id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.382 Rolnummer: A. 243928/XIV-39719 Zaak: Arrest 263382 - Overheidsopdrachten - 22/05/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-06-04 Raadplegingen: 91 - laatst gezien 2026-06-16 04:54 Fiche Arrest nr 263.382 van 22 mei 2025 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 263.382 van 22 mei 2025 in de zaak A. 243.928/XIV-39.719 In zake : de BV L.G.C. tegen : de UNIVERSITEIT HASSELT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Wouter Moonen en Manon De Weser kantoor houdend te 3500 Hasselt Gouverneur Roppesingel 131 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 22 december 2024, strekt tot de nietigverklaring en de schorsing van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van [de Universiteit Hasselt van] 6/12/2024 betreffende de publieke aanbesteding Stikstofvaten (2024-044)” waarbij de opdracht werd gegund aan een andere inschrijver. II. Verloop van de rechtspleging
- Adjunct-auditeur Anke Meskens heeft een verslag opgesteld overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: de algemene procedureregeling) en, over de vordering tot schorsing, met toepassing van artikel 12 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’. Dit verslag, waarin wordt XIV-39.719-1/6 besloten om het beroep tot nietigverklaring en de vordering tot schorsing te verwerpen, werd ter kennis gebracht van de partijen. Overeenkomstig artikel 26, § 2, van de algemene procedureregeling, heeft de waarnemend voorzitter van de XIVe kamer bij beschikking van 11 maart 2025 aan de partijen voorgesteld dat de zaak niet op een openbare terechtzitting wordt behandeld, tenzij één van de partijen hierom verzoekt. Geen van de partijen heeft om een terechtzitting gevraagd. Overeenkomstig bovenvermelde beschikking, werd het debat gesloten en werd de zaak in beraad genomen op 23 april
- Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De Universiteit Hasselt schrijft een overheidsopdracht voor leveringen uit met als voorwerp “stikstofvaten”. De opdracht wordt geplaatst met een vereenvoudigde onderhandelingsprocedure met voorafgaande bekendmaking. De opdracht is onderworpen aan de bepalingen van het bestek gekend onder referentie ‘2024-044’. 3.
- Zes inschrijvers dienen een offerte in, waaronder de verzoekende partij. 3.
- Er wordt een gunningsverslag opgesteld. Alle inschrijvers worden geselecteerd en de offerte van alle inschrijvers wordt regelmatig bevonden. XIV-39.719-2/6 Op basis van de toetsing van de offertes aan de gunningscriteria, wordt voorgesteld om de opdracht te gunnen aan de bv B., als inschrijver met de economisch meest voordelige offerte. De offerte van de verzoekende partij wordt als vierde gerangschikt. 3.
- Op 4 december 2024 beslist de verwerende partij om de opdracht te gunnen aan de bv. B. Dit is de bestreden beslissing. 3.
- Met een aangetekend schrijven en e-mailbericht van 6 december 2024 wordt aan de verzoekende partij meegedeeld dat de opdracht werd gegund aan een andere inschrijver. IV. Verzoek tot vertrouwelijke behandeling van bepaalde stukken
- De verwerende partij vraagt om de vertrouwelijke behandeling van bepaalde door haar neergelegde stukken die zij in de inventaris als vertrouwelijk aanduidt en waarbij zij de redenen opgeeft waarom zij om die vertrouwelijke behandeling vraagt. Er zijn geen gronden aangevoerd door de partijen om het aangevoerde vertrouwelijk karakter ervan te lichten. De Raad van State mag overigens deze stukken in zijn beoordeling betrekken. XIV-39.719-3/6 V. Toepassing kortedebattenprocedure Exceptie van niet-ontvankelijkheid wegens gebrek aan enig middel
- De verwerende partij werpt in de nota met opmerkingen op dat het verzoekschrift geen middelen bevat aangezien uit niets blijkt welke rechtsregels of beginselen werden geschonden en op welke wijze. Het verzoekschrift bevat volgens haar louter veronderstellingen van de verzoekende partij zonder dat deze op enige wijze worden toegelicht of onderbouwd.
- Artikel 2, § 1, eerste lid, 3°, van de algemene procedureregeling vereist dat het verzoekschrift tot nietigverklaring “een uiteenzetting van de feiten en de middelen” bevat. Luidens het tweede lid van die bepaling bestaat het middel “uit de vermelding van de rechtsregel waarvan de schending aangevoerd wordt en van de wijze waarop die rechtsregel concreet overtreden zou zijn.” Opdat een middel ontvankelijk zou zijn, is minstens vereist dat summier doch duidelijk de beweerde onregelmatigheid van de bestreden beslissing wordt aangegeven. De vereiste om een middel voldoende duidelijk en nauwkeurig te formuleren strekt er toe het tegensprekelijke karakter van de schriftelijke procedure en het recht van verdediging van de verwerende partij te waarborgen. Het komt overigens niet aan de Raad van State toe om uit een juridisch niet-onderbouwde uiteenzetting zelf middelen te construeren die voldoen aan de vereiste van de algemene procedureregeling.
- De gegeven uiteenzetting in het verzoekschrift beperkt zich tot een doorlopende uiteenzetting van feiten die niet beantwoordt aan het begrip middel in de zin als hiervoor is omschreven. Het verzoekschrift bevat aldus geen middel in de zin als hiervoor is omschreven. XIV-39.719-4/6 De uiteenzetting van de middelen in het verzoekschrift is een substantiële vereiste. Het ontbreken van enig middel in het verzoekschrift heeft dan ook de niet-ontvankelijkheid van het beroep tot gevolg.
- De exceptie is gegrond.
- De niet-ontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring heeft tot gevolg dat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, eveneens moet worden verworpen. Het auditoraat heeft terecht gemeend dat de zaak met korte debatten een oplossing kan krijgen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep tot nietigverklaring.
- De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. XIV-39.719-5/6 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op tweeëntwintig mei tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Inge Vos, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Inge Vos XIV-39.719-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.382 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.