id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.420 Rolnummer: A. 241852/VII-42503 Zaak: Arrest 263420 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 26/05/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-06-10 Raadplegingen: 97 - laatst gezien 2026-06-16 04:56 Fiche Arrest nr 263.420 van 26 mei 2025 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 263.420 van 26 mei 2025 in de zaak A. 241.852/VII-42.503 In zake : de VZW BESCHERM BOMEN EN NATUUR bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marleen Ryelandt kantoor houdend te 8200 Brugge Gistelsesteenweg 472 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de PROVINCIE WEST-VLAANDEREN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steve Ronse en Sam Vandoorne kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de GEMEENTE DE PANNE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Gregory Vermaercke en Daan Vandenbroucke kantoor houdend te 8200 Brugge Dirk Martensstraat 23 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 2 mei 2024, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2324-0553 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 21 maart 2024 in de zaak 2122-RvVb-0948-SA. VII-42.503-1/14 II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 14 juni
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De gemeente De Panne heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 20 augustus
- De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Tom De Waele heeft op 21 november 2024 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’ (hierna: cassatieprocedurebesluit). De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 mei
- Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht. Advocaat Erlinde De Lange, die loco advocaat Marleen Ryelandt verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Sam Vandoorne, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Elouise Willems, die loco advocaten VII-42.503-2/14 Gregory Vermaercke en Daan Vandenbroucke verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). III. Feiten 3.
- De tussenkomende partij vraagt een omgevingsvergunning voor het plaatsen van een betonnen pad (“planché” genoemd) dat evenwijdig loopt met de Zeedijk, ter vervanging van een pad met houten planken dat tijdens de coronacrisis was aangelegd. Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente De Panne verleent op 10 januari 2022 de vergunning. 3.
- De verzoekende partij tekent bestuurlijk beroep aan. De verwerende partij verklaart het beroep op 30 juni 2022 ongegrond en verleent de omgevingsvergunning. 3.
- Het bestreden arrest verwerpt het beroep van de verzoekende partij tot vernietiging van het vergunningsbesluit van 30 juni
- IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
- In het verzoek tot voortzetting van de procedure herneemt de verzoekende partij de uiteenzetting van haar memorie van wederantwoord en vult zij deze uiteenzetting aan. VII-42.503-3/14 Het cassatieprocedurebesluit voorziet niet in de mogelijkheid om na de kennisgeving van het auditoraatsverslag nog een schriftelijke uiteenzetting in te dienen. Wanneer de auditeur concludeert dat het cassatieberoep moet worden verworpen, kan de verzoeker luidens artikel 18 van het cassatieprocedurebesluit vragen dat de procedure wordt voortgezet, bij gebreke waaraan de afstand van het geding kan worden uitgesproken. Het “verzoek tot voortzetting inzake verzoekschrift in cassatie” van de verzoekende partij wordt slechts als procedurestuk aanvaard in zoverre hierin wordt verzocht om de procedure voort te zetten. In zoverre het stuk een schriftelijke voorbereiding vormt van de mondelinge uiteenzetting op de terechtzitting, wordt het beschouwd als een loutere inlichting. V. Onderzoek van het middel tot nietigverklaring Uiteenzetting van het middel
- De verzoekende partij voert de schending aan van artikel 16 van het decreet van 21 oktober 1997 ‘betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu’ (hierna: natuurdecreet), van “de motiveringsplicht vervat in de Wet van 1991”, en van artikel 149 van de Grondwet. Ook werpt zij “machtsoverschrijding bij de beoordeling van de natuurtoets op grond van [artikel] 16 van het [natuurdecreet]” op.
- Het middel komt op tegen de beslissing van de RvVb tot verwerping van het derde annulatiemiddel dat de verzoekende partij heeft opgeworpen tegen het vergunningsbesluit van 30 juni
- Het bestreden arrest overweegt daartoe: “
- Artikel 16, § 1 van het Natuurdecreet vormt een algemeen toetsingskader voor de bescherming van natuurwaarden. Wanneer de verwerende partij wordt gevat door een vergunningsaanvraag, moet zij er zorg voor dragen, VII-42.503-4/14 door het opleggen van voorwaarden of het weigeren van de vergunning, dat er geen vermijdbare schade aan de natuur ontstaat. In het kader van de natuurtoets bestaat geen specifieke formele motiveringsplicht. Als de vergunningverlenende overheid bij de beoordeling van de vergunningsaanvraag niet letterlijk verwijst naar de natuurtoets maar wel uit de vergunningsbeslissing of de stukken van het administratief dossier blijkt dat er rekening is gehouden met de effecten van de aanvraag op de natuurwaarden, kan dit in principe volstaan om te voldoen aan de zorgplicht uit artikel 16 van het Natuurdecreet. Het behoort tot de stelplicht van de verzoekende partij, die de schending inroept van artikel 16, § 1 van het Natuurdecreet, om voldoende concrete gegevens aan te brengen waaruit blijkt welke aanwezige natuurelementen door de aangevraagde werken schade zouden lijden en wat de aard van die schade zou zijn. De natuurtoets is immers slechts relevant als er een risico bestaat op het ontstaan van schade aan de natuur.
- Met de verzoekende partij kan vastgesteld worden dat de natuurtoets uit artikel 16 van het Natuurdecreet een horizontale werking heeft en betrekking heeft op een zorgplicht ongeacht de planologische bestemming van het gebied. Er kan ook niet ontkend worden dat ‘het strand’ valt onder de definitie van ‘natuur’ in de zin van artikel 2, 7° van het Natuurdecreet. In haar bestuurlijk beroepschrift drong de verzoekende partij aan op adviesverlening door het Agentschap Natuur en Bos. Zij verwees daarvoor naar de toelichting bij artikel 8, § 4 van de stedenbouwkundige voorschriften van het PRUP Strand & Dijk (algemene inrichtingsprincipes voor het centrumgebied) en citeert daaruit: “Met de morfologie van het strand wordt de al dan niet spontane duinvorming of -begroeiing met mogelijke ecologische waarde bedoeld. Omwille van het dynamisch karakter van het strand is het moeilijk en tevens niet wenselijk deze ‘dijkduinen’ strikt af te bakenen (zoals weergegeven in de feitelijke toestand) en vast te leggen in het grafisch plan. Onder structurele reliëfwijziging wordt verstaan dat de morfologie van het strand grondig wordt gewijzigd. Het beperkt nivelleren van het strand in functie van de toeristisch-recreatieve exploitatie wordt niet aangezien als een structurele reliëfwijziging. Het wijzigen van de morfologie van de dijkduinen, kunnen, onverminderd de bepalingen van dit RUP, verboden zijn vanuit natuurregelgeving (natuurdecreet). Er zal steeds inspraak van het Agentschap voor natuur en bos nodig zijn in de vergunningsprocedure.” In de bestuurlijke beroepsprocedure wordt door de verwerende partij alsnog advies gevraagd aan het Agentschap voor Natuur en Bos.
- Het advies van het agentschap van 21 april 2022 is ongunstig […]. In de bestreden beslissing wordt als volgt geoordeeld: “Beroeper wijst tijdens de hoorzitting op het ongunstig advies van ANB. Zoals opgemerkt door de provinciaal omgevingsambtenaar heeft het standpunt van ANB echter geen betrekking op de schending van VII-42.503-5/14 eventuele natuurwaarden. ANB komt immers tot de vaststelling dat er geen betekenisvolle aantasting is van SBZ en geen onvermijdbare en onherstelbare schade aan natuur in het VEN zal worden veroorzaakt. Het ongunstig standpunt vindt zijn grondslag in het gegeven dat ANB geen voorstander is van het plaatsen van semi-permanente verharde paden op het strand, dat de zeedijk voldoende mogelijkheden biedt en de noodzaak voor de spreiding ten gevolge van het coronavirus niet meer aan de orde is. Dit zijn elementen die betrekking hebben op de opportuniteit van de aanvraag en niet de natuurwaarden. Samen met ANB en de provinciale omgevingsambtenaar stelt de deputatie vast dat de aanvraag de verscherpte natuurtoets doorstaat en er geen passende beoordeling dient te worden opgemaakt.”
- De verzoekende partij voert met haar middel in essentie aan dat uit de bestreden beslissing noch uit het dossier een natuurtoets in de zin van artikel 16 van het Natuurdecreet blijkt. Ongeacht de aard of het voorwerp van de aanvraag, ongeacht de planologische bestemming van het gebied, volstaat het dat uit de stukken van het dossier blijkt dat geen vermijdbare schade aan de natuur kan ontstaan. De verzoekende partij ontmoet voor de [RvVb] niet de vaststelling uit het advies van het Agentschap voor Natuur en Bos dat “op de plaats van de aanvraag er geen verboden te wijzigen (duin-)vegetatie aanwezig” is. Zij beperkt zich daarentegen tot de algemene opmerking dat het strand van De Panne “over de volledige lengte” aangeduid is op de biologische waarderingskaart als biologisch waardevol en voegt die kaart toe, waarbij ze nog melding maakt van de karteringseenheden nummer 2120 en 2160 met verwijzing naar dezelfde kaart. Die kaart (haar stuk 14) vermeldt evenwel niet de karteringseenheden zodat het voor de [RvVb] onduidelijk is wat de verzoekende partij juist bedoelt. Bovendien staat vast dat de aangevraagde planché niet over de ganse lengte van het strand van De Panne wordt aangelegd zodat de verwijzing van de verzoekende partij in dat licht ook niet concreet en voldoende duidelijk kan worden genoemd. Minstens worden de bevindingen die de verzoekende partij meent af te leiden uit de biologische waarderingskaart, die geen juridisch bindende waarde heeft, niet afgewogen tegen de concrete vaststellingen van het Agentschap voor Natuur en Bos. Voor het overige verwijst de verzoekende partij naar een aantal natuurwaarden die zij afleidt uit de toelichtingsnota bij het PRUP Strand & Dijk. De verzoekende partij heeft het over de aanwezigheid van “kustduinen”, “slikken en schorren”, “duinvorming” en verwijst naar de pagina’s 11 en 12 van de toelichtingsnota. Onder de titel ‘
- Ruimtelijke context: De kust’ wordt in de toelichtingsnota op de bedoelde pagina’s ingegaan “op de evolutie van de open-ruimte-structuur en de bebouwingsstructuur aan de kust en het huidige (voornamelijk) recreatief gebruik van zee, strand en duinen”. Alle door de verzoekende partij geciteerde tekstfragmenten komen uit het onderdeel ‘2.1 Openruimtestructuur’ en hebben betrekking op “de stranden en duinen van onze stranderige kust”. VII-42.503-6/14 Met dergelijke algemene citaten over natuurwaarden die betrekking hebben op de volledige Belgische kust voldoet de verzoekende partij niet aan haar stelplicht om voldoende concrete gegevens bij te brengen over de natuurwaarden die op de plaats van de aanvraag door de werken schade zouden kunnen lijden en wat de aard van die schade zou kunnen zijn. Voor het overige maakt de verzoekende partij slechts melding van “verstoring van fauna, avifauna en flora”. Dergelijke algemeenheden volstaan evenwel ook niet in het kader van haar stelplicht. Ze maakt dan ook niet aannemelijk dat de verwerende partij zou zijn tekort geschoten aan de verplichting uit artikel 16 van het Natuurdecreet. Het middel wordt verworpen.”
- De verzoekende partij formuleert volgende grieven: “ [De verzoekende partij] heeft [in haar verzoekschrift tot nietigverklaring en haar wederantwoordnota voor de RvVb] voldoende uiteengezet wat de natuurelementen van het strand te De Panne zijn. […] [De verzoekende partij] heeft voor de RvVb in haar derde middel aangevoerd, dat de natuurtoets op grond van art. 16 van het Natuurdecreet niet werd uitgevoerd door het bestreden besluit van [de verwerende partij]. De [RvVb] verwijst in haar motivatie naar de beoordeling in het bestreden besluit; […] Ook door de [RvVb] werd in [zijn] arrest vastgesteld dat[:] -Het strand van De Panne over de volledige lengte aangeduid is op de biologische waarderingskaart. -[de verzoekende partij] melding maakt van de karteringseenheden nummer 2120 en 2160 met verwijzing naar dezelfde kaart. In die zin is de motivatie van de [RvVb] is tegenstrijdig, daar waar dan gesteld wordt dat: - de kaart evenwel niet de karteringseenheden vermeldt, dit terwijl de zin erboven duidelijk werd verwezen door de RvVb naar de door [de verzoekende partij] opgesomde karteringseenheden. - dat de aangevraagde planché niet over de ganse lengte van het strand van De Panne wordt aangelegd, dit terwijl er door de [RvVb], in de motivatie een zin ervoor, heeft gesteld dat het strand van De Panne over de volledige lengte aangeduid is op de biologische waarderingskaart als biologisch waardevol. Deze motivatie is zonder meer tegenstrijdig. De [RvVb] stelt dat de verzoekende partij niet de vaststelling uit het advies van het ANB heeft ontmoet dat “op de plaats van de aanvraag er geen verboden te wijzigen (duin-)vegetatie aanwezig is.” [De verzoekende partij] diende deze “vaststelling” niet te ontmoeten, aangezien zelfs, wanneer er geen verboden te wijzigen vegetatie aanwezig is, dan nog de natuurtoets op grond van art. 16 van het Natuurdecreet diende uitgevoerd te worden. VII-42.503-7/14 Het is een feit dat in het bestreden besluit van [de verwerende partij], er niets terug te vinden is over de toepassing van art. 16 van het Natuurdecreet. In het bestreden besluit van [de verwerende partij] werd er geoordeeld dat ANB zich niet heeft uitgesproken over de natuurwaarden. Ook [de verzoekende partij] stelde in haar verzoekschrift en in de antwoordmemorie dat er geen natuurtoets op grond van art. 16 van het Natuurdecreet werd uitgevoerd. De beoordeling door ANB beperkte zich tot de beoordeling van de passende beoordeling en de verscherpte natuurtoets. De [RvVb] stelde zelf in [zijn] arrest dat “er kan niet ontkend worden dat het “strand” valt onder de definitie van “natuur” in de zin van artikel 2, 7° van het Natuurdecreet”. Of [de verzoekende partij] zich nu “schuldig maakt” aan “algemene citaten over natuurwaarden”, doet niets terzake en doet niets af aan het feit dat het strand van De Panne gelegen is volgens het Gewestplan in Natuurgebied, dat het strand van De Panne is ingekleurd op de biologische waarderingskaart als biologisch waardevol, zelfs wanneer de Planché niet over de volledige lengte van het strand reikt. Het is niet de plicht van [de verzoekende partij] “om voldoende concrete gegevens bij te brengen over de natuurwaarden die op de plaats van de aanvraag door de werken schade zouden kunnen lijden en wat de aard van de schade zou kunnen zijn.” Het is aan [de verwerende partij], die de natuurtoets op grond van art. 16 van het Natuurdecreet had dienen uit te voeren, temeer [de verwerende partij] zelf stelde dat het advies van ANB enkel betrekking had op de opportuniteit van de aanvraag en niet de natuurwaarden. Wat de [RvVb] doet in [zijn] arrest, is zich in de plaats stellen van de [verwerende partij] en de beoordeling doen van de natuurtoets, op grond van art. 16 van het Natuurdecreet, die in het besluit van [de verwerende partij] op geen enkele wijze is gebeurd. De [RvVb] maakt zich hier “schuldig” aan een feitelijke beoordeling van de natuurtoets, op grond van art. 16 van het Natuurdecreet, die had dienen te gebeuren door de Provincie in het bestreden besluit. Het is de [RvVb], die hier in de plaats van [de verwerende partij] stelt, dat: - de aangevraagde planché niet over de ganse lengte van het strand van De Panne wordt aangelegd - [de verzoekende partij] slechts melding maakt van verstoring van fauna, avifauna en flora - [ANB in zijn] advies heeft gesteld dat er op de plaats van de aanvraag er geen verboden te wijzigen (duin-)vegetatie aanwezig is. Niet de [RvVb] diende deze feitelijke beoordeling te doen, doch wel de [verwerende partij] in het bestreden besluit, wat niet gebeurde. […] De [RvVb] heeft trouwens op geen enkele wijze nagegaan in het dossier, of er een afweging is gebeurd van de onvermijdbaarheid en/of de onherstelbaarheid van de schade aan de natuur, terwijl het vaststond dat er sprake was en is van de aanwezigheid van natuurwaarden. VII-42.503-8/14 Het is de [RvVb] ook niet toegelaten om die beoordeling, die een feitelijke beoordeling is, met hieruit een conclusie in rechte, nl schending van art. 16 van het Natuurdecreet ja dan neen, zelf te doen in plaats van de [verwerende partij] in het bestreden besluit. De [RvVb] heeft zich in het bestreden besluit schuldig gemaakt aan machtsoverschrijding, tegenstrijdige motivering en een schending van art. 16 van het Natuurdecreet, aangezien er geen enkele beoordeling is gebeurd van de onvermijdbaarheid en onherstelbaarheid van de schade aan de natuurwaarden, dit terwijl door de [RvVb] werd erkend dat er wel degelijk sprake was en is van de aanwezigheid van de natuurwaarden.”
- Zij voegt hieraan nog toe in de memorie van wederantwoord: “In elk geval is het zo dat noch in het administratief dossier, noch in het advies van ANB, noch in het destijds bestreden besluit van [de verwerende partij] werd geoordeeld over de natuurtoets, op grond van art. 16 van het Natuurdecreet. [De verwerende partij] stelde zelf in haar besluit, dat ANB heeft geoordeeld over de verscherpte natuurtoets en de passende beoordeling, doch niet over de natuurtoets. De verscherpte natuurtoets en de passende beoordeling hebben een andere finaliteit en ook een andere schadedrempel. De natuurtoets op grond van art. 16 van het Natuurdecreet voorziet geen schadedrempel. Daar tegenover staat dat gans het Strand, van de dijk tot aan de waterlijn, en dit over de volledige lengte van de Vlaamse Kust, dus met inbegrip van het stuk De Panne, waar de Planché voorzien is, ingekleurd is als biologisch waardevol én als natuurgebied. Dit is ook het geval voor de PRUP Strand en Dijk. Het is dan ook totaal irrelevant wanneer de [RvVB] stelt, dat “het aangevraagde planché zich niet over de ganse lengte van De Panne wordt aangelegd.” Dat ANB in [zijn] advies zou hebben gesteld dat er op de plaats van aanvraag geen verboden te wijzigen duinvegetatie aanwezig is, is evenmin relevant en is in ieder geval geen ontkenning van het feit dat op de projectplaats wel natuurwaarden zouden aanwezig zijn. [De verzoekende partij] heeft verwezen naar de studie van Natuur en Milieu over de natuurwaarden aan de Belgische Kust, alsook naar haar stuk 19, thans stuk 8, biologische evaluatie van elf strandzones langs de Vlaamse Kust (waaronder De Panne) zodat er van een gebrek aan de stelplicht geen sprake kan zijn. De natuurwaarden dienen geïnterpreteerd te worden overeenkomstig art. 2, 7° van het Natuurdecreet. De [RvVb] heeft in [zijn] arrest niet kunnen aantonen, dan wel specifiëren, dat er ofwel door [de verwerende partij], ofwel op enig andere manier in het administratief dossier rekening werd gehouden met de natuurwaarden en er VII-42.503-9/14 een natuurtoets werd toegepast en uitgevoerd. [De verzoekende partij] heeft dit ook duidelijk aangetoond in haar verzoekschrift voor de RvVb en in haar wederantwoordnota. [De verzoekende partij] had ook een stuk 19 aan de stukken toegevoegd, een zeer uitvoerige studie over de biotische waarden van het strand en had daar ook reeds uitvoerig naar toe verwezen in het verzoekschrift schorsing UDN, zie stuk
- Er was in hoofde van [de verzoekende partij] absoluut geen sprake van “algemene citaten over natuurwaarden die betrekking hebben op de volledige Belgische Kust…” Trouwens, inderdaad is het zo dat de volledige Belgische Kust, natuurgebied is en overal zich het Strand bevindt en dit ook zo opgenomen is in het PRUP Strand en Dijk. De Panne is daar geen uitzondering op. Als de [RvVb] het heeft over “dergelijke algemeenheden” dan is dit flagrant onjuist en dient dit zelfs te worden beschouwd als een gebrek aan motivering. Hoe dan ook heeft de [RvVb] niet nagegaan in hoeverre er door ANB, dan wel door [de verwerende partij], dan wel op een andere manier in het administratief dossier een uitspraak, dan wel beoordeling is gebeurd van de natuurwaarden of een schade aan de natuurwaarden op grond van art. 16 van het natuurdecreet. Als de [RvVb] zoals verwerende partij stelt, niet is kunnen komen tot een concrete beoordeling van de vermeende schending van art. 16 Natuurdecreet, dan impliceert dit een gebrek aan beoordeling nopens de toepassing van art. 16 van het Natuurdecreet en eigenlijk zelfs een gebrek aan motivering. Niet pertinente irrelevante motivering dient beschouwd te worden en gelijkgesteld te worden met een gebrek aan motivering en derhalve een gebrek aan beoordeling van het ingeroepen middel. Eigenlijk heeft de [RvVb] een beoordeling gemaakt van de noodzakelijk te maken toets op grond van art. 16 van het Natuurdecreet, die niet tot [zijn] bevoegdheid behoort. Er was geen sprake van een tekortkoming aan de stelplicht door [de verzoekende partij], waardoor het middel niet werd beoordeeld. Anderzijds spreekt de [RvVb] ook zichzelf tegen, door aan te nemen dat er wel sprake is van natuurwaarden, doch dit betrekking heeft op de volledige Belgische Kust. Dit is juist, dus ook op het strand van De Panne, [dat] deel uitmaakt van de Belgische Kust. Dus toch sprake van “natuurwaarden”, ook wanneer dit “algemeen” zou zijn.” Beoordeling
- Luidens artikel 3, § 2, 9°, van het cassatieprocedurebesluit moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de cassatiemiddelen bevatten”. Onder “cassatiemiddel” moet een voldoende duidelijke omschrijving van de door het VII-42.503-10/14 bestreden arrest geschonden rechtsregel of rechtsbeginsel worden begrepen. Onder “uiteenzetting” van het cassatiemiddel moet worden begrepen de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden uitspraak worden miskend.
- Voor zover de aangevoerde schending van “de motiveringsplicht vervat in de Wet van 1991” al zou kunnen worden beschouwd als een voldoende duidelijke omschrijving van een rechtsregel of rechtsbeginsel, blijkt dat in het middel hoe dan ook niet wordt uiteengezet op welke wijze het bestreden arrest hiervan een schending zou inhouden. Het middel is dan ook in zoverre niet ontvankelijk.
- Het middel is eveneens niet ontvankelijk in zoverre het “machtsoverschrijding bij de beoordeling van de natuurtoets op grond van [artikel] 16 van het [natuurdecreet]” opwerpt, nu de verzoekende partij nalaat aan te duiden welke rechtsregels of rechtsbeginselen die de grenzen bepalen van de beoordelingsbevoegdheid van de RvVb, zouden zijn overtreden.
- De in artikel 149 van de Grondwet ingeschreven rechterlijke motiveringsverplichting heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak voldoet aan deze motiveringsplicht wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet - al waren ze verkeerd of onwettig - die hem ertoe brengen zijn beslissing te nemen. Bij de beoordeling of de rechterlijke motiveringsverplichting werd nageleefd, is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Het gaat er dan ook niet om of de motivering omstandig of juist is. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van artikel 149 van de Grondwet. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. VII-42.503-11/14
- In zoverre de verzoekende partij pas in de memorie van wederantwoord aan het bestreden arrest een gebrek aan motivering verwijt “als de [RvVb] het heeft over ‘dergelijke algemeenheden’”, een motiveringsgebrek afleidt uit “een gebrek aan beoordeling nopens de toepassing van art. 16 Natuurdecreet”, en een tegenstrijdigheid in de motieven aanvoert door aan te nemen dat er sprake is van natuurwaarden voor de gehele Belgische Kust, gaat het om kritiek die al in het verzoekschrift tot cassatie kon worden aangevoerd, en als zodanig door de Raad van State niet dient te worden beoordeeld.
- Het is niet tegenstrijdig enerzijds vast te stellen dat de verzoekende partij in haar schriftelijke uiteenzetting melding maakt van bepaalde karteringseenheden met verwijzing naar een bepaalde kaart, en anderzijds vast te stellen dat die kaart de karteringseenheden niet vermeldt. Het is evenmin tegenstrijdig enerzijds vast te stellen dat de aangevraagde planché niet over de gehele lengte van het strand van De Panne wordt aangelegd, en anderzijds vast te stellen dat het strand van De Panne over de volledige lengte aangeduid is op de biologische waarderingskaart als biologisch waardevol. De in het middel aangevoerde schending van artikel 149 van de Grondwet is ongegrond.
- Artikel 16, § 1, van het natuurdecreet bepaalt: “In het geval van een vergunningsplichtige activiteit, draagt de bevoegde overheid er zorg voor dat er geen vermijdbare schade aan de natuur kan ontstaan door de vergunning of toestemming te weigeren of door redelijkerwijze voorwaarden op te leggen om de schade te voorkomen, te beperken of, indien dit niet mogelijk is, te herstellen”. Deze bepaling legt aan de vergunningverlenende overheid de verplichting op om elke vergunningsaanvraag te onderwerpen aan een VII-42.503-12/14 “natuurtoets”. De RvVb miskent niet de draagwijdte van deze bepaling wanneer hij oordeelt dat : - aan deze verplichting wordt voldaan wanneer uit de vergunningsbeslissing of de stukken van het administratief dossier blijkt dat er rekening is gehouden met effecten van de aanvraag op de natuurwaarden ; - de natuurtoets slechts relevant is als er een risico bestaat op het ontstaan van schade aan de natuur ; - het tot de stelplicht behoort van de partij die aanvoert dat een vergunning werd verleend zonder correcte voorafgaande natuurtoets, om voldoende concrete gegevens aan te brengen waaruit blijkt welke aanwezige natuurelementen door de aangevraagde werken schade zouden lijden en wat de aard van die schade zou zijn.
- Als cassatierechter treedt de Raad van State niet in de beoordeling van de zaak zelf (artikel 14, § 2, RvS-wet). In zoverre de kritiek van de verzoekende partij de Raad van State uitnodigt om opnieuw te onderzoeken of uit het vergunningsbesluit en de stukken van het administratief dossier blijkt dat de natuurtoets correct werd uitgevoerd, en of de verzoekende partij voldoende concrete gegevens aanbrengt met betrekking tot de schade aan de aanwezige natuurelementen, is het middel niet ontvankelijk.
- In zoverre het middel ontvankelijk is, is het ongegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep. VII-42.503-13/14
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zesentwintig mei tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, Francis Van Nuffel, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Peter Sourbron VII-42.503-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.420 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div