← België

Arrest 263320 - Varia (openbaar ambt) - 15/05/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.320 Rolnummer: A. 236517/X-18163 Zaak: Arrest 263320 - Varia (openbaar ambt) - 15/05/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-05-16 Raadplegingen: 86 - laatst gezien 2026-06-16 05:08 Fiche Arrest nr 263.320 van 15 mei 2025 Openbaar ambt - Varia (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 263.320 van 15 mei 2025 in de zaak A. 236.517/X-18.163 In zake : D.V. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Griet Verschingel kantoor houdend te 2570 Duffel Beukheuvel 146 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christian Lemache kantoor houdend te 3800 Sint-Truiden Tongersesteenweg 60 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 30 mei 2022, strekt tot de nietigverklaring van “het besluit van de Vlaamse Minister van Justitie, Handhaving, Omgeving en Toerisme dd. 22.03.2022 betreffende het gemotiveerd verzoek van 31.12.2020 tot kwijtschelding of vermindering van invordering van opeisbare dwangsommen door [verzoeker]”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 260.921 van 4 oktober 2024 wordt het debat heropend en wordt het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat belast met een aanvullend onderzoek. X-18.163-1/7 Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een aanvullend verslag opgesteld. Verzoeker heeft een aanvullende laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 maart
  3. Staatsraad David D’Hooghe heeft verslag uitgebracht. Advocaat Ibe Delbeke, die loco advocaat Griet Verschingel verschijnt voor verzoeker, en advocaat Veerle Tollenaere, die loco advocaat Christian Lemache verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten
  5. Verwezen wordt naar de feiten zoals deze zijn uiteengezet in ’s Raads arrest nr. 260.921 van 4 oktober
  6. X-18.163-2/7 IV. Onderzoek van het enig middel Samenvatting van het middel
  7. Het enige middel is afgeleid uit de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het motiveringsbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur. 5.
  8. Verzoeker betoogt in essentie dat het bevolen herstel van de plaats in de oorspronkelijke staat “onmogelijk” is, omdat er nooit is gebouwd conform de in 1986 verleende vergunning. Dit maakt het onmogelijk om de veroordeling om “alle onvergunde constructies” te verwijderen, na te leven. Verzoeker voert aan dat de verwerende partij het geschetste probleem (van uitvoering) niet heeft willen zien en naast de feitelijke gegevens van het dossier heeft geargumenteerd. Verzoeker vermeldt voorts dat zijn (oorspronkelijk) gemotiveerd verzoek van 28 april 2021 verloren is gegaan en dat hij op 29 juli 2021 opnieuw een verzoek tot heroverweging van de dwangsom heeft ingediend. Het is volgens verzoeker weinig zorgvuldig om het (oorspronkelijke) verzoek verloren te laten gaan en in het bestreden besluit het verzoek verkeerd te dateren. Dit doet verzoeker besluiten tot een schending van het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. 5.
  9. Daarnaast acht verzoeker ook het motiveringsbeginsel geschonden. De motivering dat een tijdelijke opschorting maar kan worden overwogen wanneer er zich omstandigheden aandienen die maken dat de dwangsom als geldelijke prikkel zijn bestaansreden verliest, is volgens verzoeker in te algemene bewoordingen gesteld zodat het niet concreet toepasselijk is op het dossier. Daarnaast blijkt uit de motivering dat voorbij werd gegaan aan de feitelijke X-18.163-3/7 gegevens van het dossier. In het dossier werd niet in rekening gebracht dat nooit volgens de vergunde plannen werd gebouwd. Beoordeling
  10. Op grond van de volgende overwegingen besluit het auditoraatsverslag tot de ongegrondheid van het middel: “
  11. Centraal in de motivering van het bestreden besluit staat de verwijzing naar ‘de uitvoerbare kracht van een in kracht van gewijsde getreden rechterlijke beslissing’. Het bestreden besluit vermeldt daarover: ‘Zowel het veroordelend als het interpretatief vonnis kunnen enkel zo worden begrepen dat de verwijdering van de onvergunde uitbreiding van het magazijn een integrerend onderdeel uitmaakt van de bevolen herstelmaatregel. Het gezag van gewijsde waarmee het veroordelend en het interpretatief vonnis zijn bekleed met betrekking tot het rechtspunt inzake de aan het magazijn uit te voeren werken, brengt mee dat met betrekking tot dit rechtspunt een wettelijk vermoeden geldt dat wat de rechtbank heeft beslist, voor waar moet worden aangenomen en de onvergunde uitbreiding van het magazijn dus moet worden afgebroken. Het komt de overheid niet toe om in het kader van deze procedure het rechterlijk gewijsde, dit is het wettelijk vermoeden dat wat de rechter heeft beslist juist is, te weerspreken. In een rechtsstaat kan enkel door het aanwenden van rechtsmiddelen een in kracht van gewijsde getreden rechterlijke beslissing worden gewijzigd en vermag een orgaan van het actief bestuur dit niet te doen. Op verzoeker rust te dezen de dwingende rechtsplicht uit te voeren wat de rechtbank op dit punt heeft bevolen. Hij is dus ertoe gehouden de onvergunde uitbreiding af te breken en het magazijn terug te brengen tot de in 1986 vergunde afmetingen.’ Ook op de kritiek dat niet werd gebouwd conform de in 1986 verleende vergunning, gaat het bestreden besluit in. Het vermeldt daaromtrent: ‘Verzoeker doet verder nog gelden dat het magazijn, in zijn huidige toestand en dus begrepen de uitbreiding die de afmetingen van wat in 1986 is vergund te buiten gaat, een stedenbouwkundig misdrijf uitmaakt dat naar hij beweert al aanwezig was bij de aankoop van het goed in 2013 en tot 40 jaar teruggaat in de tijd.’ Naast het oordeel dat dit ‘persoonlijke bedenkingen’ betreft, geeft de verwerende partij in het bestreden besluit te kennen dat die kritiek ‘zich evenmin (laat) verstaan met de uitvoerbare kracht van de in kracht van gewijsde getreden rechterlijke beslissingen, zijnde het veroordelend en interpretatief vonnis’.
  12. Rekening houdend met die centrale motieven, kan verzoeker niet worden gevolgd in zijn betoog dat de verwerende partij ‘het geschetste probleem’ X-18.163-4/7 (van uitvoering) niet heeft willen zien. Zoals de verwerende partij aangeeft, gaat het bevolen herstel terug op een met gezag van gewijsde bekleed vonnis waaraan gevolg moet worden gegeven. In zijn argumentatie gaat verzoeker voorbij aan deze motieven. Hij formuleert er geen concrete wettigheidskritiek tegen. Door te verwijzen naar de (vergunnings)historiek van het dossier, en abstractie te maken van het in het bestreden besluit vermelde gezag van gewijsde van de tussengekomen vonnissen, maakt verzoeker niet aannemelijk dat de verwerende partij onterecht geen rekening zou hebben gehouden met de feiten van het dossier.
  13. In zoverre verzoeker aanvoert dat de verwerende partij geen rekening zou hebben gehouden met het feit dat verzoeker ‘alles heeft afgebroken waartoe hij werd veroordeeld’, en dat de afbraak ‘sinds 10.05.2022 een definitief feit’ is, kan worden vastgesteld dat deze argumentatie niet dienstig is om de onwettigheid van het bestreden besluit aan te tonen. De afbraak waarvan melding wordt gemaakt dateert immers van […] na het bestreden besluit. Uit niets blijkt dat de verwerende partij, op het moment dat het bestreden besluit werd genomen, niet op wettige wijze heeft kunnen vaststellen dat ‘blijkt dat de uitbreiding aan het magazijn nog niet is afgebroken’.
  14. De kritiek dat de vermelding in het bestreden besluit ten aanzien van de mogelijkheid tot tijdelijke opschorting van de invordering van een opeisbare dwangsom in te algemene bewoordingen gesteld zou zijn zodat het niet concreet toepasselijk is op het dossier, vermag niets af te doen aan de hoger vermelde motieven waarin wordt gewezen op de met gezag van gewijsde bevolen herstelmaatregel, en op het feit dat het bevolen herstel nog niet volledig werd uitgevoerd.
  15. Aangezien, zoals al werd aangegeven, verzoeker niet inhoudelijk ingaat op die motieven noch aantoont dat het bevolen herstel reeds vóór het bestreden besluit werd uitgevoerd, kan niet worden aangenomen dat de motivering van het bestreden besluit voorbijgaat aan de feitelijke gegevens van het dossier noch dat niet in rekening werd gebracht dat nooit volgens de vergunde plannen werd gebouwd. Er wordt aldus niet aannemelijk gemaakt dat het bestreden besluit niet zou steunen op een deugdelijke motivering.
  16. Ten aanzien van de kritiek dat het ‘weinig zorgvuldig’ is om het aanvankelijk verzoek tot heroverweging van de dwangsom verloren te laten gaan en om de datum van het nieuwe verzoek verkeerd te vermelden in het bestreden besluit, kan worden opgemerkt dat het bestreden besluit zich uitspreekt over het op 5 augustus 2021 ontvankelijk verklaard verzoek. Verzoeker had de mogelijkheid om daarin al zijn argumenten naar voren te brengen. Er kan niet worden ingezien, en verzoeker vermeldt daaromtrent ook niets in het verzoekschrift, welke waarborg verzoeker zou zijn ontnomen doordat een eerder ingediend verzoek verloren zou zijn gegaan. De vermelding van ‘31 december 2020’ in het opschrift van het bestreden besluit als zijnde de datum van het ‘gemotiveerd verzoek’ blijkt louter een materiële vergissing die niet tot de onwettigheid van het bestreden besluit kan leiden. Alleszins wordt niet betwist dat het bestreden besluit uitspraak doet over het verzoek van verzoeker dat op 5 augustus 2021 werd ontvankelijk X-18.163-5/7 verklaard. Er wordt niet aannemelijk gemaakt met welke elementen uit dat verzoek geen rekening zou zijn gehouden bij de beoordeling.
  17. Een schending van de ingeroepen beginselen wordt niet aannemelijk gemaakt. Het middel is te verwerpen.”
  18. Ter zitting heeft verzoeker verklaard te berusten in het auditoraatsverslag.
  19. In die omstandigheden ziet ook de Raad van State geen reden om er een andere zienswijze dan in het auditoraatsverslag op na te houden. Hij valt de beoordeling in het auditoraatsverslag bij en maakt ze tot de zijne.
  20. Het enige middel wordt verworpen. BESLISSING
  21. De Raad van State verwerpt het beroep.
  22. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 22 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. X-18.163-6/7 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vijftien mei tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Jan Clement, kamervoorzitter, Stephan De Taeye, staatsraad, David D’Hooghe, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Jan Clement X-18.163-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.320 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.921 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.