeft verslag uitgebracht. Advocaat Isabelle Goossens, die loco advocaat Evi Van den Perre verschijnt voor de verzoekende partijen en advocaat Brent Van Sande, die loco advocaat Isabelle Cooreman verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Naar aanleiding van een melding op 14 juli 2024 voert de lokale politie van PZ Lebbeke een controle uit op 16 en 17 juli
- Op 22 juli 2024 wordt er een controle uitgevoerd door een inspecteur-dierenarts van de ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.é XII-9850-2/10 dienst Dierenwelzijn. De bevindingen worden weergegeven in het proces-verbaal (hierna: PV) nr. G.24-3841/LaV/22-07-
- Er worden 15 paarden in beslag genomen en in afwachting van de bestemmingsbeslissing overgebracht naar erkende dierenasielen. 3.
- Op 23 juli 2024 wordt de eerste verzoekende partij uitgenodigd voor een verhoor door de lokale politie PZ Lebbeke. Het verhoor vindt plaats op 5 augustus
- De eerste verzoekende partij doet afstand van tien paarden. Vijf paarden worden verkocht (twee aan de tweede verzoekende partij en drie aan een derde). Op 23 en 25 juli 2024 verklaart S.D. eigenaar te zijn van drie paarden, met name een merrie met chipnummer 981100004589400 (Moana) en haar veulen (niet-gechipt: Mulan) en een merrie met chipnummer
- Op 26 juli 2024 verklaart tweede verzoekende partij eigenaar te zijn van twee paarden. 3.
- Op 9 augustus en 14 augustus 2024 worden drie paarden en twee paarden in volle eigendom gegeven aan respectievelijk S.D. en de tweede verzoekende partij. Tien paarden worden in volle eigendom aan een erkend dierenasiel gegeven (bestemmingsbeslissing G-24-3841a en G-24-3841b). Deze beslissingen maken geen deel uit van het administratief dossier. 3.
- Op 5 september 2024 informeert de PZ Buggenhout-Lebbeke de verwerende partij over het feit dat de vijf betrokken paarden terug op de locatie in Lebbeke staan. De lokale politie is ter inspectie langs geweest en meldt dat er sprake is van inadequate stallen en verzorging. ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.é XII-9850-3/10 3.
- Op 14 september 2024 voert de verwerende partij een controle uit op de weide van de eerste verzoekende partij. De verwerende partij stelt vast dat de betrokken paarden niet de vereiste zorgen krijgen. 3.
- Op 30 september 2024 stelt de verwerende partij een navolgend PV op (nr. G-24-3841BIS/LaV/30-09-2024). 3.
- Op 5 november 2024 stelt de verwerende partij een navolgend PV op. Hierin worden de vaststellingen opgesomd tijdens de controles van 22 september, 25 oktober en 26 oktober
- 3.
- Op 5 november 2024 wordt een nieuwe beslissing tot beslagname van vijf paarden genomen. 3.
- De eerste verzoekende partij wordt met een schrijven van 8 november 2024 uitgenodigd voor een verhoor. Op 14 november 2024 bezorgt de eerste verzoekende partij haar verweer aan de verwerende partij. Het verhoor vindt plaats op 20 november
- 3.
- De tweede verzoekende partij en S.D. worden ook uitgenodigd voor verhoor. Beiden worden afzonderlijk verhoord op 13 december
- S.D. verklaart geen eigenaar meer te zijn van de paarden. 3.
- Op 12 december 2024 bezorgt de tweede verzoekende partij haar verweer aan de verwerende partij. 3.
- Op 23 december 2024 neemt de verwerende partij twee bestemmingsbeslissingen waarbij de paarden in volle eigendom worden gegeven aan het asiel. De eerste bestreden beslissing, met name bestemmingsbeslissing nr. G-24-3841c, heeft drie paarden als voorwerp en de ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.é XII-9850-4/10 eerste verzoekende partij en S.D. als betrokkenen. De eigenaar van de paarden is onbekend. Het betreft: 1) Moana (of nog: ‘Queen Latifah’) met chipnummer 9811100004589400; 2) Mulan (veulen van Moana), ongechipt; 3) Paard met chipnummer
- De tweede bestreden beslissing, met name bestemmingsbeslissing nr. G-24-3841d, heeft twee paarden als voorwerp en de verzoekende partijen als betrokkenen. De tweede verzoekende partij is eigenaar van deze paarden en de eerste verzoekende partij staat in voor het onderhoud en de verzorging ervan. Het betreft: 1) Emma Bale met chipnummer 981100004991978; 2) Envie de Toi met chipnummer
- 3.
- De verwerende partij ontvangt op 18 maart 2025 een email waaruit blijkt dat drie van de vijf paarden geadopteerd zijn. Het betreft het paard met chipnummer 981100004991978, het ongechipte veulen en het paard met chipnummer
- IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
- De verzoekende partijen dienen de dag vóór de terechtzitting een “antwoordnota” in. De toepasselijke procedureregeling voorziet niet in de mogelijkheid tot de neerlegging van een pleit- of andere nota, noch aanvullende stukken. In zoverre deze nota de neerslag vormt van de uiteenzetting ter terechtzitting wordt ze niet als een processtuk, maar als een loutere inlichting in aanmerking genomen. In zoverre de verzoekende partijen in hun mondelinge opmerkingen ter terechtzitting of in de pleitnota die er derhalve de schriftelijke neerslag van vormt, nieuwe argumenten ter adstructie van hun middelen ontwikkelen, waarvan zij – zoals te dezen – niet aantonen dat zij die niet in hun verzoekschrift konden ontwikkelen, zijn zij niet ontvankelijk en worden ze uit het debat geweerd. ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.é XII-9850-5/10 V. Ontvankelijkheid van het beroep
- Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zouden alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn. Dat is, zoals hierna zal blijken, niet het geval. VI. Schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord. VII. Spoedeisendheid Standpunt van de verzoekende partijen
- De verzoekende partijen zetten in eerste instantie hun belang uiteen. Vervolgens argumenteren ze dat “[u]itsluitend met onmiddellijke tussenkomst van de Raad van State […] het risico afgewend [kan] worden dat de vijf paarden bij de bestreden Bestemmingsbeslissingen in volle eigendom worden gegeven aan het erkend asiel waar ze geplaatst zijn”. De verzoekende partijen “wensen hun paarden terug nu de kans groot is dat zij worden afgestaan voor adoptie of zij weggemaakt worden alvorens een uitspraak inzake de vernietigingsprocedure werd gedaan. Ongeacht de uitkomst inzake de vernietigingsprocedure dreigt [de eerste verzoekende partij] alsdan in haar volle ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.é XII-9850-6/10 eigendomsrechten over haar paarden te worden geraakt. Er dreigen onherroepelijk schadelijke gevolgen te ontstaan.” Verder zetten de verzoekende partijen uiteen dat de inbeslagname van de paarden op eenzijdige, vluchtig gedane, vaststellingen is gebaseerd en dat de actie disproportioneel is. De bestemmingsbeslissingen zijn niet afdoende gemotiveerd. De emotionele en financiële waarde worden onderschat. Er wordt volgens de verzoekende partijen met geen enkel menselijk aspect rekening gehouden. Tot slot uiten de verzoekende partijen kritiek op de manier waarop de bestreden beslissingen tot stand zijn gekomen. Beoordeling
- Naar eis van artikel 17, § 2, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet de vordering tot schorsing “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van deze vordering wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 4, § 1, eerste lid, 5°, van het koninklijk besluit van 19 november 2024 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding en tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Dit houdt in dat het aan verzoeker toevalt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een – voortdurende – tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Voorts kan luidens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de schorsing op elk moment worden bevolen indien de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.é XII-9850-7/10 nietigverklaring van de bestreden akte of het bestreden reglement prima facie kan worden verantwoord. Met deze wijzigingen aan artikel 17 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State beoogt de wetgever de schorsingsprocedure te optimaliseren en maatwerk mogelijk te maken op basis van de spoedeisendheid die in de vordering tot schorsing wordt aangevoerd. (Wetsontwerp tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, KAMER, 2022-2023, 14 maart 2023, nr. 55-3220/1, 9). Het is evenwel niet de bedoeling met deze hervorming de strekking te wijzigen van het begrip spoedeisendheid zoals dat thans gedefinieerd is door de rechtspraak van de Raad van State. (Wetsontwerp tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, KAMER, 2022-2023, 14 maart 2023, nr. 55-3220/1, 11). Bijgevolg zal de spoedeisendheid worden vastgesteld wanneer de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen. Wanneer de afdeling bestuursrechtspraak een vordering tot schorsing verwerpt wegens het gebrek aan spoedeisendheid, kan een nieuwe vordering slechts worden ingediend indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen. De afdeling bestuursrechtspraak kan bovendien een termijn bepalen waarin geen enkele nieuwe vordering tot schorsing of tot het bevelen van voorlopige maatregelen kan worden ingediend indien het enig nieuw ingeroepen element bestaat uit het verloop van de tijd (artikel 17, § 2, derde lid, gecoördineerde wetten op de Raad van State). Uit wat voorafgaat, volgt dat niet zal volstaan te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht.
- De verzoekende partijen menen dat de verwerende partij de emotionele en financiële waarde van de achtergehouden paarden onderschat, maar tonen daarmee niet de spoedeisendheid aan. ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.é XII-9850-8/10 Het enig element dat de verzoekende partijen aanvoeren om de spoedeisendheid aan te tonen, is de doorlooptijd van de annulatieprocedure. Zij menen dat de kans vrij groot is dat de paarden worden geadopteerd of ‘weggemaakt’ alvorens er een uitspraak in de vernietigingsprocedure wordt gedaan. De verzoekende partijen brengen daarmee enkel de gevolgen van de bestreden beslissing in herinnering zonder aan te tonen dat zij het resultaat van de procedure ten gronde niet kunnen afwachten. De verzoekende partijen vrezen in hun volle eigendomsrecht over de paarden te worden geraakt, maar verliezen daarbij uit het oog dat de dieren met de bestreden beslissingen reeds in volle eigendom werden overgedragen aan het asiel. Voor de reeds geadopteerde paarden kan de schorsing bovendien het voordeel dat de verzoekende partijen beogen met de schorsing niet meer bewerkstelligen. Tot slot bekritiseren de verzoekende partijen de manier waarop de bestreden beslissingen tot stand zijn gekomen. De ernst van de middelen is echter een voorwaarde die apart van de spoedeisendheid wordt beoordeeld. De ernst van de middelen toont evenmin de spoedeisendheid aan. VIII. Conclusie
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn, wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.é XII-9850-9/10 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op acht mei tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Frédéric Vanneste, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Frédéric Vanneste ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.é XII-9850-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.233 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.