id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.430 Rolnummer: A. 244665/IX-10652 Zaak: Arrest 263430 - Varia (justitie) - 26/05/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-06-02 Raadplegingen: 101 - laatst gezien 2026-06-16 04:57 Fiche Arrest nr 263.430 van 26 mei 2025 Justitie - Varia (justitie) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.430 no lien 283443 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 263.430 van 26 mei 2025 in de zaak A. 244.665/IX-10.652 In zake:
- A.H.
- A.H. woonplaats kiezend te tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stefaan Verbouwe kantoor houdend te 1150 Brussel Tervurenlaan 270 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 8 mei 2025, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging: “a. Van de administratieve overschrijving van het eigendomsrecht op 21 februari 2020 (ref. 76-T-21/02/2020-02046), uitgevoerd door het Kantoor Rechtszekerheid Turnhout, zonder betekening van het arrest van 8 januari 2020 of enig rechterlijk bevel; b. Van de ambtshalve kantmelding op dezelfde datum (ref. 76-M-21/02/2020-02047), toegevoegd zonder betekening, zonder motivering, en waarvan de toegang tot op heden systematisch werd geweigerd; c. Van de beslissing van het COIV van 21 mei 2024, waarbij ING België NV toestemming kreeg tot openbare verkoop zonder voorafgaande hoorplicht of betekening.” IX-10.652-1/8 II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 263.182 van 30 april 2025 werd een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid verworpen. Bij beschikking van 13 mei 2025 werd de procedurekalender vastgesteld. De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 mei 2025, om 10.30 uur. Staatsraad Jim Deridder heeft verslag uitgebracht. De verzoekende partijen en advocaat Stefaan Verbouwe, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- De feitelijke toedracht van de zaak is uiteengezet in arrest nr. 263.182 van 30 april
- Er wordt naar verwezen. IX-10.652-2/8 IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
- De verzoekende partijen hebben op 19 mei 2025 een ‘aanvullend verzoekschrift’ en bijkomende stukken ingediend. Het koninklijk besluit van 19 november 2024 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding en tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ voorziet niet in de mogelijkheid om een aanvullend verzoekschrift of nieuwe stukken neer te leggen. Zowel het aanvullend verzoekschrift als de daarbij gevoegde stukken dienen derhalve uit het debat te worden geweerd. In de mate dat het aanvullend verzoekschrift de weergave vormt van de uiteenzetting van de verzoekende partijen ter terechtzitting, wordt het als een loutere inlichting in aanmerking genomen. V. Precisering van het voorwerp 5.
- De verzoekende partijen hebben op 16 april 2025 twee afzonderlijke verzoekschriften ingediend. 5.
- Een eerste verzoekschrift strekt tot de nietigverklaring en de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de overschrijving van een vermeende verbeurdverklaring van het pand gelegen te 2360 Oud-Turnhout, […], zoals opgenomen op 21 februari 2020 onder referentie 76-T-21/02/2020-02046 en van […] te Oud Turnhout”. Die zaak is gekend onder rolnummer A. 244.665/IX-10.
- IX-10.652-3/8 Bij arrest nr. 263.182 van 30 april 2025 is die vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid afgewezen. Volgens dit arrest was de uiterst dringende noodzakelijkheid niet aangetoond. 5.
- Een tweede verzoekschrift strekt tot de nietigverklaring en de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de administratieve beslissing van de FOD Financiën / COIV, meegedeeld per e-mail op 21 mei 2024 door [K.V.], waarbij de Belgische Staat zich niet verzet tegen de openbare verkoop van de panden te Oud-Turnhout op basis van uitvoerend beslag door ING België”. Die zaak is gekend onder rolnummer A. 244.666/IX-10.
- Bij arrest nr. 263.183 van 30 april 2025 is ook die vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid afgewezen wegens een gemis aan uiterst dringende noodzakelijkheid. 5.
- De verzoekende partijen hebben van die beroepen geen afstand gedaan. De beide zaken zijn nog hangende, in afwachting van gebeurlijke verzoeken tot voortzetting van de annulatieprocedures. 5.
- De verzoekende partijen vorderen thans opnieuw, in één verzoekschrift, de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de sub 5.2 en 5.3 vermelde bestreden beslissingen. Het verzoekschrift vermeldt geen rolnummer. De verzoekende partijen kúnnen na afwijzing van een schorsingsverzoek een nieuwe vordering tot schorsing instellen – daarover hierna meer – maar zij vermogen daarbij niet het voorwerp van het geschil in de ene zaak uit te breiden met een bestreden beslissing die op hun verzoek reeds sub judice is in een andere zaak. Op de terechtzitting is aan de verzoekende partijen gevraagd binnen welk van de twee vóórmelde rolnummers zij de huidige schorsingsvordering behandeld willen zien. De verzoekende partijen antwoorden hierop dat zij die keuze aan de Raad van State overlaten. IX-10.652-4/8 5.
- Die keuze aldus makend, oordeelt de Raad van State dat de eerst vermelde bestreden beslissing in het verzoekschrift bepalend is. Huidig schorsingsverzoek situeert zich derhalve binnen de zaak gekend onder rolnummer A. 244.665/IX-10.652 en de schorsingsvoorwaarden worden enkel onderzocht met betrekking tot het sub 5.2 vermelde voorwerp. VI. Ontvankelijkheid van de vordering
- Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zouden alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. VII. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord. Overeenkomstig paragraaf 5 van datzelfde artikel wordt de zaak behandeld bij uiterst dringende noodzakelijkheid en derhalve binnen een termijn van vijftien dagen of minder, wanneer zulks in het opschrift wordt vermeld. VIII. Uiterst dringende noodzakelijkheid
- Zoals hiervóór reeds is aangestipt, hebben de verzoekende partijen reeds eerder een vordering tot schorsing ingesteld bij uiterst dringende IX-10.652-5/8 noodzakelijkheid en is die vordering bij arrest nr. 263.182 van 30 april 2025 afgewezen omdat de uiterst dringende noodzakelijkheid niet is aangetoond. Luidens artikel 17, § 2, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan een nieuwe vordering tot schorsing slechts worden ingesteld “indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen”. Voor zoveel als nodig mag worden opgemerkt dat elementen die niet eerder uitdrukkelijk in een verzoekschrift waren verwoord niet ipso facto “nieuwe elementen” zijn in de zin van de vóórmelde bepaling.
- ‘Nieuw’ is volgens het verzoekschrift eensdeels “de administratieve koppeling met ref. 76-M-21/02/2020-02047” en anderdeels “het bestaan van foutieve of ontbrekende informatie, waarvan verzoekers pas op 5 mei 2025 materieel kennis kregen via de gerechtsdeurwaarder”. Er zij aan herinnerd dat het vereiste van de ernst van de middelen en het vereiste van het bestaan van de uiterst dringende noodzakelijkheid duidelijk onderscheiden schorsingsvoorwaarden zijn die los van elkaar moeten worden onderzocht. Zelfs indien wordt aangenomen dat wat de verzoekende partijen aanvoeren elementen betreft die zij pas op 5 mei 2025 – en dus ná het instellen van hun voorgaand schorsingsverzoek – hebben vernomen, dan nog moet worden vastgesteld dat die elementen geenszins betrekking hebben op de uiterst dringende noodzakelijkheid. De onwettigheden die worden aangevoerd, kunnen op zich geen reden zijn om de thans besproken schorsingsvoorwaarde vervuld te achten.
- Om dezelfde reden overtuigt ook wat ter terechtzitting als “fundamenteel nieuw feit” wordt aangedragen niet. De kritiek van de verzoekende partijen dat een uitvoerend beslag in het Kantoor Rechtszekerheid werd ingeschreven bijna tien maanden vóór het vonnis dat voor dat beslag de rechtsgrond vormt, houdt al evenzeer verband met de grond van de zaak. IX-10.652-6/8
- Daarnaast voeren de verzoekende partijen onder de titel “[s]poedeisend karakter in de zin van artikel 19, § 2 [lees: artikel 17, § 2] Gecoördineerde Wetten op de Raad van State” tien argumenten aan die “het bestaan van een uiterst dringende noodzakelijkheid en een ernstig nadeel dat moeilijk te herstellen is” moeten aantonen. Daargelaten dat de verzoekende partijen uit het oog verliezen dat de voorwaarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel als schorsingsvoorwaarde is verlaten sinds de hervorming van de procedure bij wet van 20 januari 2014 die in werking is getreden op 1 maart 2014 – ondertussen meer dan tien jaar geleden – overtuigen deze argumenten evenmin. Terecht immers, worden negen van deze tien argumenten door de verzoekende partijen níét aangemerkt als ‘nieuw’. Het gegeven dat het huidige verzoekschrift elementen bevat die niet in het eerste verzoekschrift op papier waren gezet, doet geen afbreuk aan de vaststelling dat de thans aangevoerde feiten ten tijde van de eerste vordering reeds bestonden en dus bekend waren of moesten zijn. Van één argument stellen de verzoekende partijen wél dat het “een nieuw spoedeisend feit” betreft. De uiteenzetting ter zake luidt: “Op 2 mei 2025 kreeg [de tweede verzoekende partij] via email een systeemmelding dat een hypothecair document van de FOD Financiën beschikbaar is. [De tweede verzoekende partij] heeft echter geen toegang tot dit document omdat haar identiteitskaart niet meer geldig is en weet niet wie dit heeft opgevraagd. De redelijke veronderstelling is dat een derde partij – al dan niet op initiatief van de Belgische Staat of een notaris – voorbereidingen treft voor een verkoop of overschrijving. Dit vormt een nieuw spoedeisend feit dat aantoont dat de uitvoeringsmaatregelen van het betwiste besluit in gang gezet zijn. Verzoekers [riskeren] definitief verlies van eigendom zonder voorafgaande rechterlijke beoordeling over de wettigheid van de overschrijving van 21 februari 2020.” Dat de betrokken panden zouden worden verkocht, weten de verzoekende partijen evenwel als sinds vóór het instellen van de eerste ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.430 IX-10.652-7/8 schorsingsvordering. Of in het raam van die verkoop bepaalde voorbereidende handelingen worden gesteld, is niet van aard om van die op handen zijnde verkoop een nieuw gegeven te maken.
- Uit wat voorafgaat, volgt dat de Raad, gelet op het bepaalde in artikel 17, § 2, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, de huidige vordering moet afwijzen wegens het ontbreken van nieuwe elementen die de spoedeisendheid rechtvaardigen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zesentwintig mei tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Jim Deridder, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Jim Deridder IX-10.652-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.430 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.182 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.