← België

Arrest 263358 - Dierenwelzijn - 20/05/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.358 Rolnummer: A. 243800/XII-9815 Zaak: Arrest 263358 - Dierenwelzijn - 20/05/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-05-22 Raadplegingen: 100 - laatst gezien 2026-06-16 04:54 Fiche Arrest nr 263.358 van 20 mei 2025 Sociale zaken en volksgezondheid - Dierenwelzijn Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 263.358 van 20 mei 2025 in de zaak A. 243.800/XII-9815 In zake: I.S. tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bart Staelens en Joost Hoste kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46/1 bij wie woonplaats wordt gekozen ------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 9 mei 2025, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de “bestreden Bestemmingsbeslissing dd. 14.10.2024 met dossiernummer : G-24-4948 waarbij bestemming gegeven wordt aan twaalf paarden met chipnummers […]”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij beschikking van 9 mei 2025 werd, in samenspraak met het aangeduide lid van het auditoraat, de procedurekalender vastgesteld en werden de partijen opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 mei
  3. De nota met opmerkingen en het administratief dossier werden ingediend overeenkomstig de procedurekalender. XII-9815-1/7 Staatsraad Frédéric Vanneste heeft verslag uitgebracht. Ilse Smits, die in persoon verschijnt, en advocaat Sander Defoort, die loco advocaten Bart Staelens en Joost Hoste verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten
  5. De feiten zijn uiteengezet in het tussenarrest nr. 262.674 van 19 maart
  6. Er wordt naar verwezen. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  7. Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord. Overeenkomstig paragraaf 5 van datzelfde artikel wordt de zaak behandeld bij uiterst dringende noodzakelijkheid en derhalve binnen een termijn van vijftien dagen of minder, wanneer zulks in het opschrift wordt vermeld. XII-9815-2/7 Deze bepaling sluit niet uit dat meerdere verzoeken tot schorsing tegen eenzelfde besluit kunnen worden ingediend. Hierbij moet echter rekening worden gehouden met, enerzijds, artikel 17, § 2, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State op grond waarvan: “[w]anneer de afdeling bestuursrechtspraak een vordering tot schorsing of tot het bevelen van voorlopige maatregelen verwerpt wegens het gebrek aan spoedeisendheid, […] een nieuwe vordering slechts [kan] worden ingediend indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen”, en anderzijds, het gezag van gewijsde van een arrest waarbij een eerder verzoek tot schorsing werd afgewezen. V. Ernstige middelen
  8. Tegen de bestreden beslissing werd op 23 december 2024 een enig verzoekschrift ingediend, waarbij de vernietiging en schorsing van de tenuitvoerlegging van die beslissing werden gevorderd. De Raad van State heeft bij arrest nr. 262.674 van 19 maart 2025 de vordering tot schorsing verworpen wegens gebrek aan een ernstig middel. Met een vordering, ingediend op 16 april 2025, vroeg verzoekster de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Bij arrest nr. 263.174 van 30 april 2025 heeft de Raad van State de vordering verworpen, omdat verzoekster niet ter terechtzitting was verschenen noch vertegenwoordigd. Bijgevolg heeft de Raad van State bij arrest nr. 262.674 van 19 maart 2025 geen uitspraak gedaan over de spoedeisendheid van het verzoek, maar geoordeeld dat bij gebrek aan enig ernstig middel niet voldaan is aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals van toepassing op het tijdstip van het indienen van het beroep, die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. XII-9815-3/7
  9. In huidig verzoekschrift voert verzoekster vier middelen aan, een eerste middel wordt genomen uit de schending van het materiële motiveringsbeginsel, een tweede middel wordt genomen uit de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, een derde middel wordt genomen uit de schending van het proportionaliteitsbeginsel en een vierde middel wordt genomen uit de schending van het redelijkheidsbeginsel. Deze middelen zijn grotendeels identiek aan de middelen zoals aangevoerd in de door verzoekster ingediende vordering tot schorsing waarover de Raad van State in zijn arrest nr. 262.674 van 19 maart 2025 heeft geoordeeld dat ze niet ernstig zijn, met dien verstande dat de in de voorliggende vordering aangevoerde middelen worden gestaafd met volgens verzoekster “nieuwe elementen” en dat het eerste middel met betrekking tot de hoorplicht niet hernomen is. Vooreerst dient te worden benadrukt dat ook al was het voornoemde arrest nr. 262.674 een uitspraak over een vordering tot schorsing, dan uit de overwegingen ervan niettemin blijkt dat de – grotendeels identieke – middelen van verzoekster toen reeds werden afgewezen wegens het gebrek aan de vereiste ernst die ook voor de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid vereist is. Voor zover verzoekster meent dat de argumentatie van de middelen met een aantal “nieuwe elementen” wordt aangevuld, wordt vastgesteld dat de meeste van die elementen reeds in de vordering tot schorsing die heeft geleid tot het arrest arrest nr. 262.674 van 19 maart 2025 in het kader van de beoordeling van de middelen werden vermeld, zodat deze elementen sowieso geen aanleiding kunnen vormen tot een nieuwe beoordeling door de Raad van State. Zelfs al bevat de huidige uiteenzetting van verzoekster ter ondersteuning van de middelen elementen die niet in de eerdere verzoekschriften op papier waren gezet, dan nog blijkt dat het gegevens zijn die toentertijd bekend waren of het moesten zijn. De door verzoekster in deze procedure aangevoerde XII-9815-4/7 “nieuwe elementen” betreffen een getuigenverklaring 12 januari 2025 (waarvan verzoekster verklaart dat ze die ontvangen heeft op 8 mei 2025) en een dierenartsverklaring van 25 april 2025 op basis van een foto van 26 februari
  10. Deze verklaringen hebben aldus betrekking op feiten die hebben plaatsgevonden vóór de terechtzitting in het kader van het eerste verzoekschrift, dat zijn beslag heeft gekregen met het arrest nr. 262.674 van 19 maart
  11. Bovendien doen deze verklaringen, los van de vraag in hoeverre deze verklaringen niet reeds in een vroeger stadium van de procedure konden worden bekomen en dienden te worden voorgelegd, en de eveneens door verzoekster aangevoerde getuigenverklaring van 27 april 2025 over de gezondheidstoestand van andere paarden van een andere eigenaar na een gedwongen verblijf bij hetzelfde dierenasiel, geen afbreuk aan de wettigheid van de vaststellingen in de bestreden beslissing. Verzoekster brengt hiermee geen nieuwe elementen aan die ertoe nopen de aangevoerde middelen ernstig te bevinden. De klacht die verzoekster op 31 maart 2025 heeft neergelegd bij het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten is evenmin een nieuwe element dat een ander licht werpt op de ernst van de middelen (en meer in het bijzonder op de aangevoerde schending van het materiëlemotiveringsbeginsel). De eenzijdige klacht tegen één politieambtenaar, die bovendien werd afgesloten omdat die niet onder de bevoegdheid valt van het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten, doet geen afbreuk aan het geheel van de vaststellingen in de bestreden beslissing. Bij het nemen van die beslissing heeft de verwerende partij zich ook gesteund op het verslag van de dierenarts inzake de gezondheidstoestand van de paarden en het verhoor van verzoekster. Hetzelfde geldt voor de overige klachten die door verzoekster eerder zijn neergelegd en de bevestiging dat er nog een strafonderzoek lopende is. Ten overvloede wordt erop gewezen dat de foto van het paard Tinkerbells Dash of Brandy gepubliceerd op 26 februari 2025, waarnaar verzoekster herhaaldelijk verwijst en waarop de verklaring van de dierenarts van 25 april 2025 is gebaseerd, geen afbreuk doet aan de vaststellingen van de XII-9815-5/7 verwerende partij in de bestreden beslissing dat meerdere paarden niet volgens hun behoeften werden verzorgd door verzoekster. Met deze foto, en meer in het algemeen met de door haar aangebrachte “nieuwe elementen” over de behandeling van paarden in het asiel, wijst verzoekster op de gevolgen van de bestreden beslissing, zonder aan te tonen dat de bestreden beslissing zelf onwettig is.
  12. Uit het voorgaande volgt dat de door verzoekster aangevoerde middelen, welke grotendeels identiek zijn aan deze die bij arrest nr. 262.674 van 19 maart 2025 als niet ernstig werden bevonden, om de redenen uiteengezet in dat arrest en hierboven thans evenmin ernstig worden bevonden. VI. Conclusie
  13. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. XII-9815-6/7 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twintig mei tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Frédéric Vanneste, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Frédéric Vanneste XII-9815-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.358 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.674 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.174 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.951 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.