← België

Arrest 263287 - Overheidsopdrachten - 13/05/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.287 Rolnummer: A. 242547/XIV-39612 Zaak: Arrest 263287 - Overheidsopdrachten - 13/05/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-05-20 Raadplegingen: 95 - laatst gezien 2026-06-16 05:06 Fiche Arrest nr 263.287 van 13 mei 2025 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Opheffing Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 263.287 van 13 mei 2025 in de zaak A. 242.547/XIV-39.612 In zake:

  1. de NV I.
  2. de NV E. - samen vormend een tijdelijke maatschap bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Valère Vereecke kantoor houdend te 2000 Antwerpen Molenbergstraat 10/25 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de NATIONALE INSTELLING VOOR RADIOACTIEF AFVAL EN VERRIJKTE SPLIJTSTOFFEN (NIRAS) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Butenaerts kantoor houdend te 1080 Brussel Leopold II-laan 180 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partijen:
  3. de nv N.
  4. de sas N., vennootschap naar Frans recht samen vormend een tijdelijke maatschap bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Gauthier Ervyn, Matthieu Leysen en Maximilien Storme kantoor houdend te 1160 Brussel Hermann-Debrouxlaan 40 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- XIV-39.612-1/10 I. Voorwerp van het beroep
  5. Het beroep, ingesteld op 6 augustus 2024, strekt tot de nietigverklaring van “[d]e gemotiveerde gunningsbeslissing in het kader van de overheidsopdracht met als onderwerp ‘versnijding van het geactiveerde beton van gebouw 14 van ONSF’, waarbij voormelde overheidsopdracht werd gegund aan [de tussenkomende partijen], en de impliciete beslissing om de opdracht niet aan verzoekende partij te gunnen”. II. Verloop van de rechtspleging
  6. Bij arrest nr. 260.514 van 20 augustus 2024 is de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid bevolen van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing en is het verzoek tot tussenkomst ingewilligd. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De adjunct-auditeur heeft overeenkomstig artikel 11/5 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’ meegedeeld dat zij geen verslag over het beroep tot nietigverklaring zal neerleggen. Overeenkomstig artikel 26, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’, heeft de voorzitter van de XIVe kamer bij beschikking van 27 februari 2025 aan de partijen voorgesteld dat de zaak niet op een openbare terechtzitting wordt behandeld, tenzij één van de partijen hierom verzoekt. XIV-39.612-2/10 Geen van de partijen heeft om een terechtzitting gevraagd doch, gelet op de gerezen betwisting tussen de partijen inzake de kosten zoals die blijkt uit de door hun aan de Raad van State bezorgde briefwisseling, werden de partijen bij beschikking van 25 maart 2025 door de voorzitter van de XIVe kamer opgeroepen te verschijnen ter zitting op 23 april
  7. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  8. III. Regelmatigheid van de rechtspleging
  9. Met een brief van 19 maart 2025 repliceert de verwerende partij op de vereffeningsnota van de verzoekende partijen (zie infra, punt 10), waarop de verzoekende partijen repliceren met een brief van 24 maart
  10. Hierop repliceert de verwerende partij op haar beurt met een brief van 26 maart
  11. Artikel 84/1 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: de algemene procedureregeling), dat de regeling inzake de vereffeningsnota bepaalt, voorziet niet in de mogelijkheid tot schriftelijke repliek op een vereffeningsnota, noch in een repliek op de repliek. De in punt 3 vermelde brieven zijn derhalve niet voorzien in de rechtspleging en dus niet ontvankelijk. Ter terechtzitting erkennen de partijen dat de erin ontwikkelde argumenten die zijn welke zij ter terechtzitting ontwikkelen. In zoverre die brieven derhalve de neerslag vormen van de respectieve uiteenzettingen ter terechtzitting, wordt ze niet als een processtuk, maar als een loutere inlichting in aanmerking genomen. XIV-39.612-3/10 IV. Intrekking
  12. De bestreden beslissing werd ingetrokken bij besluit van de raad van bestuur van de verwerende partij van 6 december
  13. Ingevolge deze intrekking is het voorliggende beroep derhalve in haar geheel zonder voorwerp, ook wat de gevorderde nietigverklaring betreft van de impliciete beslissing om de opdracht niet aan de verzoekende partijen te gunnen. V. Inzake de kosten en de rechtsplegingsvergoeding A. De kosten
  14. Op grond van artikel 68, vijfde lid, van de algemene procedureregeling, wordt “in ieder geval […] het geheel van de kosten […] ten laste gelegd van de partij die ten gronde in het ongelijk gesteld wordt”. Ingevolge de intrekking van de bestreden beslissing moet de verwerende partij worden beschouwd als de partij die ten gronde in het ongelijk werd gesteld en moeten de kosten haar ten laste worden gelegd.
  15. Op grond artikel 70, § 1, 2°, van de algemene procedureregeling geeft zowel het voorliggende beroep tot nietigverklaring, als de nog niet begrote vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, aanleiding tot de betaling van elk een rolrecht van 200 euro. Voorts geven collectieve verzoekschriften zoals het voorliggende, aanleiding tot het betalen van zoveel malen het recht als er verzoekers zijn (art. 70, § 3, van de algemene procedureregeling). Luidens artikel 66, 6°, van de algemene procedureregeling geeft het voorliggende beroep voor de Raad van State ook aanleiding tot het kwijten van de bijdrage bedoeld in artikel 4, § 4, van de wet van 19 maart 2017 ‘tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand.’ De XIV-39.612-4/10 toepassing van deze begrotingsregels leidt finaal tot de bedragen zoals die hierna in het dictum zijn begroot. Tot slot blijkt uit het rechtsplegingsdossier dat de verzoekende partijen deze bedragen tijdig hebben gekweten overeenkomstig artikel 71, eerste lid, van de algemene procedureregeling.
  16. Uit wat voorafgaat blijkt dat de kritiek van de verwerende partij dat de verzoekende partijen slechts tweemaal 200 euro zouden hebben betaald, geen steun vindt in het dossier en dus ongegrond is. Voorts verwijst de verwerende partij naar artikel 70, § 1, derde lid, van de algemene procedureregeling, om zich de vraag te stellen of er “überhaupt” wel een rolrecht is verschuldigd voor het beroep tot nietigverklaring, maar die bepaling is niet ter zake, alleen al om de reden dat te dezen geen toepassing is gemaakt van artikel 90 van de algemene procedureregeling.
  17. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en van het beroep tot nietigverklaring, zoals begroot in het dictum. B. De rechtsplegingsvergoeding
  18. Met een vereffeningsnota van 12 maart 2025 vorderen de verzoekende partijen de basisrechtsplegingsvergoeding van 770 euro wat de schorsingsprocedure betreft en de maximum rechtsplegingsvergoeding van 2.800 euro wat de vernietigingsprocedure betreft. Deze verhoogde rechtsplegingsvergoeding verantwoorden zij als volgt: “De verhoogde rechtsplegingsvergoeding wordt verantwoord door de complexiteit van de zaak. Zo formuleerden verzoekende partijen 3 middelen, waarbij voornamelijk de raming van de overheidsopdracht en het uitgevoerde prijs-en kostenonderzoek worden aangevallen. Er kan niet worden ontkend dat onderhavige zaak een zekere complexiteit kent. Zo is XIV-39.612-5/10 het uitgevoerde prijs-en kostenonderzoek aangaande de eerste offertes en aangaande de BAFO’s, rekening houdend met de raming, een technische en complexe aangelegenheid. De complexiteit blijkt ook uit uw schorsingsarrest in deze zaak. Daarnaast wordt de verhoogde rechtsplegingsvergoeding ook verantwoord door de houding van verwerende partij en de kennelijk onredelijk situatie die door verwerende partij werd gecreëerd. De intrekkingsbeslissing dateert al van 6 december 2024 (!). Evenwel heeft verwerende partij met opzet gewacht tot de memorie van wederantwoord door cliënten werd ingediend, met de nodige kosten voor cliënten tot gevolg, om daarna pas cliënten en Uw Raad in kennis te stellen van deze intrekkingsbeslissing bij schrijven dd. 20 januari
  19. Verwerende partij heeft cliënten en Uw Raad pas op 20 januari 2025 in kennis gesteld van de intrekking, terwijl de eigenlijke beslissing al bijna 2 maanden eerder was genomen. Hierdoor wordt het maximumbedrag van de rechtsplegingsvergoeding voor de vernietigingsprocedure ook verantwoord. Verzoekende partijen hebben niet alleen een verzoekschrift tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid ingediend maar ook een in grote mate nieuw verzoekschrift tot nietigverklaring met zelfs een nieuw middel. Daarnaast hebben verzoekende partijen ook een memorie van wederantwoord ingediend.” Ondergeschikt vorderen zij tweemaal de basisrechtsplegingsvergoeding van 770 euro, te weten één in het raam van de vordering tot schorsing en een andere in het raam van de vernietigingsprocedure. Beoordeling
  20. Er is te dezen grond om overeenkomstig artikel 30/1, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, de verzoekende partijen een rechtsplegingsvergoeding toe te kennen nu deze als de in het gelijk gestelde partijen dienen te worden beschouwd.
  21. De verzoekende partijen vorderen twee rechtsplegingsvergoedingen, met name één voor de vordering tot schorsing en één voor het beroep tot nietigverklaring. Dit verzoek wordt niet ingewilligd, om de navolgende reden. XIV-39.612-6/10 De verzoekende partijen hebben een beroep tot nietigverklaring ingediend na een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. In dat geval worden geen twee rechtsplegingsvergoedingen toegekend, maar wordt met toepassing van artikel 67, § 2, eerste lid, van de algemene procedureregeling het basis-, minimum- of maximumbedrag forfaitair verhoogd met een bedrag dat overeenstemt met 20 procent van dit bedrag, op voorwaarde dat de regeling vervat in artikel 67, § 2, derde lid, van de algemene procedureregeling geen toepassing vindt. Door de intrekking van de bestreden beslissing is het beroep tot nietigverklaring evenwel zonder voorwerp en dus doelloos geworden. De in artikel 67, § 2, eerste lid, van de algemene procedureregeling vervatte verhoging van de rechtsplegingsvergoeding is te dezen derhalve evenmin verschuldigd. Aan de verzoekende partijen is derhalve één

(1)rechtsplegingsvergoeding verschuldigd.
  1. De verzoekende partijen betogen ook dat er reden is om het bedrag – wat het beroep tot nietigverklaring betreft - te verhogen wegens de complexiteit van de zaak en de kennelijk onredelijke situatie die door de verwerende partij volgens hen werd gecreëerd. Ook dat verzoek wordt niet ingewilligd om de navolgende reden. Luidens artikel 30/1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de afdeling Bestuursrechtspraak een rechtsplegingsvergoeding toekennen, die een forfaitaire tegemoetkoming is in de kosten en honoraria van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij. Bij een met bijzondere redenen omklede beslissing kan de afdeling Bestuursrechtspraak de vergoeding desgevallend verlagen, zonder daarbij het door de Koning bepaalde minimumbedrag te overschrijden. In haar beoordeling houdt zij rekening met: 1° de financiële draagkracht van de in het ongelijk gestelde partij, 2° de complexiteit van de zaak, 3° de kennelijk onredelijke aard van de situatie. Deze bepaling somt de criteria op waarmee de Raad van State rekening houdt om al dan XIV-39.612-7/10 niet af te wijken van het toe te kennen basisbedrag. Deze opsomming is limitatief zodat de Raad van State niet op andere gronden mag afwijken van het basisbedrag. In de mate dat de verzoekende partij zich beroept op de complexiteit van de zaak, wordt vooreerst bemerkt dat de enkele omstandigheid dat op grond van artikel 67, § 1, tweede lid, van de algemene procedureregeling, in geschillen betreffende de regelgeving inzake de overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten, het maximumbedrag op 2.800 euro is gebracht, volstaat om af te wijken van het (niet-geïndexeerde) basisbedrag van 700 euro, noch doet dit blijken van hogere complexiteit van de zaak. Voorts brengen de verzoekende partijen een aantal elementen aan die volgens hen doen blijken van de complexiteit van de zaak, maar zij maken niet aannemelijk dat die niet inherent zijn aan, c.q. kenmerkend zijn voor vele procedures inzake overheidsopdrachten die voor de Raad van State wordt gebracht, noch tonen zij in concreto aan dat de ingeroepen argumenten ter adstructie van het complex karakter van hun zaak, de complexiteit eigen aan de aard van het betrokken contentieux – dat zich uit zijn aard kenmerkt door een bepaalde techniciteit van de geldende regels en de toepassing ervan op een geschil – in complexiteit overstijgen. Bovendien moeten de verzoekende partijen zelf de gevolgen dragen van het aantal middelen dat zij in het verzoekschrift wensen aan te voeren en van de complexe uitwerking ervan: de omstandigheid dat zij meerdere middelen ontwikkelen in hun procedurestukken maakt immers op zich de zaak niet complex. Voorts zijn de prestaties die door de verzoekende partijen zijn geleverd te kaderen binnen het normale verloop van een geschil voor de Raad van State gekenmerkt door een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring en waaraan, door de intrekking van de bestreden beslissing, een vroegtijdig einde is gekomen. In de mate dat de verzoekende partijen zich beroepen op de door “opzet” gekenmerkte houding van de verwerende partij naar aanleiding van de kennisgeving van de intrekking van de bestreden beslissing, beroepen zij zich op het criterium van “de kennelijk onredelijke aard van de situatie”. Dat criterium moet worden omschreven als een specifieke situatie die niet gelijkgesteld kan worden met een criterium als billijkheid. Aangezien de rechtsplegingsvergoeding ertoe strekt forfaitair tegemoet te komen in de kosten en honoraria van de advocaat XIV-39.612-8/10 en dus geen sanctionerend karakter heeft, kan in het raam van dit criterium de (proces)houding van de verwerende partij niet in rekening worden gebracht en zulks voorts los van de vraag of de proceshouding die de verwerende partij wordt verweten, haar ten kwade kan worden geduid.
  2. Uit wat voorafgaat volgt dat er geen redenen voorhanden zijn die ertoe nopen het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding te verhogen. Aan de verzoekende partijen wordt bijgevolg het (geïndexeerde) basisbedrag van 770 euro toegekend. BESLISSING
  3. De Raad van State verwerpt het beroep.
  4. De bij arrest nr. 260.514 van 20 augustus 2024 bevolen schorsing wordt opgeheven.
  5. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 800 euro, een bijdrage van 48 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partijen. De tussenkomende partijen worden, elk voor de helft, verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 300 euro. XIV-39.612-9/10 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op dertien mei tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-39.612-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.287 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.514 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.