← België

Arrest 263426 - Wapens – exportvergunningen - 26/05/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.426 Rolnummer: A. 240685/IX-10391 Zaak: Arrest 263426 - Wapens – exportvergunningen - 26/05/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-06-12 Raadplegingen: 101 - laatst gezien 2026-06-16 04:56 Fiche Arrest nr 263.426 van 26 mei 2025 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Wapens – exportvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.426 no lien 283439 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 263.426 van 26 mei 2025 in de zaak A. 240.685/IX-10.391 In zake : A.D. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hans-Kristof Carême kantoor houdend te 3000 Leuven Justus Lipsiusstraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tevens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Geert Ampe kantoor houdend te 8400 Oostende Kerkstraat 38 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bernard Derveaux kantoor houdend te 1000 Brussel Boomstraat 14 bus 2 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 7 december 2023, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de minister van Justitie van 12 oktober 2023 inzake het beroep van verzoeker tegen de beslissing van de gouverneur van de provincie West-Vlaanderen van 6 januari 2022. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. IX-10.391-1/19 Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting van 3 maart 2025, welke zitting is uitgesteld naar de terechtzitting die heeft plaatsgevonden op 28 april 2025. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Arne Van Meerbeeck, die loco advocaten Hans-Kristof Carême en Geert Ampe verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Bernard Derveaux, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoeker is houder van een jachtverlof en in het bezit van drie geregistreerde lange vuurwapens. 3.2. Op 2 maart 2021 meldt de lokale politie van Oostende aan de gouverneur van de provincie West-Vlaanderen dat verzoeker “geen persoon is die wapens mag of kan bezitten” omdat hij “gekend [is] in de databank ANG en staat als verdachte in tal van gerechtelijke dossiers”. Vervolgens adviseert de procureur ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.426 IX-10.391-2/19 des Konings van Brugge op 23 november 2021 tot intrekking van verzoekers wapenbezit omdat hij “gekend [is] in diverse dossiers”. 3.3. Op 6 januari 2022 trekt de gouverneur verzoekers recht om de drie vuurwapens te bezitten in. 3.4. Verzoeker stelt op 9 februari 2022 een beroep in tegen die beslissing. 3.5. De lokale politie geeft op 17 februari 2022 een ongunstig advies: “Negatief gekend bij onze diensten. Heeft een waslijst van gerechtelijke antecedenten, die niet verenigbaar zijn met wapenbezit.” 3.6. De procureur des Konings geeft op 2 maart 2022 een advies dat luidt: “Zoals door lokale politie Oostende reeds aangegeven is betrokkene gekend in diverse dossiers. Deze werden geklasseerd wegens andere prioriteiten.” 3.7. Op 26 mei 2023 dient verzoeker een aanvullend verweer in. 3.8. De minister van Justitie verwerpt op 12 oktober 2023 het beroep van verzoeker. Dit is de bestreden beslissing, waarvan de motivering luidt: “Uit het administratief dossier blijkt dat er zich mogelijks problemen kunnen stellen omtrent uw moraliteit. U bent betrokken in meerdere dossiers waarbij melding wordt gemaakt van bedreiging en soms ook opzettelijke slagen en verwondingen. U ontkent steeds de feiten en het parket klasseerde de dossiers wel zonder gevolg. Het feit dat er echter verschillende malen opnieuw tegen u door verschillende personen klacht wordt ingediend doet wel twijfel rijzen omtrent uw moraliteit. Uw advocaat stelt ter uwer verdediging in zijn aanvullend verweer dat wat het dossier van 2018 betreft het volgende: Vooreerst moet worden aangestipt dat dit dossier in essentie een dossier is lastens de vader van verzoeker. De relevantie, in functie van het intrekken van het wapenbezit in ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.426 IX-10.391-3/19 hoofde van verzoeker is dan ook op zich zoek. En in zoverre verzoeker in dat dossier aan bod komt – om reden dat hij slagen en verwondingen zou hebben toegebracht aan een minderjarige ? – weze het duidelijk dat daar gewoon niets van aan is, dit ook ab initio werd betwist, en er bovenal ook geen enkel bewijs voor handen is. Alles ging terug om de valse verklaringen van een toen nog minderjarige, die ondertussen een stevig crimineel rugzakje heeft opgebouwd. Bij dit alles moet hier opnieuw worden vastgesteld dat elke vorm van objectiviteit, uitgaande van de politiezone Oostende, zonder meer zoek is, en wel in dubbel opzicht: • vooreerst wordt het dossier niet volledig meegedeeld; zo kan verzoeker verwijzen naar het verhoor dat werd afgenomen van zijn vader op 26 september 2018. Verhoor dat hij voegt als aanvullend overtuigingsstuk 11/11. Uit dat verhoor blijken de echte feitelijkheden, met name ongezien politioneel geweld uitgaande van diverse Inspecteurs van de Politie Oostende. • in datzelfde verhoor werd door de vader van verzoeker verwezen naar diverse getuigen, én naar filmpjes die waren gemaakt. Uit dit alles bleek maar één iets, met name dat er incident was geweest op de camping, doordat de genaamde […] op de camping was binnengedrongen, en aldaar slaande ruzie had gezocht en gemaakt met een aantal minderjarige kinderen. […] is, bij vaststelling van dat gevecht, daar naar toegetrokken, en heeft de genaamde […] opgelegd de camping te verlaten. De vader van verzoeker werd er dan bij geroepen, en heeft die jongeren enkel nog zien weglopen. Méér dan dat was er niet gebeurd, en verzoeker was daar dus ook aan geen kanten bij betrokken. Maar met dien verstande dat de Inspecteurs van de Politie Oostende vervolgens compleet over de schreef zijn gegaan, met alle implicaties van dien. En met dien verstande dat afdelingsprocureur […] al vlug heeft ingezien dat er hoegenaamd geen enkel bewijs was noch om verzoeker, noch om de vader van verzoeker te kunnen vervolgen als dader van een misdrijf (stuk II/7), waarbij de enige en uitsluitende bijkomende opportuniteitsoverweging zal hebben bestaan in de wens de reputatie van de Politie Oostende niet nog méér beschadigd te zien. Bij het nemen van haar beslissing dient elke bestuurlijke overheid zich te houden aan de beginselen van behoorlijk bestuur, zo ook het redelijkheidsbeginsel. Dit betekent dat er geen kennelijke wanverhouding mag bestaan tussen de motieven en de beslissing welke op grond ervan is genomen. Een beslissing waartoe geen redelijk denkend mens bij een afweging van de betrokken belangen had kunnen geraken, doet immers vermoeden dat de vereiste belangenafweging niet heeft plaatsgehad. In casu zijn de af te wegen belangen de openbare orde en veiligheid (zowel ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.426 IX-10.391-4/19 voor uzelf als voor uw omgeving) enerzijds, en de mogelijkheid om een vuurwapen voorhanden te kunnen houden anderzijds. Meer bepaald moet overwogen worden of vuurwapenbezit in uwen hoofde de openbare orde zou kunnen verstoren. De finaliteit van de wapenwet is niet om te bestraffen, doch wel om preventief op te treden teneinde misbruik van of ongelukken met vuurwapens te voorkomen. Indien er derhalve indicaties voorhanden zijn die wijzen op een potentieel gevaar voor de openbare orde, dan dienen deze afgewogen te worden ten aanzien van de individuele belangen van de wapenbezitter. De wapenwet heeft immers een principieel verbod ingesteld op alle vuurwapens, met uitzondering van een gemotiveerde vergunning (Mem.v.T., Parl.St., Kamer 2005-2006, nr. 2263/1, p. 17). De wapenvergunning (of de toelating tot het voorhanden hebben van vuurwapens) is dus de uitzondering. De wapenwet laat de overheid toe om preventieve maatregelen te nemen om problemen ten aanzien van de openbare orde te vermijden (cf. rechtspraak van de Raad van State, o.m. arrest R.v.St. nr. 216.296 van 17 november 2011; arrest R.v.St. nr. 218.251 van 1 maart 2012; arrest R.v.St. nr. 218.710 van 29 maart 2012) Opdat een vergunning of het recht tot het voorhanden hebben van een vuurwapen kan worden ingetrokken, is het niet vereist dat de openbare orde daadwerkelijk wordt verstoord. Het bestaan van feiten en gedragingen die doen vrezen dat het voorhanden hebben van het wapen de openbare orde kan verstoren en die genoegzaam vaststaan, is voldoende (cf. rechtspraak van de Raad van State, o.m. arrest R.v.St. nr. 213.889 van 16 juni 2011; arrest R.v.St. nr. 218.251 van 1 maart 2012; arrest R.v.St. nr. 218.252 van 1 maart 2012). Vanuit dit uitgangspunt van preventie dient wapenbezit dan ook alleen te worden toegestaan aan personen die geen tegenindicatie vertonen. De vraag is of het op grond van de gegevens in het dossier onredelijk zou zijn om te besluiten dat wapenbezit in uw hoofde de openbare orde en veiligheid zou kunnen verstoren of een gevaar zou kunnen betekenen voor uzelf of voor anderen. Uit bovenstaande feiten blijkt dat u zich regelmatig in conflictsituaties bevindt waarbij dan klachten wegens minstens bedreigingen tegen u worden ingediend. U ontkent steeds de feiten doch in het pv van 2018 wordt door een agent van de interventieploeg uw betrokkenheid duidelijk aangegeven in zijn verklaring. Daarbij gaat het voornamelijk om weerspannigheid tegen de politie en alweer bedreigingen. Dit doet minstens twijfel ontstaan omtrent het vertrouwen dat in u kan worden gesteld als wapenbezitter. Het uitoefenen van een hobby kan niet opwegen tegen de bescherming van de maatschappij. Het algemeen belang van de openbare orde is in zulk geval groter dan het individueel belang.” IX-10.391-5/19 IV. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel 4. Het enige middel is genomen uit de schending van de artikelen 11, § 1, tweede lid, en 13, eerste lid, van de wet van 8 juni 2006 ‘houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens’ (“wapenwet”), de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (“formelemotiveringswet”), het recht van verzoeker om zijn standpunt naar voren te brengen, de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en – ondergeschikt – het redelijkheidsbeginsel. Verzoeker voert aan dat alle in de bestreden beslissing vermelde processen-verbaal zijn geseponeerd – het pv VU.45.L3.001080/2020 wegens andere prioriteiten en de pv’s BG.43.L6.006496/2018, VU.43.L3.001077 en VU.45.L3.006355/2019 “zuiver en eenvoudig wegens afwezigheid van bewijs”. Hij merkt op de minister daarop te hebben gewezen in zijn aanvullend verweer van 26 mei 2023, waarbij is uiteengezet dat dit niet wordt tegengesproken “door het feit dat thans onvolledige processen-verbaal worden voorgelegd […] in de hoop alsnog bepaalde insinuaties te kunnen gestandhouden”. De verwerende partij heeft die opmerkingen niet beantwoord en heeft aldus verzoekers recht om zijn standpunt naar voren te brengen en de artikelen 2 en 3 van de formelemotiveringswet miskend. Voorts voert verzoeker aan dat de overwegingen in de bestreden beslissing “dat er echter verschillende malen opnieuw tegen u door verschillende personen klacht wordt ingediend […] twijfel [doet] rijzen omtrent uw moraliteit” en “uit bovenstaande feiten blijkt dat u zich regelmatig in conflictsituaties bevindt waarbij dan klachten wegens minstens bedreigingen tegen u worden ingediend” niet steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid zijn vastgesteld. In het aanvullend verweer van 26 mei 2023 is aangetoond dat alle processen-verbaal zonder gevolg zijn geklasseerd wegens onvoldoende bewijs, behalve het proces-verbaal VU.45.L3.001080/2020 dat is ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.426 IX-10.391-6/19 geseponeerd wegens andere prioriteiten. Over dat laatste proces-verbaal heeft verzoeker in zijn aanvullend verweer uiteengezet dat het strafdossier enkel de verklaring van FV bevat, dat hij die verklaring integraal betwist en dat hij hierover nooit is gehoord. Volgens verzoeker is het dan ook duidelijk dat het ontbreekt aan genoegzaam vaststaande feiten die met de nodige zorgvuldigheid zijn vastgesteld om een preventieve maatregel te overwegen. Hij wijst erop dat een proces-verbaal dat zonder gevolg is geklasseerd niet toelaat om zomaar ervan uit te gaan dat de erin beschreven feiten daadwerkelijk hebben plaatsgegrepen. Adviezen die steunen op dergelijke feiten kunnen ook niet tot het oordeel nopen dat er een potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid bestaat. De verwerende partij heeft de plicht zich hiervan te vergewissen en door dit niet te doen heeft zij het zorgvuldigheidsbeginsel miskend. Hieruit volgt ook dat het niet vaststaat dat de bestreden beslissing steunt op een motief dat haar in rechte kan verantwoorden, zodat ook de materiëlemotiveringsplicht is miskend. Ten slotte hekelt verzoeker het volgende motief van de bestreden beslissing: “in het pv van 2018 wordt door een agent van de interventieploeg uw betrokkenheid duidelijk aangegeven in zijn verklaring. Daarbij gaat het voornamelijk om weerspannigheid tegen de politie en alweer bedreigingen. Dit doet minstens twijfel ontstaan omtrent het vertrouwen dat in u kan worden gesteld als wapenbezitter.” Hij voert aan dat hij omtrent dit dossier uit 2018 een verweer heeft gevoerd in zijn aanvullend verweerschrift van 26 mei 2023. Verzoeker herneemt dit verweer in het verzoekschrift – het wordt ook in de bestreden beslissing aangehaald – waarbij hij in essentie aanvoert dat het een dossier lastens zijn vader betreft en dus niet relevant voor het intrekken van verzoekers wapenbezit, dat hij de feiten steeds heeft betwist, dat hij niet bij het incident was betrokken en daar geen enkel bewijs voor is, dat elke objectiviteit in hoofde van de lokale politie zoek is, dat in werkelijkheid de lokale politie ongezien geweld heeft gebruikt en dat het parket heeft geoordeeld dat er geen enkel bewijs was om verzoeker of zijn vader te kunnen vervolgen als dader van een misdrijf. Verzoeker stelt dat in het licht van deze gegronde opmerkingen de motieven om een potentieel ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.426 IX-10.391-7/19 gevaar voor de openbare orde en veiligheid te ontwaren niet pertinent zijn en bovendien onredelijk. Minstens steunen ze niet op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid zijn vastgesteld en waaruit een potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid kan worden afgeleid. 5. In de memorie van wederantwoord benadrukt verzoeker dat de bestreden beslissing niet steunt op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte verantwoorden dat het voorhanden hebben van een wapen de openbare orde kan verstoren. Minstens uit de in de bestreden beslissing vermelde processen-verbaal die geseponeerd zijn, kan niet wettig worden afgeleid dat hij bij conflicten zou zijn betrokken. De verbalisanten waren er niet bij aanwezig en de processen-verbaal steunen enkel op eenzijdige en niet nader te controleren verklaringen van derden. De stelling van de verwerende partij in de memorie van antwoord dat hij als campinguitbater regelmatig betrokken is bij conflicten, “mogelijks uit lichtgeraaktheid” en “al dan niet met lichamelijke contacten en duw- en trekwerk” is volgens verzoeker suggestief en bovendien niet pertinent want uit de formulering ervan blijkt net dat niet met voldoende zekerheid is vastgesteld dat hij daadwerkelijk lichtgeraakt zou zijn of zich schuldig zou hebben gemaakt aan lichamelijke contacten en duw- en trekwerk. Hetzelfde geldt voor de opmerking van de verwerende partij in de memorie van antwoord dat derden het nodig vinden om aangifte te doen bij de politie waarbij verzoeker zijn rol minimaliseert door zichzelf als slachtoffer van de klachten van derden voor te stellen, aangezien het mogelijk is en alleszins niet is uitgesloten dat hij daadwerkelijk slachtoffer is van lasterlijke aangifte door derden. In zoverre de verwerende partij met betrekking tot de feiten uit 2018 verwijst naar “zijn” verklaring van 17 oktober 2018 waaruit zou moeten blijken dat verzoeker het oneens was met de politie toen die is tussengekomen voor een incident op de camping, merkt verzoeker op dat het bewuste stuk het proces-verbaal van het verhoor van zijn vader betreft en dat het dus niet hij is – maar wel zijn vader – die zogezegd weerspannig zou zijn geweest. Volgens verzoeker is er in het volledige dossier geen enkele aanwijzing te vinden dat hij betrokken zou zijn geweest bij feiten van weerspannigheid en worden in de bestreden beslissing en de memorie van antwoord zijn identiteit en die van zijn vader verwisseld en eenzijdige en ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.426 IX-10.391-8/19 betwiste beweringen van derden over bedreigingen door verzoeker op een hoopje gegooid met zogenaamde vaststellingen van verbalisanten over weerspannigheid door zijn vader, hetgeen feiten zijn waarmee verzoeker niets uit te staan heeft en die hem niet kunnen worden toegerekend. 6. In zijn laatste memorie betwist verzoeker dat de vaststellingen in het proces-verbaal van 28 april 2018 een dragend motief zijn voor de bestreden beslissing en dat die vaststellingen steunen op eigen, objectieve vaststellingen van de politie. Hij argumenteert dat het dossier drie processen-verbaal van 28 april 2018 bevat, namelijk proces-verbaal BG.45.L6.008373/2018 waarin verzoeker als verdachte wordt aangewezen van feiten van bedreiging, zonder bevel of voorwaarde, door gebaren of zinnebeelden; proces-verbaal BG.43.L6.006496/2018 waarin verzoeker en zijn vader worden aangewezen als verdachte van feiten van opzettelijke slagen of verwondingen aan een minderjarige en proces-verbaal BG.41.L6.006497/2018 waarin enkel verzoekers vader als verdachte wordt aangewezen van feiten van opzettelijke slagen of verwondingen aan een agent of officier van gerechtelijke politie tijdens of ter gelegenheid van hun functie. In de bestreden beslissing zijn vier processen-verbaal geanalyseerd, namelijk VU.45.L3.001080/2020, BG.43.L6.006496/2018, VU.43.L3.001077 en VU.45.L3.006355/2019. In zoverre de vaststellingen die zijn opgenomen in een proces-verbaal van 28 april 2018 een dragend motief van de bestreden beslissing zouden zijn – wat verzoeker ontkent – kunnen die vaststellingen volgens verzoeker enkel zijn gedaan in het proces-verbaal BG.43.L6.006496/2018 dat in de bestreden beslissing is vermeld. Uit de motivering van de bestreden beslissing kan onmogelijk worden afgeleid dat het dragend motief slaat op enig feit vermeld in proces-verbaal BG.45.L6.008373/2018, dat blijkens de motivering van de bestreden beslissing zelfs niet bij het onderzoek is betrokken. Ter beoordeling van de wettigheid van de bestreden beslissing mag dan ook slechts acht worden geslagen op proces-verbaal BG.43.L6.006496/2018 dat effectief door de verwerende partij is onderzocht. Over dat proces-verbaal BG.43.L6.006496/2018 stelt verzoeker dat het openbaar ministerie dit dossier zonder gevolg heeft gerangschikt wegens onvoldoende ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.426 IX-10.391-9/19 bewijzen, wat volgens hem volstaat om te besluiten dat er geen eigen, objectieve vaststellingen van de politie zijn, minstens dat die vaststellingen geen relevantie hebben om te concluderen dat wapenbezit een risico zou inhouden voor de openbare orde. Voorts moet volgens hem worden aangenomen dat aan de vaststellingen van de verbalisanten over zogenaamde weerspannigheid of bedreigingen door verzoeker geen bijzondere bewijswaarde kleeft aangezien de verbalisanten persoonlijk betrokken waren bij de feiten of er nadeel door zouden hebben geleden. Proces-verbaal BG.43.L6.006496/2018 geldt dan ook hoogstens als inlichting, in die zin dat er aan de verklaringen van de verbalisanten niet méér geloof moet worden gehecht dan aan die van verzoeker die de feiten steeds heeft ontkend. Tot slot brengt verzoeker nog een nieuw stuk bij – een krantenartikel van 5 oktober 2024 – waaruit volgens hem moet blijken dat er bij de lokale politie van Oostende een cultuur van geweld bestond. Verzoeker is van mening dat dit impliceert dat met het proces-verbaal dat door de lokale politie is opgesteld zeer voorzichtig moet worden omgesprongen “nu het wel duidelijk is dat de betrokken verbalisanten er alles zullen hebben aan gedaan om hun eigen wangedrag in te dekken en weg te schrijven zodat het meteen ook een fluitje van een cent is om zo maar, vanuit het niets, te gaan voorhouden dat [verzoeker] zou hebben opgeroepen tot geweld tegen de politie en/of weerspannigheid”. Beoordeling 7. De bestreden beslissing is genomen met toepassing van artikel 13, eerste lid, van de wapenwet. In zoverre verzoeker de schending aanvoert van artikel 11, § 1, tweede lid, van de wapenwet, faalt het middel naar recht. 8.1. De door de artikelen 2 en 3 van de formelemotiveringswet voorgeschreven formelemotiveringsplicht vereist niet dat het bestuur afzonderlijk antwoordt op elk argument dat door de betrokkene wordt aangevoerd. Het volstaat vanuit het oogpunt van de formelemotiveringsplicht dat verzoeker de redenen kan achterhalen die het bestuur tot het oordeel hebben gebracht dat hem het vuurwapenbezit moet worden ontzegd opdat hij zich op het vlak van de motieven IX-10.391-10/19 ertegen kan verweren met de middelen die het recht hem ter beschikking stelt. 8.2. In de bestreden beslissing komt de verwerende partij tot het besluit dat er twijfel is omtrent het vertrouwen dat in verzoeker kan worden gesteld als wapenbezitter. De verwerende partij stelt vast dat verzoeker de feiten steeds ontkent, maar zij steunt haar oordeel in hoofdzaak op de verklaring van een agent van de interventieploeg “in het pv van 2018” dat verzoeker betrokken was bij een conflictsituatie en zich daarbij schuldig heeft gemaakt aan weerspannigheid tegen de politie en bedreigingen. De vaststellingen in het proces-verbaal van 2018 vormen het dragend motief voor de bestreden beslissing aangezien de verwerende partij, geconfronteerd met verzoeker die alle feiten ontkent, net daaruit het bewijs van verzoekers betrokkenheid bij een conflictsituatie en weerspannigheid tegen de politie en bedreigingen afleidt. 8.3. Terecht stelt verzoeker dat het dossier van de federale wapendienst drie processen-verbaal van 28 april 2018 bevat. In twee dossiers wordt verzoeker zelf genoemd als verdachte, namelijk (

  1. i)in proces-verbaal BG.43.L6.006496/2018 wegens opzettelijke slagen of verwondingen aan een minderjarige op 28 april 2018 bij een incident op de camping en (
  2. ii)in het naar aanleiding van de tussenkomst van de politie bij voornoemd incident opgestelde proces-verbaal BG.45.L6.008373/2018 wegens bedreiging, zonder bevel of voorwaarde, door gebaren of zinnebeelden. Het proces-verbaal BG.45.L6.008373/2018 komt ter sprake in het kader van het eerstgenoemde proces-verbaal dat is opgesteld naar aanleiding van het toebrengen van opzettelijke slagen of verwondingen aan een minderjarige en is dan ook een gevolg van dat incident. Als bijlage bij dat laatstgenoemde proces-verbaal is een verhoor van inspecteur TV gevoegd, die verklaart dat verzoeker betrokken was bij het incident op de camping op 28 april 2018 en zich daarbij weerspannig heeft gedragen en de politie heeft bedreigd. Aldus blijkt dat de vaststellingen – in het bijzonder de verklaring van de inspecteur van politie – in proces-verbaal BG.45.L6.008373/2018 het dragende motief vormen voor de bestreden beslissing. IX-10.391-11/19 Anders dan verzoeker beweert, heeft de verwerende partij proces-verbaal BG.45.L6.008373/2018 – hoewel het niet met nummer wordt vermeld – wél geanalyseerd in de bestreden beslissing aangezien er uit de voornoemde verklaring van de inspecteur van politie wordt geciteerd: “U verklaart echter dat u niets met de feiten te maken had. U ontkent ook dat u de agenten van de interventieploeg belaagd zou hebben. Een van de agenten van de interventieploeg verklaart echter het volgende: Gedurende de schermutseling maakten de uitbater en zijn toegesnelde zoon een aantal dreigende gebaren in onze richting. Zij maakten beiden een horizontale beweging ter hoogte van de keel. Er werd door hen eveneens gezegd dat wij ons ‘keppietje’ voor goed aan de haak zouden kunnen hangen na deze tussenkomst en dat ze de zaak hier zeker niet bij zouden laten.” Verzoeker heeft dit proces-verbaal BG.45.L6.008373/2018, samen met de adviezen van het parket en de lokale politie, op 14 april 2023 toegestuurd gekregen door de federale wapendienst. Hij had er dus kennis van en heeft er verweer tegen kunnen uitoefenen in zijn aanvullend verweerschrift van 26 mei 2023. Ook in het kader van huidig beroep had verzoeker de mogelijkheid om verweer uit te oefenen tegen dat proces-verbaal. 8.4. De verwerende partij heeft aldus voldaan aan de op haar rustende formelemotiveringsplicht. Uit de bestreden beslissing blijkt immers om welke reden verzoekers recht om vuurwapens voorhanden te hebben, ingetrokken blijft en wat het dragende motief daarvoor is. 9. Uit het dossier en de bestreden beslissing blijkt voorts dat verzoeker in zijn aanvullend verweer van 26 mei 2023, met kennis van alle feiten waarop de verwerende partij haar beslissing steunt en inzonderheid proces-verbaal BG.45.L6.008373/2018, schriftelijk zijn standpunt heeft kunnen uiteenzetten en al zeker voor wat het dragend motief van de bestreden beslissing betreft. Zoals hierv r is uiteengezet, heeft de verwerende partij verzoekers argumentatie in rekening gebracht bij het nemen van de bestreden beslissing en heeft zij uiteengezet waarom zij het anders ziet. IX-10.391-12/19 Dat de verwerende partij verzoekers argumentatie niet heeft aanvaard, impliceert nog geen schending van verzoekers recht om zijn standpunt naar voren te brengen. 10. Voorts stelt verzoeker dat de bestreden beslissing niet steunt op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid zijn vastgesteld en waaruit een potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid kan worden afgeleid. Hiermee voert hij de schending aan van de materiëlemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel. Deze grief wordt hierna onderzocht voor wat het dragende motief van de bestreden beslissing betreft, namelijk de vaststellingen – in het bijzonder de verklaring van de inspecteur van politie – in proces-verbaal BG.45.L6.008373/2018 waaruit blijkt dat verzoeker op 28 april 2018 betrokken was bij een conflict op de camping en zich daarbij heeft bezondigd aan weerspannigheid tegen de politie en bedreigingen. Indien het dragende motief van de bestreden beslissing overeind blijft, staat het immers vast dat de bestreden beslissing een deugdelijke grondslag heeft. De overige kritiek van verzoeker is dan overtollig en kan, zelfs al ware ze gegrond, niet tot de gevraagde nietigverklaring leiden. 11. De materiëlemotiveringsplicht houdt in casu in dat de bestreden beslissing moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte verantwoorden dat het voorhanden hebben van wapens de openbare orde kan verstoren. 12. De wapenwet bepaalt niet op grond van welke feiten, noch op grond van welke criteria, de vraag moet worden beoordeeld of het voorhanden hebben van een vuurwapen de openbare orde kan verstoren in de zin van artikel 13, eerste lid, van die wet. De minister van Justitie beschikt over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid, zowel op het vlak van het bewezen verklaren van de feiten waarop hij steunt om tot dit oordeel te komen, als op het vlak van de ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.426 IX-10.391-13/19 kwalificatie van die feiten als gronden tot het beoordelen van de verstoring van de openbare orde. Aangezien de wapenwet inzake het bewezen verklaren van de feiten geen bijzondere bewijswaardering voorschrijft, beoordeelt de minister ook op discretionaire wijze de bewijswaarde van de gegevens uit het dossier om tot zijn overtuiging te komen. Hij mag daarbij niet alleen steunen op bekentenissen of vaststaande bewijzen, maar ook op getuigenissen of vermoedens. 13. Het valt aan de Raad van State in het kader van zijn wettigheidstoezicht niet toe om zelf te beoordelen of het voorhanden hebben van een wapen de openbare orde kan verstoren. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan overeenkomstig de toepasselijke wettelijke bepalingen binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen. 14. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid zijn vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen. 15.1. Zoals hierv r is uiteengezet, zijn de vaststellingen – in het bijzonder de verklaring van de inspecteur van politie – in proces-verbaal BG.45.L6.008373/2018 waaruit blijkt dat verzoeker op 28 april 2018 betrokken was bij een conflict op de camping en zich daarbij schuldig heeft gemaakt aan weerspannigheid tegen de politie en bedreigingen het dragende motief voor de bestreden beslissing. Er moet worden vastgesteld dat verzoeker tegen proces-verbaal BG.45.L6.008373/2018 zelf geen verweer voert, hoewel hij daartoe wel de mogelijkheid had. Wel voert hij in het algemeen aan dat de in de bestreden beslissing vermelde processen-verbaal – waaronder ook proces-verbaal BG.43.L6.006496/2018 – zonder gevolg zijn geklasseerd. Voorts voert hij aan dat ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.426 IX-10.391-14/19 het dossier geen enkele aanwijzing bevat dat hij betrokken zou zijn bij feiten van weerspannigheid en bedreigingen en dat er geen eigen, objectieve vaststellingen van de politie zijn waaruit dit zou blijken. Dit verweer wordt hierna onderzocht. 15.2. Proces-verbaal BG.43.L6.006496/2018 is inderdaad zonder gevolg geklasseerd. Uit het dossier blijkt daarentegen niet welk gevolg is gegeven aan proces-verbaal BG.45.L6.008373/2018. Zelfs al is ook dat proces-verbaal zonder gevolg geklasseerd, moet, voor wat het bestaan van de feiten betreft, worden aangenomen hetgeen volgt. 15.3. Bij de beoordeling of er al dan niet sprake is van een mogelijke verstoring van de openbare orde, mag de minister van Justitie steunen op feiten die niet tot een strafrechtelijke veroordeling hebben geleid. Dat een proces-verbaal nadien zonder gevolg wordt geklasseerd, houdt niet in dat de feiten die in het proces-verbaal worden vermeld zich niet hebben voorgedaan, noch dat uit deze feiten door de verwerende partij niet mocht worden afgeleid dat het voorhanden hebben van wapens een gevaar kan opleveren voor de openbare orde. De seponering op zich sluit dus evenmin uit dat de minister bij de uitoefening van zijn discretionaire beoordelingsbevoegdheid, de door de politie in een proces-verbaal opgenomen verklaringen en vaststellingen in aanmerking neemt en de inhoud ervan bewezen acht. Het strafrechtelijk vermoeden van onschuld staat daaraan niet in de weg. Het proces-verbaal heeft evenwel geen bijzondere bewijs- waarde, zodat de verwerende partij bij de feitenvinding de overige gegevens uit het dossier met betrekking tot deze feiten, eveneens in aanmerking dient te nemen bij de beoordeling van de bewijswaarde van de in het proces-verbaal vervatte feiten. 15.4. De verwerende partij neemt aan dat verzoeker betrokken was bij het incident op de camping op 28 april 2018 en zich schuldig heeft gemaakt aan weerspannigheid tegen en het bedreigen van agenten. IX-10.391-15/19 Verzoeker ontkent dit. Hij brengt echter geen enkel (begin van) bewijs bij en stelt louter dat het dossier daarvoor geen enkele aanwijzing bevat. Die stelling verdient geen bijval. Vooreerst is er de in de bestreden beslissing geciteerde verklaring van een inspecteur van de interventieploeg die is tussengekomen bij het incident van 28 april 2018 op de camping die bij proces-verbaal BG.45.L6.008373/2018 is gevoegd: “Gedurende de schermutseling maakten de uitbater en zijn toegesnelde zoon een aantal dreigende gebaren in onze richting. Zij maakten beiden een horizontale beweging ter hoogte van de keel. Er werd door hen eveneens gezegd dat wij ons ‘keppietje’ voor goed aan de haak zouden kunnen hangen na deze tussenkomst en dat ze de zaak hier zeker niet bij zouden laten.” Anders dan verzoeker beweert, betreft het eigen, objectieve vaststellingen van de politie, die bij het incident aanwezig was en dus niet louter verklaringen van derden. Uit die verklaring blijkt wel degelijk dat verzoeker betrokken was bij het incident op de camping op 28 april 2018, zich weerspannig heeft gedragen en agenten heeft bedreigd. Voorts blijkt uit het dossier dat een tweede inspecteur van de interventieploeg die is tussengekomen bij het incident een gelijkaardige verklaring heeft afgelegd in zijn verhoor dat bij proces-verbaal BG.45.L6.008373/2018 is gevoegd: “De uitbater probeert ondertussen te vluchten, doch wij kunnen hem staande houden ter hoogte van de poort. Wederom klampt hij zich vast aan de poort ten einde onze diensten niet te moeten vergezellen, hierop heb ik hem nogmaals aan de arm vastgenomen en gezegd dat hij kalm moest zijn. Hij reageert echter woest en probeert nogmaals uit te halen naar mijn collega en mezelf, wij zijn genoodzaakt nogmaals met de man naar de grond te gaan ten einde hem onder controle te houden. Enkele personen rondom de man spreken hem gedurende onze tussenkomst aan, ook zij zeggen dat hij kalm moet zijn en dat hij moet meewerken met ons. De man heeft hier echter geen oren naar en blijft zich stevig verzetten tegen ons. Telkens wanneer wij controle hebben over de man wordt hij geholpen door een vijftal personen uit de zaak, meerdere personen hadden een polo aan met camping oasis op. Wij zijn bijgevolg genoodzaakt de man te lossen en te wachten op bijstand ten einde onze eigen veiligheid te waarborgen. Tijdens het wachten op de bijstand komt de uitbater nogmaals naar buiten ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.426 IX-10.391-16/19 gelopen, furieus, en doet hij meermaals teken door middel van een snijdende beweging over de keel. Hij zegt dat hij ons wel zal vinden wanneer we ons uniform niet aanhebben, hierbij is hij steeds vergezeld van zijn zoon die dezelfde bewegingen maakt. Ze roepen meermaals naar ons dat we ‘eraan’ zijn en dat wij door hun connecties onze keppie aan de haak zullen mogen hangen.” Opnieuw gaat het om eigen, objectieve vaststellingen van de politie, die bij het incident aanwezig was en waaruit blijkt dat verzoeker op 28 april 2018 betrokken was bij een incident op de camping waarbij hij zich weerspannig heeft gedragen tegenover de politie en hen heeft bedreigd. 15.5. Gelet op deze overeenstemmende verklaringen van inspecteurs die bij het incident aanwezig waren, mocht de verwerende partij tot het besluit komen dat de feiten van weerspannigheid bewezen zijn. 15.6. Verzoeker beweert wel dat de politie niet objectief is en zelf buitensporig geweld heeft gebruikt. Daarmee toont verzoeker niet aan dat de feiten zich niet hebben voorgedaan. En als verzoeker van oordeel was dat het optreden van de politie de perken van de wettigheid te buiten ging, dan lag het op zijn weg om het geëigende pad te volgen om dit aan de kaak te stellen in plaats van de politie te bedreigen. Verzoeker legt echter geen enkel stuk voor waaruit blijkt dat hij de onwettigheid van het politieoptreden aan de kaak heeft willen stellen. 16. Uit wat voorafgaat, volgt dat verzoeker niet ertoe komt te ontkrachten dat de bestreden beslissing steunt op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid zijn vastgesteld. Een schending van artikel 13, eerste lid, van de wapenwet, de materiëlemotiveringsplicht of het zorgvuldigheidsbeginsel is niet aangetoond. 17. Verzoeker voert ten slotte aan dat “de motieven om in hoofde van verzoeker een potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid te ontwaren” “kennelijk onredelijk” zijn. IX-10.391-17/19 18. Een schending van het redelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur veronderstelt dat de overheid bij het nemen van de beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij haar beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt. Het redelijkheidsbeginsel kan derhalve slechts geschonden zijn indien de administratieve overheid een beslissing neemt die dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon, dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende administratieve overheid in dezelfde omstandigheden tot deze besluitvorming zou komen. De Raad van State gaat bij de beoordeling van de redelijkheid van de bestreden beslissing uit van de feiten zoals ze blijken uit de bestreden beslissing en waarvan verzoeker de onwettigheid niet heeft aangetoond, getoetst aan de door verzoeker in het middel aangevoerde argumenten die volgens verzoeker doen blijken dat de bestreden beslissing het redelijkheidsbeginsel miskent. 19. In de toelichting bij het middel werkt verzoeker de beweerde schending van het redelijkheidsbeginsel niet nader uit. Minder nog toont hij aan dat het ondenkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende administratieve overheid in dezelfde omstandigheden tot dezelfde beslissing zou komen. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Gelet op de ernst van de vaststaande feiten waaruit blijkt dat verzoeker op 28 april 2018 betrokken was bij een conflict op de camping en zich daarbij heeft bezondigd aan weerspannigheid tegenover en bedreigingen van de politie, treedt de minister van Justitie overigens de perken van de redelijkheid niet te buiten met het oordeel dat een preventieve maatregel noodzakelijk is ter vrijwaring van de openbare orde en dat verzoekers recht om vuurwapens voorhanden te hebben, moet worden ingetrokken. 20. Het enige middel, voor zover ontvankelijk, is ongegrond. IX-10.391-18/19 BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zesentwintig mei tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Jurgen Neuts, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren IX-10.391-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.426 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.