← België

Arrest 263418 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 26/05/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.418 Rolnummer: A. 242415/VII-42581 Zaak: Arrest 263418 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 26/05/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-06-10 Raadplegingen: 88 - laatst gezien 2026-06-16 04:56 Fiche Arrest nr 263.418 van 26 mei 2025 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Overschrijving en verwijzing Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 263.418 van 26 mei 2025 in de zaak A. 242.415/VII-42.581 In zake :

  1. het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN SCHEPENEN VAN DE STAD BRUGGE
  2. de STAD BRUGGE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom Swerts kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de LEIDEND AMBTENAAR VAN HET AGENTSCHAP ONROEREND ERFGOED -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  3. Het cassatieberoep, ingesteld op 10 juli 2024, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2324-0789 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 30 mei 2024 in de zaak 2324-RvVb-0247-A. II. Verloop van de rechtspleging
  4. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 13 september
  5. Eerste auditeur Tom De Waele heeft op 29 januari 2025 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’ (hierna: cassatieprocedurebesluit). VII-42.581-1/8 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 mei
  6. Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht. Advocaat Johanna-Charlotte Devogelaere, die loco advocaat Tom Swerts verschijnt voor de verzoekende partijen, is gehoord. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). III. Feiten 3.
  7. De eerste verzoekende partij verleent op 7 juli 2023 een omgevingsvergunning voor de plaatsing van zes zonnepanelen op het achterdakvlak van een woning aan de Sulferbergstraat te Brugge. 3.
  8. De verwerende partij tekent bestuurlijk beroep aan tegen die vergunningsbeslissing. Met een besluit van 16 november 2023 verklaart de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen het beroep ongegrond, en wordt de vergunning opnieuw verleend. 3.
  9. De verwerende partij stelt tegen het besluit van 16 november 2023 een vernietigingsberoep in bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna : RvVb). Met een beschikking van 18 januari 2024 stelt de voorzitter van de RvVb vast dat het beroep op het eerste gezicht alleen een kort debat vereist. De beschikking vermeldt als belanghebbende enkel de aanvrager van de vergunning. VII-42.581-2/8 3.
  10. De verwerende partij, de provincie West-Vlaanderen en de aanvrager van de vergunning worden opgeroepen voor de zitting van 28 maart
  11. Zij stemmen in met het schriftelijk behandelen en in beraad nemen van de zaak. 3.
  12. Met het bestreden arrest verklaart de RvVb het tweede middel dat door de verwerende partij wordt opgeworpen gegrond, vernietigt hij het deputatiebesluit van 16 november 2023, en stelt hij zijn arrest in de plaats van de nieuw te nemen beslissing en weigert de omgevingsvergunning. IV. Onderzoek van het eerste middel tot cassatie Uiteenzetting van het middel
  13. De verzoekende partijen voeren de schending aan van: - artikel 59/2 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2014 houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges (hierna: procedurebesluit), - de artikelen 19 en 20 van het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ (hierna: DBRC), - -artikel 105 van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’ (hierna: omgevingsvergunningsdecreet), - de artikelen 13 en 149 van de Grondwet, - artikel 9 van het Verdrag van 25 juni 1998 ‘betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden’ (hierna: Verdrag van Aarhus), en - artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM), VII-42.581-3/8 “DOORDAT de [RvVb] in het bestreden arrest […] oordeelt dat het beleidskader inzake zonnepanelen van 19 april 2022 geen afbreuk kan doen aan de verordenende bevoegdheid van de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening, hierdoor zijn beslissing in de plaats stelt en de aanvraag weigert; EN DOORDAT, de waarnemend voorzitter van de Raad voor Vergunningsbetwistingen bij beschikking van 18 januari 2024 in toepassing van artikel 59/2 Procedurebesluit vaststelt dat een behandeling in korte debatten van het verzoekschrift kan volstaan; EN DOORDAT enkel de verwerende partij, - de deputatie van de provincieraad van de provincie West-Vlaanderen-, en de aanvrager van de vergunning […], in toepassing van artikel 59/2, § 2, 4° [van het p]rocedurebesluit opgeroepen werden en enkel aan hen een afschrift van het inleidend verzoekschrift en de beschikking van 18 januari 2024 werd betekend; EN DOORDAT, eerste middelonderdeel, het bestreden arrest geen enkele motivatie bevat aangaande het besluit om [eerste verzoekende partij] niet op te roepen, hoewel [eerste verzoekende partij] een belanghebbende is in de zin van artikel 59/2, § 2, 4° [van het p]rocedurebesluit […]; EN DOORDAT, tweede middelonderdeel, artikel 59/2, § 2, 4°, van het [p]rocedurebesluit toelaat dat de voorzitter van de Raad voor Vergunningsbetwistingen, of een door hem aangewezen bestuursrechter, vrij mag bepalen welke belanghebbende wordt opgeroepen en welke niet in het kader van een behandeling van een verzoekschrift met korte debatten; EN DOORDAT, derde middelonderdeel, bij de vaststelling van artikel 59/2, § 2, 4° [van het p]rocedurebesluit geen rekening is gehouden met artikel 20 [DBRC], en eerstgenoemde bepaling onmiskenbaar strijdig is met laatstgenoemde; EN DOORDAT, ten gevolge van het niet ter kennis brengen aan [eerste verzoekende partij] de mogelijkheid werd ontnomen aan eerste en tweede verzoekende partij in cassatie om in rechte op te treden ter verdediging van de vergunningsbeslissing en het beleidskader dat hieraan ten grondslag ligt; TERWIJL, eerste middelonderdeel, artikel 149 van de Grondwet een rechterlijk[e] motiveringsplicht inhoudt in navolging waarvan een rechtscollege op duidelijke en ondubbelzinnige wijze de redengeving uiteen dient te zetten die het ertoe brengt een bepaalde beslissing te nemen; EN TERWIJL, tweede middelonderdeel, artikel 9 van de Grondwet, artikel 9 van het Verdrag van Aarhus en artikel 6 van het EVRM het recht op toegang tot een rechter waarborgen en een willekeurige toelating tot de rechter verbieden; VII-42.581-4/8 EN TERWIJL, derde middelonderdeel, artikel 20 [DBRC] zeer duidelijk bepaalt dat elke belanghebbende kan tussenkomen in een hangende procedure, zonder een uitzondering te voorzien voor verkorte procedures; TERWIJL [eerste verzoekende partij] dient aangemerkt te worden als belanghebbende in de zin van artikel 59/2, § 1, 4° [van het p]rocedurebesluit, daar zij zowel de vergunningverlenende overheid in eerste aanleg en adviesinstantie in graad van beroep was, alsook de auteur van de gemeentelijke stedelijke verordening en het beleidskader dat ter beroordeling aan de [RvVb] werd voorgelegd; ZODAT het bestreden arrest de bepalingen ter hoogte van het middel schendt.” Beoordeling
  14. Artikel 59/2 van het procedurebesluit luidt: “§
  15. De voorzitter van het College of de door hem aangewezen bestuursrechter stelt bij beschikking vast: 1° dat het beroep op het eerste gezicht alleen korte debatten vereist; 2° de plaats, de dag en het tijdstip van de zitting waarop de korte debatten zullen plaatsvinden; 3° de termijn waarbinnen ter griffie inzage kan worden genomen van het administratief dossier en de overtuigingsstukken; 4° de namen van een of meer van de belanghebbenden, vermeld in artikel 20, eerste en tweede lid, van het decreet, als de voorzitter van het College of de door hem aangewezen bestuursrechter heeft beslist een of meer belanghebbenden op te roepen; 5° de termijn waarbinnen de partijen en de belanghebbenden, vermeld in punt 4°, een nota kunnen indienen. De griffier betekent de beschikking en een afschrift van het verzoekschrift aan de partijen en de belanghebbenden, vermeld in het eerste lid, 4°. Gelijktijdig met het indienen van de nota, vermeld in het eerste lid, 5°, bezorgt elke partij en belanghebbende, vermeld in het eerste lid, 4°, een afschrift van die nota aan de overige partijen en de belanghebbenden, vermeld in het eerste lid, 4°. §
  16. Na het horen van de partijen en de belanghebbenden, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 4°, neemt de voorzitter van het College of de door hem aangewezen bestuursrechter de zaak in beraad. Als de voorzitter van het College of de door hem aangewezen bestuursrechter niet besluit dat korte debatten volstaan, dan wordt de procedure voortgezet volgens de gewone rechtspleging, vermeld in dit besluit.” VII-42.581-5/8 Wanneer de voorzitter van het bestuursrechtscollege of de door hem aangewezen bestuursrechter met toepassing van artikel 59/2, § 1, van het procedurebesluit vaststelt dat het beroep op het eerste gezicht alleen een kort debat vereist, wordt de tussenkomst in het kort debat geregeld door artikel 59/2 van het procedurebesluit. Het komt in dat geval aan de voorzitter van het bestuursrechtscollege of de door hem aangewezen bestuursrechter toe om in de beschikking de belanghebbenden aan te wijzen die voor het kort debat worden opgeroepen, en de gelegenheid krijgen om met het oog op het kort debat een nota in te dienen.
  17. In het geval bij de RvVb een vernietigingsberoep wordt ingesteld tegen een beslissing die in laatste bestuurlijke aanleg is genomen over een aanvraag voor een omgevingsvergunning, volgt uit de gezamenlijke lezing van de artikelen 20 en 2, 1°, DBRC en de artikelen 105, § 2, derde lid, en 105, § 4, van het omgevingsvergunningsdecreet, dat het bestuur dat in eerste bestuurlijke aanleg uitdrukkelijk heeft beslist over dezelfde aanvraag, in beginsel een “belanghebbende” is in de zin van artikel 59/2 van het procedurebesluit, aan wie de gelegenheid moet worden geboden om tussen te komen in het geding voor de RvVb. Uit de gezamenlijke lezing van de artikelen 20 en 2, 1°, DBRC, en de artikelen 105, § 2, eerste lid, 4°, en 105, § 4, van het omgevingsvergunningsdecreet volgt daarenboven dat het college van burgemeester en schepenen dat in graad van bestuurlijk beroep tijdig advies heeft verstrekt over de aanvraag, ook om die reden een “belanghebbende” is in de zin van artikel 59/2 van het procedurebesluit, aan wie de gelegenheid moet worden geboden om tussen te komen in het geding voor de RvVb. Wanneer de voorzitter in de in artikel 59/2, § 1, van het procedurebesluit bedoelde beschikking dit bestuur niet aanwijst als belanghebbende die voor het kort debat wordt opgeroepen en die de gelegenheid VII-42.581-6/8 krijgt een nota in te dienen, behoort het de RvVb om deze omissie recht te zetten door deze partij alsnog op te roepen voor het kort debat, of als dat niet meer mogelijk is, de zaak voort te zetten volgens de gewone rechtspleging.
  18. Het bestreden arrest stelt vast dat de vernietiging wordt gevorderd van de beslissing die door de deputatie in laatste bestuurlijke aanleg werd genomen over de vergunningsaanvraag, en dat de eerste verzoekende partij over dezelfde vergunningsaanvraag in eerste bestuurlijke aanleg uitdrukkelijk heeft beslist. Uit de stukken waarop de Raad van State acht kan slaan, blijkt bovendien dat de eerste verzoekende partij in graad van bestuurlijk beroep tijdig advies heeft verstrekt over deze vergunningsaanvraag. Door in deze omstandigheden niet vast te stellen dat de eerste verzoekende partij ten onrechte niet de gelegenheid heeft gekregen om tussen te komen in het geding, en integendeel zonder meer over te gaan tot vernietiging van de bestreden beslissing, miskent de RvVb artikel 20 DBRC, gelezen in samenhang met artikel 105, § 2, eerste lid, 4°, artikel 105, § 2, derde lid en artikel 105, § 4, van het omgevingsvergunningsdecreet. Het middel is in zoverre gegrond. BESLISSING
  19. De Raad van State vernietigt arrest nr. RvVb-A-2324-0789 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 30 mei 2024 in de zaak 2324-RvVb-0247-A.
  20. Dit arrest dient te worden overgeschreven in de registers van bovenvermelde Raad en melding ervan moet worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.
  21. De zaak wordt verwezen naar de anders samengestelde Raad voor Vergunningsbetwistingen. VII-42.581-7/8
  22. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 400 euro en een bijdrage van 24 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zesentwintig mei tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, Francis Van Nuffel, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Peter Sourbron VII-42.581-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.418 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.