← België

Arrest 263241 - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) - 09/05/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.241 Rolnummer: A. 240059/XII-9683 Zaak: Arrest 263241 - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) - 09/05/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-05-12 Raadplegingen: 214 - laatst gezien 2026-06-18 17:47 Fiche Arrest nr 263.241 van 9 mei 2025 Sociale zaken en volksgezondheid - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.241 no lien 283100 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 263.241 van 9 mei 2025 in de zaak A. 240.059/XII-9683 In zake : de BV AMG AMBULANCE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Anthony Poppe kantoor houdend te 9052 Gent Bollebergen 2A bus 20 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de GEMEENSCHAPPELIJKE GEMEENSCHAPSCOMMISSIE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Pierre Slegers en Jennifer Duval kantoor houdend te 1160 Brussel Tedescolaan 7 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 18 september 2023, strekt tot de nietigverklaring van “(d)e beslissing van de leden van het Verenigd College, bevoegd voor het Gezondheidsbeleid, meegedeeld aan verzoekende partij met een schrijven van 18 juli 2023 tot weigering van de definitieve erkenning van verzoekende partij als dienst gemachtigd om niet-dringend patiëntenvervoer uit te oefenen”. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 258.552 van 23 januari 2024 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. XII-9683-1/14 De verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 24 april 2025. Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. Advocaat Elisabeth Robbroeckx, die loco advocaat Anthony Poppe verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Marie Eiraux, die loco advocaten Pierre Slegers en Jennifer Duval verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. XII-9683-2/14 III. Feiten 3.1. In het arrest nr. 258.552 van 23 januari 2024, waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing is verworpen, worden de feiten als volgt weergegeven: “3.1. Artikel 128 van de Grondwet bepaalt dat de gemeenschappen bevoegd zijn voor de persoonsgebonden aangelegenheden. Artikel 5, §1, I, 1°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 ‘tot hervorming der instellingen’ bepaalt dat, wat het gezondheidsbeleid betreft, het beleid betreffende de zorgverstrekkingen in en buiten de verplegingsinrichtingen in beginsel behoort tot de persoonsgebonden aangelegenheden. De reglementering van het niet-dringend patiëntenvervoer valt onder het beleid betreffende de zorgverstrekkingen in en buiten de verplegingsinrichtingen. De Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie is bevoegd voor de persoonsgebonden instellingen in Brussel-Hoofdstad die wegens hun organisatie niet kunnen worden beschouwd als uitsluitend te behoren tot de ene of de andere gemeenschap. De Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie regelt het niet-dringend ziekenvervoer in de ordonnantie van 21 maart 2018 ‘betreffende de organisatie van het niet-dringend ziekenvervoer’ (hierna: de ordonnantie van 21 maart 2018). De ordonnantie van 21 maart 2018 bepaalt: “Art. 2. Voor de toepassing van deze ordonnantie wordt verstaan onder: 1° ‘niet-dringend ziekenvervoer’: elk vervoer over de weg van patiënten tegen vergoeding of niet, van of naar een zorgverstrekker, met inbegrip van vervoer tussen ziekenhuizen, verricht per ambulance of met een lichte ziekenwagen door een gekwalificeerd persoon, met uitzondering van het vervoer bedoeld bij de wet van 8 juli 1964 betreffende de dringende geneeskundige hulpverlening; […] 3° ‘ambulance’: landvoertuig uitgerust voor het niet-dringend ziekenvervoer van patiënten, in zittende of liggende houding, die tijdens de duur van het vervoer toezicht op hun gezondheidstoestand of zorgverstrekking nodig hebben; 4° ‘lichte ziekenwagen’: landvoertuig, dat al dan niet uitgerust is voor het vervoer van personen met een beperkte zelfredzaamheid, dat aangepast is voor het niet-dringend ziekenvervoer van patiënten, in zittende houding, die tijdens de duur van het vervoer noch toezicht op hun gezondheidstoestand, noch zorgverstrekking behoeven; 5° ‘dienst voor niet-dringend ziekenvervoer’: elke natuurlijke of rechtspersoon die op het tweetalige grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest een activiteit van niet-dringend ziekenvervoer verricht; […] Art. 3. De diensten voor niet-dringend ziekenvervoer: 1° waarborgen de fysieke en morele integriteit van de patiënten; 2° eerbiedigen het welzijn van de patiënten; 3° waarborgen transparantie van de tarieven, enerzijds ten opzichte van de patiënten en anderzijds ten opzichte van het Verenigd College, onder anderen door de toegepaste tarieven op internet te publiceren. Art. 4. Elke dienst voor niet-dringend ziekenvervoer waarvan de exploitatiezetel zich bevindt op het tweetalige grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest moet erkend zijn overeenkomstig deze ordonnantie en de uitvoeringsbesluiten ervan, met uitzondering van de diensten gevestigd in het Brussels Hoofdstedelijk ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.241 XII-9683-3/14 Gewest die, wegens hun organisatie, beschouwd moeten worden als diensten die uitsluitend tot de ene of andere gemeenschap behoren. Art. 5. §1. Na advies van de permanente overlegcommissie bepaalt het Verenigd College de erkenningsnormen voor het niet-dringend ziekenvervoer op het tweetalige grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. § 2. De erkenningsnormen hebben met name betrekking op: 1° de voorwaarden betreffende de personeelsleden van de diensten voor niet-dringend ziekenvervoer, waaronder:

  1. a)het aantal personen dat aanwezig moet zijn bij elk vervoer in een lichte ziekenwagen;
  2. b)het aantal personen met de kwalificaties als ambulancier dat aanwezig moet zijn bij elk vervoer in een ambulance en hun plaats aan boord van de ambulance tijdens het vervoer;
  3. c)het soort vervoer waarvoor de aanwezigheid van een arts en/of een verpleegkundige en/of een persoon die over de nodige kwalificatie beschikt om op de patiënt te waken, vereist is en hun plaats aan boord van het voertuig tijdens het vervoer;
  4. d)de vereiste kwalificaties van het personeel aanwezig in de ambulances en in de lichte ziekenwagens, de gelijkstellingen met deze kwalificaties en de verplichte bijscholing;
  5. e)de voldoende kennis van het Nederlands en het Frans door de personeelsleden aanwezig aan boord van de voertuigen voor niet-dringend ziekenvervoer; 2° de kenmerken van de voor het niet-dringend ziekenvervoer aangepaste ambulances die door het Verenigd College, na advies van de permanente overlegcommissie, in categorieën kunnen worden ingedeeld, met name in functie van de kwalificaties van de gezondheidswerker(
  6. s)die in het voertuig aanwezig moet(
  7. en)zijn, gelet op de gezondheidstoestand van de patiënt, of in functie van het soort voertuig of van het medische materiaal dat moet worden gebruikt; 3° de uitrusting, de hygiënische omstandigheden, de technische kenmerken en de buitenkant van de lichte ziekenwagens en ambulances; 4° de kenmerken van de werkkledij; 5° de regels over de aanduiding en de transparantie van de tarieven en de specifieke vermeldingen die op de factuur moeten voorkomen; 6° de verplichtingen inzake de traceerbaarheid van elk uitgevoerd niet-dringend ziekenvervoer, met name de identiteit en de kwalificaties van het betrokken personeel en het soort voertuig dat gebruikt werd; 7° de eerbaarheid van de personen die een dienst voor niet-dringend ziekenvervoer beheren; 8° de jaarlijkse indiening van een activiteitenverslag door de diensten voor niet-dringend ziekenvervoer; 9° het afsluiten van een verzekering burgerlijke aansprakelijkheid voor de dienst, alsook voor elk van de personeelsleden; 10° Op advies van de Beheerraad voor Gezondheid en Bijstand aan Personen zoals bedoeld in artikel 21 van de ordonnantie van 23 maart 2017 houdende de oprichting van de bicommunautaire Dienst voor Gezondheid, kan het Verenigd College de minimale en maximale tarieven, evenals de toegepaste criteria vastleggen voor de berekening van de tarieven die de diensten voor niet-dringend ziekenvervoer aan de patiënten mogen vragen. Art. 6. De diensten voor niet-dringend ziekenvervoer moeten hun taken ten aanzien van de patiënten uitoefenen met naleving: 1° van het principe van de gelijkheid van behandeling, te weten zonder rechtstreekse of onrechtstreekse discriminatie op basis van met name statuut, godsdienstige of filosofische overtuigingen, handicap of lichamelijke eigenschap, huidige of toekomstige gezondheidstoestand, leeftijd, burgerlijke staat, gender, XII-9683-4/14 seksuele geaardheid, nationale of etnische oorsprong, gezins- of sociaaleconomische toestand; 2° van de grondwettelijke en wettelijke rechten en vrijheden van de patiënten waaronder de vrije keuze van de dienst voor niet-dringend ziekenvervoer, met inachtneming van hun gezondheidstoestand; 3° van de medische ethiek; 4° van de wettelijke verplichtingen inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de uitwisseling van gegevens, in het bijzonder wanneer gevoelige informatie over de gezondheidstoestand van de patiënten behandeld wordt. Art. 7. § 1. Elke dienst voor niet-dringend ziekenvervoer die onder de bevoegdheid van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie valt, wordt door het Verenigd College erkend. Elke erkende dienst moet zijn erkenning door het Verenigd College vermelden op alle facturen, alsook op elk ander officieel document. § 2. De erkenning wordt toegekend door het Verenigd College, op advies van de permanente overlegcommissie, aan de uitbaters van diensten voor niet-dringend ziekenvervoer die aan de door of krachtens deze ordonnantie bepaalde normen voldoen. De erkenning wordt toegekend voor een periode van zes jaar. Ze kan worden hernieuwd. § 3. Een voorlopige erkenning wordt verleend aan de diensten voor niet-dringend ziekenvervoer die een eerste erkenning aanvragen en die vooraf een financieel plan voorleggen waaruit blijkt dat zij over de nodige middelen beschikken om het materiaal aan te schaffen en om het vereiste personeel aan te werven. De voorlopige erkenning wordt toegekend voor een periode van zes maanden, die een keer hernieuwbaar is. Om in aanmerking te komen voor een voorlopige erkenning, mag de dienst voor niet-dringend ziekenvervoer niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een weigering of intrekking van de erkenning. § 4. Het Verenigd College bepaalt de regels voor de ontvankelijkheid en samenstelling van het aanvraagdossier voor erkenning. § 5. Vanaf de inwerkingtreding van deze ordonnantie bepaalt het Verenigd College de termijn waarin de voorlopige erkenningsaanvraag moet worden ingediend. § 6. Elke dienst voor niet-dringend ziekenvervoer waarvan de exploitatiezetel zich bevindt buiten het tweetalige grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, maar binnen de Europese Unie, en die beschikt over een erkenning uitgereikt door de bevoegde overheid van het grondgebied waarop zijn exploitatiezetel zich bevindt, of een gelijkaardige titel, is toegelaten om zijn activiteiten uit te oefenen op het tweetalige grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, voor zover de normatieve voorschriften minstens gelijkwaardig zijn aan de artikelen 3 en 6 van deze ordonnantie. § 7. De dienst voor niet-dringend ziekenvervoer die zijn activiteiten tijdelijk staakt of stopzet, brengt het Verenigd College daar onmiddellijk van op de hoogte, volgens de nadere regels die het Verenigd College zal bepalen. […]” 3.2. De verzoekende partij baat een ambulancedienst uit sinds 2012. Haar exploitatiezetel is gevestigd in het Vlaams Gewest. 3.3. Op 23 augustus 2022 dient de verzoekende partij een vergunningsaanvraag in bij de Vlaamse Gemeenschap, die haar op 16 september 2022 een vergunning verleent als dienst voor niet-dringend liggend ziekenvervoer voor de periode 13 september 2022 tot en met 12 september 2028. 3.4. Op 18 oktober 2022 wijst de verwerende partij de verzoekende partij erop dat er in de wetgeving van toepassing in het Vlaams Gewest geen verplichting tot erkenning van lichte ziekenwagens geldt en nodigt de verzoekende partij uit om een aanvraag tot erkenning van lichte ziekenwagens bij haar in te dienen. 3.5. Op 18 november 2022 dient de verzoekende partij bij de verwerende partij een aanvraag in tot erkenning voor lichte ziekenwagens. XII-9683-5/14 3.6. De verwerende partij verleent de verzoekende partij een voorlopige erkenning voor het niet-dringend ziekenvervoer voor de periode van 1 januari 2023 tot en met 30 juni 2023. 3.7. Op 6, 13, 14 en 25 april 2023 worden controles uitgevoerd bij de verzoekende partij naar aanleiding van het onderzoek naar het verlenen van de definitieve erkenning, die leiden tot een -negatief- inspectierapport van 28 april 2023. 3.8. Op 27 juni 2023 brengt de permanente overlegcommissie niet-dringend ziekenvervoer een negatief advies uit. 3.9. Op 18 juli 2023 weigeren de leden van het Verenigd College, bevoegd voor het gezondheidsbeleid, van de verwerende partij, de definitieve erkenning van de verzoekende partij als dienst gemachtigd om niet-dringend patiëntenvervoer uit te oefenen. Dit is het bestreden besluit.” 3.2. Artikel 13 van de ordonnantie van 21 maart 2018 luidt: “§ 1. Degenen die een activiteit van niet-dringend ziekenvervoer uitoefenen zonder erkenning of na een intrekking van de erkenning of van een dringende sluiting, worden gestraft met drie maanden tot twee jaar opsluiting en met een boete van 1.000 à 10.000 euro of slechts met één van die straffen. Degenen die de erkenningsnormen bepaald in deze ordonnantie of haar uitvoeringsbesluiten overtreden, worden gestraft met veertien dagen tot zes maanden opsluiting en met een boete van 100 tot 5.000 euro of met één van die straffen. § 2. De hoven en de rechtbanken kunnen krachtens § 1 de veroordeelde verbieden, hetzij persoonlijk, hetzij via een tussenpersoon, een dienst voor niet-dringend ziekenvervoer te beheren. Dat verbod mag niet langer duren dan tien jaar.” IV. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie van gebrek aan belang 4. De verwerende partij werpt in de memorie van antwoord op dat de verzoekende partij niet langer over een actueel belang beschikt. De verwerende partij wijst erop dat de verzoekende partij op 25 juli 2023 een nieuwe aanvraag tot erkenning als dienst voor niet-dringend ziekenvervoer heeft ingediend, aangepast aan de opmerkingen geformuleerd in de bestreden beslissing. Op 24 oktober 2023 heeft de verwerende partij de gevraagde erkenning verleend. Ingevolge deze definitieve erkenning is de verzoekende partij gemachtigd om niet-dringend ziekenvervoer uit te oefenen voor de periode van 16 oktober 2023 tot en met 15 oktober 2029. De verwerende partij besluit dat de verzoekende partij aldus XII-9683-6/14 volledige genoegdoening heeft verkregen, zoals wordt vastgesteld in het voormelde arrest nr. 258.552 van 23 januari 2024. In de laatste memorie voegt de verwerende partij daaraan toe dat de verzoekende partij in haar laatste memorie met geen woord rept over haar belang. Zij stelt vast dat de verzoekende partij niet aangeeft dat de “vergunning” van 24 oktober 2023 onvolledige genoegdoening biedt. Het door de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord aangevoerde risico op strafrechtelijke vervolging is volgens de verwerende partij louter hypothetisch. Volgens de verwerende partij heeft de gebeurlijke nietigverklaring van de bestreden beslissing overigens niet tot gevolg dat de gevraagde “vergunning” wordt toegekend. De verwerende partij wijst er voorts op dat de bestreden beslissing enkel de oorspronkelijke weigering is om de “vergunning” toe te kennen. Het beroep is niet gericht tegen “enige beslissing om spijts een vermeend recht op wederzijdse erkenning, geen aanvraag te moeten indienen”. Indien de verzoekende partij zou menen zich te kunnen beroepen op een wederzijdse erkenning, zou zij een subjectief recht nastreven, in welk geval de Raad van State zonder rechtsmacht is. De verwerende partij antwoordt op het aangevoerde risico op strafvervolging dat dit risico zich niet kan verwezenlijken zonder tussenkomst van een rechter, die desgevallend in toepassing van artikel 159 van de Grondwet een vermeend onwettige beslissing moet weren. De verwerende partij besluit dat het door de verzoekende partij aangevoerde belang om een strafrechtelijke veroordeling te voorkomen volledig onrechtstreeks en puur hypothetisch is, net zoals – volgens de rechtspraak van de Raad van State waarnaar de verwerende partij verwijst – het belang om een middel gegrond te horen verklaren om een vordering tot schadevergoeding voor de gewone rechter te ondersteunen. Dit geldt des te meer daar de verzoekende partij geen recht kan laten gelden om een “vergunning” te krijgen op datum van de oorspronkelijke aanvraag. 5. De verzoekende partij voert in de memorie van wederantwoord aan dat zij op 24 oktober 2023 inderdaad een definitieve erkenning voor niet-dringend ziekenvervoer heeft gekregen voor de periode van 16 oktober 2023 tot en met 15 oktober 2029, doch dat dit geen handeling is verwijtbaar aan de verzoekende partij. Indien aan de verzoekende partij op grond hiervan het belang ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.241 XII-9683-7/14 bij het beroep zou worden ontzegd, zou er afbreuk worden gedaan aan haar recht op toegang tot de rechter. Het nadeel dat wordt veroorzaakt door de bestreden beslissing is volgens de verzoekende partij ook niet goedgemaakt door de toekenning van de definitieve erkenning op 24 oktober 2023. Ten eerste voert de verzoekende partij aan dat zij over een moreel belang beschikt gelet op de grote reputatieschade: ingevolge de bestreden beslissing was zij niet langer erkend om diensten van niet-dringend zittend ziekenvervoer uit te voeren, waardoor de ziekenhuizen-klanten lopende contracten hebben geschorst of zelfs definitief stopgezet. Ten tweede wijst de verzoekende partij op het risico op strafrechtelijke vervolging, daar zij “in zeer beperkte mate” diensten van licht ziekenvervoer heeft uitgevoerd in de periode tussen de bestreden beslissing van 18 juli 2023 en 24 oktober 2023. Beoordeling 6. Gelet op artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan het beroep tot nietigverklaring bedoeld bij artikel 14 van deze wet, voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State worden gebracht “door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een belang”. Die vereiste is erop gericht de rechtszekerheid te dienen en een goede rechtsbedeling te verzekeren (RvS (A.V.) 22 maart 2019, 244.015, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.015). Een verzoekende partij beschikt over dit rechtens vereiste belang indien twee voorwaarden vervuld zijn: vooreerst dient zij door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel te lijden; voorts moet de eventueel tussen te komen nietigverklaring van die rechtshandeling haar een direct en persoonlijk voordeel verschaffen, hoe miniem ook (RvS (A.V.) 15 januari 2019, 243.406, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.406). Het belang moet niet alleen bestaan bij het instellen van het beroep maar moet voortduren tot aan de sluiting van het debat (RvS (A.V.) 22 maart 2019, 244.015, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.015), zonder dat de ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.241 XII-9683-8/14 verzoekende partij noodzakelijk elk belang bij de nietigverklaring verliest wanneer zij het initiële voordeel niet meer kan ambiëren (cf. GwH 9 juli 2020, 105/2020, ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.105, punten B.11.2 en B.12.2). Het staat aan de Raad van State te oordelen of de verzoekende partij die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij haar beroep. De Raad van State dient er over te waken dat het belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast (GwH 30 september 2010, 109/2010, ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.109, punt B.4.3; GwH 9 juli 2020, 105/2020, ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.105, punt B.9.3; EHRM 17 juli 2018, 5475/06, ECLI:CE:ECHR:2018:0717JUD000547506, Vermeulen/België, punten 42 e.v.). Er is voor een verzoekende partij geen stelplicht om haar belang bij het beroep te omschrijven of toe te lichten. Echter, wordt dit belang in twijfel getrokken, dan valt het haar toe bij de eerstvolgende procedurele gelegenheid hierover opheldering te verschaffen en haar belang te staven. Doet een verzoekende partij zulks, dan heeft zij daarmee ook de contouren geschetst waarom het haar te doen is en moet de Raad van State met die door de verzoekende partij vastgelegde grenzen van het gerechtelijk debat rekening houden (RvS (A.V.) 15 januari 2019, 243.406, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.406). 7. De door de verwerende partij opgeworpen exceptie steunt op het gegeven dat de verzoekende partij op 25 juli 2023 een nieuwe aanvraag tot erkenning als dienst voor niet-dringend ziekenvervoer heeft ingediend, ten gevolge waarvan de verwerende partij op 24 oktober 2023 de gevraagde erkenning heeft verleend voor de periode van 16 oktober 2023 tot en met 15 oktober 2029. Hetzelfde gegeven gaf aanleiding tot een ambtshalve opgeworpen exceptie in het kader van de behandeling van de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. In het tussenarrest XII-9683-9/14 nr. 258.552 van 23 januari 2024 dat over de vordering tot schorsing is gewezen, heeft de Raad van State over deze exceptie voorlopig als volgt geoordeeld: “6. Het voordeel dat de verzoekende partij met de vernietiging - en bijgevolg met de vordering tot schorsing - van de bestreden beslissing nastreeft, lijkt te bestaan in de kans dat zij alsnog een definitieve erkenning kan bekomen als dienst gemachtigd om niet-dringend patiëntenvervoer uit te oefenen. Vooraleer de verzoekende partij de voorliggende vordering heeft ingediend, heeft zij blijkens de inhoud van het voornoemde schrijven van de verwerende partij en tevens als dusdanig door haarzelf aangegeven in haar verzoekschrift, op 25 juli 2023 een nieuwe aanvraag ingediend tot het bekomen van een definitieve erkenning als dienst gemachtigd om niet-dringend patiëntenvervoer uit te oefenen. Uit de bij de voornoemde brief in bijlage gevoegde beslissing van het Verenigd College, bevoegd voor het gezondheidsbeleid, van de verwerende partij blijkt dat aan de verzoekende partij een definitieve erkenning wordt verleend voor de periode van 16 oktober 2023 tot en met 15 oktober 2029. Bijgevolg heeft de verzoekende partij volledige genoegdoening verkregen. Een eventuele nietigverklaring cq schorsing van de tenuitvoerlegging van de thans bestreden beslissing kan haar derhalve geen enkel voordeel meer opleveren. Hieruit moet worden besloten dat niet blijkt dat de verzoekende partij nog een actueel belang heeft bij haar beroep tot nietigverklaring en aldus ook niet bij de voorliggende vordering tot schorsing die er een accessorium van is. 7. Uit wat voorafgaat volgt dat de ambtshalve opgeworpen exceptie een dergelijke graad van ernst vertoont, dat ze reeds in de huidige stand van de procedure opgeworpen moet worden. Het beroep tot nietigverklaring en aldus ook de voorliggende vordering tot schorsing als accessorium ervan, is niet ontvankelijk.” 8. De verzoekende partij betwist dat zij niet langer over een actueel belang beschikt, ook al beschikt zij sinds 24 oktober 2023 over de erkenning als dienst voor niet-dringend ziekenvervoer voor de periode van 16 oktober 2023 tot en met 15 oktober 2029. 9. De verzoekende partij komt op tegen een beslissing die haar een bepaald voordeel weigert. Het voordeel dat de verzoekende partij aldus nastreeft met het voorliggende beroep bestaat erin, door de gevorderde nietigverklaring, een nieuwe kans te verwerven om haar aanvraag tot het bekomen van de erkenning als dienst voor niet-dringend ziekenvervoer te zien worden goedgekeurd. De verzoekende partij betwist niet dat zij een nieuwe aanvraag heeft ingediend tot het bekomen van de erkenning als dienst voor niet-dringend ziekenvervoer en dat haar, in de loop van de procedure voor de Raad van State en na een nieuwe beslissing van de verwerende partij, op 24 oktober 2023 een ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.241 XII-9683-10/14 erkenning als dienst voor niet-dringend ziekenvervoer is uitgereikt die geldig is voor een periode van zes jaar. Op die wijze werd haar het voordeel toegekend dat zij met de nietigverklaring van de bestreden beslissing nastreefde, weliswaar niet vanaf 18 juli 2023, datum van de bestreden beslissing, maar wel vanaf 16 oktober 2023. De verzoekende partij maakt voorts niet duidelijk welk voordeel zij zou putten uit de nietigverklaring van de bestreden beslissing in zoverre die de bedoelde periode eindigend op 16 oktober 2023 betreft. 10. De verzoekende partij voert weliswaar aan dat de op 24 oktober 2023 verleende erkenning als dienst voor niet-dringend ziekenvervoer niet aan haar verwijtbaar is, daar zij er alles aan deed om zo spoedig mogelijk deze erkenning te verkrijgen. Haar op grond van deze erkenning het actueel belang bij het beroep ontzeggen, zou volgens de verzoekende partij afbreuk doen aan haar recht op toegang tot de rechter. De verzoekende partij zet daarmee evenwel niet uiteen welk actueel belang zij nog heeft bij de gebeurlijke nietigverklaring, meer bepaald welk voordeel haar die nog kan opleveren, daar zij intussen bekwam wat zij beoogde. De loutere verwijzing naar het recht op toegang tot de rechter is geen belang verbonden aan de nietigverklaring van de bestreden beslissing, maar een belang dat er uitsluitend in bestaat een middel gegrond te horen verklaren, wat een onrechtstreeks belang is. 11. Voorts voert de verzoekende partij aan dat het nadeel dat de bestreden beslissing veroorzaakt – meer bepaald de reputatieschade die zij leed – niet is goedgemaakt met de definitieve erkenning als dienst voor niet-dringend ziekenvervoer op 24 oktober 2023. Wat dat moreel nadeel betreft, wordt opgemerkt dat de verzoekende partij te dezen niet verder komt dan een loutere bewering en geen enkel concreet gegeven aanbrengt dat blijvende beschadiging van haar reputatie aantoont of zelfs maar aannemelijk maakt. Aldus komt het de Raad van State in het licht hiervan voor dat mag worden aangenomen dat de op 24 oktober 2023 XII-9683-11/14 tussengekomen erkenning als dienst voor niet-dringend patiëntenvervoer de beweerde reputatieschade heeft goedgemaakt. 12. Tot slot verwijst de verzoekende partij ter ondersteuning van haar actueel belang naar het risico op strafrechtelijke vervolging, daar artikel 13 van de ordonnantie van 21 maart 2018 ‘betreffende de organisatie van het niet-dringend ziekenvervoer’ (hierna: ordonnantie van 21 maart 2018) het uitoefenen van een activiteit van niet-dringend ziekenvervoer zonder erkenning strafrechtelijk sanctioneert. In tegenstelling tot wat de verzoekende partij aanvoert, vloeit dit risico op strafrechtelijke vervolging niet voort uit de bestreden beslissing, maar wel uit de eigen beslissing om – zoals zij uitdrukkelijk erkent – “in zeer beperkte mate diensten van licht ziekenvervoer [te hebben] uitgevoerd in de periode tussen de bestreden beslissing van 18 juli 2023 en 24 oktober 2023”. Het actueel belang dat er volgens de verzoekende partij in bestaat om een “onterechte” strafrechtelijke vervolging te vermijden, is in strijd met de vereiste dat het belang wettig moet zijn, wat betekent dat de verzoekende partij met een nietigverklaring een voordeel nastreeft dat zij, gelet op de toepasselijke rechtsregels, wettig kan verkrijgen. De verzoekende partij doet niet blijken van een wettig belang om door de Raad van State te worden beschermd tegen een strafrechtelijke vervolging op basis het wetens en willens handelen in strijd met de bepalingen van artikel 13 van de ordonnantie van 21 maart 2018, te meer de bestreden beslissing uitdrukkelijk verwijst naar voormelde bepaling en de rechtsgevolgen bij een overtreding ervan. Het standpunt van de verzoekende partij dat zij steeds heeft verdedigd dat haar Vlaamse vergunning voor niet-dringend liggend ziekenvervoer haar het recht geeft alle diensten van ziekenvervoer op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest uit te voeren, doet niet anders oordelen. Nog daargelaten dat het huidige beroep tot nietigverklaring niet is gericht tegen enige beslissing waarbij dat vermeend recht wordt tegengesproken, maar uitsluitend tegen de weigering tot erkenning zoals bedoeld in artikel 7, § 2, van de ordonnantie van 21 maart 2018, verleent de overtuiging van het eigen gelijk aan de XII-9683-12/14 verzoekende partij niet het recht de uitdrukkelijke strafbepalingen van artikel 13 van de ordonnantie van 21 maart 2018 te negeren. 13. Uit wat voorafgaat, volgt dat de verzoekende partij geen rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel leidt ingevolge de bestreden beslissing, noch dat de nietigverklaring van de bestreden beslissing haar een voordeel oplevert dat als een voldoende belang bij het beroep kan worden aangemerkt. 14. In die omstandigheden mag het voor de Raad van State volstaan, na onderzoek van de memories en het dossier, zijn voorlopige beoordeling ook ten gronde te handhaven en de exceptie van gebrek aan actueel belang gegrond te bevinden. 15. Het beroep is niet-ontvankelijk. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 48 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 840 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. XII-9683-13/14 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negen mei tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, kamervoorzitter, Ann Coolsaet, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Chantal Bamps XII-9683-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.241 Gerelateerde publicatie(
  8. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.552 citeert: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.109 ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.105 ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.406 ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.015 ECLI:CE:ECHR:2018:0717JUD000547506 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.