id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.340 Rolnummer: A. 244458/VII-42833 Zaak: Arrest 263340 - Milieuvergunningen - 19/05/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-06-02 Raadplegingen: 103 - laatst gezien 2026-06-16 04:54 Fiche Arrest nr 263.340 van 19 mei 2025 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 263.340 van 19 mei 2025 in de zaak A. 244.458/VII-42.833 In zake : de BV AQUA SAUNA PLEZIER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Reiner Tijs en Joram Maes kantoor houdend te 2000 Antwerpen Stijfselrui 48, bus 101 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bart Staelens en Joost Hoste kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: C.N. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Wim Mertens en Philippe Dreesen kantoor houdend te 3580 Beringen Paalsesteenweg 81 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 21 maart 2025, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving en Landbouw van 20 januari 2025 houdende uitspraak over het beroep aangetekend tegen het besluit houdende bestuurlijke maatregelen van 27 januari 2022 van de toezichthouder van IGEAN opgelegd aan de verzoekende partij. VII-42.833-1/20 II. Verloop van de rechtspleging
- De beschikking van 26 maart 2025 stelt de procedurekalender vast. De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een administratief dossier ingediend. Met een verzoekschrift van 14 april 2025 heeft C.N. gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft op 7 mei 2025 een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 mei
- Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht. Advocaat Joram Maes en zaakvoerder Johan Abraham Klomp, die verschijnen voor de verzoekende partij, advocaat Sander Defoort, die loco advocaten Bart Staelens en Joost Hoste verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Philippe Dreesen, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna : RvS-wet). VII-42.833-2/20 III. Feiten 3.
- Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Essen (hierna: het college) neemt op 3 juli 2006 akte van de melding van de uitbating als klasse 3 - inrichting van een sauna, gelegen in het voormalig melkerijgebouw aan de Melkerijstraat te Essen. 3.
- Op 21 december 2010 wordt het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (hierna: RUP) ‘Nieuwstraat-Oost’ definitief vastgesteld door de gemeenteraad van Essen. Dit RUP wordt vervolgens door de deputatie van de provincieraad van Antwerpen (hierna: de deputatie) goedgekeurd op 14 april
- Het voormelde gebouw aan de Melkerijstraat bevindt zich volgens dat plan in een zone voor gesloten bebouwing. 3.
- Voor de verbouwing van het voormalig melkerijgebouw naar een appartementencomplex verleent het college op 4 januari 2012 een stedenbouwkundige vergunning. 3.
- Na ontvangst van een aanvraag van de toenmalige uitbater van de sauna beslist het college op 25 januari 2012: “om vergunning te verlenen voor de gewijzigde bouwplannen met functiewijziging van appartement 18 en een deel (inkomhal) van appartement 3 naar handelszaak (sauna) omwille van de volgende redenen: - De wijzigingen betreffen hoofdzakelijk aanpassingen binnen het gebouw. Aan de buitenzijde worden alleen in de achtergevel enkele openingen gewijzigd, zodat er geen impact is op de omgeving en het straatbeeld; - De vergunde inplanting, bouwvolume en afmetingen blijven volledig gehandhaafd; - De wijzigingen zijn in overeenstemming met de stedenbouwkundige voorschriften van het RUP ‘Nieuwstraat-Oost’ (art. 7 - zone voor gesloten bebouwing).” 3.
- Bij arrest nr. 222.176 van 22 januari 2013 vernietigt de Raad van State het besluit van de gemeenteraad van Essen van 21 december 2010 VII-42.833-3/20 houdende definitieve vaststelling van het RUP ‘Nieuwstraat-Oost’ en het besluit van de deputatie van 14 april 2011 tot goedkeuring van dat plan. Een nieuw RUP “Nieuwstraat-Oost” wordt door de gemeenteraad van Essen definitief vastgesteld op 26 februari 2013, en door de deputatie goedgekeurd bij besluit van 2 mei
- Het gebouw waarin de sauna zich bevindt, wordt hierdoor opnieuw ondergebracht in een zone voor gesloten bebouwing. 3.
- In de loop van 2015 neemt de verzoekende partij de uitbating van de sauna over. 3.
- Op 24 februari 2016 en 18 mei 2016 neemt het college akte van meldingen van de uitbating van de sauna als klasse 3 - inrichting die ingevolge de laatste melding omvat: - het lozen van bedrijfsafvalwater; - de opslag van zuur en chloor; - twee zwembaden van respectievelijk 3 x 6 meter en 3,5 x 5 meter; - hot whirlpools, dompelbaden en plonsbaden. Het college merkt daarbij op dat de inrichting op niveau -1 niet mag worden verdergezet, en dit voor een zwembad van 3,5 x 5 meter en een jacuzzi. Op 22 juni 2016 willigt het college een vraag van de verzoekende partij in tot afwijking van de sectorale milieuvoorwaarde met betrekking tot de afmetingen van de kade rond een zwembad. 3.
- De tussenkomende partij, die een appartement in hetzelfde gebouw betrekt, stelt op 24 augustus 2016 bij de deputatie bestuurlijk beroep in tegen de beslissing van het college van 25 januari
- Bij besluit van 24 november 2016 verklaart de deputatie dat beroep onontvankelijk. VII-42.833-4/20 Aan de verzoekende partij wordt vervolgens een affiche “bekendmaking stedenbouwkundige vergunning” bezorgd, waarop volgende “mededeling” wordt gedaan: “Op 24 november 2016 heeft de deputatie het ingediende beroep onontvankelijk verklaard. De beslissing van het college van burgemeester en schepenen d.d. 25/01/201[2] herneemt haar rechtskracht”. Tegen het deputatiebesluit van 24 november 2016 wordt geen beroep ingesteld. 3.
- De tussenkomende partij richt op 29 maart 2018 een verzoek aan de burgemeester van Essen om een bestuurlijke maatregel op te leggen aan de verzoekende partij, onder meer omdat zij niet over de vereiste vergunning zou beschikken voor de functiewijziging van appartement (wonen) naar sauna (dagrecreatie). De burgemeester beslist op 17 mei 2018 om geen bestuurlijke maatregel op te leggen: “Overwegende dat er thans geen geldige stedenbouwkundige vergunning, resp omgevingsvergunning voorhanden is voor de functiewijziging van woongebied naar handelsruimte, welke ingevolge artikel 7 van het RUP ‘Nieuwstraat-Oost’ in ieder geval niet kan worden verleend voor het niveau -1; Overwegende dat de inrichting op het gelijkvloers eveneens niet over de noodzakelijke stedenbouwkundige vergunning, resp. omgevingsvergunning beschikt, maar het RUP zich prima facie niet noodzakelijkerwijze verzet tegen regularisatie: BESLUIT Art.1 beslist om Aqua Sauna Plezier bvba aan te manen zich in regel te stellen en de inrichting terug te brengen naar de vergunde toestand, zijnde door stopzetting van de niet-vergunde activiteiten, dan wel het indienen van een aanvraag tot regularisatie van de bouwwerken op het gelijkvloers, met een termijn van drie maanden vanaf de kennisgeving van dit besluit; Art. 2 beslist om Aqua Sauna Plezier bvba aan te manen met onmiddellijke ingang alle activiteiten op niveau -1 stop te zetten; Indien hieraan door Aqua Sauna Plezier bvba geen gevolg wordt gegeven, zullen wij ons beraden over verregaandere handhavende maatregelen.” 3.
- De verzoekende partij dient op 5 november 2018 bij het college een aanvraag in voor een omgevingsvergunning voor “de regularisatie van een VII-42.833-5/20 functiewijziging en de bijstelling van de melding van de exploitatie van een saunacomplex”. Het college verleent op 15 mei 2019 aan de verzoekende partij een voorwaardelijke omgevingsvergunning “voor de regularisatie van de functiewijziging van de sauna op het gelijkvloers”, en weigert “de regularisatie voor de exploitatie van de sauna op -1 (kelder)”. Zowel de verzoekende partij als de tussenkomende partij tekenen bestuurlijk beroep aan tegen het collegebesluit van 15 mei
- Op 24 oktober 2019 verleent de deputatie de omgevingsvergunning aan de verzoekende partij voor de functiewijziging van twee sauna-units, zijnde één unit op het gelijkvloers, en één unit in de kelderverdieping, en neemt zij akte van een bijstelling van de meldingsplichtige activiteiten. 3.
- Bij arrest nr. RvVb-A-2021-0241 van 12 november 2020 vernietigt de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) op vordering van de tussenkomende partij de deputatiebeslissing van 24 oktober
- De RvVb oordeelt daartoe dat de deputatie de verenigbaarheid van de sauna met het voorschrift van artikel 7, § 1, van het RUP ‘Nieuwstraat-Oost’, goedgekeurd op 2 mei 2013, niet afdoende heeft beoordeeld. Die bepaling laat in de zone voor gesloten bebouwing, naast de woonfunctie, enkel diensten en “bestaande handels- en horeca-activiteiten” toe, en de deputatie had volgens de RvVb niet op afdoende wijze verantwoord waarom de sauna als inrichting voor dagrecreatie zou kunnen beschouwd worden als een handels- of horeca- activiteit. 3.
- De deputatie besluit vervolgens op 25 februari 2021 dat “[g]een vergunning wordt verleend”. Zij overweegt daartoe onder meer : “Een sauna is geen handelsactiviteit (of een horeca-activiteit) conform [wat] bedoeld wordt in het RUP. Het gaat om dagrecreatie, waarvoor geen mogelijkheden voorzien werden in het RUP.” Tegen dat besluit wordt geen beroep ingesteld. VII-42.833-6/20 3.
- Bij proces-verbaal van 23 december 2021 stelt de aangestelde van toezichthouder IGEAN vast, op basis van schermafdrukken van de openingsuren, de nieuwsbrief en de reserveringstool op de website, dat de verzoekende partij de sauna uitbaat terwijl zij hiervoor niet beschikt over een stedenbouwkundige vergunning. IGEAN betekent het proces-verbaal aan de verzoekende partij en licht haar in van haar intentie om een bestuurlijke maatregel op te leggen om het milieumisdrijf te doen ophouden en van de mogelijkheid om schriftelijk verweer in te dienen. 3.
- De verzoekende partij dient op 14 januari 2022 een schriftelijk verweer in. Zij argumenteert dat de exploitatie zowel stedenbouwkundig als milieutechnisch vergund is, dat de mogelijkheid om een bestuurlijke maatregel op te leggen verjaard is, en dat het proces-verbaal van 23 december 2021 en de daarin vastgestelde feiten niet gebaseerd zijn op concrete vaststellingen ter plaatse. 3.
- Bij besluit van 27 januari 2022 legt IGEAN een bestuurlijke maatregel op door te bevelen om “met onmiddellijke ingang de exploitatie van het sauna-complex op het gelijkvloers stop te zetten” die kan worden opgeheven door “het bekomen van een regularisatievergunning voor het project”. De verzoekende partij tekent op 9 februari 2022 bestuurlijk beroep aan tegen het besluit van 27 januari
- 3.
- Bij beschikking van 24 februari 2022 heeft de kortgedingrechter op vordering van de verzoekende partij de tenuitvoerlegging van de bestuurlijke maatregel geschorst “totdat de minister bevoegd voor Omgeving uitspraak zal hebben gedaan in het kader van het door [de verzoekende partij] ingediende beroep”. 3.
- Op 8 maart 2022 wordt in het kader van de beroepsprocedure een hoorzitting gehouden met de verzoekende partij. VII-42.833-7/20 3.
- Met een besluit van 11 mei 2022 verklaart de minister het bestuurlijk beroep van de verzoekende partij ongegrond en bevestigt zij de beroepen beslissing van IGEAN. 3.
- Bij arrest nr. 260.980 van 10 oktober 2024 vernietigt de Raad van State het ministerieel besluit van 11 mei
- 3.
- Met het bestreden besluit verklaart de minister het bestuurlijk beroep van de verzoekende partij opnieuw ongegrond en bevestigt hij de beroepen beslissing van IGEAN. IV. Tussenkomst
- C.N. blijkt voordeel te halen uit de bestreden beslissing en heeft er belang bij dat de vordering wordt afgewezen. Bijgevolg wordt haar verzoek tot tussenkomst ingewilligd. V. Ontvankelijkheid
- Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij en tussenkomende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexceptie uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die exceptie zou alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn. Dat is, zoals hierna zal blijken, niet het geval. VI. Schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, RvS-wet kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat - de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan volgens de rechtspleging die wordt voorzien voor een beroep tot nietigverklaring, en VII-42.833-8/20 - minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent tot een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord. VII. Ernst van de middelen A. Eerste middel Samenvatting van het middel
- De verzoekende partij voert in een eerste middel de schending aan van de hoorplicht en van het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Volgens de verzoekende partij behoorde het de verwerende partij om haar na het vernietigingsarrest van de Raad van State van 10 oktober 2024 te horen alvorens opnieuw te beslissen over het bestuurlijk beroep dat zij heeft ingesteld tegen het besluit houdende bestuurlijke maatregelen. Met de hoorzitting die op 8 maart 2022 heeft plaatsgevonden kon het hoorrecht niet op nuttige wijze worden uitgeoefend omdat de verzoekende partij zich toen niet heeft kunnen verdedigen tegen de nieuwe elementen die na het vernietigingsarrest van 10 oktober 2024 aan het dossier werden toegevoegd, en evenmin tegen de nieuwe argumenten die het bestreden besluit aanhaalt om te besluiten dat zij een milieumisdrijf pleegt. De verzoekende partij wijst daarbij in het bijzonder op de passage in het vernietigingsarrest waarin de Raad overweegt dat de verzoekende partij zich niet eraan diende te verwachten dat de verwerende partij een beroep zou doen op de rechtsfiguur van de onbestaande handeling. Hieruit volgt volgens de verzoekende partij dat de verwerende partij de verplichting heeft om haar te horen over dit nieuw element in de beroepsprocedure. Ook verwijst de verzoekende partij naar de stukken en het standpunt die blijkens het bestreden besluit nog werden opgevraagd bij de gemeente Essen, en de briefwisseling die VII-42.833-9/20 hierover werd gevoerd, die eveneens nieuwe gegevens uitmaken waarover zij diende te worden gehoord. Ten slotte bevat het bestreden besluit volgens de verzoekende partij een volledig nieuw argument (gebrek aan aanplakking van de vergunning van 25 januari 2012) waarover zij nooit standpunt heeft kunnen innemen, zodat zij ook hierover moest gehoord worden. Beoordeling
- Als beginsel van behoorlijk bestuur vereist de hoorplicht dat tegen niemand een ernstige maatregel kan worden genomen, die van aard is zijn belangen ernstig aan te tasten, zonder dat hem vooraf de gelegenheid wordt geboden om zijn standpunt op een nuttige wijze te doen kennen. Het zorgvuldigheidsbeginsel gebiedt het bestuur daarbij om te onderzoeken, in het licht van de concrete omstandigheden van de zaak, of de betrokkene wiens belangen ernstig dreigen geschaad te worden door de voorgenomen beslissing, over alle doorslaggevende gegevens van het dossier op nuttige wijze zijn standpunt heeft kunnen laten gelden zodat met dat standpunt rekening kan worden gehouden bij het nemen van de beslissing.
- Het bestreden besluit stelt vast dat de verzoekende partij een milieumisdrijf begaat, zodat haar een bestuurlijke maatregel kan worden opgelegd. Daartoe zet het besluit eerst uitgebreid uiteen dat het collegebesluit van 25 januari 2012 geen stedenbouwkundige vergunning is, zodat bij gebreke aan dergelijke vergunning het recht op exploitatie op basis van de klasse 3 – melding was geschorst, en inmiddels ook is vervallen. Vervolgens stelt het bestreden besluit vast dat “indien het collegebesluit van 25 januari 2012 toch een rechtsgeldige vergunningsbeslissing zou uitmaken, […] de vaststelling overeind [blijft] dat die beslissing niet werd aangeplakt […] zodat ook geen recht bestaat om van de beweerde stedenbouwkundige vergunning van 25 januari 2012 voor een functiewijziging gebruik te maken”. Dan overweegt het bestreden besluit : “Daarbij komt dat de exploitatie van de inrichting strijdig is met het inplantingsvoorschrift van artikel 4.1.1.1 van VLAREM II. Minstens sinds het arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen en zeker sinds het VII-42.833-10/20 weigeringsbesluit van de deputatie van 25 februari 2021 is duidelijk dat de inrichting niet verenigbaar is met het RUP zodat ook conform artikel 4.1.1.1 van VLAREM II de exploitatie niet is toegestaan. Op grond van artikel 5.4.9 van DABM is de exploitant van een ingedeelde inrichting of activiteit verplicht de algemene, sectorale en bijzondere milieuvoorwaarden na te leven. Bijgevolg moet beroepsindiener ook het artikel 4.1.1.1 van het VLAREM II naleven dat op de inrichting van toepassing is. “Afdeling 4.1.1 Algemeen inplantingsvoorschrift voor inrichtingen van derde klasse Artikel 4.1.1.1 Behoudens afwijkende bepaling in de desbetreffende hoofdstukken is de exploitatie van een in de derde klasse ingedeelde inrichting slechts toegestaan in zoverre de inplantingsplaats verenigbaar is met de algemene en aanvullende stedenbouwkundige voorschriften zoals vastgesteld in het goedgekeurde gewestplan of een ruimtelijk uitvoeringsplan of in een ander plan van aanleg. Deze bepaling is niet van toepassing op de inrichtingen van derde klasse die deel uitmaken van een inrichting van eerste of tweede klasse.” Zoals hierboven gezegd is de inrichting niet verenigbaar met de stedenbouwkundige voorschriften van het RUP “Nieuwstraat-Oost”. Het betreffen immers geen “bestaande handels- of horeca-activiteiten”. Het betreft evenmin een “woonfunctie” of “dienstverlening”, waarbij voor het begrip “dienstverlening” in het RUP een beperkende definitie geldt. De sauna is ook geen “bestaande” activiteit. Maar ook is een sauna geen handelsactiviteit of horeca-activiteit zoals bedoeld wordt in het RUP. Het gaat om dagrecreatie, waarvoor geen mogelijkheden voorzien werden in het RUP.” Het bestreden besluit trekt hieruit volgende conclusie: “De vaststellingen van verwerende partij houden daarom een schending in van de artikelen 5, §2 van het Milieuvergunningsdecreet, van artikel 5.2.1, §6 van het DABM en minstens van artikel 5.4.9 van het DABM en artikel 4.1.1.1 van VLAREM II. Deze regelgeving wordt gehandhaafd overeenkomstig titel XVI van het DABM en de feiten vormen aldus een milieumisdrijf in de zin van het DABM. Het milieumisdrijf staat afdoende vast in hoofde van beroepsindiener en verwerende partij kon derhalve rechtmatig overgaan tot het opleggen van een bestuurlijke maatregel aan beroepsindiener.”
- Het bestreden besluit lijkt aldus de overtreding van het als milieumisdrijf gekwalificeerde exploitatieverbod van de sauna te steunen op twee verschillende juridische grondslagen : VII-42.833-11/20 - schending van artikel 5, § 2, van het decreet van 28 juni 1985 ‘betreffende de milieuvergunning’ (hierna: milieuvergunningsdecreet) en van artikel 5.2.1, § 6, van het decreet van 5 april 1995 ‘houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’ (hierna: DABM) door het gebrek aan stedenbouwkundige vergunning voor de functiewijziging, waardoor de klasse 3 – melding geschorst was, en inmiddels vervallen is (met ondergeschikt de vaststelling dat de beweerde stedenbouwkundige vergunning niet werd aangeplakt) ; - schending van artikel 5.4.9 DABM en artikel 4.1.1.1 van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 ‘houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne’ (hierna: Vlarem II), doordat de exploitatie van sauna als inrichting voor dagrecreatie niet verenigbaar is met het ter plaatse geldend inplantingsvoorschrift van het RUP ‘Nieuwstraat-Oost’, goedgekeurd op 2 mei
- De vastgestelde schending van artikel 5.4.9 DABM en artikel 4.1.1.1 Vlarem II lijkt afdoende te zijn voor de vaststelling dat de verzoekende partij een milieumisdrijf heeft begaan, zodat haar een bestuurlijke maatregel kan worden opgelegd. De nieuwe elementen, documenten en juridische argumenten waarvan de verzoekende partij meent dat zij hierover aanvullend moest gehoord worden alvorens het bestreden besluit kon worden genomen, lijken geen uitstaans te hebben met de vraag of de exploitatie van de verzoekende partij een schending inhoudt van artikel 5.4.9 DABM en artikel 4.1.1.1 Vlarem II. Die schending lijkt overigens ook reeds uitdrukkelijk te zijn aangehaald in het besluit dat de maatregel in eerste bestuurlijke aanleg oplegde, waartegen de verzoekende partij argumenten heeft laten gelden in haar beroepschrift en waarover zij op de hoorzitting van 8 maart 2022 haar standpunt ook mondeling heeft kunnen uiteenzetten. De omstandigheid dat in het bestreden besluit -in tegenstelling tot het vernietigde besluit van 11 mei 2022- een uitgebreide afzonderlijke motivering wordt gewijd aan deze schending zodat zij thans als een afzonderlijk VII-42.833-12/20 dragend motief lijkt te kunnen worden beschouwd, lijkt de verwerende partij niet te hebben verplicht om de verzoekende partij hierover voorafgaandelijk te horen. Met de hiervoor aangehaalde motieven lijkt de verwerende partij de argumenten van de verzoekende partij die in dit verband in het beroepschrift werden opgeworpen, en waarover zij werd gehoord, te hebben beantwoord.
- De verzoekende partij maakt prima facie niet aannemelijk dat zij omtrent de schending van artikel 5.4.9 DABM en artikel 4.1.1.1 Vlarem II, als dragend motief voor de vaststelling van het milieumisdrijf, niet op nuttige wijze werd gehoord, en/of dat de zorgvuldigheidsplicht de verwerende partij gebood om haar hierover te horen. Zij lijkt dan ook het belang bij het middel te ontberen. Het eerste middel is niet ernstig. B. Tweede middel Samenvatting van het middel
- In het tweede middel voert de verzoekende partij de schending aan van de artikelen 16.4.5 en 16.1.2, 2°, DABM, artikel 389 van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’ (hierna: omgevingsvergunningsdecreet), artikel 4.1.1.1 Vlarem II, artikel 5, § 2, van het milieuvergunningsdecreet, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: motiveringswet), de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur, en het gezag van gewijsde van het arrest van de Raad van State nr. 260.980 van 10 oktober
- De verzoekende partij hekelt de omstandigheid dat de verwerende partij zich in de bestreden beslissing opnieuw waagt aan een toepassing van de uitzonderlijke rechtsfiguur van de onbestaande rechtshandeling VII-42.833-13/20 waarbij zij tracht voor te houden dat het besluit van het college van burgemeester en schepenen van Essen van 25 januari 2012 dermate flagrant onwettig is dat het voor onbestaande moet worden gehouden. De motieven die het bestreden besluit daartoe aanhaalt, kunnen volgens de verzoekende partij het wettigheidstoezicht niet doorstaan. De verzoekende partij bespreekt in het middel vervolgens de verschillende motieven op grond waarvan de verwerende partij besluit dat de collegebeslissing van 25 januari 2012 niet kan beschouwd worden als een stedenbouwkundige vergunning voor de functiewijziging. Met betrekking tot de vermeende onverenigbaarheid van de aanvraag met het destijds geldend RUP ‘Nieuwstraat Oost’ van 21 december 2010 laat de verzoekende partij gelden dat dit RUP werd vernietigd door de Raad van State zodat hiernaar niet kan worden verwezen om de onregelmatigheid van de collegebeslissing van 25 januari 2012 aan te tonen. Zij voegt hieraan toe: “Bij uitbreiding kan verwerende partij niet worden gevolgd wanneer zij, op basis van een omweg via art. 5.4.9 DABM, tracht voor te houden dat verzoekster art. 4.1.1.1 VLAREM II zou schenden, nu haar exploitatie strijdig zou zijn met “de algemene en aanvullende stedenbouwkundige voorschriften zoals vastgesteld in het goedgekeurde gewestplan of een ruimtelijk uitvoeringsplan of in een ander plan van aanleg.” Verweerster ent deze argumentatie kennelijk volstrekt ten onrechte op een vermeende onverenigbaarheid met het RUP d.d. 21 december 2010 dat op 22 januari 2013 ex tunc uit het rechtsverkeer verdween ten gevolge van een vernietigingsarrest van [de Raad van State]. Het is uiteraard de facto en de iure onmogelijk dat de bestuurlijke maatregel tot stopzetting van de activiteiten van verzoekende partij wordt gesteund op basis van een vermeende onverenigbaarheid met stedenbouwkundige voorschriften die geacht worden nooit te hebben bestaan en derhalve in het geheel niet meer kunnen worden betrokken door verwerende partij. Het standpunt van verwerende partij gaat bovendien in het geheel voorbij aan de expliciete milieutechnische aktenames van de gemeente Essen d.d. 18 mei 2016 en 22 juni 2016 voor de exploitatie van het saunacomplex op het gelijkvloers. De rechtsgeldigheid van deze aktenames staat in het geheel niet ter discussie in onderhavig dossier, laat staan dat verwerende partij -middels een stedenbouwkundige omweg- plots zou kunnen voorhouden dat een milieutechnisch correct gemelde klasse 3-exploitatie zou neerkomen op een schending van art. 4.1.1.1 VLAREM II.” VII-42.833-14/20 VII-42.833-15/20 Beoordeling
- Zoals werd vastgesteld bij de beoordeling van de ernst van het eerste middel, lijkt het bestreden besluit de overtreding van het als milieumisdrijf gekwalificeerde exploitatieverbod van de sauna te steunen op twee verschillende juridische grondslagen : - schending van artikel 5, §2 van het milieuvergunningsdecreet en van artikel 5.2.1, § 6, DABM door het gebrek aan stedenbouwkundige vergunning voor de functiewijziging, waardoor de klasse 3 – melding geschorst was, en inmiddels vervallen is (met ondergeschikt de vaststelling dat de beweerde stedenbouwkundige vergunning niet werd aangeplakt) ; - schending van artikel 5.4.9 DABM en artikel 4.1.1.1 Vlarem II, doordat de exploitatie van sauna als inrichting voor dagrecreatie niet verenigbaar is met het ter plaatse geldend inplantingsvoorschrift van het RUP ‘Nieuwstraat-Oost’, vastgesteld op 26 februari
- De vastgestelde schending van artikel 5.4.9 DABM en artikel 4.1.1.1 Vlarem II lijkt afdoende te zijn voor de vaststelling dat de verzoekende partij een milieumisdrijf heeft begaan, zodat haar een bestuurlijke maatregel kan worden opgelegd. Het tweede middel lijkt enkel op te komen tegen de bevinding dat er geen stedenbouwkundige vergunning voorhanden is voor de functiewijziging. Als zodanig lijkt het middel gericht te worden tegen overtollige motieven van de bestreden beslissing, en heeft de verzoekende partij aldus prima facie geen belang bij dit middel.
- De verzoekende partij bespreekt weliswaar in dit middel ook de vermeende schending van artikel 4.1.1.1 Vlarem II, doch zij lijkt haar argumenten in dat verband enkel te betrekken op de onverenigbaarheid van de sauna met de voorschriften van het RUP ‘Nieuwstraat-Oost’, dat werd vastgesteld op 21 december 2010 en werd vernietigd door de Raad van State op 22 januari
- Nochtans lijkt het bestreden besluit de schending van artikel 5.4.9 DABM en VII-42.833-16/20 artikel 4.1.1.1 Vlarem II af te leiden uit de onverenigbaarheid van de sauna met de voorschriften van het RUP ‘Nieuwstraat-Oost’ dat werd vastgesteld op 26 februari
- De verwerende partij verwijst in dit verband immers uitdrukkelijk naar het deputatiebesluit van 25 februari 2021 en het arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 12 november 2020, en in die stukken wordt de verenigbaarheid van de sauna met de stedenbouwkundige voorschriften wel degelijk getoetst aan het RUP ‘Nieuwstraat-Oost’ dat werd vastgesteld op 26 februari 2013 en werd goedgekeurd op 2 mei
- In zoverre de verzoekende partij nog aanvoert dat de niet-betwiste aktenames van de melding als klasse 3 – inrichting van 18 mei 2016 en 22 juni 2016 zouden verhinderen dat de verenigbaarheid van de sauna met het (in 2013 vastgestelde) inplantingsvoorschrift van het RUP ‘Nieuwstraat-Oost’ kan getoetst worden, gaat zij eraan voorbij dat het hoe dan ook aan de toezichthoudende overheden lijkt toe te komen om in het kader van de bestuurlijke handhaving de gebeurlijke overtreding van artikel 4.1.1.1 Vlarem II te beteugelen. De kritiek van de verzoekende partij op de toepassing van artikel 4.1.1.1 Vlarem II op haar situatie, lijkt dan ook prima facie ongegrond.
- Het tweede middel is niet ernstig. C. Derde middel Samenvatting van het middel
- De verzoekende partij voert de schending aan van de artikelen 4.17.9, § 3, en 4.7.23, § 5, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, en de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur. Het middel komt op tegen de beoordeling van het bestreden VII-42.833-17/20 besluit dat, zelfs indien het collegebesluit van 25 januari 2012 als een rechtsgeldige vergunning zou worden beschouwd, er nog steeds sprake is van een milieumisdrijf omdat de verzoekende partij bij gebreke aan aanplakking geen gebruik kan maken van die stedenbouwkundige vergunning. Volgens de verzoekende partij is deze beoordeling strijdig met de eerder in het bestreden besluit gemaakte overweging dat “niet duidelijk” is of een aanplakking is gebeurd van het besluit van 25 januari
- Verder wijst zij op de irrelevantie van het eventuele gebrek aan aanplakking nu er een aanplakking is gebeurd na het deputatiebesluit van 24 november 2016, wat een geldige aanplakking was in de zin van artikel 4.7.23, § 5, VCRO zodat zij na deze aanplakking gebruik kon maken van de stedenbouwkundige vergunning. Beoordeling
- Zoals werd vastgesteld bij de beoordeling van de ernst van het eerste middel, lijkt het bestreden besluit de overtreding van het als milieumisdrijf gekwalificeerde exploitatieverbod van de sauna te steunen op twee verschillende juridische grondslagen : - schending van artikel 5, §2 van het milieuvergunningsdecreet en van artikel 5.2.1, § 6, DABM door het gebrek aan stedenbouwkundige vergunning voor de functiewijziging, waardoor de klasse 3 – melding geschorst was, en inmiddels vervallen is (met ondergeschikt de vaststelling dat de beweerde stedenbouwkundige vergunning niet werd aangeplakt) ; - schending van artikel 5.4.9 DABM en artikel 4.1.1.1 Vlarem II, doordat de exploitatie van sauna als inrichting voor dagrecreatie niet verenigbaar is met het ter plaatse geldend inplantingsvoorschrift van het RUP ‘Nieuwstraat-Oost’, vastgesteld op 26 februari
- De vastgestelde schending van artikel 5.4.9 DABM en artikel 4.1.1.1 Vlarem II lijkt afdoende te zijn voor de vaststelling dat de verzoekende partij een milieumisdrijf heeft begaan, zodat haar een bestuurlijke maatregel kan worden opgelegd. VII-42.833-18/20 Het derde middel lijkt enkel op te komen tegen de ondergeschikt gemaakte vaststelling dat het collegebesluit van 25 januari 2012 niet werd aangeplakt, zodat de verzoekende partij er geen gebruik van kan maken. Als zodanig lijkt het middel gericht te worden tegen overtollige motieven van de bestreden beslissing, en heeft de verzoekende partij aldus prima facie geen belang bij dit middel.
- Het derde middel is niet ernstig VIII. Conclusie
- Bij gebreke aan minstens één ernstig middel waarmee de nietigverklaring van de bestreden akte prima facie kan verantwoord worden, wordt niet voldaan aan één van de voorwaarden die gesteld worden in artikel 17, § 1, derde lid, RvS-wet opdat de vordering tot schorsing kan worden toegewezen. BESLISSING
- Het verzoek van C. N. tot tussenkomst wordt ingewilligd.
- De Raad van State verwerpt de vordering. VII-42.833-19/20 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negentien mei tweeduizend vijfentwintig door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Francis Van Nuffel, staatsraad, waarnemend voorzitter bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Francis Van Nuffel VII-42.833-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.340 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div