id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.321 Rolnummer: A. 239014/X-18386 Zaak: Arrest 263321 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 15/05/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-05-16 Raadplegingen: 93 - laatst gezien 2026-06-16 05:08 Fiche Arrest nr 263.321 van 15 mei 2025 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 263.321 van 15 mei 2025 in de zaak A. 239.014/X-18.386 In zake : B.E. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Luk Delbrouck kantoor houdend te 3500 Hasselt Maastrichterstraat 99 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de GEMEENTE LANAKEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Chris Schijns en Jef Goffings kantoor houdend te 3600 Genk Grotestraat 122 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 2 mei 2023, strekt tot de nietigverklaring van “[h]et besluit van de burg[em]eester te Lanaken van 10 maart 2023 waarbij ter vrijwaring van de openbare orde de lachgasflessen die d.d. 20 maart 2020 door PZ Lama [politiezone Lanaken-Maasmechelen] in beslag werden genomen waarvan verzoeker de eigenaar/bezitter is, vernietigd worden en waarvan de kosten conform artikel 1382 BW ten bedrage van 6020,62 euro teruggevorderd worden van de oorspronkelijke bezitter/eigenaar”. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 260.756 van 24 september 2024 wordt het debat heropend en wordt het bevoegd lid van het auditoraat gelast met een aanvullend onderzoek. X-18.386-1/9 Eerste auditeur Sofie De Doncker heeft een aanvullend verslag opgesteld. Verzoeker heeft een aanvullende laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een aanvullende laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 mei
- Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jef Goffings, die verschijnt voor de verwerende partij, is gehoord. Eerste auditeur Sofie De Doncker heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Op 20 maart 2020 neemt de politie van de politiezone Lama 67 lachgasflessen tussen 2 en 15 kg bestuurlijk in beslag, ter vrijwaring van de openbare veiligheid en rust. Verzoeker, die toen een event-bureau had, is er de eigenaar of bezitter van. De flessen zijn, minstens hoofdzakelijk, afkomstig van een Nederlands bedrijf. Volgens de politie staat het ontegensprekelijk vast dat het de bedoeling is om van het lachgas een oneigenlijk gebruik te maken, meer bepaald voor het creëren van een roeseffect. Dit is een inbreuk op (toentertijd) artikel 40bis van de politieverordening omtrent de invoering van de gemeentelijke administratieve sancties. X-18.386-2/9 Met een bestuurlijk verslag van 13 oktober 2021 licht de politie de burgemeester van Lanaken over de inbeslagname van het lachgas in. Meegedeeld wordt dat de politiezone de lachgasflessen voorlopig bewaart en dat het, rekening houdend met de openbare veiligheid en orde en ter voorkoming van verder misbruik, aanbevolen is de goederen te laten vernietigen. Op 28 november 2022 keurt de gemeenteraad een retributiereglement voor de vernietiging van lachgasflessen goed. Meer bepaald wordt met ingang van 29 november 2022 een retributie gevestigd “op de vernietiging van de lachgasflessen/-capsules in het kader van het oneigenlijk lachgasgebruik”. Met een brief van 10 januari 2023 nodigt de burgemeester verzoeker uit “om [zijn] verweer in te dienen ten opzichte van het voornemen om de vernietiging van de lachgasflessen op basis van art. 133 en 135 van de Nieuwe Gemeentewet uit te voeren”, waarbij de kosten van de vernietiging ten bedrage van 6020,62 euro van de oorspronkelijke bezitter teruggevorderd zullen worden. Verzoeker dient zijn verweer op 24 januari 2023 in. De burgemeester beslist op 10 maart 2023, onder verwijzing naar artikel 63 van het decreet van 22 december 2017 ‘over het lokaal bestuur’ en de artikelen 133 en 135, § 2, van de nieuwe gemeentewet, dat de inbeslaggenomen lachgasflessen waarvan verzoeker de bezitter of eigenaar is, vernietigd worden ter vrijwaring van de openbare orde en dat de kosten voor de vernietiging ervan, ten bedrage van 6020,62 euro, van hem teruggevorderd worden. X-18.386-3/9 IV. Onderzoek van het eerste middel Standpunt van de partijen 4.
- Verzoeker voert in een eerste middel de schending aan van “de redelijke termijneis, het zorgvuldigheidsbeginsel, het principe van de rechtszekerheid, en van het principe van rechtsverwerking”. Hij voert aan dat de lachgasflessen reeds op 20 maart 2020 in beslag werden genomen, waarna pas op 10 maart 2023 een beslissing werd genomen tot vernietiging van deze flessen, wat gepaard gaat met bijzonder zware kosten. Ofschoon verzoeker reeds op het moment van de inbeslagname om de vrijgave van de flessen heeft gevraagd, wordt pas drie jaar later een besluit tot vernietiging genomen. De verwerende partij is verplicht om binnen een redelijke termijn rechtszekerheid te verschaffen over de rechtstoestand van verzoeker. Dit alles klemt des te meer, nu de verwerende partij zich op een retributiereglement beroept dat pas op 28 november 2022 werd aangenomen. De eventuele toepasbaarheid van dit reglement is louter het gevolg van het talmen van de verwerende partij. Verzoeker wordt met een regelgeving geconfronteerd die in het leven werd geroepen jaren nadat de vermeende inbreuk werd begaan. 4.
- In haar memorie van antwoord voert de verwerende partij aan dat het middel onontvankelijk is omdat verzoeker, overeenkomstig artikel 30, § 2, van de wet van 5 augustus 1992 ‘op het politieambt’ (hierna: de wet op het politieambt), sinds zes maanden na de inbeslagname van de lachgasflessen geen enkel recht meer heeft op deze flessen. Voorts betoogt de verwerende partij dat er geen sprake is van een onverantwoord stilzitten. Minstens toont verzoeker niet aan dat hij ingevolge dit stilzitten enige schade zou hebben geleden. Een eventuele vernietiging van de bestreden beslissing levert verzoeker geen voordeel op, nu zijn exploitatie is stopgezet. X-18.386-4/9 4.
- In zijn memorie van wederantwoord wijst verzoeker op de hoge kosten van de vernietiging. Indien de vernietigingsbeslissing binnen een redelijke termijn was genomen, zou het retributiereglement nog niet hebben bestaan. Gelet op de door verzoeker opgestarte juridische procedures kan de verwerende partij bezwaarlijk voorhouden dat hij niet om de teruggave van de flessen zou hebben verzocht. Voorts voegt verzoeker een lijst met mailverkeer toe, waaruit blijkt dat hij herhaaldelijk om de vrijgave van de lachgasflessen heeft gevraagd. 4.
- De verwerende partij zet in haar aanvullende laatste memorie uiteen dat de politiediensten haar op 13 oktober 2021 hebben verzocht om de lachgasflessen te laten vernietigen, en dat verzoeker op 10 januari 2023 voor een hoorzitting werd uitgenodigd. Het tijdsverloop van 15 maanden tussen deze twee momenten is te verklaren doordat zij, net zoals andere steden en gemeenten, heeft gewacht op de totstandkoming van een raamovereenkomst met een vernietigingsfirma (hierna: de raamovereenkomst). De raamovereenkomst werd op provinciaal niveau geregeld en twaalf Limburgse gemeentes en tien politiezones hebben zich erbij aangesloten. Deze aanpak heeft voorkomen dat de vernietigingskosten aanzienlijk zouden oplopen. De totale termijn van drie jaar voor de beslissing over de inbeslagname en de vernietiging van de lachgasflessen kan gerechtvaardigd worden door de complexiteit van de zaak en door de noodzaak om alle betrokken belangen zorgvuldig af te wegen. Lachgasflessen brengen immers aanzienlijke risico’s met zich mee, zowel voor de volksgezondheid als de openbare veiligheid, waardoor een grondige evaluatie en coördinatie met verschillende instanties noodzakelijk waren. Lachgasflessen kunnen immers niet zomaar naar het containerpark gebracht worden. In het licht van de bescherming van de openbare orde was de vernietiging van de lachgasflessen de enige mogelijkheid. De verwerende partij voert ten slotte nog aan dat verzoeker in de periode 2023-2024 zijn bedrijfsactiviteiten klaarblijkelijk heeft stopgezet om deze korte tijd later in Nederland terug herop te starten. Verzoeker gaat “zeer schimmig” tewerk en organiseert zijn bedrijfsactiviteiten op een verwarrende manier. Dit heeft X-18.386-5/9 er in het verleden toe geleid dat de politie de nodige moeite had om deze zaak te bespoedigen, en heeft er (mede) toe geleid dat heel de kwestie een bepaalde tijd heeft geduurd. 4.
- Verzoeker doet in zijn aanvullende laatste memorie nog gelden dat allereerst uit het oog wordt verloren dat de lachgasflessen reeds op 20 maart 2020 in beslag werden genomen en dat de verwerende partij de eerste periode van 19 maanden, tussen 20 maart 2020 en 13 oktober 2021, klaarblijkelijk niet kan verklaren. Verzoeker bekritiseert dat nergens in de bestreden beslissing naar de raamovereenkomst wordt verwezen. Bovendien was er geen enkele noodzaak om op de raamovereenkomst te wachten, nu er steeds een individuele opdracht tot vernietiging van de lachgasflessen aan een gekwalificeerde afvalverwerker kon worden gegeven. Ook brengt de verwerende partij de raamovereenkomst niet bij en vermeldt zij evenmin de datum van afsluiting van deze overeenkomst. Voorts wijst verzoeker erop dat dertig Limburgse gemeenten (+/- 75%) zich niet bij de raamovereenkomst hebben aangesloten, zodat het niet noodzakelijk was om erbij aan te sluiten. Voorts brengt verzoeker enkele gemeentelijke besluiten met betrekking tot de vernietiging van lachgasflessen bij, die in een zorgvuldig optreden tegen een veel beperktere vergoeding voorzien. Op welke manier de werkwijze van verzoeker voor tijdsvertraging zou hebben gezorgd, wordt ten slotte niet verduidelijkt. Beoordeling 5.
- Het van 10 maart 2023 daterende bestreden besluit beveelt de vernietiging van de op 20 maart 2020 inbeslaggenomen lachgasflessen en verhaalt de kosten daarvan op verzoeker aangezien hij op het moment van de inbeslagname eigenaar/bezitter was van de flessen. 5.
- Verzoeker heeft een belang bij het inroepen van de redelijketermijneis, nu de miskenning ervan tot gevolg heeft kunnen hebben dat het op 28 november 2022 door de verwerende partij aangenomen X-18.386-6/9 retributiereglement op hem werd toegepast, waardoor de vernietigingskost van 6020,62 euro te zijnen laste wordt gelegd. Dat verzoeker niet langer eigenaar of bezitter is van de inbeslaggenomen flessen, ontneemt hem nog niet het rechtens vereiste belang bij het middel. Bij vernietiging van het bestreden besluit op grond van de redelijketermijneis zal verzoeker immers niet langer tot het betalen van de door het bestreden besluit vastgestelde kost gehouden zijn. De zienswijze van de verwerende partij bijvallen, zou overigens tot gevolg hebben dat de bezitter/eigenaar van inbeslaggenomen flessen telkens zijn belang verliest, als de overheid maar lang genoeg wacht met het nemen van een vervolgbeslissing na de inbeslagname ervan. 5.
- De vraag of de redelijke termijn overschreden is, moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval. Van betekenis daarbij zijn de complexiteit van de zaak, de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld, de houding van de betrokkene, de aard van de maatregel en het belang van de zaak voor de betrokkene. 5.
- Met verzoeker wordt vastgesteld dat de verwerende partij er sinds de inbeslagname van de lachgasflessen bijna drie jaar heeft over gedaan om de beslissing tot vernietiging van de flessen, met de eraan verbonden retributie van 6020,62 euro, te nemen. Dat artikel 30, § 2, van de wet op het politieambt erin voorziet dat de inbeslaggenomen voorwerpen in beginsel gedurende “maximaal” zes maanden ter beschikking worden gehouden van de houder, bezitter of eigenaar, vermag deze uitzonderlijk lange termijn niet goed te praten. 5.
- Voorts kan aan verzoekers zaak bezwaarlijk een bijzondere moeilijkheidsgraad worden toegeschreven. De verwerende partij geeft zelf aan dat de politiediensten haar op 13 oktober 2021 hebben verzocht “om de lachgasflessen niet terug te bezorgen maar wel te laten vernietigen”, en erkent zelf uitdrukkelijk dat de vernietiging van de flessen in het licht van de bescherming van de openbare orde de enige mogelijkheid was. Het maakt de vaststelling dat de verwerende partij X-18.386-7/9 er niettemin zowat drie jaar heeft over gedaan om de beslissing tot vernietiging te nemen, des te meer pregnant. 5.
- Bovendien was verzoekers belang bij de zaak, en bij het verkrijgen van duidelijkheid over de inbeslaggenomen lachgasflessen, de verwerende partij genoegzaam bekend. Verzoeker heeft met mails van 26 maart 2020, 14 mei 2020, 19 mei 2020, 20 mei 2020, 22 mei 2020 en 24 januari 2023 om de vrijgave van de lachgasflessen verzocht, en heeft een procedure tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid tegen de inbeslagname van de flessen ingesteld. Verzoeker heeft er daarbij uitdrukkelijk op gewezen dat bij gebrek aan teruggave van de flessen zijn exploitatie diende stopgezet te worden. 5.
- Eerst in zijn aanvullende laatste memorie werpt de verwerende partij tegen dat zij voor het nemen van het bestreden besluit heeft gewacht op de totstandkoming van de raamovereenkomst op provinciaal niveau, en dat daardoor werd voorkomen dat de vernietigingskosten aanzienlijk zouden oplopen. Noch de raamovereenkomst, noch de inhoud daarvan, noch zelfs maar de datum van de afsluiting ervan, worden door de verwerende partij bijgebracht. Het kan de onredelijk lange termijn om tot het bestreden besluit te komen dan ook niet rechtvaardigen, temeer nu verzoeker niet zonder pertinentie aanvoert dat zowat dertig Limburgse gemeenten zich niét bij de raamovereenkomst hebben aangesloten, dat er steeds een individuele opdracht tot vernietiging van de lachgasflessen aan een gekwalificeerde afvalverwerker kon gegeven worden, en dat uit besluiten van andere gemeenten beperktere vergoedingen voor de vernietiging van lachgasflessen blijken dan deze die haar wordt aangerekend. 5.
- Gelet op wat voorafgaat, wordt een schending van de redelijketermijneis aangenomen. 5.
- Het middel is in de aangegeven mate gegrond. X-18.386-8/9 BESLISSING
- De Raad van State vernietigt het besluit van de burgemeester van de gemeente Lanaken van 10 maart 2023 waarbij ter vrijwaring van de openbare orde de lachgasflessen die op 20 maart 2020 door de politiezone Lanaken-Maasmechelen in beslag werden genomen en waarvan verzoeker de eigenaar/bezitter is, vernietigd worden en de kosten ten bedrage van 6020,62 euro conform artikel 1382 BW van hem worden teruggevorderd.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan verzoeker. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vijftien mei tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Jan Clement, kamervoorzitter, Stephan De Taeye, staatsraad, David D’Hooghe, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Jan Clement X-18.386-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.321 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.756 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div