← België

Arrest 263417 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 26/05/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.417 Rolnummer: A. 241753/VII-42490 Zaak: Arrest 263417 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 26/05/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-06-10 Raadplegingen: 102 - laatst gezien 2026-06-16 04:56 Fiche Arrest nr 263.417 van 26 mei 2025 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Overschrijving en verwijzing Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 263.417 van 26 mei 2025 in de zaak A. 241.753/VII-42.490 In zake : de PROVINCIE WEST-VLAANDEREN, vertegenwoordigd door de deputatie van de provincieraad bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jo Goethals kantoor houdend te 8800 Roeselare Kwadestraat 151 B 41 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : B.V. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dirk Van Heuven, Leandra Decuyper en Fien Duymelinck kantoor houdend te 2600 Antwerpen Cogels Osylei 61 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de BV LUCOKAAS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Francky Verschuere kantoor houdend te 8790 Waregem Oude Desselgemstraat 69 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het cassatieberoep, ingesteld op 23 april 2024, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2324-0531 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 14 maart 2024 in de zaak 2223-RvVb-0385-A. VII-42.490-1/14 II. Verloop van de rechtspleging 2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 14 juni 2024. Verweerder heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De bv Lucokaas heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 20 augustus 2024. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Tom De Waele heeft op 30 oktober 2024 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’ (hierna: cassatieprocedurebesluit). De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 mei 2025. Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jo Goethals, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Sara Van De Velde, die loco advocaat Dirk Van Heuven verschijnt voor verweerder en advocaat Francky Verschuere, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. VII-42.490-2/14 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). III. Feiten 3.1. De deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen verleent op 1 december 2022 in laatste bestuurlijke aanleg aan de tussenkomende partij een omgevingsvergunning voor het slopen van gebouwen, het uitbreiden van een groothandel en de aanleg van een parking (stedenbouwkundige handelingen), en voor het verder exploiteren en uitbreiden van een groothandel in kaas- en zuivelproducten (exploitatie ingedeelde inrichtingen en activiteiten). 3.2. De verwerende partij stelt bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) een beroep in tot vernietiging van het deputatiebesluit van 1 december 2022. Met het bestreden arrest vernietigt de RvVb het deputatiebesluit van 1 december 2022, stelt hij zijn arrest in de plaats van de te nemen beslissing en weigert de omgevingsvergunning. IV. Onderzoek van het middel tot cassatie Standpunten van de partijen 4. De verzoekende partij voert de schending aan van artikel 4.4.9/1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO). Zij komt op tegen de beoordeling van het bestreden arrest dat artikel 4.4.9/1 VCRO zo moet worden gelezen dat het afwijkende dan wel aanvullende karakter van het bijzonder plan van aanleg (hierna: BPA) ten opzichte van het vigerende gewestplan op het niveau van het volledige BPA moet bekeken worden, en viseert volgende motieven van het bestreden arrest : VII-42.490-3/14 “[De verzoekende partij in cassatie] meent dat de vraag naar het aanvullend of afwijkend karakter van het BPA zonaal moet bekeken worden en niet op het niveau van het volledige BPA. Ze voert aan dat het betreffende BPA Stientjesstraat voorziet in verschillende bestemmingen en dat ook het gewestplan voor de zone van het BPA in verschillende zones voorziet. Dat er moet gekeken worden per bestemmingszone van het onderliggend gewestplan ondersteunt ze met een verwijzing naar een internetpublicatie over de toepassing van artikel 4.4.9/1 VCRO. Concreet wordt gemotiveerd dat de aanvraag zich enkel bevindt binnen de grenzen van het onderliggend ‘woongebied met landelijk karakter’ en dat de aldaar toepasselijke voorschriften van het BPA aanvullend zijn ten opzichte van deze gewestplanbestemming. [De verzoekende partij in cassatie] gaat er dus vanuit dat de voorwaarde van het aanvullend karakter van het BPA ten opzichte van de onderliggende gewestplanbestemming, niet op het volledige niveau van het BPA moet betrokken worden. Deze redenering van [de verzoekende partij in cassatie] faalt naar recht. In tegenstelling tot wat [de verzoekende partij in cassatie] voorhoudt, is het niet zo dat met artikel 4.4.9/1 VCRO kan worden afgeweken van een BPA dat deels afwijkt van het onderliggend gewestplan terwijl de aanvraag gelegen is binnen een zone van het BPA die ten opzichte van het onderliggend gewestplan aanvullend zou zijn. Een BPA is in de regel immers één en ondeelbaar en moet dus in zijn geheel als afwijkend of aanvullend worden gekwalificeerd. Dit is des te meer het geval omdat artikel 4.4.9/1 VCRO een uitzonderingsbepaling is en als dusdanig restrictief moet worden geïnterpreteerd.” De verzoekende partij formuleert hiertegen volgende grieven: “1. Ten onrechte overweegt de [RvVb] dat de toepassing van art. 4.4.9/1 VCRO niet zonaal moet gebeuren. Ten onrechte laat de RvVb dan ook gelden dat het BPA, dat volgens de RvVb één en ondeelbaar is, in zijn geheel moet beoordeeld worden ten opzichte van het gewestplan waar de vraag zich stelt of er sprake is van een aanvullend dan wel een afwijkend BPA. 2. Deze overweging gaat niet alleen in tegen de letter van de bepaling, maar gaat ook in tegen de geest van de bepaling, temeer daar de consequente toepassing van de overweging van de RvVb precies het tegengestelde gevolg kan hebben dan wat de decreetgever heeft bedoeld c.q. heeft gestipuleerd. 3. Vooreerst moet de letterlijke lezing van de bepaling erbij genomen worden. De afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het eerste lid, kan slechts worden toegepast voor stedenbouwkundige voorschriften van bijzondere plannen van aanleg die een aanvulling vormen op: […] Het is duidelijk dat de decreetgever het heeft over stedenbouwkundige voorschriften van het [BPA]. De decreetgever heeft het niet over het “BPA tout court”. VII-42.490-4/14 Mocht de decreetgever bedoeld hebben wat de RvVb overweegt dan zou het evident zijn dat de decreetgever de zinsnede “stedenbouwkundige voorschriften van” zou weggelaten hebben. Immers alsdan zou het zo zijn dat het zou gaan over BPA’s “die niet mogen afwijken van”, terwijl expliciet is geschreven dat het gaat over voorwaarden, die dus samenhangen met de concrete zone. Puur tekstueel is art. 4.4.9/1VCRO dan ook in de toepassing geschonden. 4. Wanneer de voorbereidende werken er worden bijgenomen (de regeling is ingevoerd met een amendement 26-27 (Parl.St, Vl. Parlement, 1149 (2016-2017) nr. 3, 25-29)) dan kan daaruit geen argument terug gevonden [worden] die de overwegingen van de RvVb ondersteunen. Wat wel vaststaat is dat de decreetgever tot doel had een analoge redenering uit te werken als deze die van toepassing is op de verkavelingsvoorschriften. Verkavelingen zijn per definitie kleiner in omvang en hoe dan ook veel minder gedifferentieerd. Gelet op het feit dat de analogie duidelijk in de verf werd gezet heeft dit ook als gevolg dat de decreetgever duidelijk bedoeld heeft de zonale bepalingen te viseren. […] 5. Dat de overweging van de RvVb “niet klopt” mag ook blijken uit de consequente toepassing van de redenering van de RvVb. De RvVb overweegt immers dat moet nagegaan worden of het BPA “in zijn geheel” afwijkend dan wel aanvullend is ten opzichte van “het onderliggend gewestplan”. Deze hypothese gaat uit van een situatie waar een BPA een bestemming toekent aan een zone die volledig overeenstemt met één gewestplanbestemming. Dit gebeurt evenwel weinig, en is in elk geval te dezen niet het geval waar het BPA met verschillende bestemmingen “te paard” zit op twee gewestplanbestemmingen, namelijk het agrarisch gebied en het landelijk woongebied. Wanneer het BPA in zijn geheel zou moeten beoordeeld worden, zou het kunnen dat, wanneer de redenering van de RvVb gevolgd wordt, dat BPA “in zijn geheel” wél aanvullend is (hoewel een onderdeeltje afwijkend zou kunnen zijn). Dit zou het geval kunnen zijn wanneer bvb het overgrote deel woongebied is, maar slechts een klein deeltje landbouwgebied. Welnu, wanneer alsdan een vergunning zou gevraagd worden voor het landbouwgebied waarbij art. 4.4.9/1 VCRO ter zijde wordt geschoven, dan zou strikt gezien in concreto een vergunning kunnen worden afgeleverd voor een “afwijkend stukje” terwijl de vergunning, aldus de RvVb toch wettig zou zijn omdat “het gehele BPA” aanvullend wordt beschouwd. Dit kan uiteraard niet. Dat betekent dan ook a contrario dat er wel degelijk zonaal een beoordeling moet doorgevoerd worden. Trouwens nergens is decretaal bepaald dat de uitzondering van art. 4.4.9/1 VCRO alleen zou gelden voor BPA’s die slechts één zone bevatten en toegepast zijn waar een gewestplan met één bestemming geldt. Welnu, wanneer aanvaard wordt dat art. 4.4.9/1 VCRO kan toegepast worden op BPA’s met verschillende zones en verschillende voorschriften die VII-42.490-5/14 toegepast worden op een gewestplan met verschillende bestemmingen, dan kan niet anders dan tot de conclusie gekomen worden dan dat art. 4.4.9/1 VCRO zonaal moet worden toegepast. Anders oordelen ware absurd. Bijaldien dient het arrest, dat van een ander standpunt uitgaat, vernietigd te worden.” Ondergeschikt vraagt de verzoekende partij om een prejudiciële vraag te richten tot het Grondwettelijk Hof over de verenigbaarheid met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet van artikel 4.4.9/1 VCRO, zoals gelezen door het bestreden arrest. 5. Verweerder wijst vooreerst op de tekst van artikel 4.4.9/1 VCRO waarin letterlijk staat dat enkel BPA’s die een aanvulling vormen op harde gewestplanbestemmingen, aanleiding kunnen geven tot afwijking. Vervolgens wijst hij op de parlementaire voorbereiding van de bepaling, waarin herhaaldelijk wordt aangegeven dat de afwijkingsmogelijkheid van artikel 4.4.9/1 VCRO enkel geldt voor “aanvullende BPA’s”. Hij wijst op volgende passages: “Dit amendement voorziet in de mogelijkheid voor het vergunningverlenende bestuursorgaan om af te wijken van stedenbouwkundige voorschriften van verouderde, aanvullende BPA’s. […] Bovendien is de afwijkingsmogelijkheid beperkt tot bijzondere plannen van aanleg die aanvullend zijn. Afwijkende BPA’s worden uitgesloten van het toepassingsgebied. […] Alleen voor BPA’s met stedenbouwkundige voorschriften voor harde bestemmingen ter aanvulling/verfijning van het onderliggende gewestplan Evenmin kan de afwijkingsmogelijkheid toepassing vinden voor BPA’s die in een afwijkende bestemming van het onderliggende gewestplan voorzien. […] Het verschil tussen een afwijkend en aanvullend BPA vindt grondslag in het toenmalige artikel 14, vierde lid, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996. Op grond van dit artikel was voorzien dat wanneer een gewestplan bestaat, het BPA zich richt naar de aanwijzingen en bepalingen ervan, het BPA ze aanvult, en het er desnoods van kan afwijken.” VII-42.490-6/14 6. De tussenkomende partij sluit zich aan bij het standpunt van de verzoekende partij. Zij laat nog bijkomend gelden dat nergens is bepaald dat artikel 4.4.9/1 VCRO niet van toepassing is op BPA’s met verschillende zonale bepalingen en/of dat alle zonale BPA-bepalingen aanvullend moeten zijn ten aanzien van (verschillende) onderliggende gewestplanbestemmingen. De enige logische lezing die aan artikel 4.4.9/1 VCRO kan gegeven worden, is dan ook dat de toepassing ervan gekoppeld wordt aan de zonale bepalingen van het BPA en niet aan het BPA in zijn geheel. Beoordeling 7. Artikel 4.4.9/1 VCRO luidt: “Het vergunningverlenende bestuursorgaan mag bij het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van de stedenbouwkundige voorschriften van een bijzonder plan van aanleg, voor zover dit plan ouder is dan vijftien jaar op het ogenblik van de indiening van de aanvraag. Afwijkingen kunnen niet toegestaan worden voor wat betreft wegenis, openbaar groen en erfgoedwaarden. De afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het eerste lid, kan slechts worden toegepast voor stedenbouwkundige voorschriften van bijzondere plannen van aanleg die een aanvulling vormen op: 1° de volgende gebiedsaanduidingen, vermeld in het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen:

  1. a)woongebieden, met uitzondering van woonparken;
  2. b)industriegebieden in de ruime zin;
  3. c)dienstverleningsgebieden;
  4. d)gebieden voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen; 2° de volgende aanvullende voorschriften van het gewestplan:
  5. a)gebieden voor service-residentie;
  6. b)kantoor- en dienstenzones;
  7. c)gebieden voor handelsbeursactiviteiten en grootschalige activiteiten;
  8. d)lokale en regionale bedrijventerreinen;
  9. e)luchthavengebonden bedrijventerreinen;
  10. f)gebieden voor luchthavengerelateerde kantoren en diensten;
  11. g)businessparken;
  12. h)teleport;
  13. i)gebieden voor hoofdkwartierfunctie; VII-42.490-7/14
  14. j)gebieden hoofdzakelijk bestemd voor de vestiging van grootwinkelbedrijven;
  15. k)zones voor kleinhandel en kleine en middelgrote ondernemingen;
  16. l)kleinhandelszones;
  17. m)zones van handelsvestigingen;
  18. n)gebieden voor zeehaven- en watergebonden bedrijven;
  19. o)zeehavengebieden;
  20. p)gebieden voor watergebonden bedrijven;
  21. q)transportzones;
  22. r)regionale gemengde zones voor diensten en handel;
  23. s)research-, universiteits- en wetenschapsparken;
  24. t)bedrijfsgebied met stedelijk karakter;
  25. u)gemengde woon- en industriegebieden;
  26. v)gemengde gemeenschapsvoorzienings- en dienstverleningsgebied;
  27. w)stedelijke ontwikkelingsgebieden;
  28. x)gebieden voor duurzame stedelijke ontwikkeling;
  29. y)gebieden voor kernontwikkeling. De afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het eerste lid, kan niet worden toegepast voor bijzondere plannen van aanleg die voorzien in stedenbouwkundige voorschriften voor agrarisch gebied, ruimtelijk kwetsbaar gebied of recreatiegebied in afwijking van het gewestplan of voor gebieden die in uitvoering van artikel 5.6.8 van deze codex aangeduid zijn als watergevoelig openruimtegebied. Elke aanvraag tot afwijking overeenkomstig het eerste lid, wordt onderworpen aan een openbaar onderzoek. De gemeenteraad kan gemotiveerd beslissen dat voor een bijzonder plan van aanleg, de afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het eerste lid, niet kan worden toegepast. Deze gemeenteraadsbeslissing wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Ze treedt in werking veertien dagen na de bekendmaking ervan en is van toepassing op vergunningsaanvragen die worden ingediend vanaf de inwerkingtreding ervan.” 8. Met deze bepaling heeft de decreetgever aan het bestuur een mogelijkheid geboden om onder bepaalde voorwaarden bij het verlenen van een vergunning af te wijken van voorschriften van een meer dan 15 jaar oud BPA. Hiermee wordt een verdere verhoging van het ruimtelijk rendement van de bestaande bebouwde ruimte beoogd : “Dit amendement voorziet in de mogelijkheid voor het vergunningverlenende bestuursorgaan om af te wijken van stedenbouwkundige voorschriften van verouderde, aanvullende BPA’s. Doelstelling en algemene toelichting: VII-42.490-8/14 Voor dit amendement geldt een gelijkaardige verantwoording als voor de regeling omtrent afwijkingen van verkavelingsvoorschriften van verkavelingsvergunningen ouder dan vijftien jaar. […] Naar analogie met de verkavelingsvoorschriften wordt deze regeling doorgetrokken naar voorschriften van BPA’s ouder dan vijftien jaar. In de praktijk stelt men immers vast dat heel wat voorschriften van verkavelingen en bijzondere plannen van aanleg vergelijkbare vereisten bevatten. […] Gelet op de urgentie om het ruimtelijk rendement te verhogen en zodoende de druk op de open ruimte te verminderen, dringt een snelle oplossing zich op. Het doorlopen van kostelijke en langdurige herzieningsprocedures van BPA’s die meer dan vijftien jaar oud zijn, biedt daarom geen passende oplossing. Bovendien zou een systematische herziening van de voorschriften van de BPA’s van aanleg niet noodzakelijk tegemoet komen aan de beoogde doelstelling: het is niet de wens van de decreetgever dat al die plannen van aanleg zouden verdwijnen. Eigenaars van percelen gelegen binnen de betrokken BPA’s kunnen nog steeds genieten van het statuut en de rechtszekerheid die van die plannen uitgaan. Er wordt alleen een bijkomende afwijkingsmogelijkheid geboden. […] Dit amendement past in het beleid omtrent een verdere verhoging van het ruimtelijk rendement van de bestaande bebouwde ruimte en de zoektocht naar ruimte voor wonen en daarbij aansluitende functies via verdichting, renovatie en hergebruik.[…] Om het ruimtebeslag te verminderen, wenst de Vlaamse decreetgever verdichting van de bestaande bebouwde of stedelijke ruimte te bevorderen. Via verdichting, renovatie en hergebruik binnen bestaande gebieden met ‘harde’ functies, wordt de druk op gebieden met ‘zachte’ functies verminderd. […] Om een verdichting op locaties met bestaande ‘harde’ bestemmingen te faciliteren, is in de afwijkingsmogelijkheid enkel voorzien waar er een onderliggende ‘harde’ gewestbestemming geldt. Bovendien is de afwijkingsmogelijkheid beperkt tot bijzondere plannen van aanleg die aanvullend zijn. Afwijkende BPA’s worden uitgesloten van het toepassingsgebied. Aldus wordt vermeden dat BPA’s die een harde gewestplanbestemming omzetten in een zachte bestemming, buiten werking worden gesteld.” (Parl. St. Vl. Parl. 2016-17, stuk 1149/3, 26-27) 9. In het derde lid van artikel 4.4.9/1 VCRO wordt uitdrukkelijk voorzien dat de afwijkingsmogelijkheid slechts kan toegepast worden voor “stedenbouwkundige voorschriften van een BPA” die een “aanvulling” vormen op bepaalde gebiedsaanduidingen en bepaalde aanvullende voorschriften van een VII-42.490-9/14 gewestplan. Van stedenbouwkundige voorschriften van een BPA die de gebiedsaanduidingen en voorschriften van het gewestplan niet aanvullen, maar ervan afwijken, kan door het bestuur niet met toepassing van artikel 4.4.9/1 VCRO worden afgeweken bij het verlenen van een omgevingsvergunning. 10. Bij het onderzoek van de vraag of stedenbouwkundige voorschriften van het BPA een “aanvulling vormen op” gebiedsaanduidingen en voorschriften van het gewestplan, zodat erop een afwijking kan worden toegestaan met toepassing van artikel 4.4.9/1 VCRO, dient het bestuur in beginsel enkel de voorschriften te onderzoeken die van toepassing zijn op de locatie waar de aangevraagde stedenbouwkundige handelingen zullen worden uitgevoerd. Wanneer de voorschriften van het BPA die op die locatie van toepassing zijn, een aanvulling vormen op de gebiedsaanduidingen of voorschriften van het gewestplan voor die locatie, kan hiervan met toepassing van artikel 4.4.9/1 VCRO worden afgeweken, ook al bevat het BPA voor andere locaties voorschriften die een afwijking vormen van de gebiedsaanduidingen of voorschriften van het gewestplan, tenzij zou blijken dat de voorschriften voor die andere locaties vanuit het opzet en de economie van het BPA niet kunnen worden afgesplitst van de voorschriften die gelden voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft. 11. Noch uit de tekst van artikel 4.4.9/1 VCRO, noch uit de parlementaire voorbereiding volgt dat de afwijking maar kan worden toegestaan wanneer het BPA in zijn geheel aanvullend is op de bepalingen van het gewestplan. Artikel 4.4.9/1, derde lid, VCRO duidt letterlijk op “stedenbouwkundige voorschriften van bijzondere plannen van aanleg” en niet op “bijzondere plannen van aanleg”, zodat hierin geen tekstargument kan gevonden worden voor het verplicht beschouwen van het BPA in zijn geheel. VII-42.490-10/14 Het is weliswaar zo dat in de parlementaire voorbereiding op enkele plaatsen de begrippen “afwijkend BPA” en “aanvullend BPA” worden gehanteerd, maar hieruit kan geen bedoeling worden afgeleid om de afwijkingen slechts mogelijk te maken in de gevallen dat het BPA in zijn geheel aanvullend is op de bepalingen van het gewestplan. De begrippen “afwijkend BPA” en “aanvullend BPA” werden hier gebruikt om het toepassingsgebied van de afwijkingsmogelijkheid te verduidelijken. Volgens de opstellers van de bepaling worden “afwijkende BPA’s […] uitgesloten van het toepassingsgebied [zodat] wordt vermeden dat BPA’s die een harde gewestplanbestemming omzetten in een zachte bestemming, buiten werking worden gesteld”. Hiermee wordt niet uitgesloten dat een bepaald BPA zowel voorschriften kan bevatten die aanvullend zijn, als voorschriften die afwijkend zijn, en dat deze voorschriften afzonderlijk kunnen worden beschouwd tenzij ze vanuit het opzet en de economie van het BPA niet van elkaar kunnen worden gescheiden. 12. De beoordeling van het bestreden arrest dat een BPA voor de toepassing van artikel 4.4.9/1 VCRO in zijn geheel als aanvullend of afwijkend moet worden gekwalificeerd, zodat van de voorschriften van het BPA die een aanvulling vormen op gebiedsaanduidingen of voorschriften van een gewestplan niet mag worden afgeweken wanneer het BPA in zijn geheel als afwijkend wordt beschouwd, zonder daarbij na te gaan of de voorschriften die ‘aanvullend’ zouden zijn vanuit het opzet en de economie van het BPA kunnen worden afgesplitst van de voorschriften die ‘afwijkend’ zouden zijn, miskent derhalve artikel 4.4.9/1 VCRO. Het middel is in zoverre gegrond. 13. Nu de lezing die het bestreden arrest maakt van artikel 4.4.9/1 VCRO door de Raad van State niet wordt gevolgd, bestaat er geen reden om de in ondergeschikte orde voorgestelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen. VII-42.490-11/14 VII-42.490-12/14 BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt arrest nr. RvVb-A-2324-0531 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 14 maart 2024 in de zaak 2223-RvVb-0385-A. 2. Dit arrest dient te worden overgeschreven in de registers van bovenvermelde Raad en melding ervan moet worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. 3. De zaak wordt verwezen naar de anders samengestelde Raad voor Vergunningsbetwistingen. 4. Verweerder wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. VII-42.490-13/14 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zesentwintig mei tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, Francis Van Nuffel, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Peter Sourbron VII-42.490-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.417 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.