← België

Arrest 263325 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 15/05/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.325 Rolnummer: A. 239047/X-18391 Zaak: Arrest 263325 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 15/05/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-05-16 Raadplegingen: 83 - laatst gezien 2026-06-16 05:08 Fiche Arrest nr 263.325 van 15 mei 2025 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 263.325 van 15 mei 2025 in de zaak A. 239.047/X-18.391 In zake : de STAD ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Gitte Laenen en Jonas De Wit kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : 1. de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken 2. de GOUVERNEUR VAN DE PROVINCIE ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Nathanaëlle Kiekens, Linde Bevernaege en Devin Kumpen kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 8 mei 2023, strekt tot de nietig-verklaring van het “[b]esluit van de gouverneur van de provincie Antwerpen dd, 23 januari 2023 met betrekking tot de eindafrekening van de brandweer-bijdragen voor het werkingsjaar 2014” en van “[h]et ministerieel besluit van de minister van Binnenlandse Zaken [van 17 februari 2023] houdende goedkeuring van de beslissing van de gouverneur van de provincie Antwerpen dd. 23 januari 2023 met betrekking tot de eindafrekening van de brandweerbijdragen voor het werkingsjaar 2014”. X-18.391-1/15 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Arne Carton heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 mei 2025. Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Matthias Boydens, die loco advocaten Gitte Laenen en Jonas De Wit verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Devin Kumpen, die verschijnt voor beide verwerende partijen, zijn gehoord. Auditeur Arne Carton heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Wettelijk kader en feiten 3.1. Artikel 10 van de wet van 31 december 1963 ‘betreffende de civiele bescherming’ (hierna: de wet van 31 december 1963) bepaalt, met het oog op de algemene organisatie van de brandweerdiensten, de indeling van de gemeenten van iedere provincie in gewestelijke groepen van categorie X, Y en Z. Elke gewestelijke groep is samengesteld uit verscheidene gemeenten, gegroepeerd rond een gemeente-gewestelijk groepscentrum, waarop de andere gemeenten van X-18.391-2/15 de gewestelijke groep een beroep kunnen doen, tegen de betaling van een forfaitaire en jaarlijkse bijdrage. De verzoekende partij is het enige gemeente-gewestelijke groepscentrum van categorie X in de provincie Antwerpen. Mechelen en Turnhout behoren tot de categorie Y. De overige gemeenten-gewestelijke groepscentra – Boom, Edegem, Heist-op-den-Berg, Herentals, Hoogstraten, Lier, Malle, Mol, Westerlo, Willebroek, Wuustwezel en Geel – behoren tot de categorie Z. 3.2.1. Artikel 10 van de wet van 31 december 1963 regelt de verdeling van de kosten van de brandweerdiensten tussen de gemeenten die als gewestelijke groepscentra fungeren en de gemeenten die niet over een eigen brandweerdienst beschikken, en het bepaalt welke kosten daarbij in aanmerking komen. Inzonderheid stelt dit artikel, zoals gewijzigd door de wet van 14 januari 2013 ‘tot wijziging van de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming’, de criteria vast die de gouverneur in aanmerking moet nemen bij het bepalen van het verschuldigde bedrag van de bijdrage voor de brandweerdiensten. 3.2.2. De tweede paragraaf van artikel 10 van de wet van 31 december 1963 luidt: “§ 2. In afwijking van artikel 256 van de nieuwe gemeentewet, de forfaitaire en jaarlijkse bijdrage verschuldigd door de gemeenten wordt door de gouverneur, na raadpleging van de belanghebbende gemeenteraden vastgesteld als volgt: 1° De kosten van de brandweerdiensten van de gemeenten-gewestelijke groepscentra worden, per provincie, en per categorieën X, Y en Z, omgeslagen over de gemeenten die deel uitmaken van een gewestelijke groep en bediend worden door de brandweerdienst van de gemeente-groepscentrum. 2° De jaarlijkse bijdrage verschuldigd door de gemeenten wordt vastgesteld op de grondslag van :

  1. a)het globaal kadastraal inkomen van elke gemeente op 1 januari van het jaar waarin de kosten werden gemaakt;
  2. b)het bevolkingscijfer van elke gemeente op 1 januari van het jaar waarin de kosten werden gemaakt, zoals blijkt uit de laatste officiële opgave van het bevolkingscijfer gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad;
  3. c)de in aanmerking komende kosten van de brandweerdiensten van de gemeenten-gewestelijke groepscentra van de provincie; die kosten worden X-18.391-3/15 vastgesteld op grond van de tijdens het vorige jaar door die diensten gedragen werkelijke kosten, met inbegrip van de kosten voor intresten en aflossingen van leningen. Op het kadastraal inkomen en op het bevolkingscijfer van de gemeenten waar een vooruitgeschoven post gevestigd is, kan door de gouverneur een coëfficiënt groter dan 1 toegepast worden. Mogen niet meegerekend worden bij het vaststellen van de in aanmerking komende kosten :
  4. a)de tegemoetkomingen door het Rijk verleend voor de aankoop van materieel en de uitvoering van werken, zomede eventueel de installatie- en werkingskosten van de centra van het eenvormig oproepstelstel, welke voor de Staat ten laste genomen worden;
  5. b)de financiële lasten betreffende de pensioenen van het personeel van de brandweerdiensten met uitzondering van het aandeel van de werkgever in de bijdrage aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten of het overeenstemmend percentage wanneer de gemeente-gewestelijk groepscentrum zelf haar pensioenkas beheert;
  6. c)de uitgaven welke uiteraard uitsluitend ten laste komen van de gewestelijke groepcentrumgemeente. 3°[ ...] 4° De in aanmerking komende kosten van de gemeente-gewestelijk groepscentrum van categorie Z, zoals zij voortvloeien uit punt 2°, worden verhoogd met een forfaitaire som welke niet boven de 25 % van de kosten mag uitgaan en bestemd is tot dekking van de eventuele interventies ter versterking van de centra X en Y. De gouverneur stelt de forfaitaire som vast. [ ...] 5° De in aanmerking komende kosten van de gemeenten-gewestelijke groepscentra van de categorieën X en Y, zoals zij voortvloeien uit punt 2°, worden verminderd met een bedrag gelijk aan het totaal van de forfaitaire sommen vastgesteld bij toepassing van het punt 4°. De gouverneur slaat dat bedrag om over al de gemeenten-groepscentra van categorieën X en Y.” 3.3. Met een brief van 15 juli 2022 bezorgt de gouverneur van de provincie Antwerpen (hierna: de gouverneur) aan de verzoekende partij een voorstel van afrekening van de brandweerbijdrage die zij verschuldigd is voor het werkingsjaar 2014. Zij vraagt de verzoekende partij om er vóór 19 september 2022 een gemotiveerd advies over uit te brengen. De verzoekende partij brengt op 26 september 2022 een negatief advies over het voorstel uit. 3.4.1. Op 23 januari 2023 beslist de gouverneur om de afrekening van de brandweerbijdragen voor het werkingsjaar 2014 ongewijzigd vast te stellen. X-18.391-4/15 Dit is de eerste bestreden beslissing. 3.4.2. In de eerste bestreden beslissing wordt onder meer het volgende vermeld: “Overwegende dat, voor de zonevorming in 2015, 45 van 70 gemeenten in de provincie Antwerpen over een eigen brandweerkorps beschikten en dat deze korpsen onderling afspraken hadden afgesloten naar aanleiding van de organisatie van de hulpverlening volgens het principe van de Snelste Adequate Hulp; Overwegende dat deze afspraken tot onderlinge en kosteloze bijstand gemaakt werden zonder rekening te houden met het type korps of groepscentrum dat hulp moest leveren en dat deze afspraken bovendien gemaakt werden tussen alle korpsen van de provincie en niet louter tussen de gemeenten-gewestelijke groepscentra; Overwegende dat hierdoor de specifieke noden inzake versterking door de X- en Y-korpsen naar aanleiding van de introductie van het principe van de Snelste Adequate Hulp eerder beperkt zijn en dat de in aanmerking komende kosten van de gemeenten-gewestelijke groepscentra van de categorie Z in dit licht niet verhoogd worden; Overwegende dat de in aanmerking komende kosten van de gemeenten-gewestelijke groepscentra van de categorieën X en Y, overeenkomstig artikel 10. §2, 5°, van de Wet van 31 december 1963, bijgevolg niet verlaagd worden.” 3.5. Op 17 februari 2023 keurt de minister van Binnenlandse Zaken de eerste bestreden beslissing goed. Dit is de tweede bestreden beslissing, die op 28 april 2023 in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. 3.6. In antwoord op een vraag tot openbaarmaking van de verzoekende partij van 3 mei 2023, sturen de diensten van de gouverneur haar op 17 mei 2023 een e-mail met de berekening van het eigen basisaandeel van de verzoekende partij op grond van de bevolkingsaantallen en kadastrale inkomsten (hierna: de mail van 17 mei 2023). X-18.391-5/15 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen 4.1. De verzoekende partij voert in een eerste middel de schending aan van artikel 10, § 2, 4° en 5°, van de wet van 13 december 1963. Zij zet uiteen dat overeenkomstig de ingeroepen bepalingen het aandeel in de brandweerbijdrage van de gemeenten-gewestelijke groepscentra van categorie Z wordt verhoogd met een forfaitaire som, ter dekking van de kosten van eventuele interventies vanwege gemeenten-gewestelijke groepscentra van categorieën X en Y op het grondgebied van de gemeenten-gewestelijke groepscentra van categorie Z. Het kostenaandeel van gemeenten-gewestelijke groepscentra van categorieën X en Y wordt op zijn beurt verminderd aan de hand van die forfaitaire som. De verhoging en de vermindering aan de hand van de forfaitaire som moeten verplicht worden vastgesteld en toegepast door de gouverneur. Gelet op de onderlinge afspraken en de introductie van het principe van de snelste adequate hulpverlening, zouden de interventies vanwege de gemeenten-gewestelijke groepscentra van categorieën X en Y volgens de gouverneur echter “eerder beperkt” zijn. Op grond daarvan beslist de gouverneur om de bijdragen voor de gemeenten-gewestelijke groepscentra van categorie Z niet te verhogen, en om bijgevolg de bijdragen van de gemeenten-gewestelijke groepscentra van categorieën X en Y niet te verlagen. Evenwel geven de ingeroepen wetsbepalingen aan de gouverneur geen discretionaire beoordelingsruimte om al dan niet een verhoging, respectievelijk vermindering, van de forfaitaire som door te voeren. De gouverneur gaat aldus van een verkeerde interpretatie van de ingeroepen wetsbepalingen uit. 4.2. Volgens de verwerende partijen, in hun memorie van antwoord, kan de gouverneur de in artikel 10, § 2, 4°, van de wet van 31 december 1963 bedoelde forfaitaire som op nul procent bepalen. Uit niets blijkt immers dat ter X-18.391-6/15 zake een minimum zou gelden. Een en ander wordt bevestigd door het advies van de afdeling Wetgeving van de Raad van State nr. 51.554/2 van 9 juli 2012 bij het wetsontwerp van 22 oktober 2012 dat de wet van 31 december 1963 heeft gewijzigd. De verwerende partijen verbazen zicht voorts over de aangevoerde kritiek, aangezien de gouverneur steeds deze handelswijze heeft toegepast en de verzoekende partij er nooit een opmerking heeft over gemaakt. 4.3. De verzoekende partij betoogt in haar memorie van wederantwoord dat de wet van 31 december 1963 de gouverneur verplicht om een forfaitaire som te bepalen. Het door de verwerende partijen aangehaalde advies van de afdeling Wetgeving van de Raad van State bevestigt dit net. Het feit dat zij niet eerder een schending van artikel 10, § 2, 4° en 5°, van de wet van 31 december 1963 heeft opgeworpen, verhindert haar niet om dit middel thans aan te voeren. 4.4. De verwerende partijen stellen in hun laatste memorie dat uitgaan van een wettelijk verplicht minimumpercentage boven 0% een bijkomende voorwaarde aan de wet toevoegt. De gouverneur heeft de eerste bestreden beslissing genomen binnen de grenzen van haar discretionaire beoordelings-bevoegdheid. Zoals uit de eerste bestreden beslissing blijkt, is de gouverneur van oordeel dat de in aanmerking komende kosten van de gemeenten-gewestelijke groepscentra van categorie Z niet bijkomend moesten worden verhoogd om de dekking te verzekeren van eventuele interventies ter versterking van de gemeenten-gewestelijke groepscentra van categorieën X en Y, gelet op de bijzondere situatie in de provincie Antwerpen. Deze bijzondere situatie wordt overigens door geen enkele gemeente betwist. De beslissing van de gouverneur dat de in aanmerking komende kosten van de gemeenten-gewestelijke groepscentra van categorie Z in de gegeven omstandigheden niet verder moesten worden verhoogd, is niet kennelijk onredelijk, minstens toont de verzoekende partij dit niet aan. 4.5. De verzoekende partij betoogt in haar laatste memorie dat zij niet betwist dat de gouverneur ter zake over een discretionaire bevoegdheid X-18.391-7/15 beschikt, maar dat zij meent dat die bevoegdheid door de verwerende partijen op een te ruime en onwettige wijze wordt geïnterpreteerd. Volgens de vaste rechtspraak van de Raad van State is de discretionaire bevoegdheid altijd beperkt door de grenzen van de redelijkheid én door de criteria die in de wet zijn vastgesteld. Artikel 10, § 2, 4°, van de wet van 31 december 1963 stelt dat de in aanmerking komende kosten van de gemeenten-gewestelijke groepscentra van categorie Z “worden verhoogd” met een forfaitaire som die “bestemd is tot” dekking van de eventuele interventies ter versterking van gemeenten-gewestelijke groepscentra van categorieën X en Y. De gouverneur erkent dat deze versterking wel degelijk heeft plaatsgevonden, zodat, om de wet correct toe te passen, een verhoging van de kosten voor de Z-centra zich opdringt. Beoordeling 5.1. Artikel 10, § 2, 4°, van de wet van 31 december 1963 bepaalt dat de in aanmerking komende kosten van de gemeenten-gewestelijke groepscentra van categorie Z “worden verhoogd met een forfaitaire som welke niet boven de 25 % van de kosten mag uitgaan en bestemd is tot dekking van de eventuele interventies ter versterking van de centra X en Y”, en dat de gouverneur “de forfaitaire som” vaststelt. Artikel 10, § 2, 5°, van de wet van 31 december 1963 voorziet erin dat de in aanmerking komende kosten van de gemeenten-gewestelijke groepscentra van categorieën X en Y “worden verminderd met een bedrag gelijk aan het totaal van de forfaitaire sommen vastgesteld bij toepassing van het punt 4°”, en dat de gouverneur “dat bedrag om[slaat] over al de gemeenten-groepscentra van categorieën X en Y”. Als criteria voor een gebeurlijke verhoging van de in aanmerking komende kosten van de gemeenten-gewestelijke groepscentra van categorie Z met een forfaitaire som worden aldus bepaald dat deze som “niet boven de 25 % van de kosten mag uitgaan” en dat de som “bestemd is tot dekking van de eventuele interventies ter versterking van de centra X en Y”. X-18.391-8/15 5.2. De verzoekende partij voert aan dat de gouverneur er op grond van de ingeroepen bepalingen toe gehouden was om de in aanmerking komende kosten van de gemeenten-gewestelijke groepscentra Z te verhogen met een forfaitaire som, en om de in aanmerking komende kosten van de gemeenten-gewestelijke groepscentra van de categorie X en Y dienovereenkomstig te verminderen. De verwerende partijen stellen daarentegen dat de gouverneur binnen de grenzen van de redelijkheid heeft kunnen oordelen dat de in aanmerking komende kosten van de gemeenten-gewestelijke groepscentra van categorie Z niet bijkomend moesten worden verhoogd om de dekking te verzekeren van de eventuele interventies ter versterking van de gemeenten-gewestelijke groepscentra van categorieën X en Y. 5.3. De vaststelling van de forfaitaire som heeft niet tot doel om de werkelijk door de gemeenten-gewestelijke groepscentra van categorieën X en Y uitgevoerde prestaties te dekken, maar wil deze centra in staat stellen om de brandweerdiensten van de gemeenten-gewestelijke groepscentra van categorie Z ter versterking te komen. Bij haar beslissing over welke forfaitaire som moet worden vastgesteld, beschikt de gouverneur over een discretionaire bevoegdheid, hetgeen de verzoekende partij overigens ook niet betwist. Mede in het licht van die discretionaire bevoegdheid blijkt een beslissing van de gouverneur dat de forfaitaire som op nul moet worden vastgesteld niet a priori uitgesloten, voor zover haar beslissing niet de grenzen van de redelijkheid te buiten gaat. Luidens de eerste bestreden beslissing is de gouverneur van oordeel dat de in aanmerking komende kosten van de gemeenten-gewestelijke groepscentra van categorie Z niet bijkomend moeten worden verhoogd om de dekking te verzekeren van de eventuele interventies ter versterking van gemeenten-gewestelijke groepscentra van categorieën X en Y, om reden dat “voor de zonevorming in 2015, 45 van 70 gemeenten in de provincie Antwerpen over een eigen brandweerkorps beschikten en dat deze korpsen onderling afspraken hadden afgesloten naar aanleiding van de organisatie van de hulpverlening volgens het X-18.391-9/15 principe van de Snelste Adequate Hulp”, “dat deze afspraken tot onderlinge en kosteloze bijstand gemaakt werden zonder rekening te houden met het type korps of groepscentrum dat hulp moest leveren en dat deze afspraken bovendien gemaakt werden tussen alle korpsen van de provincie en niet louter tussen de gemeenten-gewestelijke groepscentra”, en “dat hierdoor de specifieke noden inzake versterking door de X- en Y-korpsen naar aanleiding van de introductie van het principe van de Snelste Adequate Hulp eerder beperkt zijn” (zie randnummer 3.4.2). De verzoekende partij overtuigt er in het licht van de voormelde motieven niet van dat de gouverneur met haar beslissing om een forfaitaire som van nul vast te stellen, de grenzen van de redelijkheid is te buiten gegaan of anderszins onwettig zou hebben gehandeld. 5.4. Het middel wordt verworpen. B. Tweede middel Standpunt van de partijen 6.1. De verzoekende partij voert in een tweede middel de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ en van artikel 10, § 3, van de wet van 13 december 1963, alsook van het zorgvuldigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Zij betoogt dat nergens uit blijkt waarom haar aandeel in de kosten op 96,88% wordt vastgesteld. Er blijkt geen concrete verantwoording te zijn voor de verhoging van dit aandeel met precies 10,54%. 6.2. De verwerende partijen stellen in hun memorie van antwoord dat op basis van de eerste bestreden beslissing en het daarbij horende overgemaakt administratief dossier eenvoudig bepaald kan worden op grond van welke X-18.391-10/15 principes, parameters, overwegingen en berekeningswijze tot het eigen aandeel van de verzoekende partij werd gekomen. De berekeningswijze is wel degelijk stapsgewijs en omstandig gemotiveerd. Zo blijkt dat bij het bepalen van het eigen aandeel er hoofdzakelijk rekening werd gehouden met het bevolkingsaantal en het kadastraal inkomen. De besluiten van de gouverneur over eerdere werkingsjaren zijn voorts op gelijkaardige motieven en berekeningswijzen gestoeld, waardoor de gehanteerde methodiek de verzoekende partij bekend was. De percentages aan “eigen aandeel” van de stad Antwerpen zijn doorheen de jaren redelijk constant gebleven en in het verleden werd hierover al gecommuniceerd en geargumenteerd. De verwerende partijen geven in hun memorie van antwoord nog een verduidelijking van hoe tot het percentage van 96,88% is gekomen, aan de hand van een berekening in vier stappen. Ze wijzen erop dat de motiveringsplicht niet vereist dat men de “motieven van de motieven” vermeldt. De verwerende partijen wijzen erop dat de verzoekende partij haar advies laattijdig heeft ingediend en menen dat zij hierdoor van rechtswege geacht wordt met het voorstel tot afrekening in te stemmen. Desondanks heeft de gouverneur op verzoeksters advies geantwoord. Het advies vermeldt ook geen specifieke kritieken of vragen tot verduidelijking. De verwerende partijen verwijzen voorts naar beslissingen van de gouverneur over vroegere werkingsjaren. Op basis van die beslissingen was de verzoekende partij wel degelijk op de hoogte van het standpunt van de gouverneur. 6.3. In haar memorie van wederantwoord breidt de verzoekende partij de door haar aangevoerde schendingen uit na kennisname van de e-mail van 17 mei 2023. Zij meent dat niet enkel de formelemotiveringsplicht maar ook de materiëlemotiveringsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur is geschonden. Het administratief dossier bevat geen enkel stuk waaruit blijkt waarom het specifieke percentage van 10,54% wordt gehanteerd voor de secundaire criteria inzake de lokale en regionale omstandigheden. Het betreft een willekeurig percentage dat op geen enkel objectief stuk is gebaseerd. X-18.391-11/15 6.4. De verwerende partijen stellen in hun laatste memorie dat de formelemotiveringsplicht niet is geschonden. De verhoging van het eigen aandeel naar 96,88% wordt wel degelijk afdoende gemotiveerd. Allereerst wordt in de bestreden beslissing aangegeven waaruit de in aanmerking komende kosten bestaan. Vervolgens wordt uitgelegd waarom de in aanmerking komende kosten voor de Z-korpsen niet verhoogd dienden te worden. Voorts wordt voor de gemeentegroepscentra vastgesteld wat het aandeel is van de in aanmerking komende kosten dat te hunnen laste blijft, en gaat de gouverneur nog in op enkele duidelijk geformuleerde punctuele kritieken van een aantal gemeentebesturen. De verzoekende partij heeft in elk geval geen belangenschade geleden ingevolge de niet uitdrukkelijke vermelding van de subpercentages en de mathematische berekeningen in de eerste bestreden beslissing. De formelemotiveringsplicht betreft een doelnorm en de verzoekende partij heeft na de e-mail van 17 mei 2023 de mogelijkheid tot woord en wederwoord gehad. Daarom kan zij zich niet langer op een schending van de formelemotiveringsplicht beroepen. De verwerende partijen wijzen er verder nog op dat de verzoekende partij heeft nagelaten om in haar advies duidelijke opmerkingen te formuleren met betrekking tot de berekeningsmethodiek en onderliggende percentages. In de memorie van wederantwoord wordt ten slotte geen schending van de materiëlemotiveringsplicht aangetoond. Hoe dan ook is het onlogisch dat een schending van zowel de formele- als de materiëlemotiveringsplicht wordt opgeworpen. 6.5. De verzoekende partij betoogt in haar laatste memorie dat een becijferde berekening van het aandeel (en dus de kostenverdeling) essentieel is en afdoende moet gemotiveerd worden. Uit de e-mail van 17 mei 2023 blijkt dat haar aandeel met 10,54% werd verhoogd. Het blijft evenwel onzeker waarom specifiek voor een verhoging van 10,54% werd gekozen en op basis van welke elementen deze verhoging van 10,54% is berekend. Het argument van de verwerende partijen dat zij geen belangenschade meer zou hebben omdat het doel van de formelemotiveringsplicht zou zijn bereikt, is onjuist. Beoordeling X-18.391-12/15 7.1. Anders dan de verwerende partijen menen, mocht de verzoekende partij er op grond van de formelemotiveringsplicht op rekenen dat de gouverneur ter formele motivering van de bijdrage die hij haar oplegt, ook aangeeft welke precieze cijfers zij in de concrete omstandigheden van de zaak bij die berekening heeft gehanteerd. Dat blijkt te dezen niet te zijn gebeurd. 7.2. De verzoekende partij voert in haar memorie van wederantwoord bijkomend een schending van de materiëlemotiveringsplicht aan. Inzonderheid bekritiseert zij daarin dat noch uit de bestreden beslissing, noch uit het administratief dossier blijkt waarom het specifieke percentage van 10,54% wordt gehanteerd voor de secundaire criteria inzake de lokale en regionale omstandigheden, en bijvoorbeeld niet 8, 9 of 10%. Het betoog in de laatste memorie van de verwerende partijen dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord “geheel niet meer in[gaat]” op een schending van de materiëlemotiveringsplicht, kan gezien deze kritiek geen bijval vinden. Anders ook dan de verwerende partijen dit zien, betreft de aangevoerde schending van de materiëlemotiveringsplicht een tijdige en ontvankelijke wettigheidskritiek, nu de verzoekende partij eerst op 17 mei 2023, dit is ná de indiening van haar verzoekschrift, kennis heeft gekregen van de cijfers die aan de eerste bestreden beslissing ten grondslag liggen en haar wettigheidskritiek ter zake in haar eerstvolgend nuttig procedurestuk formuleert. 7.3. In de eerste bestreden beslissing wordt het percentage van 10,54% niet vermeld. In de e-mail van 17 mei 2023 komt het percentage van 10,54% als volgt aan bod: “Dit basisaandeel wordt verhoogd met 10,54% om aan een eigen aandeel voor de stad van 97% te komen. De argumentatie voor deze verhoging is opgenomen in het besluit van de gouverneur. Een besluit waar uw cliënte over beschikt.” X-18.391-13/15 De verwerende partijen stellen aansluitend in hun laatste memorie dat de beslissing tot verhoging van verzoeksters basisaandeel met 10,54 % in de eerste bestreden beslissing afdoende wordt gemotiveerd, waar de gouverneur erin aangeeft dat met de volgende elementen rekening is gehouden: “-De doelstelling om de verschillen inzake kost per inwoner van beschermde gemeenten ingevolge de omstandigheid of zij beschermd worden door een X-, Y-, of Z-korps te beperken en enigszins constant te houden. Dit aangezien de indeling van de gemeenten zonder eigen brandweerkorps in een gewestelijke groep ingegeven is door de geografische nabijheid van een centrumkorps en niet door de inherente risico’s op het grondgebied van de beschermde gemeente. - Het gegeven dat de minimale vereisten per type brandweerkorps ingegeven zijn door de risico’s op het grondgebied van de centrumgemeente zelf, en deze minimale vereisten stijgen van Z-centrum over Y-centrum naar X-centrum. - Het gegeven dat er een historische consensus onder de korpsen bestaat inzake het te dragen eigen aandeel en dit in de praktijk steeds zo werd toegepast.” 7.4. Noch uit de voormelde overwegingen van de eerste bestreden beslissing, noch uit enig stuk van het administratief dossier, blijkt evenwel hoe concreet tot een verhoging van verzoeksters basisaandeel met precies 10,54 % wordt gekomen. Anders dan de verwerende partijen blijkbaar menen, heeft de verzoekende partij door dit alles wel degelijk belangenschade geleden. 7.5. Uit wat voorafgaat, blijkt een schending van de formele- en materiëlemotiveringsplicht. Het betoog van de verwerende partijen dat de verzoekende partij in haar advies geen duidelijke opmerkingen met betrekking tot de berekeningsmethode heeft geformuleerd, en dat eerdere beslissingen van de gouverneur op gelijkaardige motieven en berekeningswijzen zijn gestoeld, doet niet anders besluiten. 7.6. Het middel is in de aangegeven mate gegrond. BESLISSING X-18.391-14/15 1. De Raad van State vernietigt het besluit van de gouverneur van de provincie Antwerpen van 23 januari 2023 met betrekking tot de eindafrekening van de brandweerbijdragen voor het werkingsjaar 2014 en het besluit van de minister van Binnenlandse Zaken van 17 februari 2023 tot goedkeuring van de beslissing van de gouverneur van de provincie Antwerpen van 23 januari 2023 met betrekking tot de eindafrekening van de brandweerbijdragen voor het werkingsjaar 2014. 2. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als de vernietigde besluiten. 3. De verwerende partijen worden, elk voor de helft, verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vijftien mei tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Jan Clement, kamervoorzitter, Stephan De Taeye, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Jan Clement X-18.391-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.325 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.