← België

Arrest 263405 - Huisvesting - 23/05/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.405 Rolnummer: A. 236355/X-18142 Zaak: Arrest 263405 - Huisvesting - 23/05/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-05-26 Raadplegingen: 87 - laatst gezien 2026-06-16 04:56 Fiche Arrest nr 263.405 van 23 mei 2025 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Huisvesting Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 263.405 van 23 mei 2025 in de zaak A. 236.355/X-18.142 In zake : de GEMEENTE WEMMEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Alexander De Becker kantoor houdend te 9051 Sint-Denijs-Westrem Drie Koningenstraat 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Alain Francois, Bart Martel en Kristof Caluwaert kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 99 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 7 mei 2022, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse regering van 4 februari 2022 ‘tot vaststelling van het werkingsgebied van Halle-Vilvoorde-Midden’. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Op vraag van de auditeur-verslaggever heeft de verwerende partij de nota aan de Vlaamse regering, gedateerd op 23 november 2021, aan het administratief dossier toegevoegd. X-18.142-1/18 Adjunct-auditeur Christiaan Lesaffer heeft een verslag opgesteld. De verzoekende en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. Naar aanleiding van de argumentatie van de verzoekende partij in haar laatste memorie over de voormelde nota, is het auditoraat en zijn de partijen in de gelegenheid gesteld om een aanvullend verslag, respectievelijk een aanvullende laatste memorie in te dienen. Adjunct-auditeur Christiaan Lesaffer heeft een aanvullend verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een aanvullende laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 maart
  3. Staatsraad David D’Hooghe heeft verslag uitgebracht. Advocaat Isabo Heirbaut, die loco advocaat Alexander De Becker verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Kristof Caluwaert, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Christiaan Lesaffer heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. X-18.142-2/18 III. Feiten 3.
  5. Het bestreden besluit is genomen in uitvoering van artikel 4.37 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, zoals ingevoerd door artikel 76 van het decreet van 9 juli 2021 ‘houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot wonen’. Deze decreetwijziging had als doel de samensmelting van de sociale huisvestingsmaatschappijen met de sociale verhuurkantoren in woonmaatschappijen, en te komen tot een nieuw model voor de toewijzing van sociale woningen met inbegrip van een centraal inschrijvingsregister. 3.
  6. De woonmaatschappijen zijn autonome vennootschappen die door de Vlaamse Regering worden erkend en die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van het sociale woonbeleid. De woonmaatschappijen worden erkend voor welbepaalde exclusieve werkingsgebieden die de Vlaamse regering vaststelt. Een woonmaatschappij is in beginsel uitsluitend actief binnen het werkingsgebied waarvoor zij erkend is. 3.
  7. Artikel 4.37 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 luidt: “De Vlaamse Regering stelt de werkingsgebieden vast. De Vlaamse Regering erkent één woonmaatschappij per werkingsgebied, dat uit één gemeente of geografisch aaneensluitende gemeenten moet bestaan. De Vlaamse Regering kan uitzonderingen op het geografisch aaneensluiten van de gemeenten toestaan.” In uitvoering van deze bepaling komt het de verwerende partij toe om de werkingsgebieden vast te stellen. 3.
  8. In dat kader wordt aan de betrokken gemeenten en woonactoren hun advies gevraagd. X-18.142-3/18 Wat de regio Halle-Vilvoorde betreft, verleent onder meer de verzoekende partij een advies in de vorm van een voorstel om een werkingsgebied af te bakenen bestaande uit de gemeenten Asse, Dilbeek, Merchtem, Opwijk en Wemmel. 3.
  9. Uit de diverse adviezen blijkt dat er onder de gemeenten en woonactoren van wat het werkingsgebied Halle-Vilvoorde-Midden is geworden, geen eensgezindheid bestond over de precieze afbakening van de onderscheiden werkingsgebieden. Door de betrokken gemeenten en woonactoren werden verschillende tegenstrijdige voorstellen gedaan, gaande van het vaststellen van één werkingsgebied voor de gehele referentieregio Halle-Vilvoorde, over het vaststellen van een werkingsgebied met vijftien gemeenten tot het vaststellen van een werkingsgebied dat slechts uit vijf gemeenten zou bestaan. 3.
  10. In een nota aan de Vlaamse regering, gedateerd op 23 november 2021, worden de ontwerpen van besluit ‘tot vaststelling van de werkingsgebieden voor woonmaatschappijen’ aan de Vlaamse regering voorgelegd met het oog op de definitieve goedkeuring ervan. Die nota, die de verwerende partij pas op 7 juni 2024, op vraag van de auditeur-verslaggever, in het dossier heeft neergelegd, licht de “leidende principes” als volgt toe: “De decreetgever heeft de Vlaamse regering belast met de afbakening van deze werkingsgebieden, waarbij geografische aaneensluitendheid een basiscriterium vormt, maar waarvan de Vlaamse Regering gemotiveerd kan afwijken. In de memorie van toelichting bij het decreet werd daarover gesteld: ‘Geografische aaneensluitendheid komt de transparantie van de organisatie van de sociale huisvesting ten goede en het ontbreken ervan kan het behalen van sommige efficiëntiewinsten en schaalvoordelen hinderen. Het is met andere woorden wel de bedoeling dat de eventuele uitzonderingen die hierop door de Vlaamse Regering worden toegestaan, inspelen op deze doelstellingen.’ Gezien de decreetgever ook de erkenningsvoorwaarden voor de woonmaatschappijen heeft bepaald, moet de Vlaamse Regering er als goede huisvader over waken dat bij de afbakening van de werkingsgebieden voldoende mogelijkheden bestaan om een woonmaatschappij te creëren die voldoet aan de erkenningsvoorwaarden. De minimale schaalgrootte van de woonmaatschappij vormt op dit punt een zeer hard en objectief criterium. Daarnaast vereist het decreet dat er maar X-18.142-4/18 één woonactor per gemeente kan overblijven (maar dat die woonactor actief kan zijn in meerdere gemeenten), maar ook dat die ene woonactor over de nodige expertise moet beschikken om de huidige SVK- en SHM-taken ten volle op te nemen. De complementaire expertise moet m.a.w. gegarandeerd kunnen worden in het werkingsgebied waarin de te vormen woonmaatschappij zal opereren. Andere criteria en richtlijnen die worden gebruikt zijn afgeleid uit die erkenningsvoorwaarden en hangen ook samen met de ambities van de Vlaamse Regering rond sterkere regio’s, die beter in staat moeten zijn om bovenlokale uitdagingen, zoals op het vlak van Wonen, aan te pakken. Zo wordt ernaar gestreefd dat de werkingsgebieden afgestemd zijn op de referentieregio’s die de Vlaamse Regering heeft vastgelegd, waarbij een werkingsgebied van een woonmaatschappij niet per se moet samenvallen met de referentieregio’s, maar er wel binnen moet vallen. Ook moet ernaar worden gestreefd dat een werkingsgebied geen ander werkingsgebied mag omsluiten, tenzij dat omsloten werkingsgebied bestaat uit meerdere gemeenten. Op die manier zouden immers bepaalde gemeenten ongewild geïsoleerd kunnen raken, terwijl de werkingsgebieden de woonmaatschappijen (en lokale besturen) net in staat moeten stellen om de uitdagingen wat betreft (sociaal) wonen bovenlokaal aan te pakken. Deze criteria en richtlijnen zijn transparant gecommuniceerd aan de betrokken actoren bij brief van de minister aan de lokale besturen dd. 23 oktober 2020 m.b.t. de afbakening werkingsgebieden, brief van de minister van Wonen aan de minister van binnenlandse zaken dd. 18 december 2020 omtrent de regioafbakening, nota aan de Vlaamse Regering dd. 12 maart 2021 m.b.t. de afbakening referentieregio’s en brief van de minister van Wonen aan de lokale besturen dd. 17 maart 2021 m.b.t. de afbakening werkingsgebieden en vormden de krijtlijnen waarbinnen de gesprekken tussen betrokken actoren konden plaatsvinden om een lokaal draagvlak te creëren.” In de nota komt de bevoegde Vlaamse minister vervolgens tot het voorstel om 43 werkingsgebieden voor woonmaatschappijen af te bakenen. Voor de regio Halle-Vilvoorde worden vier werkingsgebieden voorgesteld, waaronder het werkingsgebied Halle-Vilvoorde-Midden. Het voorstel voor het werkingsgebied Halle-Vilvoorde-Midden wordt in de nota als volgt verantwoord: “Het werkingsgebied Halle-Vilvoorde-Midden bestaat uit de volgende 9 gemeenten: Opwijk, Merchtem, Wemmel, Asse, Affligem, Liedekerke, Roosdaal, Ternat en Dilbeek. Overwegende dat X-18.142-5/18 - de gemeenteraden van Opwijk, Merchtem, Wemmel, Asse, Affligem, Liedekerke, Roosdaal, Ternat, Wezembeek-Oppem en Dilbeek een advies hebben gegeven omtrent de afbakening van een werkingsgebied; - de gemeenteraden van Affligem, Roosdaal, Wezembeek-Oppem en Liedekerke adviseerden om de volledige Regio Halle-Vilvoorde als één werkingsgebied af te bakenen maar de operationele werking van de aldaar te vormen woonmaatschappij op te splitsen in meerdere regionale deelwerkingen, waarbij de gemeenten Ternat, Affligem, Roosdaal en Liedekerke samen één deelgebied zouden vormen; - de gemeenteraden van Opwijk, Merchtem, Wemmel, Asse en Dilbeek zich in hun advies expliciet tegen een werkingsgebied kanten met te veel gemeenten die bovendien morfologisch te verschillend zouden zijn, waarbij zij vooral de morfologische verschillen benadrukten met de gemeenten uit het Pajottenland; - de Vlaamse Regering deze enigszins tegenstrijdige adviezen verzoent in een afbakening van een werkingsgebied dat bestaat uit twee duidelijke clusters van gemeenten die wel openstaan voor samenwerking met elkaar, nl. Opwijk, Merchtem, Wemmel, Asse en Dilbeek enerzijds, en Affligem, Ternat, Liedekerke en Roosdaal anderzijds; - de adviezen van de andere gemeenten uit de regio geen elementen bevatten die het voorstel van werkingsgebied Halle-Vilvoorde-Midden tegenstaan; - de Vlaamse Regering daarmee ook de vorming van een werkingsgebied Halle-Vilvoorde-Zuid mogelijk maakt, waarin eveneens aan alle voorwaarden kan worden voldaan, zonder dat er voor die keuze expliciet moet ingegaan worden tegen adviezen van lokale besturen; - Het werkingsgebied dat bestaat uit de gemeenten Opwijk, Merchtem, Wemmel, Asse, Affligem, Liedekerke, Roosdaal, Ternat en Dilbeek o voldoet aan de voorwaarde om uit één of meerdere geografisch aaneensluitende gemeenten te bestaan; o geen ander werkingsgebied (van een woonmaatschappij) omsluit; o afgestemd is op de referentieregio’s zoals vooropgesteld door de Vlaamse regering, aangezien het geen gemeenten bevat die in een andere referentieregio liggen; o voldoende sociale huurwoningen bevat opdat de woonmaatschappij die er gevormd zal worden kan voldoen aan de minimale schaalgrootte, zoals vermeld in art. 4.46/2 van de VCW van 2021; wordt voorgesteld dat de gemeenten Opwijk, Merchtem, Wemmel, Asse, Affligem, Liedekerke, Roosdaal, Ternat en Dilbeek samen het werkingsgebied ‘Halle-Vilvoorde-Midden’ vormen.” 3.
  11. Het bestreden besluit ‘tot vaststelling van het werkingsgebied van Halle-Vilvoorde-Midden’ luidt als volgt: “Motivering Dit besluit is gebaseerd op de volgende motieven: X-18.142-6/18 - Artikel 4.37 van de Vlaamse Codex Wonen bepaalt dat de Vlaamse Regering de werkingsgebieden voor de woonmaatschappijen vaststelt; - Overwegende dat het werkingsgebied Halle-Vilvoorde-Midden: • voldoet aan de voorwaarde om uit één of meerdere geografisch aaneensluitende gemeenten te bestaan; • geen ander werkingsgebied (van een woonmaatschappij) omsluit; • afgestemd is op de referentieregio’s zoals vooropgesteld door de Vlaamse regering, aangezien het geen gemeenten bevat die in een andere referentieregio liggen; • voldoende sociale huurwoningen bevat opdat de woonmaatschappij die er gevormd zal worden kan voldoen aan de minimale schaalgrootte, zoals vermeld in art. 4.46/2 van de VCW van 2021; • de gemeenteraden van Opwijk, Merchtem, Wemmel, Asse en Dilbeek een advies hebben gegeven omtrent de afbakening van een werkingsgebied; • de gemeenteraden van Affligem, Liedekerke, Roosdaal, Ternat adviseerden om de volledige Regio Halle-Vilvoorde als één werkingsgebied af te bakenen maar de operationele werking van de aldaar te vormen woonmaatschappij op te splitsen in meerdere regionale deelwerkingen maar minimaal aan te sluiten bij het werkingsgebied waartoe de gemeenten Asse, Merchtem, Opwijk, Wemmel en Dilbeek toebehoren; • de gemeenteraden van Galmaarden, Bever, Gooik Lennik en Herne adviseerden om de volledige Regio Halle-Vilvoorde als één werkingsgebied af te bakenen maar de operationele werking van de aldaar te vormen woonmaatschappij op te splitsen in meerdere regionale deelwerkingen; • de gemeenten Galmaarden, Bever, Gooik Lennik en Herne hun samenwerking wensen verder te zetten, op basis van hun geografische aaneensluitend zijn, hun bestaande samenwerking en hun sterk gelijkaardige kenmerken die de nood aan samenwerking versterkt; • de gemeente Lennik als alternatief voor de afbakening van één regionaal werkingsgebied adviseerde om samen met de andere gemeenten uit het Pajottenland aan te sluiten bij bestaande samenwerkingsverbanden met de gemeenten Roosdaal, Ternat, Liedekerke, Affligem, Asse, Wemmel, Merchtem, Opwijk en Dilbeek. Na beraadslaging, DE VLAAMSE REGERING BESLUIT: Artikel
  12. De gemeenten Affligem, Asse, Dilbeek, Liedekerke, Merchtem, Opwijk, Roosdaal, Ternat, Wemmel, Bever, Herne, Galmaarden, Gooik en Lennik vormen het werkingsgebied Halle-Vilvoorde-Midden. Art.
  13. De Vlaamse minister, bevoegd voor het woonbeleid, is belast met de uitvoering van dit besluit.” X-18.142-7/18 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen
  14. In het eerste middel voert de verzoekende partij de schending aan van de artikelen 4.37 en 4.38 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, en van het zorgvuldigheidsbeginsel en het materiëlemotiveringsbeginsel.
  15. De verzoekende partij meent dat de verwerende partij heeft nagelaten om te antwoorden op haar advies, en meer bepaald niet heeft aangegeven waarom dit advies niet werd gevolgd.
  16. De verwerende partij is van oordeel dat de loutere vaststelling dat het advies van de verzoekende partij niet werd gevolgd, op zich niet leidt tot de onwettigheid van het bestreden besluit. Het gaat immers om een louter facultatief en niet-bindend advies. Noch uit de artikelen 4.37 en 4.38 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, noch uit zorgvuldigheidsbeginsel vloeit enige verplichting voort om het advies van de verzoekende partij te volgen. In de mate dat de verzoekende partij zich beroept op de miskenning van artikel 4.38 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, wordt volgens de verwerende partij niet aangegeven om welke redenen het bestreden besluit die bepaling zou hebben geschonden. Wat de materiëlemotiveringsplicht betreft, meent de verwerende partij dat uit de stukken van het administratief dossier wel degelijk blijkt waarom werd geopteerd voor een werkingsgebied met veertien gemeenten, en waarom dus werd afgeweken van het advies van de verzoekende partij. Zij wijst er ook op dat zij over een ruime beoordelingsvrijheid beschikt wanneer zij, zoals in casu, een keuze dient te maken tussen diverse tegenstrijdige adviezen van de betrokken gemeenten en woonactoren. X-18.142-8/18 Beoordeling
  17. De verzoekende partij zet niet uiteen op welke wijze artikel 4.38 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 zou zijn geschonden. In die mate is het middel onontvankelijk.
  18. Artikel 4.37 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 bevat geen verplichting om enig advies in te winnen over de vaststelling van de werkingsgebieden. Dat de adviezen niet werden gevolgd, en dat daarvoor geen redenen zouden zijn opgegeven, brengt dan ook geen miskenning van artikel 4.37 van de Vlaamse Codex Wonen met zich mee.
  19. De materiëlemotiveringsplicht vereist dat de bestreden beslissing steunt op deugdelijke motieven, zowel in feite als in rechte. Die motieven kunnen blijken uit het administratief dossier.
  20. Te dezen blijkt uit het administratief dossier dat het voorstel voor het werkingsgebied Halle-Vilvoorde-Midden steun vindt in het algemeen toetsingskader dat ter zake werd vooropgesteld, en dat de adviezen van de betrokken gemeenten in aanmerking werden genomen. De verwerende partij is in de voormelde nota aan de Vlaamse regering van oordeel dat het voorstel de “enigszins tegenstrijdige adviezen verzoent in een afbakening van een werkingsgebied dat bestaat uit twee duidelijke clusters van gemeenten die wel openstaan voor samenwerking met elkaar”. Bovendien gaat het voorstel niet in tegen de adviezen van de andere gemeenten uit de regio én laat het de vorming van een werkingsgebied Halle-Vilvoorde-Zuid toe. X-18.142-9/18
  21. De verzoekende partij toont niet aan dat deze overwegingen feitelijk onjuist zijn of anderszins de bestreden beslissing niet kunnen verantwoorden. Zij houdt weliswaar voor dat de bestreden beslissing niet aangeeft hoe de “morfologische verschillen” tussen de betrokken gemeenten met elkaar kunnen worden verzoend, en dat “beter maatwerk” mogelijk is indien wordt uitgegaan van de door haar voorgestane “groep van vijf gemeenten”, hetgeen ook zou blijken uit de visie van de betrokken gemeenten. Deze overwegingen betreffen evenwel de opportuniteit van de bestreden beslissing, en zijn niet van aard om aan de voormelde motieven hun draagkracht te ontnemen.
  22. Uit het voorgaande blijkt dat aan de verwerende partij ook niet kan worden verweten om op onzorgvuldige wijze met de uitgebrachte adviezen te zijn omgegaan.
  23. Het eerste middel moet worden verworpen. B. Tweede middel Standpunt van de partijen
  24. In het tweede middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 23 van de Grondwet en het daarin vervatte standstill-beginsel, al dan niet samen gelezen met het zorgvuldigheidsbeginsel en het materiëlemotiveringsbeginsel.
  25. Volgens de verzoekende partij zal de in het bestreden besluit vastgestelde afbakening van het werkingsgebied ertoe leiden dat verstedelijkte gemeenten (zoals Wemmel) in een werkingsgebied worden opgenomen met meer landelijke gemeenten uit het Pajottenland. Dit zal er volgens de verzoekende partij X-18.142-10/18 toe leiden dat de personen die op de wachtlijsten staan in de meer verstedelijkte gemeenten voortaan doorverwezen zullen worden naar de gemeenten die verder gelegen zijn van Brussel, wat volgens de verzoekende partij moeilijkheden zal opleveren op vlak van werkgelegenheid. De mogelijkheid voor mensen die een beroep moeten doen op sociale huisvesting om zich makkelijk te verplaatsen “naar de plaats waar de meeste jobs zijn te vinden (in de grootstad)” zou hierdoor volgens verzoekende partij verminderd worden. Voor een afwijking van het standstill-beginsel zijn er, volgens de verzoekende partij, geen redenen van algemeen belang voorhanden.
  26. De verwerende partij voert aan dat het middel onontvankelijk is bij gebrek aan belang, nu artikel 23 van de Grondwet gericht is op de bescherming van de sociaaleconomische rechten van burgers, terwijl de verzoekende partij een lokaal bestuur is. Ten gronde meent de verwerende partij dat een aanzienlijke achteruitgang van het bestaand beschermingsniveau niet is aangetoond. Mocht een dergelijke achteruitgang zich al voordoen, zal die bovendien niet het gevolg zijn van het bestreden besluit, maar van het aan te nemen lokaal toewijzingsreglement in het werkingsgebied of in delen ervan. Bovendien zal het feit dat er nog slechts één sociale woonactor zal zijn tot meer efficiëntie leiden. De verwerende partij meent ook dat het efficiënt sociaal huisvestingsbeleid dat zij nastreeft een dwingende reden van algemeen belang uitmaakt. Beoordeling
  27. Overeenkomstig de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof impliceert artikel 23 van de Grondwet een standstill-verplichting die eraan in de X-18.142-11/18 weg staat dat de bevoegde wetgever het beschermingsniveau dat geboden wordt door de van toepassing zijnde wetgeving in aanzienlijke mate vermindert zonder dat daarvoor redenen zijn die verband houden met het algemeen belang.
  28. Het onderzoek van het middel vereist in eerste instantie dat wordt nagegaan of het bestreden besluit de graad van bescherming die door de eerder van toepassing zijnde bepalingen werd geboden, aanzienlijk vermindert.
  29. Het komt in eerste instantie aan de verzoekende partij toe om aan te tonen dat er sprake is van een aanzienlijke vermindering van de bestaande graad van bescherming. De verzoekende partij houdt in dat verband voor dat de druk op de sociale huisvesting in Wemmel groter zal worden, omdat de voorkeur voor de gemeente Wemmel nu zeer groot is, zij nu reeds één van de langste wachttijden voor een sociale woning heeft, dit terwijl de andere gemeenten een “overweldigend tekort” aan sociale woningen hebben.
  30. De verzoekende partij toont evenwel niet aan dat dit louter en alleen uit de vaststelling van het werkingsgebied voortvloeit. Niet ten onrechte wijst de verwerende partij erop dat een eventuele ‘doorstroming’ vooral afhankelijk zal zijn van een eventuele organisatie van deelgebieden, het uit te werken toewijzingsreglement, en de persoonlijke voorkeur van de kandidaat-sociale huurder. Ook het gegeven dat de kandidaat-huurder een ruimere keuze aan woningen zal kunnen opgeven, wijst niet op een aanzienlijk verminderde bescherming. In de mate dat de verzoekende partij verwijst naar het gegeven dat zij een faciliteitengemeente is, en zij geconfronteerd zal worden met een groter aantal aanvragen die uitgaan van Franstalige burgers, gaat het om een argument dat pas in de laatste memorie werd aangevoerd, en dus laattijdig is. X-18.142-12/18
  31. Daarbij komt dat de verzoekende partij niet aantoont dat de “aanzienlijke vermindering” van de graad van bescherming dient te worden beoordeeld op het niveau van de afzonderlijke gemeenten, veeleer dan op globaal niveau.
  32. Het tweede middel wordt verworpen. C. Derde middel Standpunt van de partijen
  33. In het derde middel voert de verzoekende partij de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel gelezen in samenhang met de verplichtingen die op (lokale) overheden rusten met betrekking tot de invulling van artikel 2.1 van het vierde protocol van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) en artikel 12 van het verdrag betreffende burgerlijke en politieke rechten (hierna: BUPO).
  34. De verzoekende partij meent dat zij de rechten van de inwoners van de gemeente om vrij een woon- en verblijfplaats te kiezen, maximaal moet kunnen garanderen. Daaraan kunnen weliswaar beperkingen worden opgelegd, maar dit recht mag niet worden uitgehold. Thans is er reeds een lange wachtlijst voor sociale woningen. De kandidaat-sociale huurders die in de gemeente van de verzoekende partij op de wachtlijst staan, riskeren, gelet op het tekort aan sociale woningen, te worden doorgeschoven naar de andere gemeenten in het werkingsgebied, waardoor hun vrij vestigingsrecht en hun recht op vrije woonplaatskeuze wordt aangetast.
  35. De verwerende partij voert in eerste instantie aan dat de verzoekende partij geen belang heeft bij het middel, nu de aangevoerde schending haar niet persoonlijk en rechtstreeks raakt en zij niet uiteenzet waarom dat wel het geval zou zijn. Ten gronde stelt de verzoekende partij dat de ingeroepen bepalingen niet verhinderen dat er in het kader van de toewijzing van sociale X-18.142-13/18 woningen bepaalde reglementaire voorwaarden worden gesteld die een impact hebben op de vrije keuze van de woonplaats van de sociale huurder. Beoordeling
  36. De in het middel ingeroepen bepalingen uit het EVRM en het BUPO betreffen het recht van eenieder die wettig op het grondgebied van een staat verblijft, om zich daar vrij te verplaatsen en er vrij zijn woon- en verblijfplaats te kiezen.
  37. De verzoekende partij doet er niet van blijken welk persoonlijk nadeel zij door een gebeurlijke miskenning van deze bepaling zou ondergaan. Het standpunt dat zij de “individuele rechten van de inwoners van de gemeente Wemmel […] maximaal moet kunnen garanderen” volstaat daartoe niet.
  38. Ten gronde is uit de behandeling van het tweede middel reeds gebleken dat een eventuele ‘doorstroming’ niet zonder meer zou voortvloeien uit de vaststelling van het werkingsgebied, maar veeleer zal afhangen van een eventuele organisatie van deelgebieden, het uit te werken toewijzingsreglement, en de persoonlijke voorkeur van de kandidaat-sociale huurder. De verzoekende partij verliest ook uit het oog dat, ongeacht de keuze van de omvang van het werkingsgebied, zij als gemeente steeds deel zal moeten uitmaken van een groter geheel om reden van de decretale erkennings-voorwaarde van minstens 1000 sociale woningen in beheer.
  39. Uit de aard zelf van het stelsel van de sociale huur vloeit overigens voort dat de keuze van woonplaats en woning nooit dezelfde mate van vrijheid zal kennen als op de private huur- en koopmarkt. Een beperking op de vrije woonstkeuze is inherent aan het stelsel van sociale huur, om reden van de toelatings- en inschrijvingsvoorwaarden en de toewijzingsregels. X-18.142-14/18
  40. De verzoekende partij toont hoe dan ook niet aan dat de verwerende partij, wier beleidsvrijheid door de vigerende decretale bepalingen sowieso is begrensd, bij de vaststelling van het betrokken werkingsgebied onzorgvuldig of onredelijk heeft gehandeld.
  41. Het derde middel wordt verworpen. D. Vierde middel Standpunt van de partijen
  42. In het vierde middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 41, eerste lid, en artikel 162, tweede lid, 2°, van de Grondwet, al dan niet samen genomen met het zorgvuldigheidsbeginsel en het materiëlemotiveringsbeginsel.
  43. Volgens de verzoekende partij zou het bestreden besluit op onevenredige wijze afbreuk doen aan het beginsel van de lokale autonomie. Aan de verzoekende partij wordt immers de beleidsruimte ontnomen om zelf te bepalen welke regiovorming in het kader van het gemeentelijk belang het best wordt uitgebouwd, waarbij ook acht is te slaan op de samenstelling van de bevolking, de impact voor de ruimtelijke ordening en op de klimaatagenda.
  44. De verwerende partij roept de exceptio obscuri libelli in omdat de verzoekende partij op geen enkele manier uiteenzet op welke wijze het bestreden besluit precies afbreuk zou doen aan het beginsel van de lokale autonomie. Ten gronde voert de verwerende partij aan dat de opdrachten en de bevoegdheden van de gemeenten in het kader van het lokaal sociaal beleid niet door het bestreden besluit worden bepaald. Het bestreden besluit stelt enkel het werkingsgebied van de woonmaatschappijen vast. X-18.142-15/18 De bepalingen waarvan de schending wordt ingeroepen, doen volgens de verwerende partij sowieso geen afbreuk aan de bevoegdheid van het bevoegde gewest om te bepalen wat het meest geschikte niveau is om een aangelegenheid te regelen. De verzoekende partij toont ook niet aan dit in het bestreden besluit op onzorgvuldige of onevenredige wijze is gebeurd. Beoordeling
  45. Het beginsel van de lokale autonomie, zoals vervat in de artikelen 41 en 162 van de Grondwet, doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van de federale Staat, de gemeenschappen of de gewesten om te oordelen wat het meest geschikte niveau is om een aangelegenheid te regelen die tot hun bevoegdheid behoort.
  46. Te dezen behoort het domein van de (sociale) huisvesting tot de bevoegdheid van de verwerende partij die geopteerd heeft voor een regulering bij decreet – de Vlaamse Codex Wonen van 2021 – en de uitvoeringsbesluiten ervan. Artikel 4.37 van de Vlaamse Codex Wonen bepaalt dat de Vlaamse regering één woonmaatschappij per werkingsgebied erkent, dat het werkingsgebied in beginsel uit één gemeente of geografisch aaneensluitende gemeenten moet bestaan, en dat de Vlaamse regering de werkingsgebieden vaststelt. Uit artikel 4.46/2 van de Vlaamse Codex Wonen vloeit dan weer voort dat de woonmaatschappij vanaf 1 januari 2024 ten minste 1000 sociale huurwoningen in beheer dient te hebben.
  47. In de mate dat het middel een kritiek formuleert op de vigerende decretale bepalingen, op grond waarvan de bestreden beslissing is genomen, valt de beoordeling ervan buiten de rechtsmacht van de Raad van State. X-18.142-16/18
  48. Voor het overige is uit de beoordeling van het eerste middel reeds gebleken dat niet is aangetoond dat de verwerende partij op onzorgvuldige wijze met de uitgebrachte adviezen is omgegaan.
  49. Het vierde middel wordt verworpen. V. Besluit
  50. Geen van de middelen die de verzoekende partij in haar beroep aanvoert, kan tot de nietigverklaring leiden. Er is dan ook reden om het beroep te verwerpen. BESLISSING
  51. De Raad van State verwerpt het beroep.
  52. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 22 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. X-18.142-17/18 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op drieëntwintig mei tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Jan Clement, kamervoorzitter, Stephan De Taeye, staatsraad, David D’Hooghe, staatsraad, bijgestaan door Karin Meerschaut, griffier. De griffier De voorzitter Karin Meerschaut Jan Clement X-18.142-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.405 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.