← België

Arrest 263289 - Kind & Gezin - 14/05/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.289 Rolnummer: A. 238960/XII-9663 Zaak: Arrest 263289 - Kind & Gezin - 14/05/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-05-20 Raadplegingen: 175 - laatst gezien 2026-06-18 22:13 Fiche Arrest nr 263.289 van 14 mei 2025 Sociale zaken en volksgezondheid - Kind & Gezin Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.289 no lien 283143 identiques ecli_input ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR ecli_prefixe ECLI ecli_pays BE ecli_cour RVSCE ecli_cour_old RVSCE ecli_annee 2019 ecli_ordre ARR ecli_typedec ecli_datedec ecli_chambre ecli_nosuite Invalid ECLI ID - no_ordre - 1 elements ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR invalide Invalid ECLI ID - no_ordre - 1 elements ecli_input ECLI:BE:GHCC:2020.ARR.105 ecli_prefixe ECLI ecli_pays BE ecli_cour GHCC ecli_cour_old ecli_annee 2020.ARR.105 ecli_ordre ecli_typedec ecli_datedec ecli_chambre ecli_nosuite Invalid ECLI ID - 4 element(

  1. s)ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:GHCC:2020.ARR.105 invalide Invalid ECLI ID - 4 element(
  2. s)ecli_input ECLI:BE:GHCC:2010.ARR.109 ecli_prefixe ECLI ecli_pays BE ecli_cour GHCC ecli_cour_old ecli_annee 2010.ARR.109 ecli_ordre ecli_typedec ecli_datedec ecli_chambre ecli_nosuite Invalid ECLI ID - 4 element(
  3. s)ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:GHCC:2010.ARR.109 invalide Invalid ECLI ID - 4 element(
  4. s)RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 263.289 van 14 mei 2025 in de zaak A. 238.960/XII-9663 In zake : 1. de BV MIPPIE EN MOPPIE (in staat van faillissement), rechtsgeding hervat door curator Jens Vrebos kantoor houdende te 8000 Brugge Ezelstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen 2. M.V. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Philip Willemyns kantoor houdend te 3000 Leuven Koning Leopold I-straat 50 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stefaan Verbouwe en Rutger Robijns kantoor houdend te 1150 Brussel Tervurenlaan 270 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 25 april 2023, strekt tot de nietigverklaring van “[d]e beslissing van de Vlaams minister van Welzijn, Gezondheid en Gezin van 27 februari 2023 betreffende het bezwaar van 21 november 2022 tegen de beslissing tot schorsing uit voorzorg bij dringende noodzakelijkheid voor de kinderopvanglocatie Mippie en Moppie 5 en 6.” XII-9663-1/25 II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 257.574 van 9 oktober 2023 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De gedinghervattende partij en de tweede verzoekende partij hebben een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de gedinghervattende partij en de tweede verzoekende partij hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Anja Somers heeft een verslag opgesteld. De gedinghervattende partij en de tweede verzoekende partij hebben een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 24 april 2025. Kamervoorzitter Chantal Bamps heeft verslag uitgebracht. Advocaat Marlies De Brabandere, die loco advocaat Jens Vrebos verschijnt voor de eerste verzoekende partij, advocaat Dennis Muniz, die loco advocaat Philip Willemyns verschijnt voor de tweede verzoekende partij en advocaat Stefaan Verbouwe, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. XII-9663-2/25 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. In het tussenarrest nr. 257.574 van 9 oktober 2023 waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing werd verworpen, worden de feiten als volgt weergegeven: “III. Feiten 3.1. De verzoekende partijen zijn organisatoren van kinderopvang in de opvanglocaties Mippie en Moppie 5 te Hofstade en 6 te Zemst. Tweede verzoeker is de bestuurder van de BV Mippie en Moppie, zijnde de eerste verzoekende partij. De Mippie en Moppie groep bestaat uit vijf opvanglocaties (Mippie en Moppie zonder nummer, 2, 4, 5 en 6). 3.2. Naar aanleiding van een klacht omtrent de werking van de kinderopvanglocatie Mippie en Moppie 2 beslist het agentschap Opgroeien regie (hierna: het agentschap) op 10 november 2022 tot de schorsing van de vergunning uit voorzorg bij dringende noodzakelijkheid, met uitwerking van 11 november 2022 tot 11 januari 2023. Op 21 november 2022 beslist het agentschap eveneens tot schorsing van de vergunning bij dringende noodzakelijkheid van de overige opvanglocaties. De schorsing loopt van 22 november 2022 tot en met 23 januari 2023. 3.3. Op 22 december 2022 dienen de verzoekende partijen bezwaar in tegen deze bestuurlijk maatregel met betrekking tot de opvanglocaties Mippie en Moppie zonder nummer, 4, 5 en 6. Op 23 december 2022 verklaart het agentschap het ingediende bezwaar ontvankelijk. 3.4. Op 10 januari 2023 besluit het agentschap om de schorsing van de vergunning betreffende de opvanglocatie Mippie en Moppie 2 te verlengen tot 1 februari 2023. Omwille van de inhoudelijke zwaarwichtigheid van de opgestarte handhavingstrajecten meldt het agentschap op 22 november 2022 de organisatoren van de respectievelijke kinderopvanglocaties aan bij het VECK om een risicotaxatie uit te voeren. 3.5. Tijdens de eerste schorsingstermijn krijgt het agentschap het bericht van het VECK dat hun risicotaxatie in een eindfase zit, maar geen definitief advies kan worden afgeleverd voor afloop van de eerste schorsingstermijn. Omdat het advies van het VECK een belangrijk onderdeel vormt in de handhaving worden de beslissingen van 10 en 21 november 2022 verlengd. Hetzelfde doet zich voor op 19 januari 2023 voor de overige opvanglocaties, met verlenging tot 28 februari 2023. 3.6. Op 25 januari 2023 wordt een stopzettingsformulier bij het agentschap ingediend door de organistoren van de opvanglocaties Mippie en Moppie zonder nummer en 2. Op 27 januari 2023 volgt nog een stopzettings-formulier voor de opvanglocatie Mippie en Moppie 4. Met ingang van 1 februari 2023 beslist het agentschap tot opheffing van de vergunning van de opvanglocatie Mippie en Moppie 2, na stopzetting. XII-9663-3/25 3.7. Op 30 januari 2023 behandelt de adviescommissie WVG de ingediende bezwaren. Het bezwaar betreffende de opvanglocaties Mippie en Moppie zonder nummer, 2 en 4 wordt zonder voorwerp verklaard. Het bezwaar t.a.v. de opvanglocaties Mippie en Moppie 5 en 6 wordt gegrond verklaard. 3.8. Op 14 februari 2023 vindt een gesprek plaats tussen het agentschap en tweede verzoeker naar aanleiding van de tussengekomen risicotaxatie door het VECK van de opvanggroep Mippie en Moppie. Er wordt een negatief advies verleend. Luidens artikel 22, § 2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 juli 2003 ‘betreffende de Adviescommissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en gezin en (kandidaat-)pleegzorgers’ wordt de definitieve beslissing in dat geval genomen door de bevoegde minister. 3.9. Bij besluit van 27 februari 2023 beslist de verwerende partij dat de bezwaren gericht tegen de bestuurlijke maatregelen van 21 november 2022 wat betreft de opvanglocaties Mippie en Moppie 5 en 6 ongegrond zijn, wordt de vergunning met ingang van 1 maart 2023 opgeheven en worden de subsidies stopgezet vanaf 22 november 2022. Dit is de bestreden beslissing.” IV. Faillissement 4.1. Bij vonnis van 16 mei 2023 wordt de BV Mippie en Moppie, zijnde de eerste verzoekende partij, door de Nederlandstalige ondernemings- rechtbank te Brussel in staat van faillissement verklaard en wordt advocaat Jens Vrebos (hierna: de curator) aangesteld als curator over het faillissement. 4.2. Bij brief van 3 juli 2023 verklaart de curator met toepassing van artikel 58 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak voor de Raad van State’ (hierna: de algemene procedureregeling), het geding te hernemen voor de BV Mippie en Moppie. XII-9663-4/25 V. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie van gebrek aan belang in hoofde van de initieel eerste verzoekende partij cq de gedinghervattende partij en de tweede verzoekende partij Standpunt van de partijen 5. De verwerende partij werpt in de memorie van antwoord een exceptie van gebrek aan belang in hoofde van de initieel eerste verzoekende partij cq de gedinghervattende partij en de tweede verzoekende partij op. De verwerende partij benadrukt vooreerst dat
  5. i)de Ondernemingsrechtbank te Brussel de BV Mippie en Moppie BV bij vonnis van 16 mei 2023 failliet heeft verklaard na aangifte van staking van betaling en een curator heeft aangesteld, die bij brief van 3 juli 2023 in toepassing van artikel 58 van de algemene procedureregeling het geding heeft hervat voor de BV Mippie en Moppie;
  6. ii)de BV Mippie en Moppie sinds mei 2023 definitief geen enkele activiteit meer uitvoert; iii) de opvangactiviteiten sowieso reeds werden gestaakt sinds 22 november 2022;
  7. iv)gezien de BV Mippie en Moppie, als organisator van Mippie en Moppie 5, slechts één bestuurder kent, met name de tweede verzoekende partij, niet kan worden ingezien, waarom de situatie anders zou zijn voor Mippie en Moppie 6 en
  8. v)de tweede verzoekende partij, als organisator van Mippie en Moppie 6, ook al een stopzettingsformulier van opvangactiviteiten voor Mippie en Moppie 4 aan het agentschap liet geworden. Gezien de voorgaande feiten is er volgens de verwerende partij derhalve in hoofde van de initieel eerste verzoekende partij cq de gedinghervattende partij en de tweede verzoekende partij geen intentie meer om nog opvangactiviteiten te organiseren. Bijgevolg kan volgens haar, wanneer er geen wens is om nog opvangactiviteiten te organiseren, niet worden ingezien welk belang de initieel eerste verzoekende partij cq de gedinghervattende partij en de tweede verzoekende partij nog zouden hebben bij de nietigverklaring van de bestreden beslissing. Wel is het zo dat de verwerende partij in stuk nr. 8 van het administratief dossier leest dat er de wens tot overdracht van de opvanglocatie nr. 4 XII-9663-5/25 zou zijn. Het is de verwerende partij, thans maanden na opstart van deze procedure, niet bekend wat hiertoe nog de intenties en/of vooruitzichten zouden (kunnen) zijn. Eventuele vooruitzichten, onderhandelingen, afspraken m.b.t. een overname voor bv. Mippie en Moppie 5 en 6 zijn volgens de verwerende partij een pure privéaangelegenheid waar de overheid vreemd aan is, en kunnen geen drijfveer zijn voor het bekomen van een nietigverklaring voor de Raad van State. De initieel eerste verzoekende partij cq de gedinghervattende partij en de tweede verzoekende partij zijn volgens de verwerende partij ook niet in de mogelijkheid om een nietigverklaring te bekomen teneinde de vergunningen en subsidies aan te houden als economische hefboom met het oog op een toekomstige onderhandeling. De subsidies kunnen sowieso niet herleven, waar het beschikbaar subsidiebudget ondertussen reeds werd ingezet voor andere opvanglocaties die wel aan de werkingsvoorwaarden voldoen. Ook een vernietiging van de bestreden beslissing heeft volgens de verwerende partij niet tot gevolg dat er zonder meer terug budget (publieke gelden) beschikbaar zou zijn voor de initieel eerste verzoekende partij cq de gedinghervattende partij en de tweede verzoekende partij. Het vrijmaken van subsidiebudget is immers aan strikte voorwaarden onderworpen. Volgens de verwerende partij dient de vraag te worden gesteld, gezien het tussengekomen faillissement en de staking van de opvangactiviteiten, het verdwijnen van personeel en opgevangen kinderen, welk nuttig gevolg de nietigverklaring nog voor de initieel eerste verzoekende partij cq de gedinghervattende partij en de tweede verzoekende partij zou kunnen ressorteren. De verwerende partij benadrukt dat vergunningen niet overdraagbaar zijn (los van de nietigverklaring van de bestreden beslissing) en subsidies niet mogen verhandeld worden. Publieke gelden mogen ook niet worden behouden, doch moeten terugkeren naar de overheid als zij niet worden aangewend voor het doel waarvoor zij bedoeld waren subsidies kunnen evenmin worden ingezet om overnamekosten te compenseren. Een overname is derhalve volgens de verwerende partij geen optie (meer) en ook hier speelt het tijdsaspect dat verbonden is aan het verloop van de annulatieprocedure. Meer nog, volgens artikel 90 van het besluit van de Vlaamse regering van 9 mei 2014 ‘houdende de procedures voor de aanvraag en toekenning van de vergunning en de subsidies voor gezinsopvang en groepsopvang van baby’s en peuters’ ( hierna: het Procedurebesluit van 9 mei 2014), is er enkel sprake van een overname (met mogelijkheid tot overname subsidies) als er cumulatief aan 5 XII-9663-6/25 voorwaarden is voldaan. Eén ervan is dat de overnemer binnen een termijn van 30 dagen na de stopzetting van de activiteiten door de vorige organisator, de werking opstart, wat volgens de verwerende partij te dezen niet het geval is. Een andere voorwaarde is dat de nieuwe organisator alle gesloten schriftelijke overeenkomsten voor kinderopvang dient over te nemen van de vorige organisator, wat volgens de verwerende partij evenmin mogelijk is. Bovendien beschikt de organisator niet meer over subsidies. Als de subsidies al niet van rechtswege zouden zijn stopgezet (cfr. artikelen 57, §2/1, en 90 Procedurebesluit van 9 mei 2014), zijn de subsidies volgens de verwerende partij in elk geval per uitdrukkelijke beslissing stopgezet. De organisator beschikt niet automatisch over een voorbehoud voor subsidies ten voordele van een andere organisator, nu dit volgens de verwerende partij op een gemotiveerde wijze moet worden aangevraagd en goedgekeurd door het agentschap, wat niet is gebeurd en bijgevolg niet meer mogelijk is. Volgens de verwerende partij dient een beroep tot nietigverklaring te worden afgewezen wanneer er geen indicaties zijn dat de initieel eerste verzoekende partij cq de gedinghervattende partij en de tweede verzoekende partij wensen te strijden voor het behoud van de opvanglocaties met concrete elementen teneinde tekorten van de baan te krijgen (plannen van aanpak, contractuele afspraken tot individuele ondersteuning,…). Zij benadrukt dat het belang van de kinderen dient te prevaleren, niet de financiële toestand van de ex-organisatoren in het kader van mogelijke onderhandelingen. Er mag daarbij niet worden vergeten dat de inzet van een annulatieberoep het zuiveren van de rechtsorde door de vernietiging van een onwettige bestuurshandeling is. Het eventueel onderhandelen, afsluiten en uitvoeren van overeenkomsten betreft subjectieve rechten, waarover de Raad van State aan rechtsmacht ontbreekt om hierover uitspraak te doen. De initieel eerste verzoekende partij cq de gedinghervattende partij en de tweede verzoekende partij hebben volgens de verwerende partij in elk geval minstens geen voldoende rechtstreeks belang bij de vernietiging van de bestreden beslissing wanneer zij geen opvangactiviteiten meer willen/kunnen uitoefenen en zij het behoud van vergunningen en subsidies enkel zouden wensen teneinde zich in een sterke onderhandelingspositie te bevinden (in hoeverre dit nog een realistisch perspectief zou zijn, gezien het procedureverloop) XII-9663-7/25 voor een overdracht (hoewel zij ter zake geenszins aan de gereglementeerde voorwaarden voldoen) in het kader van de afwikkeling van een faillissement. Wat het vermeende moreel betreft, merkt de verwerende partij op dat het agentschap de initieel verzoekende partijen er niet en nooit heeft van weerhouden om nog opvang te organiseren (integendeel, het VECK suggereerde dat een heropstart mogelijk was mits aan bepaalde voorwaarden was voldaan). Wanneer de initieel verzoekende partijen aantonen aan de werkingsvoorwaarden te voldoen, kwamen en komen zij volgens de verwerende partij terug in aanmerking voor een vergunning en mogelijkerwijze subsidies. Gezien het tussengekomen faillissement is er evenwel geen mogelijkheid meer om opvangactiviteiten te organiseren. Dit vormt volgens de verwerende partij een eigen juridische oorzaak, op basis van de financieel ongezonde situatie van de betrokken opvanglocaties, die een rechtstreeks verband tussen de bestreden beslissing en de nietigverklaring doorbreekt. De handhaving met administratieve beslissing moet volgens de verwerende partij worden aangezien als een evaluatie waarbij de geschiktheid, de kwaliteit van de prestaties en de verdiensten van een organisator worden beoordeeld gedurende een welbepaalde, afgelopen periode, met de bedoeling de prestaties te verbeteren. Het is daarbij de bedoeling aanmanend te werken, zodat de organisator optimaal zou renderen in de kwaliteit van de dienstverlening. Het is te dezen ook zo dat op generlei wijze definitief de mogelijkheid zou worden ontnomen om opvangactiviteiten aan te bieden, louter omwille van de bestreden beslissing. Integendeel, indien men de werkingsvoorwaarden kan garanderen, kunnen opnieuw opvangactiviteiten worden georganiseerd. De vraag rijst volgens de verwerende partij of het morele nadeel dat de initieel verzoekende partijen menen te ondervinden van de bestreden beslissing (die eerder als een evaluatie van de opvanglocaties te kwalificeren
  9. is)een voldoende rechtstreeks verband vertoont met de finaliteit van de gevorderde nietigverklaring, wanneer zij ingevolge het tussengekomen faillissement niet langer opvangactiviteiten organiseren, terwijl, wanneer de initieel verzoekende partijen nog menens zouden zijn opnieuw opvang te organiseren, zij hiertoe ook de mogelijkheid behouden. Een eventuele heropening, mits het voldoen aan de werkingsvoorwaarden en buiten faillissement, ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.289 XII-9663-8/25 zal het voorgehouden morele nadeel dan tenietdoen. Enkel de initieel verzoekende partijen hebben volgens de verwerende partij de troeven in handen om te herstarten en het voorgehouden moreel nadeel te verhelpen. In de huidige omstandigheden, zonder personeel en cliënteel, en onzekerheid dat de initieel verzoekende partijen ooit nog opvang zullen organiseren, lijkt de nietigverklaring volgens de verwerende partij zonder nut waar er geen heropstart mogelijk is. De verwerende partij benadrukt dat, wat de tweede verzoekende partij betreft, er geen enkele tastbare ruchtbaarheid rond haar naam wordt aangetoond die van enig moreel nadeel zou getuigen. Ook het gegeven dat een aantal zusterlocaties van de Mippie en Moppie-groep uit eigen initiatief de opvangactiviteiten hebben gestaakt, doet vermoeden dat een stopzetting van de activiteiten op eigen initiatief van de initieel verzoekende partijen onvermijdelijk en zelf gewenst was. Ook zulke gegevens weerspiegelen op het beweerde moreel nadeel. Volgens de verwerende partij lijkt het er eerder op dat de initieel verzoekende partijen er enkel op uit zijn een nietigverklaring te bekomen teneinde schadevergoeding te kunnen vorderen en een groter actief in het kader van het tussengekomen faillissement te realiseren. De verwerende partij benadrukt vervolgens dat men met een vernietigingsarrest niet enkel de vaststelling van een (beweerd) foutief optreden van de overheid kan beogen in de zin van art. 1382 (oud) B.W.. Een dergelijk belang heeft immers slechts een onrechtstreeks karakter. Het beoogde doel is dan immers niet verbonden aan het verdwijnen van de bestreden beslissing uit het rechtsverkeer, maar enkel aan het horen gegrond verklaren van een middel. Een louter financieel belang kan men doen gelden in het kader van een vordering tot schadevergoeding, daar deze tot de uitsluitende bevoegdheid van de hoven en rechtbanken behoort. Het bekomen van een titel om een schadevergoedingseis bij de gewone rechter kracht bij te zetten is volgens de verwerende partij een onrechtstreeks belang. Een vordering tot schadevergoeding voor de gewone rechter kracht bijzetten, betreft een voordeel dat niet verbonden is met het doen verdwijnen van de bestreden beslissing uit het rechtsverkeer, maar uitsluitend met het gegrond verklaren van een middel. Een dusdanig, alleen als onrechtstreeks te kwalificeren belang, volstaat volgens de verwerende partij niet voor de ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.289 XII-9663-9/25 ontvankelijkheid van voorliggend beroep. Waar het ingestelde beroep tot nietigverklaring volgens de verwerende partij kennelijk nooit tot bedoeling had de bestreden beslissing uit het rechtsverkeer te doen verdwijnen, en opnieuw opvang te organiseren/onderhandelingspositie te verbeteren, maar enkel beoogde om het onderpand van de schuldeisers te vergroten, getuigen de initieel verzoekende partijen niet van een rechtstreeks belang bij de nietigverklaring zodat tot de niet-ontvankelijkheid van het annulatieberoep moet worden geconcludeerd. In haar laatste memorie laat de verwerende partij nog gelden dat de tweede verzoekende partij sinds het staken van de opvangactiviteiten op 22 november 2023 geen nieuwe opvangactiviteit heeft opgestart. De verwerende partij blijft van oordeel – onder verwijzing naar de argumentatie uiteengezet in de memorie van antwoord – dat ook het beroep van de tweede verzoekende partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard wegens gebrek aan belang, nu uit de houding van deze partij moet worden besloten dat hoewel zij aangeeft het beroep te hebben ingesteld om de kinderopvangactiviteit verder te zetten, zij intussen geen initiatieven heeft genomen om een nieuwe voorziening op te starten. 6. In het initieel verzoekschrift laten de initieel verzoekende partijen gelden dat de bestreden beslissing een individuele beslissing is die rechtstreeks betrekking heeft op hun persoonlijke situatie, zodat zij beide belang hebben. Zij benadrukken dat zij financiële alsook professionele schade lijden door de bestreden beslissing en dat het evident is dat zij een rechtstreeks en actueel belang hebben om deze beslissing bij de Raad van State aan te vechten. De gedinghervattende partij benadrukt in de memorie van wederantwoord wel degelijk belang te hebben bij de nietigverklaring van de bestreden beslissing, nu zij zowel een materieel (financieel) als een moreel nadeel lijdt door de bestreden beslissing. Wat het financieel nadeel betreft, benadrukt de gedinghervattende partij dat de bestreden beslissing tot gevolg had dat er geen subsidies meer werden uitgekeerd vanaf 22 november 2022. In tegenstelling tot XII-9663-10/25 wat de verwerende partij insinueert, is een financieel belang volgens de gedinghervattende partij wel degelijk mogelijk (onverminderd de mogelijkheid om een schadevergoeding te vorderen voor de Raad van State of voor de burgerlijke rechtbanken). De subsidies zouden volgens haar bij een gebeurlijke vernietiging alsnog (retroactief) verschuldigd zijn en in de boedel van het faillissement van de BV Mippie en Moppie komen en door de curator worden aangewend om de schuldeisers te betalen. Het is volgens de gedinghervattende partij eenmaal ook haar plicht om zo veel mogelijk actief te verwerven zodat de schuldeisers kunnen worden betaald. In dit faillissement is er trouwens amper ander actief dan de (onterecht) mislopen subsidies, zodat de initieel eerste verzoekende partij a fortiori beschikt over een materieel/financieel belang bij de nietigverklaring van de bestreden beslissing. Dat het vrijmaken van subsidiebudget aan strikte voorwaarden onderworpen is, is volgens de gedinghervattende partij irrelevant en enkel te wijten aan de verwerende partij zelf die een onrechtmatige beslissing nam. Dit impliceert uiteraard niet dat de initieel eerste verzoekende partij geen belang meer zou hebben. Wat het moreel nadeel betreft, laat de gedinghervattende partij gelden dat de initieel eerste verzoekende partij daarnaast ook manifest moreel is benadeeld door de bestreden beslissing die veel media-aandacht kreeg. Alle kinderopvanglocaties met de naam Mippie en Moppie werden (ten onrechte) vernederd in de media omwille van feiten die in een andere locatie, waarmee de initieel eerste verzoekende partij niets te maken had, waren gebeurd. Dat de opvangactiviteiten ingevolge het faillissement noodgedwongen moesten worden stopgezet, doet hieraan geen afbreuk. Het faillissement (en de stopzetting van de activiteiten) is volgens de gedinghervattende partij juist veroorzaakt door de bestreden beslissing. Het zou volgens de gedinghervattende partij al te gemakkelijk zijn voor de verwerende partij om het beroep tot nietigverklaring niet-ontvankelijk te verklaren wegens stopzetting van de activiteiten wanneer juist haar (onrechtmatige) bestreden beslissing die stopzetting heeft veroorzaakt. Dat “een eventuele heropening (…) het morele nadeel [zal] tenietdoen”, is irrelevant aangezien het moreel belang op het ogenblik van de nietigverklaring moet worden beoordeeld, en niet op een toekomstig en onzeker moment. Deze stelling is volgens de gedinghervattende partij ook onjuist. De naam Mippie en Moppie is volledig ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.289 XII-9663-11/25 besmeurd door de negatieve media-aandacht ingevolge de bestreden beslissing. Een eventuele heropening verandert hier niets aan, maar wordt integendeel bemoeilijkt door de gevolgen van de bestreden beslissing. De tweede verzoekende partij benadrukt in de memorie van wederantwoord dat zij als gevolg van de bestreden beslissing haar activiteiten van kinderopvang niet verder kan uitoefenen en daardoor rechtstreeks een zeker nadeel lijdt. De bestreden beslissing brengt immers met zich mee dat zij financieel een persoonlijk nadeel lijdt, nu zij als gevolg van de bestreden beslissing geen inkomsten meer kan genereren van deze activiteiten. Dit is volgens de tweede verzoekende partij te dezen zeker het geval aangezien de bestreden beslissing strekt tot opheffing van de vergunning met ingang vanaf 1 maart 2023 en tot de stopzetting van de subsidies vanaf 22 november 2022 voor haar als organisator van kinderopvanglocatie Mippie en Moppie 6 ondanks het feit dat zij voldeed aan alle voorwaarden. Dit geldt volgens de tweede verzoekende partij te dezen temeer aangezien er voor de kinderopvanglocaties Mippie en Moppie 5, noch Mippie en Moppie 6 door haar een stopzettingsformulier werd ingediend en er steeds de intentie was om de kinderopvangactiviteiten van de beide locaties alsnog voort te zetten. Dit blijkt volgens de tweede verzoekende partij o.m. uit het advies van de adviescommissie voor voorzieningen van welzijn, volksgezondheid en gezin van 13 februari 2023 (stuk 4 stukkenbundel de verwerende partij) en uit het verslag van het gesprek met het agentschap en de tweede verzoekende partij van 14 februari 2023 (stuk 8 stukkenbundel de verwerende partij), waaruit de tweede verzoekende partij citeert wat volgt: “De verzoekende partij benadrukt dat er bij de andere opvanglocaties van Mippie en Moppie geen gelijkaardige incidenten plaatsvonden. Zij bevestigt dat de organisator van Mippie en Moppie 2 het incident had moeten melden aan het agentschap, maar vindt dat dit geen reden is om de andere opvanglocaties van Mippie en Moppie te schorsen, ook rekening houdend met het feit dat de andere opvanglocaties een andere organisator hebben. Verzoekende partij stelt dat de maatregelen die men voor één vestiging heeft genomen, niet automatisch mag toegepast worden op de andere vestigingen. Concluderend trekt de raadsman de hoogdringendheid waarmee de beslissing werd genomen in twijfel en de schorsing van de andere opvanglocaties van Mippie en Moppîe op basis van één incident dat plaatsvond in Mippie en Moppie 2. Verzoekende partij is van mening dat de beginselen van behoorlijk bestuur moeten worden gerespecteerd en dat de schorsing moet herzien worden. De raadsman overhandigt na zijn pleidooien een map aan de voorzitter van ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.289 XII-9663-12/25 de commissie, die brieven bevat van ouders die de schorsing van de opvanglocaties betreuren en die vol lof spreken over de kinderopvanglocaties.” (stuk 4 stukkenbundel verwerende partij). “Meneer V.E. werd door de VECK op de hoogte gebracht van dit advies. Opgroeien regie verneemt graag hoe meneer V.E. met dit advies aan de slag ging en hoe hij een invulling zal geven aan het psychopedagogisch luik. Meneer V.E. geeft aan dat hij opvanglocatie Mippie en Moppie 4 wenst over te laten aan meneer A.H.. Beide partijen zijn in gesprek ivm de overname. Meneer V.E. geeft aan dat 2 locaties beter op te volgen zijn dan 3. Zorginspectie stelde geen tekorten vast ivm administratie en procedures. Wat wel ontbreekt, en dat is ook aangegeven door het VECK, is de implementatie van het psycho-pedagogisch luik op de werkvloer. Meneer V.E. geeft aan dat hij twee verantwoordelijkheden heeft: mevrouw S.D. voor locatie Mippie en Moppie 5 en mevrouw G.R. voor locatie Mippie en Moppie 6. Mevrouw S.D. kan vandaag omwille van privéredenen niet aanwezig zijn. Mevrouw S.D. had in het verleden zelf een kinderopvanglocatie Stapje voor Stapje te Boortmeerbeek. Mevrouw G.R. heeft een diploma kinderverpleegkunde, was jaren werkzaam als nanny en is sinds januari 2022 aan de slag als kinderbegeleidster in Mippie en Moppie 5.” De verwerende partij stelt in haar memorie van antwoord dat het belang in hoofde van de tweede verzoekende partij afwezig is aangezien zij geen intenties zou hebben om de kinderopvangactiviteiten verder te organiseren, wat uit de hierboven aangehaalde stukken niet het geval blijkt te zijn. Verder nog stelt de verwerende partij dat dit alles ook zou kunnen blijken uit het feit dat de vennootschap BV Mippie en Moppie sinds mei 2023 definitief geen activiteiten meer uitoefent en dat de tweede verzoekende partij als organisator van de kinderopvanglocatie Mippie en Moppie 4 een stopzettingsformulier heeft ingediend. Dit laatste wordt door de tweede verzoekende partij niet ontkend. De tweede verzoekende partij merkt op dat huidige procedure enkel betrekking heeft op de kinderopvanglocaties Mippie en Moppie 5 en Mippie en Moppie 6 waarvan zij voor deze laatste nog organisator is. Zonder de bestreden beslissing had zij haar activiteiten kunnen voortzetten en bij een eventueel tussen te komen nietigverklaring overweegt zij om die activiteiten alsnog verder te kunnen zetten, dan wel in rechte op te treden teneinde de toegebrachte schade alsnog te laten herstellen. Uit de stukken blijkt volgens de tweede verzoekende partij niet dat zij enige intentie zou hebben gehad om haar activiteiten als organisator voor de kinderopvanglocatie Mippie en Moppie 6 en in haar hoedanigheid als bestuurder van de BV Mippie en Moppie voor kinderopvanglocatie Mippie en Moppie 5 definitief te stoppen. De beweringen gedaan door de verwerende partij in de memorie van antwoord omtrent de motieven van de tweede verzoekende partij zijn ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.289 XII-9663-13/25 volgens haar op geen enkel stuk gesteund en kunnen niet anders dan als zuivere speculatie worden beschouwd. Zelfs indien het behoud van de kinderopvanglocaties niet langer mogelijk zou zijn als gevolg van de bestreden beslissing, quod non, dan nog bestaat volgens de tweede verzoekende partij in haar hoofde het nodige belang in tegenstelling tot wat door de verwerende partij wordt aangevoerd. Indien er als gevolg van de bestreden beslissing schade werd opgelopen, zal het volgens de tweede verzoekende partij haar toekomen om eventueel later in rechte op te treden om haar rechten te doen gelden, wat echter op dit ogenblik niet aan de orde is. Het staat aan de Raad van State te oordelen of een verzoekende partij die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij haar beroep, waarbij de Raad van State er dient over te waken dat het belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast. Stellen dat er geen moreel nadeel voorhanden is aangezien de verwerende partij de tweede verzoekende partij er nooit van heeft weerhouden om nog kinderopvang te organiseren als zij aantoonde dat aan de werkingsvoorwaarden werd voldaan, is onjuist. Het morele nadeel blijkt volgens de tweede verzoekende partij precies uit het gegeven dat zij aan alle voorwaarden voldeed om als organisator van kinderopvanglocatie Mippie en Moppie 6 aan het werk te gaan en ondanks haar wens om deze activiteiten verder te zetten, ten onrechte de vergunning werd opgeheven. Haar moreel nadeel kan in beginsel worden goedgemaakt door de genoegdoening die kan worden verleend door een eventueel vernietigingsarrest. Dit geldt volgens de tweede verzoekende partij temeer nu in de bestreden beslissing de feiten die ten onrechte aan haar verweten worden als organisator van kinderopvang Mippie en Moppie 6 ernstig zijn en zij haar verdere activiteiten gehypothekeerd ziet mocht de bestreden beslissing niet worden vernietigd. De gedinghervattende partij laat in haar laatste memorie nog gelden dat zij het niet eens is met het auditoraatsverslag en meent nog steeds een (financieel en moreel) belang te hebben bij de nietigverklaring van de bestreden beslissing, zodat het beroep tot nietigverklaring ontvankelijk is. Voorts verwijst zij integraal naar hetgeen hierover werd uiteengezet in haar memorie van wederantwoord. XII-9663-14/25 De tweede verzoekende partij merkt in haar laatste memorie volledigheidshalve nog op dat er in geen geval sprake is van enig gebrek aan belang in haren hoofde zoals gesteld door de verwerende partij in haar laatste memorie. Dienaangaande betoogt de tweede verzoekende partij dat
  10. i)zij bij het indienen van het beroep duidelijk heeft aangegeven dat het haar intentie was om de kinderopvangactiviteit voort zetten, wat volgens haar aantoont dat er wel degelijk sprake is van belang ongeacht de huidige acties, of het gebrek ervan;
  11. ii)de verwerende partij zonder enig bewijs stelt dat zij geen nieuwe initiatieven heeft genomen om een kinderopvangvoorziening op te starten; iii) zij steeds haar intenties heeft geuit om de kinderopvangactiviteiten nogmaals op te starten doch dit kon niet worden gerealiseerd gelet op de slechte naam en slechte reputatie gecreëerd door de bestreden beslissing;
  12. iv)zij uiteraard ook de uitkomst van het beroep tot nietigverklaring afwacht voordat er verdere stappen in die zin kunnen worden ondernomen en
  13. v)de door de bestreden beslissing gecreëerde toestand verhindert dat zij onmiddellijk nieuwe initiatieven kan nemen. Beoordeling 7. Gelet op artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan het beroep tot nietigverklaring bedoeld bij artikel 14 van deze wet, voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State worden gebracht “door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een belang”. Die vereiste is erop gericht de rechtszekerheid te dienen en een goede rechtsbedeling te verzekeren (RvS (A.V.) 22 maart 2019, 244.015, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR. 244.015). Een verzoekende partij beschikt over dit rechtens vereiste belang indien twee voorwaarden vervuld zijn: vooreerst dient zij door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel te lijden; voorts moet de eventueel tussen te komen nietigverklaring van die rechtshandeling haar een direct en persoonlijk voordeel verschaffen, hoe miniem ook (RvS (A.V.) 15 januari 2019, nr. 243.406, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR. 243.406). Dit geldt evenzeer bij het aanvechten van reglementaire akten. De omstandigheid dat de verzoekende partij als gevolg van de ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.289 XII-9663-15/25 vernietiging opnieuw een kans krijgt om haar situatie in gunstigere zin te zien beoordeeld, volstaat om het belang tot nietigverklaring te verantwoorden. Het belang moet niet alleen bestaan bij het instellen van het beroep maar moet voortduren tot aan de sluiting van het debat (RvS (A.V.) 22 maart 2019, 244.015, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.015), zonder dat de verzoekende partij noodzakelijk elk belang bij de nietigverklaring verliest wanneer zij het initiële voordeel niet meer kan ambiëren (cf. GwH 9 juli 2020, 105/2020, ECLI:BE:GHCC:2020.ARR.105, punten B.11.2. en B.12.2). Het staat aan de Raad van State te oordelen of de verzoekende partij die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij haar beroep. De Raad van State dient er over te waken dat het belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast (GwH 30 september 2010, 109/2010, ECLI:BE:GHCC:2010.ARR.109, punt B.4.3; GwH 9 juli 2020, 105/2020, ECLI:BE:GHCC:2020.ARR.105, punt B.9.3; EHRM 17 juli 2018, 5475/06, ECLI:CE:ECHR:2018:0717JUD000547506, Vermeulen/België, punten 42 e.v.). Er is voor een verzoekende partij geen stelplicht om haar belang bij het beroep te omschrijven of toe te lichten. Echter, wordt dit belang in twijfel getrokken, dan valt het haar toe bij de eerstvolgende procedurele gelegenheid hierover opheldering te verschaffen en haar belang te staven. Doet een verzoekende partij zulks, dan heeft zij daarmee ook de contouren geschetst waarom het haar te doen is en moet de Raad van State met die door de verzoekende partij vastgelegde grenzen van het gerechtelijk debat rekening houden (RvS (A.V.) 15 januari 2019, 243.406 ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.406). Voorts kan de aard van het belang weliswaar evolueren, maar een verzoekende partij moet minstens aannemelijk maken dat de gevraagde nietigverklaring haar nog een concreet, direct en persoonlijk voordeel oplevert. Onvoldoende om een nietigverklaring van de bestreden beslissing te kunnen ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.289 XII-9663-16/25 verkrijgen, is dan ook het belang van een verzoekende partij dat in de loop van de annulatieprocedure is geëvolueerd naar nog uitsluitend een belang bij het onwettig horen verklaren van die beslissing om de toekenning van een schadevergoeding – door de rechtscolleges van de rechterlijke orde, die daartoe zelf de eventuele fout van de overheid kunnen vaststellen – te faciliteren. Het voordeel moet in beginsel ook méér zijn dan de morele genoegdoening die een verzoekende partij put uit het horen onwettig verklaren van de bestreden beslissing, inzonderheid om derden aldus te overtuigen van haar initieel gelijk. Een dergelijk belang heeft een karakter dat niet valt binnen de grenzen van het belang zoals bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Dat beoogde voordeel is immers niet verbonden met het verdwijnen van de bestreden beslissing uit het rechtsverkeer maar enkel met het horen gegrond verklaren erga omnes van de door de verzoekende partij aangevoerde middelen. 8. Met de bestreden beslissing heeft de verwerende partij het bezwaar tegen de bestuurlijke maatregel van 21 november 2022 tot schorsing uit voorzorg bij dringende noodzaak ongegrond bevonden en wordt beslist tot opheffing van de vergunning en tot stopzetting van de subsidies. 9. De initieel eerste verzoekende partij, de BV Mippie en Moppie, had belang bij het voorliggende vernietigingsberoep aangezien zij door de bestreden beslissing niet langer een vergunning heeft om haar activiteiten als kinderopvanglocatie verder te zetten en zij geen subsidies meer ontvangt. Bij een gebeurlijke nietigverklaring zou zij haar activiteiten als kinderopvanglocatie kunnen hervatten. Evenwel is de BV Mippie en Moppie bij vonnis van 16 mei 2023 door de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank te Brussel, in staat van faillissement verklaard, wat te dezen gevolgen heeft voor het (actueel) belang bij het voorliggend annulatieberoep. In geval van gedinghervatting moet de ontvankelijkheid van het beroep getoetst worden aan het belang van de verzoekende partij zelf, evenals aan het belang dat diens rechtsopvolger kan laten gelden. XII-9663-17/25 XII-9663-18/25 Door de huidige omstandigheden, met name het tussengekomen faillissement, dient te worden vastgesteld dat de initieel eerste verzoekende partij hoe dan ook geen uitzicht meer heeft op een voor haar gunstige beslissing na een eventuele nietigverklaring aangezien zij de activiteiten als organisator/kinderopvanglocatie niet meer kan hervatten. Aangezien de initieel eerste verzoekende partij niet langer belang heeft, heeft de rechtsopvolger op noodzakelijke wijze evenmin belang bij het voorliggend beroep tot nietigverklaring in de mate zijn belang zich situeert in het hervatten van de vergunningsplichtige activiteit. Daarenboven, in zoverre de gedinghervattende partij zich nog beroept op een moreel nadeel, volstaat de vaststelling dat, niettegenstaande een morele genoegdoening door een verzoekende partij kan worden geput uit een gebeurlijke nietigverklaring, te dezen de initieel eerste verzoekende partij een rechtspersoon is, waarvan niet valt in te zien hoe deze een moreel belang kan hebben, zodat de rechtsopvolger evenmin een moreel belang heeft bij het voorliggend beroep tot nietigverklaring. In zoverre de gedinghervattende partij meent een financieel belang te hebben, waarbij volgens haar bij een gebeurlijke nietigverklaring de subsidies alsnog retroactief zouden verschuldigd zijn en kunnen worden aangewend om de schuldeisers te betalen, volstaat de vaststelling dat het vaststellen (met het oog op de uitbetaling van de schuldeisers van de BV Mippie en Moppie) van de eventuele onwettigheid waarmee de bestreden beslissing zou zijn behept, slechts een onrechtstreeks belang vormt. Om als toereikend te worden beschouwd, moet het belang onder meer rechtstreeks zijn en de verzoekende partij cq de gedinghervattende partij een voordeel verschaffen dat voldoende direct verband houdt met de finaliteit van een nietigverklaring, namelijk het doen verdwijnen van de bestreden rechtshandeling uit de rechtsorde. XII-9663-19/25 Onvoldoende om een nietigverklaring van de bestreden beslissing te kunnen verkrijgen, is dan ook het belang van een verzoekende partij dat in de loop van de annulatieprocedure is geëvolueerd naar nog uitsluitend een belang bij het onwettig horen verklaren van die beslissing om de toekenning van een schadevergoeding of de schadevergoeding tot herstel te vergemakkelijken. Nog daargelaten de voorgaande vaststelling maakt de gedinghervattende partij evenmin duidelijk op welke subsidies er retroactief aanspraak kan worden gemaakt. Luidens artikel 2 van het besluit van de Vlaamse regering van 22 november 2013 ‘houdende de subsidies en de daaraan gekoppelde voorwaarden voor de realisatie van specifieke dienstverlening door gezingsopvang en groepsopvang van baby’s en peuters’ (hierna: Subsidiesbesluit van 22 november 2013) kan het agentschap aan de organisator subsidies toekennen voor de realisatie van specifieke dienstverlening, vermeld in dit besluit. Artikel 6, eerste lid, 4°, bepaalt dat de subsidies alleen betaald worden aan kinderopvanglocaties waarbij de vergunning geen statuut niet-actief heeft. Uit de feiten blijkt dat er vanaf 22 november 2022 geen opvangactiviteiten meer plaatsvonden. Artikel 107/1 van het Procedurebesluit van 9 mei 2014, zoals ingevoegd bij artikel 5 van het besluit Vlaamse Regering van 23 december 2022 ‘tot wijziging van het Subsidiebesluit van 22 november 2013, het Procedurebesluit van 9 mei 2014 en het besluit van de Vlaamse Regering van 7 oktober 2022 over de toestemming tot toekenning van een subsidie aan organisatoren van kinderopvang voor de organisatie van tijdelijke vervangcapaciteit voor baby's en peuters’ ( hierna: besluit Vlaamse Regering van 23 december 2022) bepaalt: “Als de organisator bij vonnis in staat van faillissement verklaard wordt, wordt de subsidietoekenning van rechtswege stopgezet op de datum dat het vonnis kracht van gewijsde heeft. Het agentschap bezorgt de bevestiging van de stopzetting, vermeld in het eerste lid, en de gevolgen ervan, namelijk dat er geen subsidie meer wordt uitbetaald en dat een saldoafrekening plaatsvindt, aan de curator elektronisch en met een ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.289 XII-9663-20/25 aangetekende brief.” Verder blijkt ook uit artikel 57, § 2/1, 3° van het Procedurebesluit van 9 mei 2014, zoals ingevoegd bij artikel 2 van het besluit Vlaamse Regering van 23 december 2022, dat het subsidiebudget herverdeeld wordt wanneer de subsidie van rechtswege is stopgezet omdat de organisator bij vonnis in staat van faillissement is verklaard. Met het voorgaande dient de worden vastgesteld dat de initieel eerste verzoekende partij cq de gedinghervattende partij geen aanspraak kunnen maken op subsidies die volgens hen alsnog retroactief zouden kunnen worden toegekend. Het beroep is niet-ontvankelijk wegens gebrek aan het vereiste (actueel) belang in hoofde van de initieel eerste verzoekende partij cq de gedinghervattende partij. 10. Wat de tweede verzoekende partij betreft wordt vooreerst in het inleidend verzoekschrift aangegeven dat zij met de initieel eerste verzoekende partij, de BV Mippie en Moppie de organisator is van de kinderopvanglocaties Mippie en Moppie 5 te Hofstade en 6 te Zemst en tevens de enige bestuurder is van de BV Mippie en Moppie, zijnde de initieel eerste verzoekende partij. Uit een verdere precisering in het inleidend verzoekschrift van de organisatoren van de verschillende opvanglocaties blijkt dat de tweede verzoekende partij naast organisator van de opvanglocatie Mippie en Moppie 4, tevens organisator is van de locatie Mippie en Moppie 6. In de memorie van wederantwoord wordt door de tweede verzoekende partij in het kader van haar uiteenzetting over het rechtens vereiste belang verwezen naar haar “hoedanigheid als bestuurder van MIPPIE EN MOPPIE BV voor kinderopvanglocatie Mippie en Moppie 5”. In zoverre de tweede verzoekende partij optreedt in de hoedanigheid van bestuurder van de BV Mippie en Moppie, zijnde de initieel eerste verzoekende partij, nog daargelaten de vraag of zij optreedt als enige bestuurder van de BV Mippie en Moppie of enkel als de bestuurder van de BV Mippie en Moppie voor de kinderopvanglocatie Mippie en Moppie 5, volstaat de vaststelling dat zij in het kader van haar voormelde hoedanigheid verzuimt aan te ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.289 XII-9663-21/25 geven welk nadeel zij meent te ondervinden van de bestreden beslissing dat een voldoende rechtstreeks verband vertoont met de finaliteit van de gevorderde nietigverklaring, wanneer de initieel eerste verzoekende partij ingevolge het tussengekomen faillissement niet langer opvangactiviteiten organiseert. Het gegeven dat de tweede verzoekende partij in de memorie van wederantwoord laat gelden dat zij niet de intentie heeft om haar activiteiten “in haar hoedanigheid als bestuurder van de BV MIPPIE EN MOPPIE voor kinderopvanglocatie Mippie en Moppie 5 definitief te stoppen”, doet geen afbreuk aan voornoemde vaststelling. De tweede verzoekende partij optredend als organisator, samen met de initieel verzoekende partij, van de kinderopvanglocatie Mippie en Moppie 6, voert in de memorie van wederantwoord in essentie aan dat
  14. i)zij als gevolg van de bestreden beslissing haar activiteiten van kinderopvang niet verder kan uitoefenen en daardoor rechtstreeks een zeker nadeel lijdt, nu zij als gevolg van de bestreden beslissing geen inkomsten meer kan genereren van deze activiteiten, aangezien de bestreden beslissing strekt tot opheffing van de vergunning met ingang vanaf 1 maart 2023 en tot de stopzetting van de subsidies vanaf 22 november 2022 voor haar als organisator van kinderopvanglocatie Mippie en Moppie 6;
  15. ii)zij niet enige intentie zou hebben gehad om haar activiteiten als organisator voor de kinderopvanglocatie Mippie en Moppie 6 stop te zetten en iii) zij een moreel nadeel heeft geleden nu in de bestreden beslissing de feiten die haar ten onrechte worden verweten als organisator van kinderopvang Mippie en Moppie 6 ernstig zijn en zij haar verdere activiteiten gehypothekeerd ziet, mocht de bestreden beslissing niet worden vernietigd. In haar laatste memorie benadrukt de tweede verzoekende partij nog dat zij bij het indienen van het beroep duidelijk heeft aangegeven dat het haar intentie was om de kinderopvangactiviteit voort zetten, wat volgens haar aantoont dat er wel degelijk sprake is van belang ongeacht de huidige acties, of het gebrek ervan en dat zij steeds haar intenties heeft geuit om de kinderopvangactiviteiten nogmaals op te starten doch dit kon niet worden gerealiseerd gelet op de slechte naam en slechte reputatie gecreëerd door de bestreden beslissing. XII-9663-22/25 Dit betoog wordt niet bijgetreden. In zoverre de tweede verzoekende partij aanvoert dat zij ten gevolge van de opheffing van de vergunning met ingang van 1 maart 2023 en de stopzetting van de subsidies vanaf 22 november 2022 haar activiteiten van kinderopvang niet verder kan uitoefenen en geen inkomsten meer kan genereren van deze activiteiten, volstaat de vaststelling dat niet blijkt welk nuttig gevolg een gebeurlijke nietigverklaring van de thans bestreden beslissing kan hebben, nu door het tussengekomen faillissement van de BV Mippie en Moppie, op grond van artikel 107/1 van het Procedurebesluit van 9 mei 2014, de aan de organisator van de kinderopvang verleende subsidie van rechtswege werd stopgezet en overeenkomstig artikel 57, § 2/1, 3° van hetzelfde besluit het subsidiebudget werd herverdeeld wanneer de subsidie van rechtswege is stopgezet omdat de organisator bij vonnis in staat van faillissement is verklaard, temeer nu het vrijmaken van subsidiebudget overeenkomstig het voornoemde artikel 107/1 van het Procedurebesluit van 9 mei 2014 aan een strikte procedure en voorwaarden is onderworpen. Bijgevolg dient te worden vastgesteld dat het tussengekomen faillissement, dat de mogelijkheid om verder de opvangactiviteiten te organiseren in de weg staat, een eigen specifieke juridische oorzaak vormt voor de stopzetting van haar activiteiten, waardoor de vernietiging van de bestreden beslissing niet langer het beoogde voordeel kan opleveren. Het gegeven dat de tweede verzoekende partij zowel in de memorie van wederantwoord als in haar laatste memorie, beide ingediend na de faillissementsverklaring, aangeeft dat zij niet enige intentie heeft gehad om haar activiteiten als organisator voor de kinderopvanglocatie Mippie en Moppie 6 stop te zetten, doet geen afbreuk aan voorgaande vaststelling. Evenmin kan het betoog van de tweede verzoekende partij worden bijgevallen waarin zij aangeeft een moreel nadeel te lijden nu zij haar verdere activiteiten als organisator van een kinderopvanglocatie gehypothekeerd ziet door de bestreden beslissing. Niettegenstaande een morele genoegdoening door een verzoekende partij kan worden geput uit een gebeurlijke nietigverklaring, dient te dezen te worden benadrukt dat niet blijkt dat op grond van enige ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.289 XII-9663-23/25 regelgeving de tweede verzoekende partij definitief de mogelijkheid zou worden ontnomen om opvangactiviteiten aan te bieden, louter omwille van de bestreden beslissing, noch dat zij, indien zij aantoont aan de werkingsvoorwaarden te voldoen, zou worden weerhouden om opvang te organiseren. In zoverre de tweede verzoekende partij in haar laatste memorie nog een kopij bijbrengt van het departement kredieten van de Crelan bank, waarbij het door haar gevraagde professioneel krediet werd geweigerd, volstaat de vaststelling dat deze brief daterende van 16 mei 2023, gelet op het tijdsverloop, geen pertinent bewijs uitmaakt ter ondersteuning van het belang dat moet voortduren tot aan de sluiting van het debat. 11. In die omstandigheden is wat de initieel eerste verzoekende partij – voordien – en de gedinghervattende partij – thans – en de tweede verzoekende partij met de gevraagde nietigverklaring dan nog nastreven niet méér dan het voordeel om derden te overtuigen van hun initieel gelijk. Een dergelijk belang heeft een karakter dat niet valt binnen de grenzen van het belang zoals bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Het aldus beoogde voordeel is immers niet verbonden met het verdwijnen van de bestreden beslissing uit het rechtsverkeer maar enkel met het horen gegrond verklaren erga omnes van het door de initieel eerste verzoekende partij cq de gedinghervattende partij en de tweede verzoekende partij aangevoerde enig middel. Conclusie 12. Het beroep is niet-ontvankelijk wegens gebrek aan het vereiste belang. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. XII-9663-24/25 2. De kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 800 euro, een bijdrage van 72 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij, worden, elk voor de helft, ten laste van de failliete boedel van de eerste verzoekende partij en van de tweede verzoekende partij gelegd. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op veertien mei tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, kamervoorzitter, Ann Coolsaet, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Chantal Bamps XII-9663-25/25 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.289 Gerelateerde publicatie(
  16. s)citeert: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.406 ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.015 ECLI:CE:ECHR:2018:0717JUD000547506 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.