← België

Arrest 263301 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 15/05/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.301 Rolnummer: A. 241307/VII-42419 Zaak: Arrest 263301 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 15/05/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-05-27 Raadplegingen: 100 - laatst gezien 2026-06-16 05:06 Fiche Arrest nr 263.301 van 15 mei 2025 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Overschrijving en verwijzing Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 263.301 van 15 mei 2025 in de zaak A. 241.307/VII-42.419 In zake :

  1. G.M.
  2. P.B.
  3. H.B.
  4. J.B.
  5. M.B.
  6. G.B.
  7. M.B.
  8. A.B.
  9. P.B. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Thomas Ryckalts en Bruno Lenssens kantoor houdend te 1000 Brussel Wolvengracht 38, bus 2 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de VZW NATUURPUNT OOST-BRABANT, REGIONALE VERENIGING VOOR NATUUR EN LANDSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Peter De Smedt en Fien De Corte kantoor houdend te 9000 Gent Kasteellaan 141 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN SCHEPENEN VAN DE GEMEENTE ROTSELAAR bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Merlijn De Rechter en Sabiha Harrass kantoor houdend te 2600 Antwerpen Cogels Osylei 61 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- VII-42.419-1/15 I. Voorwerp van het beroep
  10. Het cassatieberoep, ingesteld op 20 februari 2024, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2324-0318 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 11 januari 2024 in de zaak 2122-RvVb-0232-A. II. Verloop van de rechtspleging
  11. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 22 april
  12. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Rotselaar heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 11 juni
  13. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur An Van den broeck heeft op 22 augustus 2024 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 3 april
  14. Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht. VII-42.419-2/15 Advocaat Bruno Lenssens, die tevens loco advocaat Thomas Ryckalts verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Fien De Corte, die tevens loco advocaat Peter De Smedt verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Merlijn De Rechter, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). III. Feiten 3.
  15. De verzoekende partijen vragen een omgevingsvergunning voor de bijstelling van een verkaveling gelegen in Rotselaar, waarbij lot 32 van de verkaveling verdeeld wordt in een bebouwde kavel 32A en een onbebouwde kavel 32B. 3.
  16. Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Rotselaar weigert de omgevingsvergunning. De deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant verklaart het bestuurlijk beroep van de verzoekende partijen tegen de weigeringsbeslissing gegrond, en verleent de omgevingsvergunning. 3.
  17. De verwerende partij dient bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) een beroep in tegen de deputatiebeslissing. Met het bestreden arrest vernietigt de RvVb het deputatiebesluit, stelt hij zijn arrest in de plaats van de nieuw te nemen beslissing, en weigert hij de omgevingsvergunning. VII-42.419-3/15 VII-42.419-4/15 IV. Onderzoek van het eerste middel tot nietigverklaring Standpunt van de partijen
  18. De verzoekende partijen voeren de schending aan van artikel 1, 2, a), van richtlijn 2011/92 van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 ‘betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten’ (hierna: project-MER-richtlijn), van de artikelen 4.3.1, 4.3.2, § 2bis, en 4.1.1, 5°, van het decreet van 5 april 1995 ‘houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’ (hierna: DABM), van het besluit van de Vlaamse regering van 10 december 2004 ‘houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage’ (hierna: project-MER-besluit) met zijn bijlagen, en van artikel 149 van de Grondwet. Het middel komt op tegen de beoordeling van het bestreden arrest dat de aanvraag van de verzoekende partijen tot het verkrijgen van een omgevingsvergunning betrekking heeft op de “wijziging of uitbreiding” van een “stadsontwikkelingsproject”. Volgens de verzoekende partijen betreft hun aanvraag geen “stadsontwikkelingsproject”, laat staan een “project” in de zin van de project-MER-richtlijn, zoals omgezet in en toegepast door het project-MER-besluit, het DABM, het omgevingsvergunningsdecreet en het omgevingsvergunningsbesluit. Hun aanvraag heeft immers geen betrekking op het uitvoeren van bouwwerken, of tot stand brengen ervan, noch op enige ingreep in het milieu of het landschap. Het gaat louter om het afsplitsen van een deel van een lot binnen een bestaande verkaveling, waarvoor reeds een natuurbeheerplan geldt. De voorschriften van de verkaveling worden niet gewijzigd, het wordt niet mogelijk om meer woningen te bouwen dan voorheen. De ingrepen in het milieu en het landschap zijn reeds mogelijk op grond van het natuurbeheerplan en mits het aanvragen van de nodige vergunningen. Een verkavelingsvergunning doet hieraan geen afbreuk en draagt ook niet bij aan bepaalde fysieke ingrepen. Het gaat louter VII-42.419-5/15 om een ingreep op papier om ook in een zakenrechtelijke verankering te voorzien dat delen van de verkaveling geen bouwrechten meer verlenen. Een “project” in de zin van artikel 4.1.1, 5°, DABM veronderstelt steeds een fysieke ingreep of heeft een fysieke of materiële ingreep tot gevolg. De RvVb gaat volgens de verzoekende partijen eraan voorbij dat het doel van de aanvraag geen betrekking heeft op het realiseren van woningen binnen de verkaveling maar enkel het natuurbeheerplan implementeert. De aanvraag wijzigt niets aan de bebouwbaarheid van het lot 32, dat overigens al bebouwd is. Het lot wordt enkel opgedeeld en het niet-bebouwde deel wordt uitsluitend bestemd voor natuurbeheer, volgens het natuurbeheerplan. In zoverre er reeds geoordeeld zou worden dat de aanvraag een “project” omvat in de zin van de project-MER-richtlijn en artikel 4.1.1, 5°, DABM, valt zij niet onder de omschrijving van een “stadsontwikkelingsproject”, zoals deze kan worden afgeleid uit de interpretatiegids van het departement Omgeving die gebaseerd is op de leidraad van de Europese Commissie. De RvVb moest dit ook vaststellen, en argumenteert daarom dat de aanvraag in feite een voorafname is van een groter project tot bijstelling van de verkaveling, dat wel een “stadsontwikkelingsproject” zou zijn. Hij verwijst hiervoor naar de navolgende aanvraag van de verzoekende partijen tot opdeling van de loten 2 tot en met 19 van de verkaveling in een zone conform de bestaande verkavelingsvoorschriften en een zone die wordt afgestaan ten voordele van het natuurbeheer conform het natuurbeheerplan. De RvVb argumenteert dat de verkaveling zodoende in feite wordt uitgebreid door een toename van het aantal loten. Volgens de verzoekende partijen miskent de RvVb hiermee de ware toedracht van de navolgende aanvraag. Zij hebben op geen enkele wijze getracht de aanvraag op te delen met de bedoeling te ontkomen aan de MER-screening: de splitsing van lot 32 kadert voornamelijk in een vereffening-verdeling met het oog op de verkoop van de woning op dat lot. De verzoekende partijen voeren aan dat ook de navolgende aanvraag geen “project” betreft en al zeker geen “stadsontwikkelingsproject”. Het valt volgens hen niet in te zien hoe een bestaande verkaveling die zowel in oppervlakte als in het aantal loten verkleint bij de tweede bijstelling een “stadsontwikkelingsproject” zou zijn. VII-42.419-6/15 Ook oordeelt de RvVb volgens de verzoekende partijen onterecht dat de aanvraag moet gezien worden als een “wijziging of uitbreiding van een project” in de zin van rubriek 13 van bijlage III bij het project-MER-besluit. De aangevraagde aanpassing of verandering gaat immers niet gepaard met een materiële wijziging of een project in de zin van de project-MER-richtlijn. Het afstaan van een deel van een bebouwbaar lot binnen een verkaveling ten voordele van natuurbeheer conform een natuurbeheerplan, dat voldoende onderbouwd en onderzocht werd, kan bezwaarlijk aanzienlijke milieueffecten genereren. De RvVb interpreteert “wijzigingen of uitbreidingen van projecten” zonder rekening te houden met het doel van een effectenrapportage en de achterliggende regelgeving. Volgens de interpretatiegids van het departement Omgeving is er slechts sprake van een “wijziging” wanneer er een verandering of verhoging is van de intensiteit van een activiteit. Hiervan is in het dossier van de verzoekende partijen geen sprake. De wijziging van de functie van tuinzone bij bouwkavel naar privaat natuurgebied houdt geen verandering of verhoging in van de intensiteit. Hierover wordt ook niets uiteengezet in het bestreden arrest, en dit kan ook niet worden afgeleid uit de aanvraag of de voor de RvVb bestreden vergunning, zodat het arrest ook artikel 149 van de Grondwet miskent.
  19. De verwerende partij en de tussenkomende partij betwisten de ontvankelijkheid van het middel. Het middel zou immers aansturen op een heroverweging door de Raad van State van de beoordeling of de aanvraag van de verzoekende partijen als een project-MER-screeningsplichtig project kan worden beschouwd. Als cassatierechter kan de Raad van State echter de feitelijke beoordeling niet overdoen, en enkel nagaan of het bestreden arrest overeenkomstig de wet is genomen. Bovendien stelt de verwerende partij vast dat de verzoekende partijen ook elementen aanvoeren die zij niet hebben voorgelegd aan de RvVb, zodat deze zich daarover niet heeft kunnen uitspreken. Zo voeren de verzoekende partijen in cassatie aan dat hun aanvraag geen “project” is in de zin van artikel VII-42.419-7/15 4.1.1, 5°, DABM, terwijl dit door hen niet uitdrukkelijk werd betwist voor de RvVb. Die elementen zijn dan ook volgens de verwerende partij niet ontvankelijk. Ook merkt de verwerende partij op dat artikel 1, 2, a), van de project-MER-richtlijn is omgezet in het interne recht en dat de verzoekende partijen niet aanvoeren dat de omzetting niet correct is gebeurd. De verzoekende partijen kunnen zich dan ook niet rechtstreeks op de schending van die bepaling beroepen.
  20. Het middel is volgens de verwerende partij en de tussenkomende partij in elk geval ongegrond. Volgens de verwerende partij steunt de uiteenzetting van de verzoekende partijen op de foutieve premisse dat de RvVb de aanvraag heeft gekwalificeerd als een “stadsontwikkelingsproject”. Dat is onjuist: de aanvraag wordt door de RvVb gekwalificeerd als een “wijziging of uitbreiding van projecten van bijlage I, II of III waarvoor reeds een vergunning is afgegeven en die zijn of worden uitgevoerd (niet in bijlage I of II opgenomen wijziging of uitbreiding)” in de zin van rubriek 13 van bijlage III bij het project-MER-besluit. Het is de initiële verkaveling uit 1969 die volgens het bestreden arrest een “stadsontwikkelingsproject” uitmaakt, gelet op “de grootteorde van zowel de totale verkaveling als de kavels op zich”. De initiële verkavelingsvergunning heeft betrekking op meerdere woonentiteiten en moet dan ook aangezien worden als een “stadsontwikkelingsproject” in de zin van rubriek 10, b), van bijlage III bij het project-MER-besluit. De aanvraag van de verzoekende partijen beoogt die initiële verkaveling te wijzigen, zodat het gaat om een “wijziging of uitbreiding” zoals bedoeld in rubriek 13 van bijlage III bij het project-MER-besluit. De RvVb heeft volgens de verwerende partij vervolgens correct gemotiveerd waarom hij de aanvraag van de verzoekende partijen beschouwt als een “wijziging of uitbreiding” van een stadsontwikkelingsproject. Het bestreden arrest verwijst met name naar “de grootteorde van die individuele kavel” en naar VII-42.419-8/15 “de vastgestelde samenhang met de (latere) bijstelling van een groot deel van de andere loten in de verkaveling”. Dat daarbij niet uitdrukkelijk wordt toegelicht waarom de aanvraag een “project” uitmaakt in de zin van artikel 4.1.1, 5°, DABM, of een intensiteitsverhoging met zich zou brengen in de zin van rubriek 13 van bijlage III bij het project-MER-besluit, maakt de motivering nog niet strijdig met artikel 149 van de Grondwet, nu de verzoekende partijen die elementen niet hebben voorgelegd aan de RvVb. Volgens de verwerende partij is er bovendien wel degelijk sprake van een “project” in de zin van artikel 4.1.1, 5°, DABM. Het voorwerp van de aanvraag van de verzoekende partijen zal wel degelijk de materiële toestand van de plaats veranderen, minstens mogelijk maken. De aanvraag kadert immers in een totaalproject dat betrekking heeft op de (her)inrichting van het binnengebied van de verkaveling in uitvoering van een natuurbeheerplan. Bij de beoordeling of het gaat om een project moet rekening gehouden worden met de effecten van het totaalproject, en dus ook met de latere bijstelling van een groot deel van de andere loten van de verkaveling. Beoordeling
  21. Om op ontvankelijke wijze rechtstreeks de schending te kunnen inroepen van een bepaling van een richtlijn die in de interne rechtsorde is omgezet, moet de verzoekende partij aanvoeren dat de betrokken bepaling niet, niet volledig, niet tijdig of niet correct is omgezet. De verzoekende partijen laten na dit te doen, en bevestigen integendeel dat de richtlijn werd “omgezet in en toegepast door het project-MER-besluit, het DABM, het omgevingsvergunningsdecreet en het omgevingsvergunningsbesluit”. Het middel is dan ook niet ontvankelijk in zoverre de schending wordt aangevoerd van artikel 1, 2, a), van de project-MER-richtlijn.
  22. In zoverre uit de uiteenzetting van het middel kan worden afgeleid dat de verzoekende partijen zich ook beroepen op een schending van “het omgevingsvergunningsdecreet en het omgevingsvergunningsbesluit”, blijkt niet VII-42.419-9/15 dat zij met voldoende nauwkeurigheid uiteenzetten welke bepalingen van dat decreet en dat besluit geschonden zijn, laat staan dat zij zouden uiteenzetten hoe deze bepalingen werden geschonden. Het middel is niet ontvankelijk in zoverre de schending wordt aangevoerd van “het omgevingsvergunningsdecreet en het omgevingsvergunningsbesluit”.
  23. Uit de uiteenzetting van het middel kan worden afgeleid dat de verzoekende partijen met de aangevoerde schending van “het project-MER-besluit met zijn bijlagen” enkel de rubrieken 10, b), (“stadsontwikkelingsprojecten”) en 13 (“wijziging of uitbreiding van projecten”) van bijlage III bij het project-MER-besluit viseren. In zoverre in het algemeen ook de schending wordt aangevoerd van andere bepalingen van het project-MER-besluit, mist het middel de vereiste nauwkeurigheid en is het niet ontvankelijk.
  24. De verzoekende partijen voeren de schending van de bewijskracht van de vergunningsbeslissing pas aan in de memorie van wederantwoord, waar zij dit reeds in het cassatieberoep konden doen. Deze kritiek is eveneens niet ontvankelijk.
  25. Het bestreden arrest bevat volgende motieven op grond waarvan het besluit dat de aanvraag van de verzoekende partijen betrekking heeft op een “wijziging of uitbreiding” van een project, in de zin van rubriek 13 van bijlage III bij het project-MER-besluit: “2.
  26. Met de bestreden beslissing vergunt de [deputatie] de bijstelling van de verkaveling van 29 augustus 1969 door het opdelen van een van de 32 kavels (lot 32) in twee loten (loten 32A en 32B). Lot 32 omvat een woning met een ‘tuin en park met vijver’ volgens de motivatienota. Blijkens het initiële verkavelingsplan is een aanzienlijk deel van de oude verkaveling van 29 augustus 1969 al bebouwd met woningen, waaronder lot
  27. Het aangepaste verkavelingsplan tracht een oplossing te bieden voor de bereikbaarheid van lot 32B via een ‘losweg voor het onderhoud van lot 32B conform natuurbeheersplan’ […]. Blijkens de bestreden beslissing vormt de aanvraag een aanzet tot uitvoering van de passende beoordelingen en het goedgekeurde natuurbeheerplan […]. Het natuurbeheerplan heeft betrekking op ‘een terrein, 12ha 46ca groot, VII-42.419-10/15 gelegen in een binnengebied van de verkaveling [B-M] (…) grenzend aan de Nachtegaalstraat en de Heirbaan te Rotselaar Heikant’ […]. De tweede passende beoordeling duidt dat ‘[d]oor de splitsing van de loten (met uitzondering van lot 1) in een gedeelte woonperceel en een gedeelte privaat natuurbeheer, wordt de mogelijke invloed beperkt tot het gedeelte woonperceel en dit enkel voor de nog niet bebouwde percelen. Het projectgebied omvat volgende percelen van de verkaveling lot 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19 en lot 32’ […]. Blijkens het verkavelingsinrichtingsplan bij beide documenten behoort lot 32B, samen met de loten 1-19, tot een ruime ‘zone voor privé-natuurgebied’ van 11,6 ha […]. Blijkens de uitleg van [de verzoekende partijen in cassatie] kadert de aanvraag tot bijstelling van de verkaveling binnen fase 1 van het uitvoeren van het natuurbeheerplan door de inrichting van een deel van het lot 32 als privaat natuurdomein, met name een lot 32B met een oppervlakte van 51.561 m² […], en volgt volgens hun replieknota ‘nog’ een aparte aanvraag voor de bijstelling van de verkaveling voor het opsplitsen van de overige loten gezien ‘[d]e aanvraag tot het splitsen van lot 32 (…) enigszins dringender [was] gelet op de hangende vereffening-verdeling’ (pagina 14). Blijkens hun schriftelijke uiteenzetting wordt de aanvraag voor het bijstellen van de verkaveling voor de overige loten ‘eerstdaags ingediend’ […], waarvan ze ter zitting verklaren dat dit inmiddels is gebeurd. 2.
  28. Er kan moeilijk worden betwist dat de aangevraagde bijstelling van lot 32 kadert binnen een totaalproject dat, zoals [de verwerende partij in cassatie] terecht opmerkt, betrekking heeft op de (her)inrichting van het binnengebied van de verkaveling van 29 augustus 1969 in uitvoering van een natuurbeheerplan waaraan twee passende beoordelingen zijn voorafgegaan. Het staat vast dat [de verzoekende partijen in cassatie] daarbij opteren voor twee fasen/deelprojecten: - opsplitsing van lot 32 in twee loten (eerste fase); - opsplitsing van loten 2 tot 19 in telkens twee loten (tweede fase). Het staat de aanvrager vrij om een project op te splitsen in deelprojecten dan wel uit te voeren in verschillende fasen op voorwaarde dat de doelstelling van de MER-regelgeving niet wordt omzeild. De project-MER-plicht heeft tot doel de vergunningverlenende overheid toe te laten de milieueffecten van, in voorkomend geval, het globale project na te gaan, des te meer wanneer zoals in casu de verschillende fases waaruit het project bestaat reeds met een grote mate van zekerheid gekend zijn. In casu is een eenheid van beoordeling vereist waarbij rekening wordt gehouden, niet alleen met de opsplitsing van lot 32 op zich, maar met de gezamenlijke milieueffecten over de verschillende fases heen, en dus ook de opsplitsing van de overige beoogde loten 2 tot 18 die mede behoren tot het voormelde binnengebied.
  29. Artikel 4.3.2, §2bis DABM bepaalt dat de Vlaamse Regering, aan de hand van de criteria die worden omschreven in de bijlage II bij het DABM, de categorieën van projecten aanduidt waarvoor overeenkomstig dit hoofdstuk een project-MER of een project-m.e.r.-screeningsnota moet worden VII-42.419-11/15 opgesteld. Middels de bijlage III bij het Project-MER-besluit heeft de Vlaamse Regering uitvoering gegeven aan voormelde bepaling. Rubriek 10, b) van bijlage III bij het Project-MER-besluit bepaalt: ‘
  30. Infrastructuurprojecten … b) stadsontwikkelingsprojecten, met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen (projecten die niet onder bijlage II vallen)’ Rubriek 13 van bijlage III bij eenzelfde besluit bepaalt: ‘
  31. Wijziging of uitbreiding van projecten wijziging of uitbreiding van projecten van bijlage I, II of III waarvoor reeds een vergunning is afgegeven en die zijn of worden uitgevoerd (niet in bijlage I of II opgenomen wijziging of uitbreiding).’ De [deputatie] kan moeilijk betwisten dat een verkaveling met 32 kavels, mede gelet op de grootteorde van zowel de totale verkaveling als de kavels op zich, een stadsontwikkelingsproject is in de zin van de voormelde rubriek 10, b). [De verzoekende partijen in cassatie] kunnen moeilijk betwisten dat de gevraagde bijstelling van lot 32, mede gelet op de grootteorde van die individuele kavel en de vastgestelde samenhang met de (latere) bijstelling van een groot deel van de andere loten in de verkaveling, een wijziging of uitbreiding is van dat stadsontwikkelingsproject in de zin van voormelde rubriek 13.”
  32. In zoverre in het middel wordt aangevoerd dat het bestreden arrest de draagwijdte heeft miskend van het in rubriek 10, b), van bijlage III bij het project-MER-besluit bedoelde begrip “stadsontwikkelingsproject”, berust de kritiek van de verzoekende partijen op een foute lezing van het bestreden arrest. Het is immers niet de aanvraag van de verzoekende partijen tot bijstelling van de verkaveling die door het bestreden arrest wordt beschouwd als een “stadsontwikkelingsproject”, maar de verkaveling die in 1969 werd vergund. De aangevoerde schending van deze rubriek kan niet tot cassatie leiden.
  33. Als cassatierechter treedt de Raad van State niet in de beoordeling van de zaak zelf (artikel 14, § 2, RvS-wet). In zoverre de verzoekende partijen de Raad van State uitnodigen om opnieuw te beoordelen of hun aanvraag kadert binnen een totaalproject waarvoor een eenheid van beoordeling van de milieueffecten is vereist, vragen zij om de feitelijke beoordeling van de RvVb in dit verband over te doen, en is het middel niet ontvankelijk. VII-42.419-12/15
  34. De in artikel 149 van de Grondwet ingeschreven rechterlijke motiveringsverplichting heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak voldoet aan deze motiveringsplicht wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet - al waren ze verkeerd of onwettig - die hem ertoe brengen zijn beslissing te nemen. Bij de beoordeling of de rechterlijke motiveringsverplichting werd nageleefd, is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Het gaat er dan ook niet om of de motivering omstandig of juist is. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van artikel 149 van de Grondwet. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek.
  35. In hun schriftelijke uiteenzetting voor de RvVb hebben de verzoekende partijen aangevoerd: “In geen geval is het de bedoeling om het lot 32B te voegen bij het lot van de aanpalende eigenaar, noch is het de bedoeling om de ‘residentiële parkfunctie van een perceel uit te breiden’, noch heeft de aanvraag tot gevolg dat een bijkomende ‘bouwplaats’ gecreëerd wordt. Dit alles volgt niet uit de aanvraag, noch uit de bestreden beslissing en de vergunde plannen. De bestreden beslissing is dan ook duidelijk over het voorwerp van de aanvraag: ‘De verdeling gebeurt binnen eenzelfde familie. De verkavelingsbijstelling heeft geen wijziging of uitbreiding van de bestaande verkaveling tot gevolg. Er wordt fysisch geen opdeling gemaakt, hoogstens een afsluiting met houten palen volgens het natuurbeheersplan.’ Rubriek 13 van de derde bijlage [bij het project-MER-besluit] is bijgevolg ook niet van toepassing.” Met deze uiteenzetting hebben de verzoekende partijen op voldoende duidelijke wijze het verweermiddel opgeworpen dat pas van een “wijziging of uitbreiding” van een project in de zin van rubriek 13 van bijlage III bij het project-MER-besluit sprake kan zijn wanneer een fysieke ingreep wordt beoogd die milieueffecten kan teweegbrengen. VII-42.419-13/15 Met de overweging “[De verzoekende partijen in cassatie] kunnen moeilijk betwisten dat de gevraagde bijstelling van lot 32, mede gelet op de grootteorde van die individuele kavel en de vastgestelde samenhang met de (latere) bijstelling van een groot deel van de andere loten in de verkaveling, een wijziging of uitbreiding is van dat stadsontwikkelingsproject in de zin van voormelde rubriek 13.” antwoordt het bestreden arrest niet op dit middel van de verzoekende partijen. Noch “de grootteorde van die individuele kavel”, noch “de vastgestelde samenhang met de (latere) bijstelling van een groot deel van de andere loten in de verkaveling” veronderstellen immers noodzakelijkerwijze ook fysieke ingrepen die milieueffecten kunnen teweegbrengen.
  36. Het middel is gegrond in zoverre de schending wordt aangevoerd van artikel 149 van de Grondwet. BESLISSING
  37. De Raad van State vernietigt arrest nr. RvVb-A-2324-0318 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 11 januari 2024 in de zaak 2122-RvVb-0232-A.
  38. Dit arrest dient te worden overgeschreven in de registers van de Raad voor Vergunningsbetwistingen en melding ervan moet worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.
  39. De zaak wordt verwezen naar de anders samengestelde Raad voor Vergunningsbetwistingen. VII-42.419-14/15
  40. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 1.800 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partijen. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vijftien mei tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Francis Van Nuffel, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-42.419-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.301 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.