← België

Arrest 263326 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 15/05/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.326 Rolnummer: A. 239593/XII-9671 Zaak: Arrest 263326 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 15/05/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-05-20 Raadplegingen: 169 - laatst gezien 2026-06-18 17:22 Fiche Arrest nr 263.326 van 15 mei 2025 Openbaar ambt - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ecli_input ECLI:BE:GHCC:2020.ARR.105 ecli_prefixe ECLI ecli_pays BE ecli_cour GHCC ecli_cour_old ecli_annee 2020.ARR.105 ecli_ordre ecli_typedec ecli_datedec ecli_chambre ecli_nosuite Invalid ECLI ID - 4 element(

  1. s)ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:GHCC:2020.ARR.105 invalide Invalid ECLI ID - 4 element(
  2. s)ecli_input ECLI:BE:GHCC:2010.ARR.109 ecli_prefixe ECLI ecli_pays BE ecli_cour GHCC ecli_cour_old ecli_annee 2010.ARR.109 ecli_ordre ecli_typedec ecli_datedec ecli_chambre ecli_nosuite Invalid ECLI ID - 4 element(
  3. s)ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:GHCC:2010.ARR.109 invalide Invalid ECLI ID - 4 element(
  4. s)RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 263.326 van 15 mei 2025 in de zaak A. 239.593/XII-9671 In zake : K.V. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sophie De Maeijer kantoor houdend te 2800 Mechelen Grote Nieuwedijkstraat 417 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de POLITIEZONE BOORMEERBEEK - HAACHT - KEERBERGEN

(5395)bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Chris Van Olmen en Vincent Vuylsteke kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 221 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  1. Het beroep, ingesteld op 15 juli 2023, strekt tot de nietigverklaring van “het besluit van 8 mei 2023 van het politiecollege van de politiezone Boortmeerbeek/Haacht/Keerbergen [hierna: B.-H.-K.], tot het ongeschikt verklaren van [verzoekers] kandidatuur als hoofdinspecteur bij de dienst lokale recherche van de politiezone [B.-H.-K.]”. In het verzoekschrift vraagt verzoeker tevens om “het bevel op te leggen om binnen de door uw Raad te bepalen termijn een nieuwe beslissing te nemen”. XII-9671-1/15 II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 maart
  3. Staatsraad Frédéric Vanneste heeft verslag uitgebracht. Advocaat Osorio Olivera, die loco advocaat Sophie De Maeyer verschijnt voor verzoeker, en advocaat Laurent Generet, die loco advocaten Chris Van Olmen en Vincent Vuylsteke verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.1 Verzoeker is werkzaam bij de lokale recherche van de politiezone A. als hoofdinspecteur van politie (adjunct-teamchef). Sinds 2020 is hij XII-9671-2/15 tevens actief als vakbondsafgevaardigde van het Algemeen Christelijk Vakverbond (ACV) in de functie van regioverantwoordelijke Oost-Vlaams-Brabant. 3.
  5. De verwerende partij stelt in het kader van de mobiliteitscyclus 2022-05 een betrekking open van hoofdinspecteur bij de lokale recherche. Er kan gesolliciteerd worden van 9 december 2022 tot 30 december
  6. In de vacature wordt de samenstelling van de selectiecommissie bepaald als volgt: “o Voorzitter: Korpschef; o Coördinator Interventie & lokale Recherche; o Middenkader PZ [B.-H.-K.]; o Secretaris: secretaris politiecollege In geval van overmacht kan beslist worden om een vervanger voor de leden van de selectiecommissie aan te duiden.” 3.
  7. Op 28 december 2022 stelt verzoeker zich, als enige, kandidaat. 3.
  8. Op 6 januari 2023 heeft verzoeker (op zijn verzoek) een onderhoud met de korpschef, in het bijzijn van de commissaris P.M. “om een aantal zaken uit te klaren”. Er zou daarbij ongenoegen over het ACV en zijn leden zijn geuit, aldus verzoeker. 3.
  9. Verzoeker wordt op 17 maart 2023 door de selectiecommissie gehoord. De selectiecommissie is als volgt samengesteld: “Namen commissieleden: HCP [W.D.] - korpschef, CP [M.M.] -Diensthoofd Lokale Onderzoeksdienst PZ Leuven, CP [P.M.] - DirOps en Adv. [L.V.] als secretaris (niet-stemgerechtigd). CP diensthoofd Lokale Onderzoeksdienst werd in de commissie opgenomen i.p.v. HINP van de eigen lokale recherche bij gebrek aan HINP. Syndicale afgevaardigde: [G.S.]- VSOA, [G.W.] - ACV, [D.E.] – ACOD.” Verzoeker wordt “niet geschikt” bevonden door de drie leden van de selectiecommissie. XII-9671-3/15 Dit wordt verzoeker diezelfde dag telefonisch medegedeeld. Verzoeker vraagt op 20 maart 2023 per e-mail om inlichtingen over die beslissing. De korpschef repliceert dat hij de notulen kan verkrijgen, wanneer ze klaar zijn. 3.
  10. Verzoeker dient op 27 maart 2023 aangetekend en per e-mail bij de selectiecommissie een bezwaarschrift in. Hij vermeldt onder meer het volgende: “Tot op datum van het indienen van dit bezwaarschrift heb ik geen enkele feedback over het selectiegesprek, noch enige motivatie over de beslissing tot ongeschikt verklaren mogen ontvangen. Aangezien ik niet beschik over deze informatie kan ik uiteraard mijn bezwaarschrift niet inhoudelijk opbouwen, doch wens ik me te houden aan de wettelijke termijnen voor het indienen van een bezwaarschrift.” 3.
  11. Op 17 april 2023 vraagt verzoeker per e-mail aan de korpschef nogmaals om de notulen en de motivering van de selectiecommissie: “Begin deze maand nam ik contact op met [L.V.] in het kader van mijn mobiliteit en het ongeschikt zijn bevonden door de commissie. Zij gaf mee dat, omwille van omstandigheden, dit punt pas op 17 april op het politiecollege zou komen. Kan u mij de notulen van het politiecollege, en de motivatie van de selectiecommissie per mail overmaken?” 3.
  12. Het politiecollege van de verwerende partij beslist op 8 mei 2023 om verzoeker niet als kandidaat in het kader van de mobiliteit voor te dragen om als hoofdinspecteur de lokale recherche van de politiezone te vervoegen op grond van de volgende overwegingen: “Het politiecollege van de Politiezone [B.-H.-K.] heeft, in zitting van 8 mei 2023, kennis genomen van het verslag van de selectiecommissie van 17 maart
  13. Het politiecollege bekrachtigde het voorstel van de selectiecommissie om u op basis van het gevoerde selectiegesprek ongeschikt te verklaren.” Als bijlage wordt een eensluidend uittreksel uit het notulenboek gevoegd, met het voorstel van de selectiecommissie dat onder meer als volgt luidt: “Overwegende dat de beoordeling door de selectiecommissie als volgt werd geformuleerd: XII-9671-4/15 ‘Met de kandidaat wordt een gesprek van ongeveer een uur gevoerd over motivering, interesse en bekwaamheden van de kandidaat en enkele praktijksituaties die de beroepsbekwaamheid van de kandidaat illustreren. Zo komen motivatie, kennis van de zone en het team, deontologie, theorie en casuïstiek aan bod. Naam kandidaat: HINP [K.V.] NIET GESCHIKT bevonden door de 3 leden van de selectiecommissie Motivatie: HINP [K.V.] is 39 jaar, woonachtig te [H.], papa van een dochter en pluspapa van 2 kindjes. ln het secundair onderwijs volgde hij de richting STW. Als hobby’s vermeldt hij lopen, in de tuin werken en voornamelijk zich bezighouden met de kinderen. In 2002 startte hij aan de opleiding tot inspecteur in Brussel. Na een korte tussenstop in Schaarbeek ging hij als INP aan de slag in de PZ [A.]. Sinds 6 jaar is hij HINP binnen de dienst lokale recherche. Er wordt gevraagd naar de motivatie om zich kandidaat te stellen voor de vacature HINP binnen de dienst Lokale Recherche van de Polítiezone [B.-H.-K.]. De kandidaat zegt dat hij bij de politie gegaan is omdat hij iets nuttig wou doen met zichzelf en met zijn carrière. De recherche was van in het begin “zijn ding”. In het verleden had hij reeds enkele malen contact met de korpschef in deze zone omdat hij interesse had in een vacature bij de recherche in dit korps. De lokale verankering is heel groot; hij is geboren en getogen in de zone en woont er nog steeds. Hij droomt er dus van om het werk dat hij doet binnen de PZ [A.], in de PZ [B.-H.-K.] uit te oefenen. De selectiecommissie stelt hem de vraag of dat net geen nadeel is, die grote lokale verankering. Voor de kandidaat is dat geen enkel probleem. Als je als politieman correct bent met de daders en hen correct aanpakt, ziet hij geen probleem. Híj stelt ‘Daar ben ik niet bang van, als je bang bent voor daders moet je niet bij de politie zijn’ De selectiecommissie vraagt hem kort hoe hij er tegenover staat dat er wat rumoer is geweest en dat zijn kandidatuur wat gevoelig ligt. De kandidaat stelt de bezorgdheid te begrijpen. De kandidaat benadrukt dat hij met een posítieve insteek in deze kandidatuur en selectie is gestapt, dat het niet de bedoeling is om een negatieve vibe te creëren en dat hij niet de intentie heeft om ruzie te komen maken in de zone. Op de opmerking van de korpschef dat hij dingen achter zijn rug gedaan heeft zegt hij hier niet mee akkoord te gaan, dat hij het daar reeds met de korpschef over gehad heeft. Op de vraag omtrent het vertrouwen bij de recherche, antwoordt hij dat dit een dunne lijn is, dat hij nu een andere pet op heeft dan die van vakbondsafgevaardigde. Hij is van oordeel dat het niet de juiste plaats is om dit aan te halen. De selectiecommissie zegt dan ook dat er niet verder op ingegaan zal worden, maar dat er wel verwacht wordt dat er open gecommuniceerd wordt. De kandidaat heeft ter voorbereiding het ZVP gelezen. Hij kan alle 4 de strategische doelstellingen opsommen. De doelstelling ‘fenomeengericht werken’ heeft hij niet ten gronde gelezen, maar hij kan wel afleiden wat de term wil zeggen. Op de vraag wat de reden is voor deze prioriteit kan hij niet antwoorden (er zijn 5 redenen beschreven in het ZVP). Doordat er fenomeengericht gewerkt wordt, kunnen bepaalde fenomenen vroeger aangepakt worden. In combinatie met een nauwe samenwerking met het LIK en de lokale recherche, kan dat de werklast van de lokale recherche verlagen. De deontologische code is hem niet onbekend, maar híj kan niet zeggen wat er beschreven staat over leidinggeven. Hij zegt de waarde van de deontologische XII-9671-5/15 code zeker niet te onderschatten, hij zegt dat dit ‘in de geest van de personen zit’ en dat dus wat erin staat steeds moet doorschemeren in je handelen als leidinggevende. De selectiecommissie benadrukt dat de deontologische code als objectief kader dient. Het persoonlijk kader is voor iedereen anders, dus de deontologische code moet gekend zijn, besluit de commissie. Wanneer hem gevraagd wordt of de term ‘genegotieerd beheer van de openbare ruimte’ hem bekend is, geeft hij eerst een foutief antwoord zijnde ‘bestuurlijke zuil beschreven in WPA’. Na enkele bijvragen stuurt hij zijn gegeven antwoord bij, maar het correcte antwoord blijft achterwege' Risicoanalyses in het kader van GBOR kent hij niet. Wanneer de selectiecommissie vraagt of hij ooit de opleiding COPRA volgde, antwoordt de kandidaat ‘zou kunnen’. Wanneer hem gevraagd wordt de terroristische misdrijven op te sommen, somt hij er moeizaam enkele op, maar deze zijn onvolledig. Op de vraag of de Genderwet hem iets zegt, antwoordt hij dat deze hem niets zegt. Hij zegt er zich iets bij te kunnen voorstellen, maar weet niet wat erin staat. Op de vraag of hij de COL inzake geweld tegen en door politiemensen kent, antwoordt hij dat hij weet dat er een COL bestaat inzake geweld door en tegen politiemensen, maar dat de inhoud ervan hem niet bekend is. Bijgevolg kent hij ook de te volgen procedure niet wanneer er zich geweld voordoet. Er wordt door de commissie benadrukt dat dit een zeer belangrijke COL is die gekend moet zijn door elke HINP, dit is basiskennis en bijzonder actueel. De nieuwe wetgeving seksuele misdrijven is door hem gekend. Hij kan de verschillende categorieën voorzien in de wet bijna allemaal opsommen mits wat hulp van de vraagsteller. Ook het bestaan van het zorgcentrum te Gasthuisberg is gekend. Hij weet waarvoor en wanneer hierop beroep kan gedaan worden en hoe de procedure verloopt, Hij weet ook dat de vroegere SAS nu FOSTA heet, maar kan niet duiden waarvoor deze afkorting staat. Een recente COL inzake Phishing zegt hem niets. Ook de parketrichtlijn hieromtrent kent hij niet. Hij weet dat het bestaat, maar kan niet uitleggen wat het is. Ook de term “doorloopvordering” is door hem niet gekend. Ook met bijvragen komt het antwoord niet. Hij herhaalt dat hij de desbetreffende COL niet kent. Casus 1: er wordt een voertuig aan de kant gezet met Roemenen als inzittenden. Ken je de dienstbrief verdachte handelingen om deze toe te passen op de casus? De kandidaat meent te weten dat er 3 categorieën van verdachte handelingen zijn en dat eerst bepaald dient te worden in welke categorie het zich situeert. De kandidaat geeft aan dat hij de richtlijnen zou moeten kennen, want hij heeft er in het verleden immers een samenvatting van dienen te maken. Hij kan zich echter niet meer herinneren wat de correcte voorgeschreven handelingen zijn per categorie. Op de bijvraag waarom het nuttig zou zíjn om DNA op vrijwillige basis af te nemen, kan hij niet correct antwoorden. Casus 2: Er doet zich een verdacht overlijden voor. Ken je de verschillende functionaliteiten die ter plaatse moeten komen? De kandidaat kan de 4 diverse functionaliteiten opsommen, en kan uitleggen hoe hij tewerk zou moeten gaan. De term “geïntegreerd afstappingsteam” is hem onbekend, net zoals de concrete invulling van de inhoud van het protocol levensdelicten. Op de vraag wanneer bepaald wordt of de dader bekend of onbekend is, zegt hij dat hij dat niet weet. Hij denkt te weten dat er na de eerste 72u beslist wordt. Echter is dit binnen de eerste 72u, bij het eerste overleg bij afstapping. Casus 3: Er wordt ernstig geweld gepleegd door een collega-rechercheur tijdens een interventie. Hoe zou de kandidaat dit aanpakken? XII-9671-6/15 De kandidaat geeft aan te zullen praten met de collega en PV op te stellen. De selectiecommissie zegt dat er een COL bestaat waarin de procedure wordt neergeschreven, maar deze kent híj niet. De selectiecommissie zegt dat het beheer van onderzoeken zeer belangrijk is. Aan de kandidaat wordt gevraagd hoe hij dit zou aanpakken. De kandidaat legt uit dat onderzoeken worden aangemeld en beheerd in GES. Daardoor wordt de ‘ANG’ gevoed en kan het onderzoeksplan worden bepaald. Daarnaast is er ITINERA als link met het Parket, en worden de dossiers gewogen in de powerapp Recherche. Deze powerapp is nuttig om te weten welke dossiers prioriteit hebben. Wanneer de kandidaat als teamchef lokale recherche zou geconfronteerd worden met een enorme werklast door lopende onderzoeken en een toevloed aan kantschriften, zou hij beslissen de dossiers die kunnen wachten, even opzij te leggen en eerst de dringende zaken te behandelen. Tijdens een overlegmoment zouden de dossiers uit GES kunnen overlopen worden en kan er bekeken worden wie eventueel nog iets kan bijnemen. Dossiers met aangehoudenen en lopende onderzoeken gaan voor. Ook andere diensten zouden kunnen bijspringen. Hij zou eventueel de ‘regiomagistraat’ opbellen om de werklast te bespreken. De kandidaat is blijkbaar niet op de hoogte dat het principe van ‘regiomagistraat’ reeds jaren geleden vervangen werd door een ‘zonemagistraat’ per politiezone. Casus 4: De bestuurlijke overheid laat weten dat er zich mogelijks louche zaken afspelen in een lokaal café. Wat stelt de kandidaat voor als onderzoekplan? De kandidaat stelt dat hij de verkregen informatie zou concretiseren, zodat er een juist beeld is van de feiten. Indien het om drugs zou gaan, zou hij eventuele partners betrekken, bronnen raadplegen, observatie uitvoeren, maar dan zit je al meer in de onderzoeksfase zelf. Hij zou tevens beroep doen op de inspectiediensten en op andere diensten bínnen het korps, zoals verkeer, interventie... Inzake het concrete onderzoeksplan stelt de kandidaat dat daar fiches voor bestaan, waarin de doelstellingen opgesomd moeten worden, de aanpak geduid moet worden, partners opgesomd worden etc. In GES bestaat er een digitaal werkdossier. GES kan volgens hem gedeeld worden met andere collega’s binnen de politie, je kan dit niet delen met externe partners. Hoe concreet een GES-dossier te delen weet hij niet. Casus 5:Wanneer hem gevraagd wordt hoe hij iemand van zijn team zou bijsturen die er de kantjes vanaf loopt en de uren niet correct ingeeft, zegt hij als volgt tewerk te gaan: hij zou vooreerst nagaan hoe vaak de collega’s foutieve uren hebben doorgegeven. Nadien zou hij dit melden aan de DirOps en zou hij een functioneringsgesprek voeren met de collega. Hij zou dit sowieso op papier zetten, want het gaat om diefstal van uren en dat kan niet door de beugel. Wanneer na een tijd wordt vastgesteld dat diezelfde collega een enorme achterstand heeft en voornamelijk privézaken regelt op het werk, zou hij opnieuw overgaan tot het opmaken van een functioneringsgesprek en zou hij de collega bijsturen. Zíjn gedrag is immers allesbehalve collegiaal. Hij zou wel proberen uit te zoeken wat de oorsprong is van zijn gedrag. De selectiecommissie vraagt of hij anders zou reageren afhankelijk van de oorzaak van het ‘problematisch’ gedrag. De kandidaat stelt dat als het kwestie is van niet beter kunnen, er moet voorzien worden in een opleiding. Indien het zou gaan om een familiaal probleem, zou hij ondersteuning aanbieden. Moest het om onwil gaan, dan zou de kandidaat een functioneringsnota opstellen en zijn houding en werkmethode bespreken. Een laatste casus handelt over het afhalen van de diversiteitsvlag. Twee rechercheurs uit zijn team werden erop betrapt deze vlag, welke voor het commissariaat hangt, af te halen. Hij stelt dat dit handelingen zijn die niet kunnen. XII-9671-7/15 Hij zou opdragen om de vlag terug te hangen en hij zou hen vragen waarom ze dat gedaan hebben. Als het antwoord dan is dat ze ‘niet willen werken in een janettenkorps’, dan is dat discriminatie, zou hij PV opstellen en tucht opstarten. Het diversiteitscharter kent hij niet, maar hij is van oordeel dat het een houding is om niet te discrimineren. Er werd hem nog gevraagd of hij nog vragen had. ‘Neen’, Conclusie: de selectiecommissie draagt HINP [K.V.] niet voor als kandidaat om de dienst lokale Recherche van de PZ [B.-H.-K.] als lid te vervoegen. De 3 commissieleden achten hem ongeschikt voor de functie HINP Lokale Recherche binnen de PZ [B.-H.-K.]. De vakbonden hebben onmiddellijk na de selectieproef geen opmerkíngen mondeling geformuleerd.’ Gelet op de geheime stemming met volgend resultaat : - Over de motieven: 3 JA - HINP [K.V.]:3 NEE BESLUIT: Artikel 1: HINP [K.V.] niet als kandidaat in het kader van de mobiliteit voor te dragen om als hoofdinspecteur de dienst Lokale Recherche van de politiezone te vervoegen. Artikel 2: de kandidaat en de bevoegde diensten in kennis te stellen van dit besluit.” Dit is de bestreden beslissing. Deze wordt per e-mail van 17 mei 2023 en per aangetekend schrijven aan verzoeker bezorgd. 3.
  14. Er volgt nog een e-mailuitwisseling tussen verzoeker en de korpschef omtrent het dossier van de selectieprocedure, en omtrent enkele bijkomende stukken die verzoeker wenst te verkrijgen. 3.
  15. De verwerende partij stelt in het kader van de mobiliteitscyclus 2023-03 andermaal een betrekking open van hoofdinspecteur bij de lokale recherche. Er kan gesolliciteerd worden tot en met 28 juli
  16. Verzoeker neemt niet deel aan deze selectieprocedure. 3.
  17. De verwerende partij stelt in het kader van de mobiliteitscyclus 2023-04 opnieuw een betrekking open van hoofdinspecteur bij de lokale recherche (teamchef). Er kan gesolliciteerd worden tot en met 20 oktober
  18. Verzoeker neemt niet deel aan deze selectieprocedure. XII-9671-8/15 IV. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie van gebrek aan belang in hoofde van verzoeker Standpunt van de partijen
  19. In de memorie van antwoord werpt de verwerende partij een exceptie op wegens een gebrek aan belang, omdat verzoeker niet meer heeft deelgenomen aan latere selectierondes voor hoofdinspecteur. In haar laatste memorie herhaalt de verwerende partij deze exceptie van gebrek aan actueel belang. Door niet deel te nemen aan latere selectieprocedures voor dezelfde functie, loopt verzoeker volgens de verwerende partij het risico dat de functie ingevuld wordt door een andere persoon en verliest hij zo elke kans om nog in de functie benoemd te worden. De verwerende partij is de mening toegedaan dat door niet deel te nemen, verzoeker omstandigheden creëert waarin hij elke kans om nog geselecteerd te worden, kan verliezen. In elk geval is de verwerende partij van oordeel dat verzoeker minstens moet rechtvaardigen om welke reden(en) hij zich niet kandidaat heeft gesteld en waarom hij tot op heden nog een belang zou hebben. De verwerende partij benadrukt dat de functie hoofdinspecteur – teamchef lokale recherche (die overeenstemt met de huidige noden van de zone) bij elke mobiliteitscyclus wordt opengesteld en dat verzoeker zich voor geen enkele latere selectieprocedure voor een functie bij de lokale recherche kandidaat heeft gesteld. De verwerende partij stelt dat in geval van een eventueel vernietigingsarrest zij niet verplicht zou zijn om verzoeker aan een nieuwe beoordeling te onderwerpen, nu dit afhankelijk zou zijn van de eventuele nood om de functie in te vullen op dat moment, en dit rekening houdend met het feit dat verzoeker zelf niet meer heeft deelgenomen aan latere selectieprocedures voor de functie.
  20. In de memorie van wederantwoord argumenteert verzoeker dat het voordeel dat hij heeft bij de nietigverklaring in wezen tweeledig is. Enerzijds zou een eventuele nietigverklaring hem opnieuw de toegang kunnen verlenen tot XII-9671-9/15 de functie die hij ambieert, anderzijds zou deze de ongeschiktverklaring (weigering) kunnen ongedaan maken, zodat deze geen obstakel vormt bij latere mobiliteitssollicitaties. Verzoeker benadrukt dat hij bijgevolg méér ambieert dan een loutere morele genoegdoening uit het horen onwettig verklaren van de bestreden beslissing. Verzoeker wijst erop dat voormelde belangen bovendien niet komen te verdwijnen omwille van zijn niet-deelname aan de twee bijkomende vacantverklaringen. Ten eerste omdat een hypothetische deelname er niet voor gezorgd zou hebben dat de smet op zijn dossier komt te verdwijnen – het ene heeft immers niets met het andere te maken. Ten tweede omdat hij redelijkerwijs ervan mocht uitgaan dat hij ook bij een deelname aan de bijkomende vacantverklaringen ongelijk zou behandeld worden, zodat dit steevast tot hetzelfde resultaat zou hebben geleid. Louter ten overvloede, wordt door verzoeker bijkomend erop gewezen dat hij een burn-out heeft gekregen. Verzoeker stelt dan ook een kennelijk moreel belang te hebben bij onderhavige zaak, namelijk om het hem aangedane onrecht recht te zetten. In zijn laatste memorie wijst verzoeker wederom op de tweeledigheid van zijn belang. Het valt verzoeker op dat de exceptie van de verwerende partij alleen steunt op de niet-deelname aan latere selectieprocedures. Verzoeker leidt hier bijgevolg uit af dat de verwerende partij zich aansluit bij zijn zienswijze dat de eventuele nietigverklaring hem tevens het voordeel oplevert dat de ongeschiktverklaring wordt ongedaan gemaakt. Ten overvloede, wijst verzoeker erop dat de door de verwerende partij aangehaalde rechtspraak niet één op één kan worden toegepast. De ontvankelijkheid moet in concreto worden beoordeeld. De specifieke omstandigheden van de zaak – wat nader wordt omschreven in de middelen – maken dat iedere deelname volgens verzoeker aan latere selectierondes hem geen andere uitkomst zou hebben geboden. Volgens verzoeker kan het hem bijgevolg niet kwalijk worden genomen dat hij niet heeft deelgenomen aan die selectieprocedures. XII-9671-10/15 Beoordeling
  21. Gelet op artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan het beroep tot nietigverklaring bedoeld bij artikel 14 van deze wet, voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State worden gebracht “door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een belang”. Die vereiste is erop gericht de rechtszekerheid te dienen en een goede rechtsbedeling te verzekeren (RvS (A.V.) 22 maart 2019, 244.015, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.015). Een verzoekende partij beschikt over dit rechtens vereiste belang indien twee voorwaarden vervuld zijn: vooreerst dient zij door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel te lijden; voorts moet de eventueel tussen te komen nietigverklaring van die rechtshandeling haar een direct en persoonlijk voordeel verschaffen, hoe miniem ook (RvS (A.V.) 15 januari 2019, nr. 243.406, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.406). Het belang moet niet alleen bestaan bij het instellen van het beroep maar moet voortduren tot aan de sluiting van het debat (RvS (A.V.) 22 maart 2019, 244.015, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.015), zonder dat de verzoekende partij noodzakelijk elk belang bij de nietigverklaring verliest wanneer zij het initiële voordeel niet meer kan ambiëren (cf. GwH 9 juli 2020, 105/2020, ECLI:BE:GHCC:2020.ARR.105, punten B.11.
  22. en B.12.2). Het staat aan de Raad van State te oordelen of de verzoekende partij die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij haar beroep. De Raad van State dient er over te waken dat het belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast (GwH 30 september 2010, 109/2010, ECLI:BE:GHCC:2010.ARR.109, punt B.4.3; GwH 9 juli 2020, 105/2020, ECLI:BE:GHCC:2020.ARR.105, punt B.9.3; EHRM 17 juli 2018, 5475/06, ECLI:CE:ECHR:2018:0717JUD000547506, Vermeulen/België, punten 42 e.v.). XII-9671-11/15 Er is voor een verzoekende partij geen stelplicht om haar belang bij het beroep te omschrijven of toe te lichten. Echter, wordt dit belang in twijfel getrokken, dan valt het haar toe bij de eerstvolgende procedurele gelegenheid hierover opheldering te verschaffen en haar belang te staven. Doet een verzoekende partij zulks, dan heeft zij daarmee ook de contouren geschetst waarom het haar te doen is en moet de Raad van State met die door de verzoekende partij vastgelegde grenzen van het gerechtelijk debat rekening houden (RvS (A.V.) 15 januari 2019, 243.406 ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.406). Voorts kan de aard van het belang weliswaar evolueren, maar een verzoekende partij moet minstens aannemelijk maken dat de gevraagde nietigverklaring haar nog een concreet, direct en persoonlijk voordeel oplevert. Onvoldoende om een nietigverklaring van de bestreden beslissing te kunnen verkrijgen, is dan ook het belang van een verzoekende partij dat in de loop van de annulatieprocedure is geëvolueerd naar nog uitsluitend een belang bij het onwettig horen verklaren van die beslissing om de toekenning van een schadevergoeding – door de rechtscolleges van de rechterlijke orde, die daartoe zelf de eventuele fout van de overheid kunnen vaststellen – te faciliteren. Het voordeel moet in beginsel ook méér zijn dan de morele genoegdoening die een verzoekende partij put uit het horen onwettig verklaren van de bestreden beslissing, inzonderheid om derden aldus te overtuigen van haar initieel gelijk. Een dergelijk belang heeft een karakter dat niet valt binnen de grenzen van het belang zoals bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Dat beoogde voordeel is immers niet verbonden met het verdwijnen van de bestreden beslissing uit het rechtsverkeer maar enkel met het horen gegrond verklaren erga omnes van de door de verzoekende partij aangevoerde middelen.
  23. Voor de vacantverklaring in de mobiliteitscyclus 2022-05 was verzoeker de enige ingeschreven kandidaat. De selectiecommissie heeft de kandidatuur van verzoeker niet aangenomen zodat de functie in het kader van deze mobiliteitscyclus niet is ingevuld. XII-9671-12/15 Sinds de indiening van het verzoekschrift, werd de betrokken functie tweemaal opengesteld voor een selectieprocedure: i) MOB 2023-03 / Hoofdinspecteur lokale recherche (lid): gepubliceerd op 7 juli 2023, waarbij de kandidaturen konden worden ingediend tot en met 28 juli 2023 en ii) MOB 2023-04 / Hoofdinspecteur lokale recherche (teamchef): gepubliceerd op 29 september 2023, waarbij de kandidaturen konden worden ingediend tot en met 20 oktober
  24. De voornaamste betrachting van iemand die de rechtshandeling aanvecht waardoor hij niet in een functie wordt aangesteld, is om door de nietigverklaring de kans te krijgen om in die betrekking te worden aangesteld en om ze daadwerkelijk waar te nemen. Door de verwerende partij wordt in de door haar aangevoerde exceptie opgeworpen dat verzoeker niet heeft gekandideerd voor een nadien vacant verklaarde betrekking. Dit wordt niet betwist door verzoeker. De bedoelde vacatures (hoofdinspecteur bij de lokale recherche) blijken eenzelfde betrekking te beschrijven en een gelijk profiel voorop te stellen als datgene geambieerd door verzoeker. Het gegeven dat de door verzoeker geambieerde betrekking opnieuw wordt opengesteld, heeft tot gevolg dat deze voornoemde vacatures de afgewezen verzoeker een nieuwe kans op benoeming bieden. Verzoeker verliest niet noodzakelijk zijn belang bij de nietigverklaring indien hij, zoals te dezen, niet kandideert voor een na de geambieerde betrekking opengevallen betrekking doch, zoals hiervoor is gebleken komt het hem dan wel toe daaromtrent opheldering te verschaffen. Te dezen voert verzoeker aan dat iedere deelname aan latere selectierondes geen andere uitkomst zou hebben geboden wat zijn ongeschiktverklaring betreft. Dit argument, gestoeld op een louter hypothetische aanname biedt geen deugdelijke verantwoording voor zijn afzijdig blijven en verklaart niet waarom verzoeker heeft nagelaten zijn belang te vrijwaren door zich XII-9671-13/15 voor de latere vacatures voor eenzelfde door hem geambieerde betrekking kandidaat te stellen.
  25. De bestreden beslissing van 8 mei 2023 vormt, in tegenstelling tot wat verzoeker aanvoert, geen obstakel bij latere sollicitaties, aangezien dan een nieuwe selectieprocedure gevolgd dient te worden waarbij de geschiktheid van de kandidaat op dat ogenblik opnieuw beoordeeld zal moeten worden.
  26. Bovendien geeft de verwerende partij ter terechtzitting aan dat haar personeelskader intussen volledig is ingevuld. Verzoeker weerspreekt dit niet. Alsdan kan een gebeurlijke nietigverklaring aan verzoeker onmogelijk nog het voordeel opleveren dat hij met het voorliggende beroep nastreeft, namelijk een nieuwe kans te verwerven om in de betrekking van hoofdinspecteur bij de lokale recherche van de verwerende partij te worden aangesteld.
  27. Gelet op het voorgaande dient te worden vastgesteld dat verzoeker het vereiste actuele belang bij het voorliggende beroep ontbeert. De exceptie is gegrond.
  28. Het beroep is niet ontvankelijk. BESLISSING
  29. De Raad van State verwerpt het beroep.
  30. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. XII-9671-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vijftien mei tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, kamervoorzitter, Jurgen Neuts staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Chantal Bamps XII-9671-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.326 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.406 ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.015 ECLI:CE:ECHR:2018:0717JUD000547506 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.