id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.285 Rolnummer: A. 241760/XIV-39408 Zaak: Arrest 263285 - Varia (economische zaken) - 13/05/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-05-20 Raadplegingen: 94 - laatst gezien 2026-06-16 05:06 Fiche Arrest nr 263.285 van 13 mei 2025 Economische zaken - Varia (economische zaken) Beslissing : Verwerping Afstand Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 263.285 van 13 mei 2025 in de zaak A. 241.760/XIV-39.408 In zake: de BV G. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stefaan Verbouwe kantoor houdend te 1150 Brussel Tervurenlaan 270 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat E.H. Bakker kantoor houdend te 3512 Utrecht Boothstraat 5 tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Peter Van Der Eecken en Jan Wesemael kantoor houdend te 9300 Aalst Pontstraat 6/11 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 25 april 2024, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de verwerende partij van “29 februari 2024 [die] betrekking [heeft] op de weigering tot vergoeding van 288.004 door verzoekster ingeleverde muntstukken ter waarde van EUR 50.000,60.” De verzoekende partij vordert in haar verzoekschrift tevens een schadevergoeding tot herstel. II. Verloop van de rechtspleging XIV-39.408-1/5
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. Overeenkomstig artikel 26, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’, heeft de voorzitter van de XIVe kamer bij beschikking van 14 maart 2025 aan de partijen voorgesteld dat de zaak niet op een openbare terechtzitting wordt behandeld, tenzij één van de partijen hierom verzoekt. Geen van de partijen heeft om een terechtzitting gevraagd. Overeenkomstig bovenvermelde beschikking, werd het debat gesloten en werd de zaak in beraad genomen op 23 april
- Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- XIV-39.408-2/5 III. Intrekking
- De bestreden beslissing werd ingetrokken bij beslissing van de Koninklijke Munt van België van 6 februari
- Het voorliggende annulatieberoep is derhalve zonder voorwerp geworden.
- Doordat het beroep tot nietigverklaring zonder voorwerp is geworden, is er evenmin nog reden om uitspraak te doen over de door de verwerende partij gevorderde toepassing van artikel 14ter en 35/1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. IV. Vordering tot schadevergoeding tot herstel
- De verzoekende partij vordert in het verzoekschrift ook een schadevergoeding tot herstel. In het “beschikkend gedeelte” van het verzoekschrift is ter zake het volgende gesteld: “5.3 Bij toepassing van art. 11bis RvS-wet verweerder te veroordelen tot de betaling aan Verzoekster van de som van EUR 50.000,--, uit hoofde van schadevergoeding tot herstel, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten aan de rentevoet voorzien bij de wet van 2 augustus 2002 inzake de betalingsachterstand bij handelstransacties, welke voor het eerste semester van 2024 12,50% bedraagt.” In haar laatste memorie stelt de verzoekende partij: “3.1 Na kennisname van het auditoraatsverslag, heeft de verwerende partij op 6 februari beslist om de bestreden beslissing in te trekken, met de mededeling dat zij het verzoek tot vergoeding van verzoekster opnieuw zal onderzoeken. Op vandaag heeft verzoekster geen kennis van een dergelijke beslissing na nieuw onderzoek. 3.2 In elk geval is het zo dat de huidige procedure, gelet op deze intrekking, zonder voorwerp is geworden, aangezien de bestreden beslissing uit het rechtsverkeer is verdwenen. In de mate Uw Raad aldus niet langer het bestreden besluit kan vernietigen, kan zij evenmin in dit stadium uitspraak doen over de vordering tot schadevergoeding tot herstel. 3.3 Verzoekster dient de nieuwe beslissing in te wachten. Intussen past het om de verwerende partij te veroordelen tot de kosten van de procedure, XIV-39.408-3/5 aangezien het verzoek tot vernietiging gegrond voorkomt en verwerende partij om die reden heeft beslist om haar beslissing in te trekken.” In fine van haar laatste memorie formuleert de verzoekende partij het volgende in het “beschikkend gedeelte”: “
- BESCHIKKEND GEDEELTE Om de voorgaande redenen, vraagt verzoekster Uw Raad van State: Verwerende partij te veroordelen tot de kosten van de procedure, begroot aan de zijde van verzoekster op het rolrecht en een rechtsplegingsvergoeding van EUR 700,00.”
- Uit wat voorafgaat blijkt dat de verzoekende partij afstand doet van haar vordering tot schadevergoeding tot herstel, waarbij die afstand klaarblijkelijk is ingegeven door de intrekking van de bestreden beslissing op grond waarvan de verwerende partij haar beslissingsbevoegdheid herleeft. In het kader daarvan zal die inderdaad een nieuwe beslissing op de aanvraag van de verzoekende partij tot vergoeding voor de ingeleverde muntstukken moeten nemen die de verzoekende partij, zo blijkt uitdrukkelijk uit haar laatste memorie, wil afwachten. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep en verleent akte van de afstand van de vordering tot schadevergoeding tot herstel.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij.
- Het door de verzoekende partij betaalde bedrag aan rolrechten en bijdrage voor de vordering tot schadevergoeding tot herstel dient te worden teruggestort. XIV-39.408-4/5 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op dertien mei tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-39.408-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.285 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div