← België

Arrest 263419 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 26/05/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.419 Rolnummer: A. 242474/VII-42585 Zaak: Arrest 263419 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 26/05/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-06-03 Raadplegingen: 90 - laatst gezien 2026-06-16 04:56 Fiche Arrest nr 263.419 van 26 mei 2025 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 263.419 van 26 mei 2025 in de zaak A. 242.474/VII-42.585 In zake : I.D. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steve Ronse en Sam Vandoorne kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de PROVINCIE WEST-VLAANDEREN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jo Goethals kantoor houdend te 8800 Roeselare Kwadestraat 151 B 41 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het cassatieberoep, ingesteld op 15 juli 2024, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2324-0800 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 6 juni 2024 in de zaak 2223-RvVb-0908-A. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 13 september
  3. Eerste auditeur Tom De Waele heeft op 12 december 2024 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van VII-42.585-1/8 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’ (hierna: cassatieprocedurebesluit). De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 mei
  4. Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht. Advocaat Sam Vandoorne, die verschijnt voor verzoeker en advocaat Jo Goethals, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). III. Feiten 3.
  5. Het college van burgemeester en schepenen van Anzegem verleent aan verzoeker een omgevingsvergunning voor de bouw van zes eengezinswoningen. 3.
  6. Tegen het vergunningsbesluit worden verschillende bestuurlijke beroepen ingediend. Met een besluit van 1 juni 2023 verklaart de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen de beroepen gegrond, en weigert zij de vergunning. 3.
  7. Het bestreden arrest verwerpt het beroep van verzoeker tot vernietiging van het deputatiebesluit van 1 juni
  8. VII-42.585-2/8 IV. Onderzoek van het middel tot cassatie Uiteenzetting van het middel
  9. Verzoeker voert de schending aan van artikel 5 van de provinciale verordening van 23 juli 2008 ‘inzake het overwelven van baangrachten’ (hierna: Baangrachtverordening). Hij komt op tegen volgende beoordeling van het bestreden arrest: “Zowel in de tekst van de Baangrachtverordening als van het Besluit Onbevaarbare Waterlopen wordt duidelijk een onderscheid gemaakt bij overwelving of inbuizing die betrekking heeft op één kadastraal perceel, of betrekking heeft op meerdere kadastrale percelen die voor gebruik één geheel vormen. In beide gevallen mag er slechts één overwelving of inbuizing zijn. Enkel als er meerdere kadastrale percelen door gebruik één geheel uitmaken is voorzien in een afwijking op het principe dat slechts één overwelving toegestaan kan worden als de aanvrager kan aantonen dat meer dan één overwelving redelijkerwijze noodzakelijk is voor het normale gebruik van de gronden. Het verslag aan de Vlaamse regering bij het Besluit Onbevaarbare Waterlopen doet niet anders besluiten. Dit verslag luidt eveneens dat er slechts één overwelving of inbuizing per kadastraal perceel of geheel van kadastrale percelen mag worden aangebracht tenzij de aanvrager kan aantonen dat dit redelijkerwijze noodzakelijk is voor het normale gebruik en de vlotte ontsluiting van de gronden. Er is wel degelijk sprake van ‘gronden’ zodat de uitzondering duidelijk is gecommuniceerd voor het geval waarin het gaat over een geheel aan kadastrale percelen. Immers slechts dan is er sprake van niet één grond maar gronden. Daarenboven is de tekst van artikel 23 Besluit Onbevaarbare Waterlopen duidelijk. Zoals hiervoor reeds vastgesteld, wordt niet betwist dat het aangevraagde betrekking heeft op één kadastraal perceel en ook niet dat in zes overwelvingen wordt voorzien. Er kon dan ook alleen worden vastgesteld dat de aanvraag in strijd is met artikel 5 Baangrachtverordening en met artikel 23 Besluit Onbevaarbare Waterlopen. Er restte de verwerende partij geen andere mogelijkheid dan zich te gedragen naar deze legaliteitsbelemmering.” VII-42.585-3/8 Verzoeker formuleert hiertegen volgende grieven: “In het bestreden arrest wordt gesteld dat geen gebruik kan worden gemaakt van de afwijkingsmogelijkheid die in artikel 5 van de Baangrachtenverordening wordt voorzien, omdat deze enkel van toepassing is ‘als er meerdere kadastrale percelen door gebruik één geheel uitmaken’. Met deze redenering heeft de Raad voor Vergunningsbetwistingen onjuist toepassing gemaakt van artikel 5 van de Baangrachtenverordening. Anders dan de Raad [voor Vergunningsbetwistingen] doet uitschijnen, voorziet de desbetreffende bepaling in een afwijkingsregeling die in elk van de omstandigheden van toepassing kan zijn. Dit blijkt onmiskenbaar uit een taalkundige lezing van de bepaling. Door het gebruik van de komma’s en meer specifiek de plaatsing van de komma’s in de zin blijkt dat de opsteller van de bepaling de afwijkingsregeling voor elk van de situaties wou laten gelden. Ter duiding: ‘Er mag slechts één overwelving of inbuizing per kadastraal perceel zijn, of, indien meerdere kadastrale percelen door gebruik één geheel vormen, slechts één overwelving of inbuizing voor het geheel van die percelen, tenzij de aanvrager kan aantonen dat meer dan één overwelving redelijkerwijze noodzakelijk is voor het normale gebruik van de gronden.’ […] Er wordt tot 2 maal toe met een komma gewerkt, waardoor moet gesteld worden dat de “tenzij” aan elk van de komma’s moet gekoppeld worden. Bij het uitsplitsen van de bepaling leidt dit tot het volgende resultaat: - er mag slechts één overwelving of inbuizing per kadastraal perceel zijn, tenzij de aanvrager kan aantonen dat meer dan één overwelving redelijkerwijze noodzakelijk is voor het normale gebruik van de gronden. - indien meerdere kadastrale percelen door gebruik één geheel vormen, [mag er] slechts één overwelving of inbuizing voor het geheel van die percelen [zijn], tenzij de aanvrager kan aantonen dat meer dan één overwelving redelijkerwijze noodzakelijk is voor het normale gebruik van de gronden. Hieruit blijkt dat de Raad voor Vergunningsbetwistingen artikel 5 van de Baangrachtenverordening op een onjuiste wijze heeft toegepast. In ieder geval moet worden opgemerkt dat niet kan worden meegegaan in de redenering van de Raad [voor Vergunningsbetwistingen] omtrent het Verslag aan de Vlaamse regering bij het Besluit Onbevaarbare Waterlopen. De Raad [voor Vergunningsbetwistingen] stelt hierbij het volgende: ‘Er is wel degelijk sprake van ‘gronden’ zodat de uitzondering duidelijk is gecommuniceerd voor het geval waarin het gaat over een geheel aan kadastrale percelen. Immers slechts dan is er sprake van niet één grond maar gronden.’ Anders dan wat de Raad voor Vergunningsbetwistingen stelt, wordt enkel en alleen gebruik gemaakt van het meervoud ‘gronden’ omdat de afwijking effectief op de beide situaties van toepassing is. In dit opzicht wordt zuiver taalkundig [het woord ‘grond’] in een meervoud geplaatst.” VII-42.585-4/8 In het geval zou geoordeeld worden dat de Raad voor Vergunningsbetwistingen toch een correcte toepassing zou hebben gemaakt van artikel 5 van de Baangrachtverordening, werpt verzoeker op dat dit artikel 5 strijdig is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, en als zodanig met toepassing van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing dient te worden gelaten. Beoordeling
  10. Met betrekking tot het middel tot nietigverklaring waarin verzoeker onder meer de schending aanvoerde van artikel 5 van de Baangrachtverordening en van artikel 23 van het besluit van de Vlaamse regering van 7 mei 2021 ‘tot uitvoering van diverse bepalingen uit de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, wat betreft het toezicht op de naleving van de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen’ (hierna: Besluit Onbevaarbare Waterlopen), oordeelt het bestreden arrest : “[Verzoeker] voert in hoofdorde aan dat de vergunning is geweigerd in strijd met artikel 5 van de Baangrachtenverordening en artikel 23 van het Besluit Onbevaarbare Waterlopen. [Hij] stelt enerzijds dat [hij] aanspraak kan maken op de uitzondering op deze bepaling omdat [hij] aantoont dat de overwelving noodzakelijk is voor een normaal gebruik van de percelen die zullen ontstaan na voltooiing van de groepswoningbouw. Anderzijds stelt [hij] dat het nu wel één perceel betreft maar dat dit na verkoop van de individuele woningen afzonderlijke percelen zullen zijn met ook slechts één overwelving per perceel wat in overeenstemming is met de Baangrachtverordening. […] Het wordt niet betwist dat de bestreden beslissing een vergunning weigert voor een project van groepswoningbouw waarbij de gracht voor aan de straat op zes plaatsen wordt ingebuisd en overwelfd. Verder wordt niet betwist dat VII-42.585-5/8 de aanvraag één kadastraal perceel betreft waarop wordt voorzien in een groepswoningbouwproject voor zes woningen, een wadi en een HS-cabine. Artikel 5 van de Baangrachtverordening luidt onder meer als volgt: “Om in aanmerking te komen voor een stedenbouwkundige vergunning moeten de werken voldoen aan de volgende voorwaarden: De overwelving of inbuizing mag de goede afwatering van derden niet wijzigen of in het gedrang brengen. Er mag slechts één overwelving of inbuizing per kadastraal perceel zijn, of, indien meerdere kadastrale percelen door gebruik één geheel vormen, slechts één overwelving of inbuizing voor het geheel van die percelen, tenzij de aanvrager kan aantonen dat meer dan één overwelving redelijkerwijze noodzakelijk is voor het normale gebruik van de gronden. …” Artikel 23, §2, eerste lid van het Besluit Onbevaarbare Waterlopen bepaalt verder: “… §
  11. De omgevingsvergunning als vermeld in de eerste paragraaf, kan slechts goedgekeurd worden als de werken voldoen aan al de volgende voorwaarden: […] 2° er is maar één overwelving of inbuizing per kadastraal perceel. Als verschillende kadastrale percelen door gebruik één geheel vormen, wordt er maar één overwelving of inbuizing voor het geheel van die percelen aangebracht, tenzij de aanvrager kan aantonen dat meer dan één overwelving redelijkerwijs noodzakelijk is voor het normale gebruik en de vlotte ontsluiting van de gronden. …” Zowel in de tekst van de Baangrachtverordening als van het Besluit Onbevaarbare Waterlopen wordt duidelijk een onderscheid gemaakt bij overwelving of inbuizing die betrekking heeft op één kadastraal perceel, of betrekking heeft op meerdere kadastrale percelen die voor gebruik één geheel vormen. In beide gevallen mag er slechts één overwelving of inbuizing zijn. Enkel als er meerdere kadastrale percelen door gebruik één geheel uitmaken is voorzien in een afwijking op het principe dat slechts één overwelving toegestaan kan worden als de aanvrager kan aantonen dat meer dan één overwelving redelijkerwijze noodzakelijk is voor het normale gebruik van de gronden. Het verslag aan de Vlaamse regering bij het Besluit Onbevaarbare Waterlopen doet niet anders besluiten. Dit verslag luidt eveneens dat er slechts één overwelving of inbuizing per kadastraal perceel of geheel van kadastrale percelen mag worden aangebracht tenzij de aanvrager kan aantonen dat dit redelijkerwijze noodzakelijk is voor het normale gebruik en de vlotte ontsluiting van de gronden. Er is wel degelijk sprake van ‘gronden’ zodat de uitzondering duidelijk is gecommuniceerd voor het geval waarin het gaat over een geheel aan kadastrale percelen. Immers slechts dan is er sprake VII-42.585-6/8 van niet één grond maar gronden. Daarenboven is de tekst van artikel 23 Besluit Onbevaarbare Waterlopen duidelijk. Zoals hiervoor reeds vastgesteld, wordt niet betwist dat het aangevraagde betrekking heeft op één kadastraal perceel en ook niet dat in zes overwelvingen wordt voorzien. Er kon dan ook alleen worden vastgesteld dat de aanvraag in strijd is met artikel 5 Baangrachtverordening en met artikel 23 Besluit Onbevaarbare Waterlopen. Er restte de verwerende partij geen andere mogelijkheid dan zich te gedragen naar deze legaliteitsbelemmering.”
  12. Het bestreden arrest stelt aldus vast dat de weigering van de omgevingsvergunning verantwoord is omwille van een legaliteitsbelemmering, die erin bestaat dat het aangevraagde strijdig is zowel met artikel 5 van de Baangrachtverordening als met artikel 23 van het Besluit Onbevaarbare Waterlopen. In het middel voert verzoeker enkel aan dat het bestreden arrest een onjuiste toepassing heeft gemaakt van artikel 5 van de Baangrachtverordening. Hij voert geen kritiek op de beoordeling dat ook de toets aan artikel 23 van het Besluit Onbevaarbare Waterlopen een legaliteitsbelemmering oplevert, en werpt zelfs niet de schending op van die bepaling. Evenmin blijkt uit het bestreden arrest dat de tekst van beide bepalingen identiek is, zodat de taalkundige argumenten van verzoeker met betrekking tot artikel 5 van de Baangrachtverordening, niet zonder meer toepasbaar zijn op artikel 23 van het Besluit Onbevaarbare Waterlopen. De beoordeling dat het aangevraagde strijdig is met artikel 23 van het Besluit Onbevaarbare Waterlopen vormt een voldoende draagkrachtig motief voor de verwerping van het annulatiemiddel dat verzoeker voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen heeft aangevoerd. De eventuele gegrondheid van het cassatiemiddel waarin enkel de schending wordt aangevoerd van artikel 5 van de Baangrachtenverordening kan de strekking van het bestreden arrest niet beïnvloeden. Het middel is niet ontvankelijk. VII-42.585-7/8 BESLISSING
  13. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  14. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zesentwintig mei tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, Francis Van Nuffel, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Peter Sourbron VII-42.585-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.419 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.