← België

Arrest 263344 - Dierenwelzijn - 20/05/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.344 Rolnummer: A. 239395/XII-9616 Zaak: Arrest 263344 - Dierenwelzijn - 20/05/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-05-22 Raadplegingen: 95 - laatst gezien 2026-06-16 04:54 Fiche Arrest nr 263.344 van 20 mei 2025 Sociale zaken en volksgezondheid - Dierenwelzijn Beslissing : Verwerping Afstand van geding Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 263.344 van 20 mei 2025 in de zaak A. 239.395/XII-9616 In zake: B.V. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Chantal Maeyaert kantoor houdend te 8000 Brugge Scheepsdalelaan 36 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kristien Vanderheiden kantoor houdend te 3000 Leuven Diestsevest 47/001 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 22 juni 2023, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van 25 april 2023 “waarbij werd beslist dat verzoekster onvoldoende garanties kon bieden om het welzijn van haar dieren te waarborgen waardoor een teruggave na inbeslagname als ‘onverantwoord’ werd beschouwd”. De verzoekende partij vordert de nietigverklaring van de bestemmingsbeslissing van het afdelingshoofd van het Vlaamse gewest, Departement Omgeving, afdeling Dierenwelzijn van 25 april 2023 met kenmerk G-23-0857 houdende het geven in volle eigendom van 26 van de 27 inbeslaggenomen honden van de verzoekende partij. XII-9616-1/4 De verzoekende partij vordert eveneens een schadevergoeding tot herstel ten bedrage van 9.180, 58 euro. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Anja Somers heeft een verslag opgesteld. Dat verslag werd aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 5 februari
  3. Op 27 maart 2025 heeft de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan de verzoekende partij de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 14quater van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. De verzoekende partij heeft niet gevraagd om te worden gehoord. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Beoordeling
  5. In het auditoraatsverslag wordt de verwerping van het beroep voorgesteld. XII-9616-2/4 Naar luid van artikel 21, zevende lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State geldt ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding wanneer zij, na de kennisneming van het verslag van de auditeur waarin de verwerping of de onontvankelijkheid van het beroep wordt voorgesteld, geen verzoek tot voortzetting van de procedure indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de betekening van het verslag. De verzoekende partij heeft geen verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend.
  6. Het vermoeden van afstand van geding is te dezen van toepassing. IV. Verzoek tot schadevergoeding tot herstel Nu geen onwettigheid is vastgesteld, dient het verzoek tot het verkrijgen van een schadevergoeding tot herstel overeenkomstig artikel 25/3, §§ 1 en 3, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’, te worden afgewezen. BESLISSING
  7. De Raad van State spreekt de afstand van geding uit.
  8. De Raad van State verwerpt het verzoek tot schadevergoeding tot herstel.
  9. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro , een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. XII-9616-3/4 Het onverschuldigde recht in verband met het verzoek tot een schadevergoe-ding tot herstel, begroot op 224 euro, dient aan de verzoekende partij te worden terugbetaald. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twintig mei tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, kamervoorzitter, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Chantal Bamps XII-9616-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.344 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.