← België

Arrest 263240 - Voedselveiligheid (FAVV) - 09/05/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.240 Rolnummer: A. 238424/XII-9611 Zaak: Arrest 263240 - Voedselveiligheid (FAVV) - 09/05/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-05-12 Raadplegingen: 170 - laatst gezien 2026-06-18 17:31 Fiche Arrest nr 263.240 van 9 mei 2025 Sociale zaken en volksgezondheid - Voedselveiligheid (FAVV) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.240 no lien 283289 identiques ecli_input ECLI:BE:GHCC:2020.ARR.105 ecli_prefixe ECLI ecli_pays BE ecli_cour GHCC ecli_cour_old ecli_annee 2020.ARR.105 ecli_ordre ecli_typedec ecli_datedec ecli_chambre ecli_nosuite Invalid ECLI ID - 4 element(

  1. s)ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:GHCC:2020.ARR.105 invalide Invalid ECLI ID - 4 element(
  2. s)ecli_input ECLI:BE:GHCC:2010.ARR.109 ecli_prefixe ECLI ecli_pays BE ecli_cour GHCC ecli_cour_old ecli_annee 2010.ARR.109 ecli_ordre ecli_typedec ecli_datedec ecli_chambre ecli_nosuite Invalid ECLI ID - 4 element(
  3. s)ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:GHCC:2010.ARR.109 invalide Invalid ECLI ID - 4 element(
  4. s)RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 263.240 van 9 mei 2025 in de zaak A. 238.424-XII-9611 In zake : 1. A.B. 2. K.S. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Erlinde De Lange kantoor houdend te 8500 Kortrijk Doorniksesteenweg 81A bus 2.1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het FEDERAAL AGENTSCHAP VOOR DE VEILIGHEID VAN DE VOEDSELKETEN (FAVV) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rik Depla kantoor houdend te 8310 Brugge Karel van Manderstraat 123 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 16 februari 2023, strekt tot de nietigverklaring van: 1) de beslissing van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen van 28 oktober 2022 waarbij aan de verzoekende partij wordt bevolen om maatregelen uit te voeren ter bestrijding van Erwinia amylovora (verder: “bacterievuur”) en dit uiterlijk tegen 30 november 2022; 2) de beslissing van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen van 15 december 2022 waarbij het de maatregelen vermeld in de beslissing van 28 oktober 2022 bekrachtigde en de uitvoeringstermijn ervan verlengde tot 14 januari 2023 (de voorkant van de haag) en 1 maart 2023 (de zijkant van de haag). XII-9611-1/14 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Benjamin Meeusen heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 24 april 2024. Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. Advocaat Erlinde De Lange, die verschijnt voor de verzoekende partijen, is gehoord. Adjunct-auditeur Lennard Michaux, daartoe gemachtigd bij beslissing van de auditeur-generaal van 28 februari 2024, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De verzoekende partijen zijn de eigenaars en bewoners van percelen gelegen te Evergem. XII-9611-2/14 3.2. De verzoekende partijen hebben rondom hun weiden een haag met meidoorn en andere plantensoorten aangeplant. 3.3. Sinds 2019 heeft de verwerende partij op de percelen van de verzoekende partijen meermaals een besmetting met Erwinia amylovora (hierna: bacterievuur) vastgesteld. Zowel in 2019 als in 2020 legt de verwerende partij daarom bestrijdingsmaatregelen op aan de verzoekende partijen. Op 12 oktober 2021 legt de verwerende partij opnieuw aan aantal bestrijdingsmaatregelen op aan de verzoekende partijen, waartegen de verzoekende partijen bezwaar indienen. Naar aanleiding van dit bezwaar vond een overleg plaats tussen de verzoekende partijen en de verwerende partij ten gevolge waarvan een akkoord werd bereikt over de uit te voeren bestrijdingsmaatregelen. 3.4. Bij aangetekende brief van 28 oktober 2022 legt de verwerende partij, na nieuwe vaststellingen van besmetting met bacterievuur, aan de verzoekende partijen opnieuw een aantal bestrijdingsmaatregelen op, die tegen 30 november 2022 moeten worden uitgevoerd. Het betreft het snoeien en rooien van meidoorn. Dit is de eerste bestreden beslissing. 3.5. De verzoekende partijen dienen op 10 november 2022 een bezwaar in tegen de eerste bestreden beslissing. 3.6. Bij aangetekende brief van 15 december 2022 deelt de verwerende partij aan de verzoekende partijen mee dat zij de eerste bestreden beslissing handhaaft, maar dat zij de uitvoeringstermijn verlengt tot 14 januari 2023, voor de delen aan de voorzijde van de haag, en tot 1 maart 2023, voor de zijkant “van het object”. Dit is de tweede bestreden beslissing. De tweede bestreden beslissing verwijst voorts naar de historiek en de gedane vaststellingen en bevat een toelichting omtrent bacterievuur, de ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.240 XII-9611-3/14 gevolgen ervan, alsook de toepasselijke regelgeving ter bestrijding van bacterievuur. IV. Ontvankelijkheid van het beroep A. Exceptie van niet-ontvankelijkheid wat de eerste bestreden beslissing betreft 4. Het auditoraatsverslag werpt ambtshalve op dat het beroep niet-ontvankelijk is wat de eerste bestreden beslissing betreft: “De ontvankelijkheid van een beroep tot nietigverklaring raakt de openbare orde en moet dan ook van ambtswege nagegaan worden. Het vernietigingsberoep is onontvankelijk voor zover het gericht is tegen de eerste bestreden beslissing. De tweede bestreden beslissing heeft de eerste bestreden beslissing opgeslorpt, zodat deze uit het rechtsverkeer is verdwenen. Aangezien […] de tweede bestreden beslissing tot gevolg heeft dat de uitvoeringstermijn van de bestuurlijke maatregel wordt gewijzigd, vormt zij immers geen loutere bevestiging van de eerste bestreden beslissing.” In de laatste memorie valt de verwerende partij deze exceptie bij. 5. De verzoekende partijen hebben na kennisneming van het auditoraatsverslag niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere visie op de door het auditoraat opgeworpen exceptie weer te geven. In die omstandigheden en na eigen onderzoek ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en besluit, de redenering van het auditoraat bijvallend, dat het beroep niet-ontvankelijk is in de mate dat het tegen de eerste bestreden beslissing is gericht. 6. De exceptie is in de aangeven mate gegrond. Het beroep is niet-ontvankelijk in de mate dat het tegen de eerste bestreden beslissing is gericht. De tweede bestreden beslissing wordt hierna aangeduid als de bestreden beslissing. XII-9611-4/14 B. Exceptie van gebrek aan belang Standpunt van de partijen 7. Het auditoraatsverslag werpt ambtshalve op dat de verzoekende partijen niet over het rechtens vereiste belang beschikken om de nietigverklaring van de bestreden beslissing te bekomen. Volgens het auditoraatsverslag komt het eerste voordeel dat de verzoekende partijen betrachten, neer op het bekomen van een schadevergoeding, en het tweede voordeel op het onwettig horen verklaren van de bestreden beslissing, opdat de verzoekende partijen en de natuur in de toekomst de opgelegde maatregelen niet opnieuw moeten ondergaan. Geen van beide beoogde voordelen valt binnen de grenzen van artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Het auditoraatsverslag besluit dat de verzoekende partijen nog slechts beschikken over een belang om de bestreden beslissing onwettig te horen verklaren, maar dat zij nog een vordering tot schadevergoeding tot herstel kunnen indienen. 8. In de laatste memorie valt de verwerende partij de ambtshalve opgeworpen exceptie bij. Zij wijst erop dat, in weerwil van wat de verzoekende partijen aanvoeren, de begrippen ‘belang’ en ‘benadeling’ niet naast elkaar bestaan, maar dat het begrip ‘benadeling’ deel uitmaakt van het ruimere begrip ‘belang’. Zelfs indien de verzoekende partijen een vordering tot schadevergoeding tot herstel indienen, remedieert dit niet aan het ontbreken van het vereiste belang bij het beroep tot nietigverklaring. De verwerende partij benadrukt dat de verzoekende partijen slechts twee concrete elementen aanhalen om hun belang te staven, eensdeels, het bekomen van een schadevergoeding, anderdeels, de precedentwaarde van een vernietigingsarrest, en dat geen van deze elementen volstaat om te besluiten dat de verzoekende partijen beschikken over het rechtens vereiste belang. 9. In het verzoekschrift tot nietigverklaring – wat zij letterlijk herhalen in de memorie van wederantwoord – zetten de verzoekende partijen uiteen dat de bestreden beslissing is uitgevoerd, maar dat zij nog steeds een belang hebben bij hun beroep om drie redenen. Ten eerste hebben zij door de uitvoering ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.240 XII-9611-5/14 van de bestreden beslissing aanzienlijke schade gelden, waarvoor zij wensen te worden vergoed. Ten tweede betreuren zij het verlies van natuurwaarden, meer bepaald hun bewuste keuze voor de meidoorn, en wensen zij ook voor die schade een compensatie. Ten derde willen de verzoekende partijen vermijden dat zij en de natuur in de toekomst steeds opnieuw dergelijke maatregelen moeten ondergaan. In de laatste memorie verwijzen de verzoekende partijen naar de uiteenzetting van het belang in het verzoekschrift tot nietigverklaring, waaraan zij toevoegen dat zij inmiddels een vordering tot schadevergoeding tot herstel hebben ingediend. Zij zijn evenwel van mening dat zij ook zonder die vordering tot schadevergoeding tot herstel over het rechtens vereiste belang beschikken. De verzoekende partijen verwijzen naar een arrest van het Grondwettelijk Hof over de interpretatie van het begrip ‘belang’, waaraan zij toevoegen dat hun vordering geen actio popularis is en dat het causaal verband tussen de bestreden beslissing en het geleden nadeel niet ter discussie staat. Voorts preciseren de verzoekende partijen dat, hoewel de “vernietigingsopdracht” was uitgevoerd bij het instellen van het beroep, de snoeisels nog niet waren vernietigd; dit gebeurde pas later. De verzoekende partijen wijzen erop dat zij in het inleidend verzoekschrift duidelijk hebben vermeld dat zij een schadevergoeding wensen te bekomen, en dat de vraag of zij daarop recht hebben, samenhangt met de vraag of er sprake is van een onwettige beslissing. Volgens de verzoekende partijen is de Raad van State bij uitstek de gespecialiseerde rechter om over die vraag te oordelen. In repliek op het auditoraatsverslag voeren de verzoekende partijen aan dat zij nog meer meidoorn willen planten en dat zij willen vermijden dat de verwerende partij in de toekomst opnieuw een gelijkaardige beslissing oplegt, wanneer opnieuw bacterievuur zou worden vastgesteld. Dit gaat volgens de verzoekende partijen om meer dan horen “gelijk krijgen”. Indien de Raad van State de onwettigheid van de bestreden beslissing zou vaststellen, zal de verwerende partij niet zonder meer opnieuw kunnen bevelen tot het snoeien van de haag gelet op “de kracht van gewijsde van een arrest” van de Raad van State. Vervolgens verwijzen de verzoekende partijen naar rechtspraak waaruit zij afleiden dat het belang niet teloorgaat doordat de bestreden beslissing is uitgevoerd en dat kortlopende beslissingen niet zijn uitgesloten uit het annulatiecontentieux. De verzoekende partijen beroepen zich tot slot op hun recht op toegang tot de rechter en wijzen erop dat artikel 19 van de ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.240 XII-9611-6/14 gecoördineerde wetten op de Raad van State spreekt over een benadeling “of” een belang en dat er alleszins sprake is van een benadeling gelet op onder meer het financieel verlies. Beoordeling 10. Gelet op artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan het beroep tot nietigverklaring bedoeld bij artikel 14 van deze wet, voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State worden gebracht “door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een belang”. Die vereiste is erop gericht de rechtszekerheid te dienen en een goede rechtsbedeling te verzekeren (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.015). Een verzoekende partij beschikt over dit rechtens vereiste belang indien twee voorwaarden vervuld zijn: vooreerst dient zij door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel te lijden; voorts moet de eventueel tussen te komen nietigverklaring van die rechtshandeling haar een direct en persoonlijk voordeel verschaffen, hoe miniem ook (RvS (A.V.) 15 januari 2019, nr. 243.406, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.406). Het belang moet niet alleen bestaan bij het instellen van het beroep maar moet voortduren tot aan de sluiting van het debat (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.015), zonder dat de verzoekende partij noodzakelijk elk belang bij de nietigverklaring verliest wanneer zij het initiële voordeel niet meer kan ambiëren (cf. GwH 9 juli 2020, nr. 105/2020, ECLI:BE:GHCC:2020.ARR.105, punten B.11.2 en B.12.2). Het staat aan de Raad van State te oordelen of de verzoekende partij die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij haar beroep. De Raad van State dient er over te waken dat het belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast (GwH 30 september 2010, nr. 109/2010, ECLI:BE:GHCC:2010.ARR.109, punt ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.240 XII-9611-7/14 B.4.3; GwH 9 juli 2020, nr. 105/2020, ECLI:BE:GHCC:2020.ARR.105, punt B.9.3; EHRM 17 juli 2018, 5475/06, ECLI:CE:ECHR:2018:0717JUD000547506, Vermeulen/België, punten 42 e.v.). Er is voor een verzoekende partij geen stelplicht om haar belang bij het beroep te omschrijven of toe te lichten. Echter, wordt dit belang in twijfel getrokken, dan valt het haar toe bij de eerstvolgende procedurele gelegenheid hierover opheldering te verschaffen en haar belang te staven. Doet een verzoekende partij zulks, dan heeft zij daarmee ook de contouren geschetst waarom het haar te doen is en moet de Raad van State met die door de verzoekende partij vastgelegde grenzen van het gerechtelijk debat rekening houden (RvS (A.V.) 15 januari 2019, nr. 243.406, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.406). 11. Hoewel het indienen van een verzoek tot schadevergoeding tot herstel samen met, of hangende, het beroep tot nietigverklaring niet zal kunnen beletten dat wanneer de verzoekende partij het belang bij de gevorderde nietigverklaring heeft verloren, deze nietigverklaring door de Raad van State wordt afgewezen, plaatst een dergelijk verzoek tot schadevergoeding tot herstel de Raad van State wel voor de verplichting om niettemin – voor zover het ingestelde annulatieberoep initieel ontvankelijk was en voor zover het verlies van het belang niet het gevolg is van een handeling die zij zelf heeft gesteld of heeft nagelaten te stellen en die haar persoonlijk verwijtbaar is – een onderzoek van de middelen te verrichten en de eventuele onwettigheid van de bestreden beslissing vast te stellen voor zover dat nodig is om over het ingediende verzoek tot schadevergoeding tot herstel uitspraak te kunnen doen (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.015). 12. De Raad van State stelt te dezen vast dat verzoekende partijen in het verzoekschrift tot nietigverklaring vermelden dat zij de bestreden beslissing hebben uitgevoerd, voorafgaand aan het indienen van het beroep. XII-9611-8/14 Gelet op de aard van de door de bestreden beslissing opgelegde en door de verzoekende partijen uitgevoerde maatregelen – met name het snoeien en rooien van meidoorn – kan de gebeurlijke nietigverklaring van de bestreden beslissing de tenuitvoerlegging ervan niet meer ongedaan maken. De verzoekende partijen hun argument dat het snoeisel op het tijdstip van het indienen van het verzoekschrift nog niet was vernietigd en dat dit pas later gebeurde, doet niet anders oordelen. Dit betreft slechts de verdere uitvoering van om de onomkeerbaar uitgevoerde maatregelen, opgelegd door de bestreden beslissing. De verzoekende partijen menen desondanks over het rechtens vereiste belang te beschikken om de nietigverklaring van de bestreden beslissing te vorderen, dat zij nauwkeurig hebben omschreven in het verzoekschrift tot nietigverklaring. Zoals hiervoor uiteengezet (zie supra, nr. 10), hebben de verzoekende partijen alzo de contouren geschetst waarbinnen moet worden beoordeeld of zij over het rechtens vereiste belang beschikken. 13. Ter adstructie van hun belang verwijzen de verzoekende partijen vooreerst naar de schade die zij hebben geleden ingevolge de uitvoering van de bestreden beslissing en waarvoor zij een schadevergoeding wensen te bekomen. Zij verwijzen voorts naar het verlies van natuurwaarden – de door hen gekozen meidoorn – en vorderen ook daarvoor een schadevergoeding. In zoverre de verzoekende partijen aannemelijk trachten te maken dat de gevraagde nietigverklaring hen nog een concreet, direct en persoonlijk voordeel oplevert door aan te voeren dat zij schade hebben geleden, waarvoor zij wensen te worden vergoed, volstaat dit argument op zich niet om hun belang bij het voorliggende beroep aan te tonen. Om als toereikend te worden beschouwd, moet het belang onder meer rechtstreeks zijn en de verzoekende partijen een voordeel verschaffen dat voldoende direct verband houdt met de finaliteit van een nietigverklaring, namelijk het doen verdwijnen van de bestreden rechtshandeling uit de rechtsorde. Onvoldoende om een nietigverklaring van de bestreden beslissing te kunnen verkrijgen, is dan ook het belang dat er uitsluitend uit bestaat de bestreden beslissing onwettig te horen verklaren om de toekenning van een schadevergoeding te faciliteren. XII-9611-9/14 14. Voorts staven de verzoekende partijen hun belang door erop te wijzen dat zij willen vermijden dat zijzelf en de natuur in de toekomst steeds opnieuw dergelijke maatregelen moeten ondergaan. Ook een dergelijk belang vertoont slechts een onrechtstreeks verband met datgene waar het bij een annulatieberoep wezenlijk om gaat, namelijk het zuiveren van de rechtsorde door de vernietiging van een onwettige bestuurshandeling. Het beoogde voordeel moet in beginsel ook méér zijn dan de morele genoegdoening die de verzoekende partijen putten uit het horen onwettig verklaren van de bestreden beslissing, inzonderheid om de verwerende partij aldus te overtuigen van hun initieel gelijk. Een dergelijk belang heeft een karakter dat niet valt binnen de grenzen van het belang zoals bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Dat beoogde voordeel is immers niet verbonden met het verdwijnen van de bestreden beslissing uit het rechtsverkeer, maar enkel met het horen gegrond verklaren erga omnes van de door de verzoekende partijen aangevoerde middelen. 15. In de mate dat de verzoekende partijen aanvoeren dat zij in de toekomst riskeren telkens opnieuw meidoornhagen te moeten rooien en dat zij willen vermijden dat de verwerende partij hen in de toekomst opnieuw gelijkaardige maatregelen oplegt wanneer opnieuw bacterievuur zou worden vastgesteld, merkt de Raad van State op dat de bestreden beslissing geen algemene draagwijdte heeft, maar slechts specifieke maatregelen betreft, gebaseerd op de specifieke vaststellingen van besmetting met bacterievuur. De gebeurlijke nietigverklaring van de bestreden beslissing belet aldus niet dat bij een toekomstige besmetting met bacterievuur, de verwerende partij opnieuw specifieke maatregelen oplegt, waartegen de verzoekende partijen opnieuw een beroep tot nietigverklaring zullen kunnen instellen, desgevallend gepaard gaande met een vordering tot schorsing, waarbij al dan niet wordt aangevoerd dat er sprake is van uiterst dringende noodzakelijkheid. Het louter willen handhaven van de wettigheid verschaft geen belang, maar is het wezenskenmerk van een actio popularis, die door de wetgever uitdrukkelijk werd uitgesloten. XII-9611-10/14 In de mate dat de verzoekende partijen ervan uitgaan dat een nietigverklaring van de bestreden beslissing tot gevolg zou hebben dat de verwerende partij, wanneer in de toekomst een nieuwe besmetting met bacterievuur wordt vastgesteld, niet zonder meer opnieuw zou kunnen bevelen om de haag geheel of gedeeltelijk te snoeien, geven zij aan het gezag van gewijsde van een vernietigingsarrest overigens een verkeerde draagwijdte. 16. Voorts voeren de verzoekende partijen aan dat het belang niet teloorgaat, doordat de bestreden beslissing is uitgevoerd – wat niet aan hen kan worden verweten – en dat kortlopende beslissingen door de wetgever niet zijn uitgesloten uit het annulatiecontentieux. Deze argumenten doen evenwel geen afbreuk aan de vereiste van het belang en – meer in het bijzonder – aan de voorwaarde dat de eventueel tussen te komen nietigverklaring van een rechtshandeling de verzoekende partijen een direct en persoonlijk voordeel moet verschaffen, hoe miniem ook (zie supra, nr. 10), noch aan de vaststelling dat aan deze voorwaarde niet was voldaan op het tijdstip van het indienen van het beroep tot nietigverklaring. 17. De verzoekende partijen beroepen zich nog op het recht op toegang tot de rechter, doch zetten geenszins uiteen hoe dit recht zou zijn aangetast door de hiervoor weergegeven omschrijving van de vereiste van het belang (zie supra, nr. 10). Dit argument doet bijgevolg niet anders oordelen. 18. Ook verwijzen de verzoekende partijen naar de formulering van artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, waaruit zij afleiden dat het volstaat dat zij een “benadeling” aantonen. Dit argument faalt in rechte. Zoals hiervoor werd uiteengezet (zie supra, nr. 10), beschikken de verzoekende partijen slechts over het rechtens vereiste belang indien twee voorwaarden vervuld zijn. Het volstaat niet dat zij door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.240 XII-9611-11/14 wettig nadeel lijden; de eventueel tussen te komen nietigverklaring van die rechtshandeling moet hen voorts een direct en persoonlijk voordeel verschaffen, hoe miniem ook. 19. Inzake het argument dat de verzoekende partijen tijdig een verzoek tot schadevergoeding tot herstel hebben ingediend, zodat zij minstens ondergeschikt een belang behouden bij het beoordelen van de middelen, verliezen de verzoekende partijen uit het oog dat uit wat voorafgaat, volgt dat de verzoekende partijen reeds bij het indienen van het beroep geen actueel belang hadden bij het beroep. Een vordering tot schadevergoeding tot herstel kan aan de verzoekende partijen geen belang toekennen dat zij ontbeerden bij het inleiden van het voorliggende beroep (zie supra, nr. 11). Voorts doet het argument van de verzoekende partijen dat de Raad van State de bij uitstek gespecialiseerde rechter is om een onwettigheid vast te stellen, geen afbreuk aan de voorwaarde van het rechtens vereiste belang. Conclusie 20. Uit wat voorafgaat, volgt dat de verzoekende partijen niet over het rechtens vereiste belang beschikken om de nietigverklaring van de bestreden beslissing te bekomen. 21. De exceptie wegens het gebrek aan het rechtens vereiste belang is in de aangegeven mate gegrond. Het beroep is niet-ontvankelijk. V. Verzoek tot schadevergoeding tot herstel 22. In een op 30 december 2024 ingediend verzoekschrift tot schadevergoeding tot herstel vragen de verzoekende partijen de Raad van State om de verwerende partij te veroordelen tot betaling van 345.212,70 euro. XII-9611-12/14 23. Overeenkomstig artikel 25/3, § 3, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’, dient het verzoek om schadevergoeding tot herstel eveneens te worden afgewezen. Immers, indien geen onwettigheid wordt vastgesteld, wijst het arrest dat de procedure tot nietigverklaring afsluit, eveneens het verzoek om schadevergoeding tot herstel af. Nu te dezen geen onwettigheid is vastgesteld, moet het verzoek om schadevergoeding tot herstel worden afgewezen. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De Raad van State verwerpt het verzoek tot schadevergoeding tot herstel. 3. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770,00 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Het onverschuldigde recht in verband met het verzoek tot een schadevergoe-ding tot herstel, begroot op 424 euro, dient aan de verzoekende partijen te worden terugbetaald. XII-9611-13/14 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negen mei tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, kamervoorzitter, Ann Coolsaet, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Chantal Bamps XII-9611-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.240 Gerelateerde publicatie(
  5. s)citeert: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.406 ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.015 ECLI:CE:ECHR:2018:0717JUD000547506 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.