← België

Arrest 263257 - Penitentiair recht (met inbegrip van cassatie) - 12/05/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.257 Rolnummer: A. 242614/IX-10504 Zaak: Arrest 263257 - Penitentiair recht (met inbegrip van cassatie) - 12/05/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-05-27 Raadplegingen: 106 - laatst gezien 2026-06-16 05:05 Fiche Arrest nr 263.257 van 12 mei 2025 Justitie - Penitentiair recht (met inbegrip van cassatie) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 263.257 van 12 mei 2025 in de zaak A. 242.614/IX-10.504 In zake: XXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Butenaerts kantoor houdend te 1080 Brussel Leopold II-laan 180 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hans Rieder kantoor houdend te 9000 Gent Recollettenlei 39-40 advocaat Sven Mary kantoor houdend 1860 Meise Plasstraat 3 en advocaat Louis De Groote kantoor houdend te 9050 Gent Brusselsesteenweg 101A tegen: de DIRECTEUR-GENERAAL PENITENTIAIRE INRICHTINGEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Karine Van Gulck kantoor houdend te 2600 Berchem Deken De Winterstraat 26 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep

  1. Het cassatieberoep, ingesteld op 27 juli 2024, strekt tot de nietigverklaring van beslissing BC/24-02-09 van de beroepscommissie van de centrale toezichtsraad voor het gevangeniswezen van 18 juli
  2. IX-10.504-1/18 II. Verloop van de rechtspleging
  3. Bij beschikking nr. 15.980 van 5 september 2024 is het cassatieberoep toelaatbaar verklaard. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Christiaan Lesaffer heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft in een “laatste memorie - verzoek tot voortzetting van de procedure” gevraagd dat de procedure wordt voortgezet. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 april
  4. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Karine Van Gulck, die verschijnt voor de verwerende partij, is gehoord. Adjunct-auditeur Christiaan, daartoe gemachtigd bij beslissing van de auditeur-generaal van 24 september 2024, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. IX-10.504-2/18 III. Feiten
  6. De beroepscommissie heeft in de bestreden beslissing de volgende “Nuttige feiten ter beoordeling van het beroep” opgegeven: “Beroepsindiener [thans: verzoeker in cassatie] werd op 29 maart 2024 vanuit de Verenigde Arabische Emiraten uitgeleverd op verzoek van de FOD Justitie en werd bij aankomst in België opgesloten in de gevangenis van Dendermonde. In 2022 en 2023 werden eerder tegen hem drie aanhoudingsbevelen bij verstek uitgevaardigd inzake de handel in verdovende middelen, waarbij beroepsindiener verdacht wordt van een leidinggevende rol bij de activiteiten van een grootschalige criminele organisatie. Wegens ernstige aanwijzingen van een gevaar voor de orde en de veiligheid, werd beroepsindiener op 30 maart 2024 onder volgende bijzondere veiligheidsmaatregel (hierna ook ‘BVM’) geplaatst: - uitsluiting van deelname aan alle gemeenschappelijke activiteiten met glasbezoek; - observatie om het uur; - Verplicht verblijf in de toegewezen verblijfsruimte. Eveneens op 30 maart 2024 werd een ‘ordemaatregel controle briefwisseling – glasbezoek en beperking telefoon’ genomen, om zijn contacten met de buitenwereld te beperken. De BVM werden vervolgens verlengd bij beslissing van 5 april, 11 april en 18 april 2024, telkenmale na het horen van beroepsindiener. Op 18 april 2024 vroeg de directeur de gevangenisarts om een medisch advies over de verenigbaarheid van het voor te stellen regime met de gezondheidstoestand van de gedetineerde. Daags nadien adviseerde de gevangenisarts dat er geen bezwaar is tegen de voorgestelde maatregelen, met voorbehoud met betrekking tot zijn insuline-injecties. Op 23 april 2024 formuleerde de directeur van de gevangenis van Dendermonde een formeel voorstel tot plaatsing in IBVR, waarbij alle lopende maatregelen – afgezien van de observatie – werden overgenomen en in het bijzonder werd voorgesteld om individueel tafelbezoek en ongestoord of familiaal bezoek toe te laten met zijn eerstegraadsfamilie. De hoorzitting vond plaats op 23 april 2024 om 14u17 in het bijzijn van zijn raadsman. Op 26 april 2024 nam de directeur-generaal een eerste beslissing tot plaatsing in IBVR. Deze beslissing werd vernietigd door de beroepscommissie bij uitspraak van 3 juni 2024 (BC 24 0149). Daags nadien werd door de directeur een nieuwe BVM opgelegd aan beroepsindiener, waarbij beroepsindiener werd uitgesloten van deelname aan gemeenschappelijke activiteiten en een verplicht verblijf in de hem toegewezen verblijfsruimte werd opgelegd. IX-10.504-3/18 Eveneens werd een nieuwe ‘ordemaatregel controle briefwisseling – glasbezoek en beperking telefoon’ genomen, om zijn contacten met de buitenwereld te beperken. Op 6 juni 2024 deed de directeur een nieuw voorstel tot plaatsing in IBVR. Diezelfde dag volgde een medisch advies, waaruit volgt dat er geen contra-indicaties zijn inzake de verenigbaarheid van het voorgestelde regime met de gezondheidstoestand van beroepsindiener, behoudens dagelijks humaan contact wat betreft de uitsluiting van deelname aan activiteiten. Op 8 juni 2024 werd beroepsindiener gehoord over het voorstel in het bijzijn van zijn raadsman. Op 10 juni 2024 nam de directeur-generaal de thans bestreden plaatsing onder IBVR van 11 juni 2024 tot en met 9 augustus 2024.” Het veiligheidsregime waartoe de directeur-generaal op 10 juni 2024 beslist omvat de volgende maatregelen: “• Uitsluiting van deelname aan alle gemeenschappelijke activiteiten, maar toegelaten tot individuele fitness; • Systematische controle van uitgaande en inkomende briefwisseling; • Glasbezoek, met uitzondering van individueel tafelbezoek onder visueel toezicht met echtgenote en kinderen, met wie eveneens ongestoord en familiaal bezoek is toegestaan; • Gedeeltelijke ontzegging van het gebruik van de telefoon; • Verplicht verblijf in de hem toegewezen verblijfsruimte.” Met de thans bestreden beslissing van 18 juli 2024 verklaart de beroepscommissie het beroep van verzoeker tegen deze plaatsing onder IVBR (individueel bijzonder veiligheidsregime) ontvankelijk maar ongegrond en bevestigt zij de beslissing van de directeur-generaal van 10 juni
  7. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
  8. Het cassatieprocedurebesluit voorziet niet in de mogelijkheid om na de kennisgeving van het auditoraatsverslag nog een schriftelijke repliek in te dienen. Wanneer de auditeur concludeert dat het cassatieberoep moet worden verworpen, mag de verzoekende partij luidens artikel 18 van het cassatieprocedurebesluit vragen dat de procedure wordt voortgezet, bij gebreke waaraan de afstand van het geding kan worden toegewezen. De “laatste memorie IX-10.504-4/18 - verzoek tot voortzetting van de procedure” van verzoeker wordt slechts als procedurestuk aanvaard in zoverre hierin de vraag wordt gesteld om de procedure voort te zetten. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  9. Een eerste middel is genomen uit de schending van artikel 149 van de Grondwet en “wat betreft het derde onderdeel” van artikel 105, § 1, “in fine”, van de basiswet van 12 januari 2005 ‘betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden’ (“de basiswet”). Het wordt door verzoeker in de memorie van wederantwoord als volgt samengevat: “Verzoeker voert een schending van artikel 149 van de Grondwet aan. In een eerste middelonderdeel voert verzoeker aan dat de bestreden beslissing geen antwoord bevat op het aangevoerde middel / bezwaar dat een IBVR slechts kan opgelegd worden indien het dubbele proportionaliteits- en subsidiariteitsbeginsel wordt gerespecteerd. In een tweede middelonderdeel voert verzoeker aan dat ook op het tweede onderdeel van de eerste grief van de beroepsakte van 18 juni 2024 (‘Het individueel bijzonder veiligheidsregime was in casu niet de énige nog mogelijke manier (het ultimum remedium) om de veiligheid in de inrichting te waarborgen), wordt niet geantwoord door de bestreden beslissing. In een derde middelonderdeel voert verzoeker aan dat de bestreden beslissing niet antwoordt op het middel van verzoeker dat de schending van proportionaliteitsbeginsel viseert. Het betreft zowel een schending van artikel 149 van de Grondwet, als van artikel 105 § 1, in fine van de Basiswet.” Met betrekking tot het eerste middelonderdeel specificeert verzoeker nog: “Het verweer van eiser bestond erin dat er niet werd voldaan aan het dubbele proportionaliteits- en subsidiariteitsbeginsel, verweer waarop de bestreden beslissing niet antwoordt.” IX-10.504-5/18 Inzake het tweede middelonderdeel merkt verzoeker op dat het niet is omdat er geheime informatie voorhanden is, dat dit automatisch betekent dat een IBVR de enige nog mogelijke manier is om de veiligheid in de inrichting te waarborgen. Het is niet uitgesloten dat ook in zo een geval minder verregaande maatregelen volstaan om de veiligheid te garanderen; minstens moet vastgesteld worden dat de bestreden beslissing niet antwoordt op zijn verweer. Over het derde middelonderdeel wijst verzoeker erop dat het, anders dan het eerste middelonderdeel, het gebrek aan motivering aan de kaak stelt op zijn verweer en de aangevoerde schending van het proportionaliteitsbeginsel betreffende de inhoud van de opgelegde IBVR. Immers, ook wanneer een IBVR opgelegd zou kunnen worden omdat voldaan is aan het dubbele proportionaliteits- en subsidiariteitsbeginsel, dan nog dient ook de concrete inhoud van dit IBVR proportioneel te zijn. Het bezwaar van verzoeker dat het gebrek aan inhoudelijke proportionaliteit aanvoerde werd niet beantwoord en maakt een schending uit van de wettelijke vereiste, zoals vervat in de basiswet, van proportionaliteit. Beoordeling a. vooraf
  10. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet – al ware die redengeving verkeerd of onwettig – die hem ertoe brengt de beslissing te nemen. Bij de beoordeling of artikel 149 van de Grondwet is nageleefd is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Wanneer de motivering een IX-10.504-6/18 verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. Het gaat er dan ook niet om of de motivering omstandig of juist is. Alleen een gemis aan motivering – of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven – maakt een schending uit van artikel 149 van de Grondwet. Deze jurisdictionele motiveringsplicht houdt ook in dat het rechtscollege expliciet of impliciet moet antwoorden op de middelen van de betrokkene, op zijn minst wanneer die middelen de strekking van zijn beslissing kunnen beïnvloeden, maar worden afgewezen. De motiveringsplicht moet de partijen en de Raad van State toelaten zich ervan te vergewissen of het rechtscollege de voorgelegde gegevens heeft onderzocht en daadwerkelijk op de middelen heeft geantwoord. De bodemrechter is niet gehouden te antwoorden op de argumenten die een verzoekende partij ter staving van haar middel heeft aangevoerd, maar die geen afzonderlijk middel uitmaken. Het middel dat de schending van artikel 149 van de Grondwet aanvoert, kan slechts ontvankelijk zijn in zoverre het aan de bestreden beslissing verwijt dat het rechtscollege daarin niet de redenen opgeeft waarop zijn beslissing steunt of niet antwoordt op de middelen die de eiser voor dat rechtscollege heeft aangevoerd. Het middel is daarentegen niet ontvankelijk in zoverre het aanvoert dat de vermelde redenen onjuist of onwettig zijn of dat het rechtscollege de aangevoerde middelen niet afdoende weerlegt. b. eerste middelonderdeel
  11. Artikel 116 van de basiswet luidt: “§
  12. Wanneer uit concrete omstandigheden of uit de gedragingen van een gedetineerde blijkt dat hij een voortdurende bedreiging uitmaakt voor de veiligheid, en gebleken is dat zowel de in afdeling I vermelde controlemaatregelen als de in afdeling II vermelde bijzondere IX-10.504-7/18 beveiligingsmaatregelen ontoereikend zijn, kan hij in een individueel bijzonder veiligheidsregime worden geplaatst. §
  13. Tot de plaatsing in een individueel bijzonder regime kan enkel worden besloten wanneer de veiligheid op geen enkele andere wijze gevrijwaard kan worden en voor de daartoe strikt noodzakelijke tijd.”
  14. In de beroepsakte bij de beroepscommissie heeft verzoeker aangevoerd dat het IBVR dat hem wordt opgelegd, moet beantwoorden aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 116 van de basiswet, namelijk “het dubbele proportionaliteits- en subsidiariteitsbeginsel”. Volgens verzoeker heeft de beroepscommissie dat bezwaar wel vermeld, maar niet erop geantwoord.
  15. De beroepscommissie overweegt “dat uit haar vernietigingsuitspraak [van 3 juni 2024] niet a contrario kan worden afgeleid dat de destijds opgelegde bijzondere veiligheidsmaatregelen moeten worden geacht toereikend te zijn geweest”. “De ontoereikendheid van de voorgaande, definitief geworden BVM’s kon,” aldus de beroepscommissie, “ondanks het tijdsverloop, ook op 10 juni 2024 – datum van de bestreden beslissing – worden vastgesteld op grond van een actuele evaluatie inzake subsidiariteit”. Vervolgens overweegt de beroepscommissie: “Intussen blijkt er immers sprake van geactualiseerde vertrouwelijke informatie van de veiligheidsdiensten waaruit een aanhoudende dreiging blijkt […] en waaruit volgt dat de eerder doorlopen veiligheidsmaatregelen ontoereikend zijn gebleken op 10 juni 2024 en het resistente veiligheidsprobleem aldus op geen enkele andere wijze kon worden gevrijwaard.”
  16. Met deze overwegingen heeft de beroepscommissie geantwoord op de grief over de dubbele subsidiariteitsvereiste zoals opgeworpen door verzoeker. De verwerping van het beroep van verzoeker op het punt van de subsidiariteitstoets steunt aldus op in de bestreden beslissing veruiterlijkte motieven in antwoord op de grief van verzoeker, zodat de aangevoerde schending van artikel 149 van de Grondwet ongegrond is.
  17. Het eerste middelonderdeel is ongegrond. IX-10.504-8/18 IX-10.504-9/18 c. tweede middelonderdeel
  18. Luidens het tweede middelonderdeel heeft verzoeker het raden naar het standpunt van de beroepscommissie omtrent zijn grief dat het IBVR niet het ultimum remedium was om de veiligheid in de inrichting te waarborgen.
  19. Het tweede middelonderdeel valt samen met het eerste middelonderdeel. Hiervóór is al opgemerkt dat de beroepscommissie overweegt dat de ontoereikendheid van de voorgaande BVM’s kon worden vastgesteld en dat uit geactualiseerde vertrouwelijke informatie blijkt “dat de eerder doorlopen veiligheidsmaatregelen ontoereikend zijn gebleken op 10 juni 2024 en het resistente veiligheidsprobleem aldus op geen enkele andere wijze kon worden gevrijwaard”.
  20. Het tweede middelonderdeel is ongegrond. d. derde middelonderdeel
  21. In het derde middelonderdeel betoogt verzoeker dat niet is geantwoord op de schending van het proportionaliteitsbeginsel, zoals door hem aangevoerd “[in] randnummer 37 van de beroepsakte”.
  22. In voormeld randnummer 37 argumenteert verzoeker het volgende: “In zoverre de bestreden beslissing dan ook werd opgelegd zonder dat voorafgaand alle bijzondere veiligheids- en/of ordemaatregelen werden doorlopen, voldoet ze niet aan de proportionaliteitsvereiste en is ze onwettig.”
  23. Hierop antwoordt de beroepscommissie: “De beroepscommissie is van oordeel dat uit haar vernietigingsuitspraak niet a contrario kan worden afgeleid dat de destijds opgelegde bijzondere veiligheidsmaatregelen moeten worden geacht toereikend te zijn geweest. IX-10.504-10/18 De ex tunc werking reikt niet zo ver dat de voorgaande BVM’s – die op zichzelf staande administratieve beslissingen uitmaken – mede moeten worden geacht uit het rechtsverkeer te zijn verdwenen. Beroepsindiener liet overigens na klacht in te dienen aangaande de voorgaande bijzondere veiligheidsmaatregelen, zodat deze alleszins definitief zijn geworden en niet meer uit het rechtsverkeer kunnen worden verwijderd. Aldus kon de directeur-generaal er zich op beroepen in het kader van de thans bestreden beslissing en kan beroepsindiener niet ernstig voorhouden dat hij procedureel wordt benadeeld, te meer daar hij zelf de rechtsmiddelen in die eerste fase niet heeft uitgeput. De directeur-generaal kan bovendien op dienstige wijze per analogie verwijzen naar een vorige beoordeling van de beroepscommissie aangaande een gelijkaardig dossier, waarin sprake is van een gelijkaardig profiel als beroepsindiener (leidinggevende rol inzake grootschalig mediagevoelig dossier van georganiseerde drugscriminaliteit). In zoverre beroepsindiener daarentegen verwijst naar een andere uitspraak van de beroepscommissie, dient erop gewezen te worden dat de feitelijkheden van dat dossier niet zomaar per analogie kunnen worden doorgetrokken, daar het een geïnterneerde betrof. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat de penitentiaire administratie daar mogelijk anders te werk ging, nu het veiligheidsprobleem van een geheel andere aard is. De directeur-generaal wijst er voorts terecht op dat in de vernietigingsuitspraak in essentie een motiveringsgebrek werd vastgesteld, zonder dat daaruit kan worden afgeleid dat de eerder opgelegde BVM’s per definitie niet ontoereikend moeten worden geacht.”
  24. In de bestreden beslissing heeft de beroepscommissie aldus aangegeven om welke reden volgens haar de voorheen opgelegde veiligheidsmaatregelen geacht moeten worden te zijn doorlopen en heeft zij bijgevolg geantwoord op de aangehaalde grief van verzoeker. 19.
  25. In het inleidend verzoekschrift voert verzoeker daarenboven aan dat de bestreden beslissing artikel 105, § 1, van de basiswet schendt “dat vereist dat een aan de gedetineerde opgelegde plichten en beperkingen van rechten met het oog op de handhaving van de orde en de veiligheid, zowel door hun aard als door hun duur, in verhouding moeten staan tot deze doelstellingen”. In de memorie van wederantwoord, die de vorm moet aannemen van een samenvattende memorie en op grond waarvan de Raad van State uitspraak moet doen, heet het nog slechts dat artikel 105, § 1, in fine van de basiswet is geschonden omdat de bestreden beslissing niet antwoordt op het middel “dat de schending van [het] proportionaliteitsbeginsel viseert”. IX-10.504-11/18 19.
  26. Luidens artikel 3, § 2, 9°, van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’ moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de cassatiemiddelen bevatten”. Onder ‘cassatiemiddel’ moet een voldoende duidelijke omschrijving van de door de bestreden beslissing geschonden rechtsregel of rechtsbeginsel worden begrepen. Onder ‘uiteenzetting’ van het cassatiemiddel moet worden begrepen de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden uitspraak worden miskend. 19.
  27. Wat de aangevoerde schending van artikel 105, § 1, van de basiswet betreft, geeft verzoeker in het inleidend verzoekschrift een parafrase van de geschonden geachte bepaling, maar ontbreekt een uiteenzetting van het middelonderdeel. Het is in die mate onontvankelijk. In zoverre verzoeker al terecht in artikel 105, § 1, van de basiswet een motiveringsplicht bespeurt, is het hoe dan ook ongegrond om de reden die hiervóór heeft geleid tot de verwerping van de aangevoerde schending van de jurisdictionele motiveringsplicht. 20.
  28. In de memorie van wederantwoord betoogt verzoeker nog dat niet is geantwoord op zijn grief dat ook wanneer een IBVR opgelegd zou kunnen worden omdat voldaan is aan het dubbele proportionaliteits- en subsidiariteitsbeginsel, dan nog ook de concrete inhoud van deze IBVR proportioneel dient te zijn. 20.
  29. Met deze uiteenzetting geeft verzoeker een andere draagwijdte aan de grief die hij voor de bodemrechter opwierp, alsook aan zijn cassatiemiddel, waarin hij de verwerende partij verwijt dat het IBVR “werd opgelegd zonder dat voorafgaand alle bijzondere veiligheids- en/of ordemaatregelen werden doorlopen”, wat iets anders is dan een vermeende “schending van het proportionaliteitsbeginsel betreffende de inhoud van de IX-10.504-12/18 opgelegde IBVR”, waarmee de inhoud van de maatregelen van het IBVR wordt geviseerd. 20.
  30. Deze grief is nieuw en onontvankelijk.
  31. Ook het derde middelonderdeel faalt. d. conclusie
  32. Het middel wordt verworpen in al zijn onderdelen. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  33. Het tweede middel put verzoeker uit de schending van artikel 8 van de basiswet. In de memorie van wederantwoord vat hij het middel samen als volgt: “Van het uitzonderingsregime van artikel 8 § 1 van de Basiswet mag enkel toepassing gemaakt worden indien in concreto wordt aangetoond dat door het meedelen van de motieven, die aan de grondslag liggen van de IBVR, de veiligheid in de gevangenis ernstig in gevaar zou worden gebracht. De bestreden beslissing motiveert niet waarom het meedelen zelf van motieven de veiligheid in de gevangenis zou in het gedrang brengen. De bestreden beslissing stelt enkel dat toepassing wordt gemaakt van artikel 8 § 1 van de Basiswet omwille van de ‘noodzaak aan vertrouwelijkheid’ van informatie. Een eventuele ‘noodzaak aan vertrouwelijkheid’ van informatie is geen wettelijke grondslag om toepassing te maken van artikel 8 § 1 van de Basiswet.” Verzoeker betoogt nog dat de beroepscommissie motiveert, eensdeels, met “een standaardbepaling die op generlei wijze aangeeft waarom door het meedelen van de motieven, die aan de grondslag liggen van de IBVR, in concreto de veiligheid in de gevangenis ernstig in gevaar zou worden gebracht” en, anderdeels, met een verwijzing naar “de inhoud zelf van de geheime informatie, doch [deze] vormt geen motief of grondslag waaruit kan begrepen IX-10.504-13/18 worden waarom door het meedelen van de motieven in concreto de veiligheid in de gevangenis ernstig in gevaar zou worden gebracht”. IX-10.504-14/18 Beoordeling
  34. Artikel 8, § 1, van de basiswet luidt: “Alle beslissingen die in het kader van deze wet worden genomen, zijn met redenen omkleed, behalve in de gevallen waarin de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ geen motivering vereist, of in de gevallen waarin de kennisgeving van de motivering de veiligheid ernstig in gevaar zou brengen. Indien een beslissing niet met redenen is omkleed, wordt de directeur- generaal er onmiddellijk van in kennis gesteld, alsook van de redenen waarom de motivering ontbreekt. Indien de beslissing niet beantwoordt aan de in het eerste lid bedoelde motiveringsplicht, beveelt hij dat de beslissing met redenen wordt omkleed. De beslissingen die niet met redenen zijn omkleed, worden ingeschreven in een bijzonder daartoe bestemd register, volgens de door de Koning bepaalde regels. Dit register wordt uitsluitend ter beschikking gesteld van de toezicht- en klachtenorganen.”
  35. Uit de tekst van artikel 8 blijkt dat deze norm zich niet richt tot de beroepscommissie maar tot de organen van de verwerende partij die beslissingen nemen in het kader van de basiswet. De beroepscommissie waakt desgevraagd over de toepassing van deze wetsbepaling door de verwerende partij.
  36. De IBVR-beslissing van 10 juni 2024 verwijst uitdrukkelijk naar de toepassing van artikel 8 van de basiswet om bepaalde informatie niet aan verzoeker mee te delen en bevat hiervoor de volgende motivering: “In dit kader wordt verwezen naar de door het DG EPI ontvangen info vanuit de veiligheidsdiensten, die overeenkomstig artikel 8 van de Basiswet niet kon worden meegedeeld omdat de kennisgeving ervan de veiligheid ernstig in het gedrang zou brengen, maar waaruit blijkt dat het ontvluchtingsgevaar en het risico op verderzetten van criminele activiteiten zeer ernstig en actueel is, en er dus op dwingende wijze toe noopt om de contacten met medegedetineerden te beperken.” IX-10.504-15/18
  37. De in artikel 8, § 1, van de basiswet voorgeschreven formelemotiveringsplicht geldt niet, aldus die bepaling, “in de gevallen waarin de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ geen motivering vereist, of in de gevallen waarin de kennisgeving van de motivering de veiligheid ernstig in gevaar zou brengen”. Wanneer toepassing wordt gemaakt van deze uitzonderingen, omringt artikel 8, § 1, het gebrek aan uitdrukkelijke motivering met een dubbele waarborg. De directeur-generaal wordt op de hoogte gebracht van de redenen waarom de motivering ontbreekt – met andere woorden: de rechtens vereiste materiële grondslag – en vermag deze redenen te toetsen aan het vervuld zijn van de uitzonderingsgronden. De beslissingen die niet met redenen zijn omkleed, worden ingeschreven in een register zodat de toezicht- en klachtorganen er kennis van kunnen nemen. Ook zij beschikken alzo over de mogelijkheid om de rechtmatigheid van het niet-motiveren te controleren. Door aan te voeren dat “de redenen waarom de motivering ontbreekt” niet enkel aan de directeur-generaal en de toezicht- en klachtorganen maar ook aan de gedetineerde zelf ter kennis moeten worden gebracht, leest verzoeker in artikel 8, § 1, méér dan er staat, en faalt zijn middel naar recht.
  38. De beroepscommissie schendt niet de draagwijdte van het begrip ‘veiligheid in de gevangenis’ in de zin van artikel 8, § 1, van de basiswet of van ‘verstoring van de openbare orde’ in de zin van artikel 4, 2°, van de formelemotiveringswet door te overwegen wat volgt: “Het register werd ingekeken door een lid van de beroepscommissie. De beroepscommissie is van oordeel dat het gerechtvaardigd is om deze informatie niet ter beschikking te stellen van beroepsindiener daar de kennisgeving ervan aan hem de veiligheid ernstig in het gevaar zou brengen, meer bepaald de openbare veiligheid in het algemeen en de interne en externe veiligheid van de gevangenisinstelling in het bijzonder. Gevaar voor het verderzetten van criminele activiteiten en voor ontsnapping kan gelden als bedreiging voor de veiligheid. Het feit dat een gedetineerde of de organisatie waarvan hij deel uitmaakt over voldoende geld, macht en middelen zou beschikken, kan bijdragen aan de hoogte van IX-10.504-16/18 dit gevaar. Er blijkt in casu een aanhoudend gevaar uit de vertrouwelijke informatie. De beroepscommissie oordeelt derhalve dat de directeur-generaal op basis daarvan redelijkerwijze kon besluiten dat er sprake is van concrete omstandigheden aangaande een voortdurende bedreiging van de veiligheid.” Ook in die mate faalt het middel.
  39. De beroepscommissie ontzegt verzoeker kennis van de vertrouwelijke informatie wegens een “aanhoudend” “[g]evaar voor het verderzetten van criminele activiteiten en voor ontsnapping”, mede in het licht van het gegeven dat verzoeker “of de organisatie waarvan hij deel uitmaakt over voldoende geld, macht en middelen zou beschikken”. Het middel faalt in zoverre verzoeker betoogt dat de bestreden beslissing de toepassing van artikel 8, § 1, van de basiswet enkel goedkeurt omwille van de noodzaak aan vertrouwelijkheid van informatie.
  40. De beroepscommissie stelt vast “dat het gerechtvaardigd is om deze informatie niet ter beschikking te stellen van beroepsindiener daar de kennisgeving ervan aan hem de veiligheid ernstig in het gevaar zou brengen, meer bepaald de openbare veiligheid in het algemeen en de interne en externe veiligheid van de gevangenisinstelling in het bijzonder”. Het middel faalt in zoverre verzoeker betoogt dat de beroepscommissie de veiligheidsrisico’s als vereiste feitelijke grondslag van het IBVR (artikel 116, § 1, van de basiswet) en het veiligheidsrisico als vereiste feitelijke grondslag voor het vertrouwelijk houden van die informatie (artikel 8, § 1, van de basiswet) vermengt.
  41. Het middel wordt verworpen. IX-10.504-17/18 BESLISSING
  42. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  43. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro. Het ten onrechte gekweten rolrecht ten belope van 224 euro wordt terugbetaald aan de verzoekende partij.
  44. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twaalf mei tweeduizendvijfentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Jurgen Neuts, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren IX-10.504-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.257 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.