id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.249 Rolnummer: A. 241831/VII-42501 Zaak: Arrest 263249 - Arbeids- en beroepskaarten - 12/05/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-05-15 Raadplegingen: 95 - laatst gezien 2026-06-16 05:04 Fiche Arrest nr 263.249 van 12 mei 2025 Economische zaken - Arbeids- en beroepskaarten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 263.249 van 12 mei 2025 in de zaak A. 241.831/VII-42.501 In zake : M.U. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom Van Heuverzwyn kantoor houdend te 9032 Gent (Wondelgem) Helmkruidstraat 21 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rik Devloo kantoor houdend te 8500 Kortrijk Koning Albertstraat 24/1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 2 mei 2024, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing van de Minister waarbij bepaald wordt dat het beroepschrift ongegrond verklaard wordt en derhalve de gevraagde beroepskaart niet toegekend wordt”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Pierrot T’Kindt heeft een verslag opgesteld. VII-42.501-1/8 Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 februari
- Staatsraad Frédéric Vanneste heeft verslag uitgebracht. Advocaat Tom Van Heuverzwyn, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Judith Swerts, die loco advocaat Rik Devloo verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Pierrot T’Kindt heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker, die de Pakistaanse nationaliteit heeft, dient op 19 juli 2023 een aanvraag in die enerzijds strekt tot hernieuwing, voor reeds uitgeoefende zelfstandige beroepsactiviteiten, en anderzijds geldt als eerste aanvraag, voor nieuwe dergelijke activiteiten, van een beroepskaart voor vreemdelingen. 3.
- Met een beslissing van 7 september 2023 weigert de Dienst Economische Migratie van het Departement Werk en Sociale Economie van de Vlaamse overheid de beroepskaart. VII-42.501-2/8 3.3 Op 5 oktober 2023 tekent verzoeker tegen die beslissing administratief beroep aan. 3.
- Het Vlaams Agentschap voor Internationaal Ondernemen en de Raad voor Economisch Onderzoek inzake Vreemdelingen geven respectievelijk op 24 oktober 2023 en 29 november 2023 een ongunstig advies over dat beroep. 3.
- Op 9 februari 2024 beslist de Vlaamse minister bevoegd voor werk om het beroep ongegrond te verklaren en de gevraagde beroepskaart niet toe te kennen. Dit is de bestreden beslissing IV. Ontvankelijkheid van het beroep A. Exceptie ratione temporis
- In haar laatste memorie doet de verwerende partij afstand van de opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid wegens laattijdigheid van het verzoek bij de Raad van State. B. Exceptie van niet-ontvankelijkheid: geen uitputting van het georganiseerd administratief beroep Standpunten van de partijen
- In het auditoraatsverslag wordt uiteengezet dat het beroep van verzoeker ambtshalve dient te worden afgewezen omdat het georganiseerd administratief beroep niet rechtsgeldig werd uitgeput. Het verzoekschrift dat was neergelegd in het kader van het georganiseerd administratief beroep, werd opgemaakt in het Engels, terwijl de artikelen 2 en 5, § 1, van het decreet van 19 juli 1973 ‘tot regeling van het gebruik van de talen in sociale betrekkingen tussen de werkgevers en de werkgevers, alsmede van de voor de wet en de verordeningen voorgeschreven akten en bescheiden van de ondernemingen’ (hierna: decreet van VII-42.501-3/8 19 juli 1973) vereist dat ondernemingen met exploitatiezetel in het homogene Nederlandse taalgebied het Nederlands hanteren bij de opmaak van de wettelijk voorgeschreven akten en bescheiden. Het verzoekschrift in het kader van het georganiseerd administratief beroep moet dus nietig verklaard worden, zodat er geen rechtsgeldige uitputting is van het administratief beroep, wat op zijn beurt leidt tot de niet-ontvankelijkheid van het beroep ingesteld bij de Raad van State.
- In haar laatste memorie sluit de verwerende partij zich aan bij de ambtshalve exceptie van het auditoraat.
- Verzoeker merkt in zijn laatste memorie op dat de bestreden beslissing in het Nederlands is opgesteld, zoals vereist door het decreet van 19 juli
- Volgens hem vereist artikel 16 van het decreet van 15 oktober 2021 ‘over de uitoefening van zelfstandige beroepsactiviteiten door buitenlandse onderdanen’ (hierna: decreet van 15 oktober 2021) niet dat het beroep in het Nederlands moet zijn opgesteld. Nergens staat in het decreet van 19 juli 1973 dat er geen Engelstalig beroepschrift mag worden ingediend door verzoeker. Integendeel, overeenkomstig artikel 5 van het decreet van 19 juli 1973 mag dat in bepaalde gevallen wel. Bovendien bepaalt artikel 10 van datzelfde decreet dat de nietigheid geen nadeel kan berokken aan de rechten van verzoeker of die van derden. Het “is alleen de werkgever, hier dus de administratie, die daar nadeel van kan ondervinden.” Verder heeft niemand gedurende het administratief beroep enige opmerking gemaakt. Op zijn minst is de nietigheid daardoor gedekt. Het gebruik van het Engels vormde geen enkele hinderpaal voor de beoordeling. Het doel van het decreet van 19 juli 1973 is bereikt. Beoordeling
- Indien tegen een administratieve rechtshandeling een georganiseerd administratief beroep openstaat, moet dat beroep op rechtsgeldige wijze worden uitgeput opdat er sprake kan zijn van een voor de Raad van State aanvechtbare rechtshandeling. VII-42.501-4/8
- Artikel 2 van het decreet van 19 juli 1973 luidt: “Art. 2 Dit decreet is van toepassing op de natuurlijke personen en rechtspersonen die een exploitatiezetel in het Nederlandse taalgebied hebben. Het regelt het taalgebruik voor de sociale betrekkingen tussen de werkgevers en de werknemers, alsmede voor de wettelijk voorgeschreven akten en bescheiden van de ondernemingen. Voor de toepassing van dit decreet worden gelijkgesteld met: 1° werknemers: de personen die anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst, arbeid verrichten onder het gezag van een andere persoon, of die arbeid verrichten onder gelijkaardige voorwaarden als die van een arbeidsovereenkomst; 2° werkgevers: de personen die de werknemers, vermeld in punt 1°, tewerkstellen, ongeacht de aard van hun bedrijvigheid; 3° ondernemingen: de inrichtingen van werkgevers en met werkgevers gelijkgestelde personen die een activiteit buiten het bedrijfsleven uitoefenen.” Artikel 5, § 1, van hetzelfde decreet luidt: “§1 De te gebruiken taal voor de sociale betrekkingen tussen de werkgevers en de werknemers, alsmede voor de wettelijk voorgeschreven akten en bescheiden van de ondernemingen en voor alle documenten die bestemd zijn voor het personeel, is het Nederlands.” Artikel 3 van het decreet van 30 juni 1981 ‘houdende aanvulling van de artikelen 12 en 33 van de bij koninklijk besluit van 18 juli 1966 gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken wat betreft het gebruik van de talen in de betrekkingen tussen de bestuursdiensten van het Nederlands taalgebied en de particulieren’ stelt: “De particulieren, bedrijven inbegrepen, gevestigd in een gemeente zonder speciale taalregeling uit het Nederlands taalgebied, gebruiken uitsluitend het Nederlands in hun betrekkingen met de in artikel 2 bedoelde diensten.” VII-42.501-5/8
- Er wordt niet betwist dat verzoeker een exploitatiezetel heeft in een gemeente zonder speciale taalregeling uit het Nederlandse taalgebied. Uit de voormelde regels volgt dat verzoeker het georganiseerd administratief beroep waarin is voorzien in artikel 16 van het decreet van 15 oktober 2021 ‘over de uitoefening van zelfstandige beroepsactiviteiten door buitenlandse onderdanen’ in het Nederlands had moeten stellen. Er wordt niet betwist dat het beroepschrift van 5 oktober 2023 door verzoeker in het Engels is opgesteld. De “aanvullende nota” die door de advocaat van verzoeker wel in het Nederlands is ingediend, dateert pas van 10 november 2023, i.e. na het verstrijken van de beroepstermijn, en kan het gebruik van het Engels in het beroepschrift niet verhelpen.
- De aanvraag van een beroepskaart voor vreemdelingen heeft geen betrekking op de sociale betrekkingen tussen de werkgevers en de werknemers. Evenmin is sprake van een individuele arbeidsovereenkomst waarvoor overeenkomstig artikel 5, § 2, van het decreet van 19 juli 1973 een rechtsgeldige overeenkomst kan worden opgemaakt in een van de daarin opgesomde door alle betrokken partijen begrepen talen. De uitzondering waarnaar verzoeker verwijst is niet van toepassing.
- Verzoeker verwijst tevergeefs naar artikel 10, laatste lid, van het decreet van 19 juli 1973 waarin staat dat “de nietigverklaring geen nadeel [kan] berokkenen aan de werknemer en de rechten van derden onverminderd [laat].” De wetgeving is volgens verzoeker opgesteld in het voordeel van de werknemer. Alleen de werkgever kan volgens verzoeker een nadeel ondervinden. In casu is er echter geen sprake van een taalverplichting in de sociale betrekkingen tussen een werknemer en een werkgever, waarbij de verzoeker beschouwd moet worden als een werknemer. De gevraagde toelating is er enkel op gericht om de betrokkene vanop het grondgebied van het Vlaamse Gewest actief te laten zijn als zelfstandige. Artikel 10, laatste lid, van het decreet van 19 juli 1973 is niet van toepassing. VII-42.501-6/8
- Omdat de taalwetgeving de openbare orde raakt, vermocht de verwerende partij niet voorbij te gaan aan de vaststelling dat het bij haar ingestelde beroep in het Engels is ingediend. De verwerende partij is het in haar laatste memorie overigens zelf eens met deze analyse. Dat zij verzoekers beroep toch ten gronde heeft behandeld, wat zou kunnen betekenen dat zij het beroep als ontvankelijk beschouwde, ontslaat de Raad van State er niet van om – voor zoveel als nodig ambtshalve – vast te stellen dat het administratief beroep niet op ontvankelijke wijze werd ingesteld, hetgeen dan weer tot gevolg heeft dat ook het beroep bij de Raad van State niet ontvankelijk is. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twaalf mei tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Francis Van Nuffel, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter VII-42.501-7/8 Bart Tettelin Carlo Adams VII-42.501-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.249 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.