id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.421 Rolnummer: A. 244865/XII-9874 Zaak: Arrest 263421 - Dierenwelzijn - 26/05/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-05-26 Raadplegingen: 99 - laatst gezien 2026-06-16 04:56 Fiche Arrest nr 263.421 van 26 mei 2025 Sociale zaken en volksgezondheid - Dierenwelzijn Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 263.421 van 26 mei 2025 in de zaak A. 244.865/XII-9874 In zake: C.N. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Giles Snelders kantoor houdend te 2000 Antwerpen Schemersstraat 30 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kristien Vanderheiden kantoor houdend te 3000 Leuven Diestsevest 47/001 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 15 mei 2025, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van 22 april 2025 van het Departement Omgeving, afdeling Dierenwelzijn gekend onder dossiernummer G-24-6798a, waarbij werd beslist [dat] verschillende dieren, in toepassing van artikel 72 § 3 van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn in volle eigendom worden gegeven aan het erkend asiel waar deze momenteel verblijven”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. XII-9874-1/8 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 mei 2025, om 11.15 uur. Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. Advocaat Sharon Van Rode, die loco advocaat Giles Snelders verschijnt voor verzoekster, en advocaat Kristien Vanderheiden, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Op 28 februari 2025 worden op het adres van verzoekster vijf honden en een kat in toepassing van artikel 72, § 1, van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn administratief in beslag genomen en in afwachting van de bestemmingsbeslissing overgebracht naar een erkend asiel. 3.
- De in beslag genomen dieren worden bij beslissing gedateerd op 22 april 2025 en ondertekend op 23 april 2025 in toepassing van artikel 72, § 3, van de Vlaamse Codex Dierenwelzijn in volle eigendom gegeven aan het erkend asiel waar zij op dat ogenblik verblijven. Dit is de bestreden beslissing. XII-9874-2/8 De bestreden beslissing werd, onder meer, per aangetekende zending verstuurd en die zending werd aangeboden aan de woonst van verzoekster op 29 april
- 3.
- De dieren die het voorwerp vormen van de bestreden beslissing, werden inmiddels toevertrouwd aan derden middels een “adoptiecontract”. IV. Ontvankelijkheid van de vordering
- De verwerende partij werpt op dat het beroep niet ontvankelijk is bij gebrek aan het vereiste belang. Zij zet uiteen dat alle in beslag genomen dieren inmiddels zijn “geadopteerd”. Uit het verzoekschrift leidt de verwerende partij af dat het de betrachting van verzoekster is om de dieren te recupereren. Gelet op de “adoptie” van de dieren is er volgens de verwerende partij evenwel geen enkele mogelijkheid meer dat zij kan beslissen om de dieren terug te geven aan verzoekster. Derhalve is het belang van verzoekster niet langer actueel.
- Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexceptie uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die exceptie zou alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord. XII-9874-3/8 Overeenkomstig paragraaf 5 van datzelfde artikel wordt de zaak behandeld bij uiterst dringende noodzakelijkheid en derhalve binnen een termijn van vijftien dagen of minder, wanneer zulks in het opschrift wordt vermeld. VI. Uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting van de uiterst dringende noodzakelijkheid
- In het verzoekschrift wijdt verzoekster geen afzonderlijke rubriek aan de uiteenzetting van de redenen waarom er volgens haar sprake is van uiterst dringende noodzakelijkheid. Onder de uiteenzetting van het belang voert verzoekster evenwel – onder meer – aan dat haar belang bestaat uit de mogelijkheid haar dieren terug te krijgen en, bijgevolg, te voorkomen dat haar dieren in afwachting van een beslissing ten gronde worden verkocht aan derden. Voorts zet verzoekster uiteen dat door de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing de kans van verzoekster om haar dieren te recupereren definitief en onherroepelijk verloren gaat. Beoordeling
- De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij. Het is om die reden dat, zoals overwogen in het arrest van de Algemene Vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, nr. 249.313 van 22 december 2020, de Raad van State met een zekere gestrengheid de voorwaarden beoordeelt die moeten zijn vervuld opdat deze vordering kan worden ingewilligd. XII-9874-4/8 De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak meteen voor iedereen zonder meer duidelijk is, of door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Daarbij is overeenkomstig artikel 17, § 5, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereist dat “in het opschrift van de vordering vermeld is dat de zaak bij uiterst dringende noodzakelijkheid, en derhalve binnen een termijn van vijftien dagen of minder, behandeld dient te worden”. Luidens artikel 8, § 1, tweede lid, 2°, van het koninklijk besluit van 19 november 2024 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding en tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Dit impliceert dat een verzoekende partij, zoals wordt aangegeven in de parlementaire voorbereiding, waarin wordt gesteld dat “[d]e procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid […] bovendien uitzonderlijk [moet] blijven en […] hoe dan ook alleen [mag] worden aangewend voor zaken waarin een verzoeker de noodzaak aantoont dat binnen een termijn van maximaal vijftien dagen moet worden opgetreden” (Wetsontwerp tot wijziging van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, KAMER, 2022-2023, 14 maart 2023, nr. 55-3220/1, 11-12), aan de hand van precieze, concrete en verifieerbare gegevens dient aan te tonen dat indien de zaak binnen een termijn van meer dan vijftien dagen zou worden behandeld, de uitspraak van de Raad van State onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partij veilig te stellen. Alleen de elementen die zij in haar verzoekschrift aanvoert, kunnen in aanmerking worden genomen. Het is aan de verzoekende partij om in haar verzoekschrift bij uiterst dringende noodzakelijkheid de specifieke en concrete redenen te vermelden waarom de gewone vordering tot schorsing voorzien in artikel 17, § 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet geschikt is om het door haar XII-9874-5/8 aangevoerde nadeel tijdig op te vangen of haar belangen tijdig veilig te stellen, rekening houdend met de in die bepaling vermelde behandelingstermijnen, en met de mogelijkheid voor de kamer die de zaak behandelt om een datum voor de zitting te bepalen afhankelijk van de mate van urgentie die in het verzoek wordt aangevoerd. De uiterst dringende noodzakelijkheid kan daarenboven niet voortkomen uit de enkele omstandigheid dat ingevolge de doorlooptijd van de zaak een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure of een uitspraak ten gronde zou tussenkomen in een min of meer verre toekomst, waardoor de gewone schorsings- of annulatieprocedure een verzoekende partij niet toelaat een arrest te verkrijgen voordat de bestreden handeling haar volledige uitwerking heeft gehad. Opdat aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid voldaan zou zijn, moet deze vaststelling ten minste gepaard gaan met andere feitelijke gegevens die eigen zijn aan de voorliggende zaak en die aantonen dat de uiterst dringende noodzakelijkheid eraan inherent is. Niet minder dan het geval is in de gewone schorsingsprocedure, is daartoe vereist dat de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om haar beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen.
- Bij de concrete uitwerking van de uiterst dringende noodzakelijkheid moet een verzoekende partij er zich voor hoeden dat begrip niet op een algemene wijze te omschrijven. Algemene beschouwingen die niet worden ondersteund door concrete elementen kunnen niet in aanmerking worden genomen. Het bewijs van de uiterst dringende noodzakelijkheid mag zich niet beperken tot een theoretische uiteenzetting doch vereist het aanreiken van concrete, specifieke op de verzoekende partij betrekking hebbende en verifieerbare gegevens dat zij het resultaat van de gewone schorsingsprocedure zoals voorzien in artikel 17, § 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet kan XII-9874-6/8 afwachten op straffe van zich in een toestand te bevinden met ernstige, onherroepelijke schadelijke gevolgen.
- Te dezen stelt de Raad van State vast dat het verzoekschrift geen expliciete uiteenzetting bevat van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen. Verzoekster voert evenmin argumenten aan om aan te tonen dat, indien de zaak binnen een termijn van meer dan vijftien dagen zou worden behandeld, de uitspraak van de Raad van State onherroepelijk te laat zou komen om het door haar uiteengezette nadeel op te vangen of haar belangen veilig te stellen. In de mate dat verzoekster – weliswaar onder de uiteenzetting van het belang – aanvoert dat zij de mogelijkheid nastreeft haar dieren terug te krijgen en wil voorkomen dat haar dieren in afwachting van een beslissing ten gronde worden verkocht aan derden, zet zij uiteen om welke redenen zij meent een belang te hebben bij de zaak en de afhandeling van het beroep tot nietigverklaring niet te kunnen afwachten. Verzoekster toont daarmee evenwel nog niet aan waarom zij meent dat haar vordering dermate urgent is, dat ze moet worden behandeld bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Dezelfde vaststelling geldt voor verzoeksters argument dat door de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing de kans om haar dieren te recupereren definitief en onherroepelijk verloren gaat. Zo dit argument nog zou kunnen worden beschouwd als een verklaring om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te vorderen – en daargelaten of dat argument volstaat om in voorkomend geval de spoedeisendheid te verantwoorden, een vraag die te dezen niet rijst – zet verzoekster daarmee evenmin uiteen waarom haar vordering dermate urgent is dat ze bij uiterst dringende noodzakelijkheid moet worden behandeld. VII. Conclusie
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die XII-9874-7/8 cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- Verzoekster wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 26 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zesentwintig mei tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Ann Coolsaet, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Ann Coolsaet XII-9874-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.421 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.