← België

Arrest 263416 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 26/05/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.416 Rolnummer: A. 241525/VII-42451 Zaak: Arrest 263416 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 26/05/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-06-10 Raadplegingen: 95 - laatst gezien 2026-06-16 04:56 Fiche Arrest nr 263.416 van 26 mei 2025 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 263.416 van 26 mei 2025 in de zaak A. 241.525/VII-42.451 In zake : de BV OLIVINI bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Erlinde De Lange kantoor houdend te 8500 Kortrijk Doorniksesteenweg 81A, 2.1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BV GERNIC bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Bronders kantoor houdend te 8400 Oostende Zandvoordestraat 444 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de PROVINCIE WEST-VLAANDEREN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steve Ronse en Thomas Quintens kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het cassatieberoep, ingesteld op 25 maart 2024, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2324-0457 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 15 februari 2024 in de zaak 2223-RvVb-0625-A. VII-42.451-1/17 II. Verloop van de rechtspleging
  2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 4 juni
  3. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De Provincie West-Vlaanderen heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 20 augustus
  4. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Tom De Waele heeft op 21 november 2024 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’ (hierna: cassatieprocedurebesluit). De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 mei
  5. Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht. Advocaat Erlinde De Lange, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Bart Bronders, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Sam Vandoorne, die loco advocaten Steve Ronse en Thomas Quintens verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. VII-42.451-2/17 Eerste auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). III. Feiten 3.
  6. Het college van burgemeester en schepenen van Koksijde verleent aan de verzoekende partij een omgevingsvergunning voor de bouw en exploitatie van een hotel, op een terrein op de hoek van de Koninklijke Baan en het Eugenie Terlinckplein. 3.
  7. Met een besluit van 2 maart 2023 verklaart de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen de bestuurlijke beroepen die tegen deze vergunningsbeslissing worden ingesteld, ongegrond, en verleent zij de omgevingsvergunning aan de verzoekende partij. 3.
  8. De verwerende partij stelt bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) een beroep in tot vernietiging van het deputatiebesluit van 2 maart
  9. 3.
  10. Het bestreden arrest verwerpt de door de verzoekende partij opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid van het beroep, verklaart de eerste en derde middelen tot nietigverklaring deels gegrond, en vernietigt het deputatiebesluit van 2 maart
  11. VII-42.451-3/17 IV. Onderzoek van de middelen tot nietigverklaring A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  12. De verzoekende partij voert de schending aan van artikel 105, § 2, 2°, gelezen in samenhang met artikel 2, 1°, van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’ (hierna: omgevingsvergunningsdecreet), en van 149 van de Grondwet en de rechterlijke motiveringsplicht. In de memorie van wederantwoord zet de verzoekende partij uiteen dat zij in het eerste middel opwerpt dat: “- De verwerende partij er, door enkel en alleen maar te verwijzen naar een vermeende mobiliteitsproblematiek in het inleidend verzoekschrift, niet in slaagt om concreet en afdoende uiteen te zetten welke persoonlijke en rechtstreekse of onrechtstreekse hinder deze zou kunnen ondervinden ingevolge de afgeleverde omgevingsvergunning; - Er met de bijkomende argumentatie van de verwerende partij in latere stukken, zoals de wederantwoordnota, voor de beoordeling van het belang door de RvVb geen rekening kan/mag worden gehouden; - Het arrest in gebreke blijft vast te stellen in welke mate de beweerde mobiliteitsproblematiek voor dergelijke hinder zou kunnen zorgen, terwijl verzoekende partij concreet en met stukken heeft aangetoond dat de verwerende partij over méér dan voldoende parkeerplaatsen beschikt; - Voormeld cruciale element door de RvVb niet behandeld is geworden waardoor er sprake is van een schending van artikel 149 van de Grondwet dat oplegt dat elk vonnis met redenen omkleed dient te zijn, minstens dat er geen sprake is van een rechtmatig belang, daar de verwerende partij door het onrechtmatig afsplitsen van parkeerplaatsen van een overgedimensioneerde parking haar eigen “parkeernood” heeft gecreëerd. - De RvVb bij het onderzoek naar het belang van verwerende partij geen correcte toepassing heeft gemaakt van artikel 105, § 2, 2° [van het omgevingsvergunningsdecreet] gelezen in samenhang met artikel 2, 1° [van het omgevingsvergunningsdecreet]. VII-42.451-4/17 Verder betoogt de verzoekende partij dat het aan de partij is die het belang betwist, om aan te tonen dat de beroeper de aangevoerde waarschijnlijke gevolgen van de afgifte van een omgevingsvergunning niet ondervindt. Uit het inleidend verzoekschrift van de verwerende partij kan volgens de verzoekende partij enkel en alleen een gevreesde hinder ingevolge een vermeend tekort aan parkeerplaatsen worden afgeleid. Het “commercieel belang” en de “verkeersveiligheid” zijn maar later, in het kader van de wederantwoordnota, aangehaald. De verzoekende partij heeft de bewering van de verwerende partij over het gebrek aan parkeerplaatsen aan de hand van stukken concreet weerlegd. De RvVb heeft volgens haar compleet nagelaten op dit argument te antwoorden, en op die wijze artikel 149 van de Grondwet geschonden. Beoordeling
  13. De in artikel 149 van de Grondwet ingeschreven rechterlijke motiveringsverplichting heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak voldoet aan deze motiveringsplicht wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet - al waren ze verkeerd of onwettig - die hem ertoe brengen zijn beslissing te nemen. Bij de beoordeling of de rechterlijke motiveringsverplichting werd nageleefd, is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Het gaat er dan ook niet om of de motivering omstandig of juist is. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van artikel 149 van de Grondwet. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de rechter moet antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd. Uit het geheel van de motieven moet blijken waarom het VII-42.451-5/17 middel wordt aangenomen of verworpen. Argumenten van een partij kunnen op die wijze ook impliciet worden verworpen, met name wanneer die argumenten strijden met de motieven van het arrest. Het bestuursrechtscollege voldoet aan de motiveringsplicht wanneer de motieven de partijen en de Raad van State toelaten te begrijpen waarom de ermee strijdige argumenten niet worden aangenomen.
  14. Het bestreden arrest bevat volgende motieven waarmee wordt geantwoord op de exceptie die door de verzoekende partij werd opgeworpen: “De [verwerende partij in cassatie] is uitbater van een hotel aan de Koninklijke Baan, op een afstand van ongeveer 200 meter van het vergunde project. Ze beklaagt zich voornamelijk over mogelijke mobiliteitshinder door de uitvoering van de bestreden beslissing en zet dit uiteen bij de bespreking van het belang en het derde middel in haar verzoekschrift. Vervolgens gaat ze hier nader op in haar wederantwoordnota. Ze haalt namelijk aan dat “de bouw van het aangevraagde project ongetwijfeld van invloed (zal) zijn op de parkeer- en mobiliteitsproblematiek in de buurt” omdat bij het project te weinig parkeerplaatsen worden voorzien op eigen terrein. Ze verwacht dat de aanvraag “uitermate nadelig zal zijn voor de exploitatie van het hotel”, en de vlotte en veilige toegang van haar klanten en leveranciers naar haar hotel in het gedrang zal brengen. Door die verkeersopstoppingen en parkeerproblemen vreest ze ook dat de omgeving, waarvan haar uitbating deel uitmaakt, zal gehinderd worden. Gelet op de ligging van de uitbating van het hotel van de [verwerende partij in cassatie] aan dezelfde straat als het aangevraagde project en het feit dat de bouw van een nieuw hotelcomplex een zekere (verkeers)dynamiek genereert, hetgeen een impact kan hebben op de hotelomgeving en dus ook op de exploitatie van de [verwerende partij in cassatie], is het aannemelijk dat zij waarschijnlijk gevolgen kan ondervinden van het project, hetgeen volstaat om haar belang te aanvaarden. De vraag of haar aanspraken en de gevreesde gevolgen gegrond zijn, dient niet beantwoord te worden in de ontvankelijkheidsfase, maar betreft de grond van de zaak. Het volstaat dat zij de waarschijnlijke gevolgen die zij vreest, aannemelijk maakt. De [verzoekende partij in cassatie] slaagt er niet in aan te tonen dat zij die gevreesde gevolgen niet ondervindt of niet aannemelijk maakt.” Het arrest bevat aldus uitdrukkelijke motieven ter weerlegging van de argumenten die de verzoekende partij had opgeworpen om het belang van de verwerende partij te betwisten. Deze motieven laten toe te begrijpen waarom de gegevens die door de verzoekende partij werden voorgelegd ter betwisting van de VII-42.451-6/17 hinder die de verwerende partij beweert te ondergaan ten gevolge van een tekort aan parkeerplaatsen, niet worden aanvaard in het kader van de beoordeling van de exceptie. In zoverre de schending wordt aangevoerd van artikel 149 van de Grondwet, mist de kritiek van de verzoekende partij feitelijke grondslag.
  15. Artikel 105, § 2, eerste lid, 2°, van het omgevingsvergunningsdecreet bepaalt dat tegen de vergunningsbeslissing die in laatste aanleg werd genomen, door “het betrokken publiek” beroep kan worden ingesteld bij de RvVb. Het “betrokken publiek” wordt door artikel 2, eerste lid, 1°, van hetzelfde decreet omschreven als “elke natuurlijke persoon of rechtspersoon alsook elke vereniging, organisatie of groep met rechtspersoonlijkheid die gevolgen ondervindt of waarschijnlijk ondervindt van of belanghebbende is bij de besluitvorming over de afgifte of bijstelling van een omgevingsvergunning of van vergunningsvoorwaarden waarbij niet-gouvernementele organisaties die zich voor milieubescherming inzetten, geacht worden belanghebbende te zijn.” Het beroep kan aldus worden ingesteld door elke persoon die waarschijnlijk gevolgen ondervindt van de afgifte van een omgevingsvergunning. In geval van betwisting of dit het geval is, behoort het de Raad voor Vergunningsbetwistingen te onderzoeken of de beroeper voldoende aannemelijk maakt dat hij waarschijnlijk gevolgen ondervindt van de afgifte van de omgevingsvergunning.
  16. Met het criterium dat de beroeper enkel aannemelijk moet maken dat hij “waarschijnlijk gevolgen” ondervindt van de afgifte van de omgevingsvergunning, heeft de decreetgever aan het publiek een zeer ruime mogelijkheid geboden om in rechte op te komen tegen een omgevingsvergunning, en enkel de actio popularis willen uitsluiten. Om aan dit criterium te voldoen, VII-42.451-7/17 volstaat het dat de beroeper gegevens voorlegt die aannemelijk maken dat het waarschijnlijk is dat de tenuitvoerlegging van de omgevingsvergunning een effect heeft dat hem persoonlijk kan treffen. 9 Artikel 14, § 2 van de RvS-wet bepaalt dat de Raad van State als cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf treedt. Bijgevolg kan het cassatieberoep niet ertoe strekken de Raad van State te verplichten de feitelijke beoordeling van de RvVb over te doen. Wel kan de Raad van State als cassatierechter nagaan of de RvVb bij zijn beoordeling of de beroeper voldoende aannemelijk maakt dat hij waarschijnlijk gevolgen ondervindt van de afgifte van de omgevingsvergunning, de draagwijdte heeft miskend van voormelde bepalingen van het omgevingsvergunningsdecreet.
  17. Het bestreden arrest stelt vast dat de verwerende partij uitbater is van een hotel op een afstand van ongeveer 200 meter van het vergunde project, en dat zij zich voornamelijk beklaagt over mogelijke mobiliteitshinder door de uitvoering van de bestreden beslissing, en die hinder uiteenzet bij de toelichting van het belang en het derde middel in haar verzoekschrift. De RvVb miskent niet de draagwijdte van de artikelen 105, § 2, eerste lid, 2° en 2, 1°, van het omgevingsvergunningsdecreet wanneer hij vervolgens oordeelt dat het aannemelijk is dat de verwerende partij waarschijnlijk gevolgen ondervindt van het project, gelet “op de ligging van de uitbating van het hotel van de [verwerende partij] aan dezelfde straat als het aangevraagde project en het feit dat de bouw van een nieuw hotelcomplex een zekere (verkeers)dynamiek genereert, hetgeen een impact kan hebben op de hotelomgeving en dus ook op de exploitatie van de [verwerende partij]”.
  18. Het middel is ongegrond. VII-42.451-8/17 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  19. De verzoekende partij voert de schending aan van artikel 35, derde lid, van het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges” (hierna: DBRC), gelezen in samenhang met artikel 149 van de Grondwet en het rechterlijk motiveringsbeginsel. Zij verdeelt het middel in twee onderdelen.
  20. In de memorie van wederantwoord zet de verzoekende partij het eerste onderdeel als volgt uiteen : “In het eerste middelonderdeel van het tweede middel dat handelt over de toepassing van artikel 35, derde lid, [DBRC] ten aanzien van het eerste middel bij de RvVb (over het openbaar onderzoek) had de verzoekende partij opgeworpen dat: - Het door verwerende partij ingeroepen eerste middel onontvankelijk is, daar de verwerende partij kennelijk niet was benadeeld door de wijze waarop het openbaar onderzoek gevoerd is geworden; - Het bestreden arrest niet alleen contradictoir is gemotiveerd geworden in dit opzicht, doch ook geen enkele motivering biedt voor het erkennen/aanvaarden van vermeende belang bij dat eerste middel in hoofde van verwerende partij; nergens in het bestreden arrest wordt er enig nadeel of belangenschade vastgesteld.” De verzoekende partij voegt eraan toe dat de aangevoerde onregelmatigheid van het openbaar onderzoek de verwerende partij niet heeft benadeeld, wat blijkt uit de omstandigheid dat zij haar rechten op voldoende wijze heeft kunnen doen laten gelden middels twee bezwaarschriften en een geldig administratief beroep, en ook blijkt uit het verslag van de provinciale omgevingsambtenaar dat voor haar gunstig was hoewel erin werd vastgesteld dat het openbaar onderzoek gebrekkig was. VII-42.451-9/17 Het bestreden arrest bevat volgens de verzoekende partij een tegenstrijdige motivering doordat enerzijds wordt erkend dat mogelijks rekening werd gehouden met de opmerkingen van de verwerende partij tijdens de beroepsprocedure, en anderzijds wordt gesteld dat dit feit niets verandert aan het belang van de verwerende partij bij het middel.
  21. In de memorie van wederantwoord zet de verzoekende partij het tweede onderdeel als volgt uiteen: “In het tweede middelonderdeel van het tweede middel dat handelt over de toepassing van artikel 35, derde lid, DBRC ten aanzien van het derde middel bij de RvVb (over de afwijkingen van het RUP Zeedijk en het aantal voorziene parkeerplaatsen) had de verzoekende partij opgeworpen dat: - Er noch in het bestreden arrest noch in de procedurestukken vanwege verwerende partij wordt ingegaan op het werkelijke nadeel in hoofde van verwerende partij ten gevolge van de schendingen van de betrokken bepalingen van het gRUP (-desalniettemin werd eerste onderdeel van het derde middel ontvankelijk verklaard middels bestreden arrest (ten onrechte dus)); - De verzoekende partij ook inzake het tweede onderdeel van het derde middel heeft benadrukt dat er geen nadeel bestond of kon bestaan ten aanzien van de verwerende partij waardoor de verzoekende partij de onontvankelijkheid van het volledige derde middel (ook inzake tweede onderdeel) in vraag heeft gesteld; het bestreden arrest is daarop niet ingegaan (schending van artikel 149 Grondwet en van artikel 35, derde lid, [DBRC] dat ambtshalve door de RvVb diende te worden toegepast); - Ook voor wat betreft de gegrondheid van het tweede onderdeel van het derde middel verwees de verzoekende partij wederom naar de eigen vergunningsbeslissingen van de verwerende partij om te duiden dat zij zelf over een overtal aan parkeerplaatsen beschikt; het bestreden arrest is daarop niet ingegaan (schending van artikel 149 Grondwet en van artikel 35, derde lid, [DBRC] dat ambtshalve door de RvVb diende te worden toegepast). De verzoekende partij voegt eraan toe dat uit het bestreden arrest niet blijkt waarom de verwerende partij benadeeld zou kunnen worden. Zij benadrukt dat een rechtspersoon geen zintuiglijke hinder kan inroepen. Ook het gebruiksgenot van de hotelgasten creëert geen nadeel voor de verwerende partij. Een mogelijke impact op de omgeving is niet hetzelfde als een impact op de verwerende partij. VII-42.451-10/17 Er is volgens de verzoekende partij een gemis aan motivering nu het bestreden arrest niet ingaat op het argument inzake het overtal aan parkeerplaatsen. Beoordeling
  22. Artikel 35, derde lid, DBRC luidt: “Zonder afbreuk te doen aan de mogelijkheid om de schending aan te voeren van regels die de openbare orde aanbelangen, kan de schending van een norm of algemeen rechtsbeginsel in elk van de volgende gevallen geen aanleiding geven tot een vernietiging: 1° als de partij die de schending aanvoert, niet wordt benadeeld door de ingeroepen onwettigheid. De omstandigheid dat de aangevoerde schending een onwettigheid uitmaakt die mogelijk aanleiding kan geven tot vernietiging, maakt op zich niet dat de partij benadeeld wordt door de ingeroepen onwettigheid;” De decreetgever heeft met deze bepaling “het algemeen door de rechtspraak en rechtsleer aanvaard principe [verankerd] dat de verzoekende partij belang moet hebben bij het aangevoerde middel” (Parl.St. Vl.Parl. 2015-16, nr. 777/1, 8). De bepaling “strekt ertoe het vereiste van het belang bij het middel, zoals ontwikkeld in de rechtspraak van de Raad van State, in het decreet te verankeren. Volgens die rechtspraak kan de verzoekende partij een onwettigheid in beginsel slechts op ontvankelijke wijze aanvoeren wanneer die onwettigheid haar belangen schaadt” (Grondwettelijk Hof 5 juli 2018, nr. 87/2018, overw. B.28.2). Eerste onderdeel
  23. Het bestreden arrest vat het eerste annulatiemiddel dat door de verwerende partij werd opgeworpen als volgt samen: “De [verwerende partij in cassatie] voert de schending aan van: - Artikel 63/1 Omgevingsvergunningsdecreet en VII-42.451-11/17 - artikel 26 van het besluit van de Vlaamse regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning (hierna: Omgevingsvergunningsbesluit). Ze voert aan dat de [provinciale omgevingsambtenaar] in haar tweede verslag van 6 december 2022 geen rekening kon houden met bezwaren die waren ingediend gedurende het tweede openbaar onderzoek georganiseerd naar aanleiding van de administratieve lus. Het openbaar onderzoek was immers nog bezig op het ogenblik dat het verslag werd opgemaakt. Verder meent ze dat het tweede openbaar onderzoek geen dertig dagen heeft geduurd, waardoor aan het betrokken publiek onvoldoende tijd is gegeven om tijdig een bezwaar in te dienen. Tevens merkt ze op dat de bestreden beslissing aangeeft dat er geen bezwaren werden ingediend tijdens het tweede openbaar onderzoek, terwijl ze nochtans een bezwaar heeft ingediend.” Het arrest beoordeelt vervolgens als volgt de exceptie waarin de verzoekende partij aanvoerde dat de verwerende partij niet wordt benadeeld door de onwettigheid die door haar werd aangevoerd in dat middel: “[De verzoekende partij in cassatie] betwist het belang bij het middel, omdat de [verwerende partij in cassatie] volgens haar wél bezwaar heeft kunnen indienen, waardoor ze geen nadeel heeft ondervonden van een mogelijk onregelmatig openbaar onderzoek. Bovendien was de [verwerende partij in cassatie] eveneens betrokken partij bij de beroepsprocedure. […] De [verwerende partij in cassatie] heeft als lid van het betrokken publiek belang bij het correct verloop van de toepassing van de administratieve lus met organisatie van een reglementair openbaar onderzoek. Dit geldt in elk geval nu de [verwerende partij in cassatie] onder meer aanklaagt dat dit openbaar onderzoek niet correct is georganiseerd en er (bovendien) geen rekening is gehouden met een door haar ingediend bezwaar. Het feit dat de [verwerende partij in cassatie] betrokken partij was bij de beroepsprocedure en dat er dus (mogelijk) rekening is gehouden met haar opmerkingen ingediend tijdens die procedure, verandert hieraan niets. De mogelijkheid om in of lopende een administratief beroep beroepsgrieven aan te voeren, staat los van en vervangt niet de waarborgen die een openbaar onderzoek biedt, en overigens een andere finaliteit heeft. Los van de vraag of de [verwerende partij in cassatie] een regelmatig tijdig bezwaar heeft ingediend, hetgeen overigens voorwerp van discussie is, hangt dit in elk geval samen met de beoordeling van de regelmatigheid van de organisatie van het openbaar onderzoek op vlak van de duur (30-dagen termijn), wat een discussie is die samenhangt met de grond van het middel. De [verwerende partij in cassatie] heeft belang bij het middel.” VII-42.451-12/17
  24. De kritiek dat het bestreden arrest ten aanzien van de in het eerste annulatiemiddel opgeworpen onwettigheden geen door de verwerende partij geleden nadeel of belangenschade vaststelt, mist feitelijke grondslag. De RvVb stelt immers vast dat de verwerende partij belang heeft bij een correcte organisatie van een reglementair openbaar onderzoek, en dat dit in elk geval geldt nu de verwerende partij onder meer aanklaagt dat het openbaar onderzoek niet correct is georganiseerd en er bovendien geen rekening is gehouden met een bezwaar dat zij in het kader van het openbaar onderzoek heeft ingediend. Het is verder niet tegenstrijdig enerzijds te erkennen dat mogelijks rekening werd gehouden met de opmerkingen van de verwerende partij tijdens de beroepsprocedure, en anderzijds te oordelen dat dit feit niets verandert aan het belang van de verwerende partij bij het middel. De RvVb verduidelijkt in dat verband immers: “De mogelijkheid om in of lopende een administratief beroep beroepsgrieven aan te voeren, staat los van en vervangt niet de waarborgen die een openbaar onderzoek biedt, en overigens een andere finaliteit heeft.” De in het eerste middelonderdeel aangevoerde schending van artikel 149 van de Grondwet, kan dan ook niet worden aangenomen.
  25. Als cassatierechter treedt de Raad van State niet in de beoordeling van de zaak zelf (artikel 14, § 2, RvS-wet). Met de ingeroepen schending van artikel 35, derde lid, DBRC nodigt de verzoekende partij de Raad van State uit opnieuw te beoordelen of de in het eerste annulatiemiddel aangevoerde onwettigheden nadelig zijn voor de verwerende partij. Het eerste onderdeel is in zoverre niet ontvankelijk. VII-42.451-13/17 Tweede onderdeel
  26. Het bestreden arrest vat het derde annulatiemiddel dat door de verwerende partij werd opgeworpen als volgt samen: “De [verwerende partij in cassatie] voert de schending aan van: - de artikelen 4.3.1 en 4.4.1 VCRO; - de stedenbouwkundige voorschriften van het gRUP ‘Zeedijk Koksijde’ - artikel 5.4 van de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening van de gemeente Koksijde voor parkeerplaatsen en fietsenstallingen van 23 september 2013 (hierna: ‘GSV parkeerplaatsen en fietsenstallingen’) samen met artikel 8van het belastingreglement van 16 december 2019 op de additionele bouwbelasting op het ontbreken van parkeerplaatsen 2020-2025 (hierna ‘Belastingreglement parkeerplaatsen’); - de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: Motiveringswet); - de materiële motiveringsplicht, en het zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Ze zet in een eerste middelonderdeel uiteen dat de [tussenkomende partij in cassatie] ten onrechte heeft besloten dat de afwijkingen op de stedenbouwkundige voorschriften van het gRUP als beperkt in de zin van artikel 4.4.1 VCRO kunnen worden beschouwd. Ze verwijst hieromtrent ook naar het [advies van de provinciale omgevingsambtenaar], waarin is gesteld dat deze afwijkingen samen niet beperkt zijn en dus geen toepassing kan gemaakt worden van de afwijkingsregeling. Ze meent in elk geval dat het andersluidend advies niet afdoende is weerlegd in de bestreden beslissing. Bepaalde afwijkingen (zoals de afwijking over de technische verdieping) zijn niet beoordeeld of de voorschriften (zoals over de toegelaten bouwdiepte) zijn verkeerd toegepast. Verder betwist de [verwerende partij in cassatie] in een tweede middelonderdeel de beoordeling van de mobiliteitsimpact van het project. De [tussenkomende partij in cassatie] oordeelt volgens haar ten onrechte dat de mobiliteitsstudie en de aanvullende nota’s van de aanvrager tegemoetkomen aan de opmerkingen van de [provinciale omgevingsambtenaar] en de beroepsindieners (waaronder de [verwerende partij in cassatie]). Hierbij merkt ze ook op dat de [tussenkomende partij in cassatie] niet heeft onderzocht of de door de aanvrager voorgestelde parkeerplaatsen (elders) ook effectief ter beschikking zullen staan van de uitbating, en kon men er niet zomaar uitgaan van die aanname. Ook de werking van de shuttledienst blijft onzeker. De beoordeling is volgens haar strijdig met de bepalingen van GSV parkeerplaatsen en fietsenstallingen en het Belastingreglement parkeerplaatsen.” VII-42.451-14/17 Het arrest beoordeelt vervolgens als volgt de exceptie waarin de verzoekende partij aanvoerde dat de verwerende partij niet wordt benadeeld door de onwettigheid die door haar werd aangevoerd in het eerste middelonderdeel : “De [verzoekende partij in cassatie] betwist het belang van de [verwerende partij in cassatie] bij het eerste middelonderdeel omdat ze volgens haar geen nadeel ondervindt door de toegestane afwijkingen op de stedenbouwkundige voorschriften van het gRUP. […] Het kan niet ernstig worden betwist dat de [verwerende partij in cassatie] belang heeft bij het benaarstigen van de naleving van de stedenbouwkundige voorschriften van het gRUP, die gelden in een gebied waarin ook de [verwerende partij in cassatie] haar exploitatie zich bevindt en de strijdigheid daarmee opwerpt. Dit geldt zeker nu de aangeklaagde schendingen betrekking hebben op bepalingen die bepaalde aspecten van de goede ruimtelijke ordening (zoals bouwhoogte en bouwdiepte) weergeven, en dus van belang geacht worden voor de ordening van dat gebied. Verder wordt ook de toepassing van de afwijkingsregeling bekritiseerd, hetgeen ook een impact kan hebben op de omgeving van de [verwerende partij in cassatie]. In geval van een vernietiging zal de [tussenkomende partij in cassatie] de aanvraag van de [verzoekende partij in cassatie] moeten heroverwegen. Ze zal opnieuw moeten onderzoeken of de afwijkingen op het gRUP en de betreffende bepalingen die ook aspecten van de goede ruimtelijke ordening betreffen, kunnen worden toegestaan.”
  27. De kritiek dat het bestreden arrest ten aanzien van de in het eerste onderdeel van het derde annulatiemiddel opgeworpen onwettigheden geen door de verwerende partij geleden nadeel of belangenschade vaststelt, mist feitelijke grondslag. De RvVb stelt immers vast dat de verwerende partij belang heeft bij het benaarstigen van de naleving van de stedenbouwkundige voorschriften die gelden in een gebied waarin haar exploitatie zich bevindt, en dat dit zeker geldt nu de aangeklaagde schendingen betrekking hebben op bepalingen die bepaalde aspecten van de goede ruimtelijke ordening weergeven, en bovendien ook de toepassing van de afwijkingsregeling wordt bekritiseerd, wat een impact kan hebben op de omgeving van de verwerende partij. Het bestreden arrest bevat weliswaar geen specifieke, onder een afzonderlijke titel geplaatste, beoordeling van de door de verzoekende partij VII-42.451-15/17 opgeworpen exceptie van gebrek aan belang bij het tweede onderdeel van het derde annulatiemiddel. Uit het geheel van de motieven van het bestreden arrest kan echter wel worden begrepen waarom ook die exceptie impliciet doch zeker wordt verworpen. Wat de RvVb in het kader van de beoordeling van de exceptie betreffende het eerste onderdeel van het derde annulatiemiddel overweegt in verband met “de naleving van de stedenbouwkundige voorschriften van het gRUP”, geldt immers duidelijk ook voor de naleving van de stedenbouwkundige voorschriften van de in het tweede onderdeel van het derde annulatiemiddel geviseerde stedenbouwkundige voorschriften van de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening voor parkeerplaatsen. Bovendien blijkt dat de verzoekende partij bij het formuleren, in haar schriftelijke opmerkingen voor de RvVb, van de exceptie van gebrek aan belang bij het tweede middelonderdeel, in essentie haar uiteenzetting over het gebrek aan belang bij het vernietigingsberoep heeft hernomen, exceptie die uitdrukkelijk wordt beantwoord in het bestreden arrest, en waarbij de RvVb onder meer erop wijst dat het project van de verwerende partij gelegen is aan dezelfde straat als het hotel van de verzoekende partij en de bouw van een nieuw hotelcomplex een zekere verkeersdynamiek genereert. De in het tweede middelonderdeel aangevoerde schending van artikel 149 van de Grondwet, kan dan ook niet worden aangenomen.
  28. Als cassatierechter treedt de Raad van State niet in de beoordeling van de zaak zelf (artikel 14, § 2, RvS-wet). Met de ingeroepen schending van artikel 35, derde lid, DBRC nodigt de verzoekende partij de Raad van State uit opnieuw te beoordelen of de in het tweede annulatiemiddel aangevoerde onwettigheden nadelig zijn voor de verwerende partij. Het tweede onderdeel is in zoverre niet ontvankelijk. VII-42.451-16/17 BESLISSING
  29. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  30. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zesentwintig mei tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, Francis Van Nuffel, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Peter Sourbron VII-42.451-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.416 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.