← België

Arrest 263440 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 27/05/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.440 Rolnummer: A. 241853/IX-10465 Zaak: Arrest 263440 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 27/05/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-06-11 Raadplegingen: 94 - laatst gezien 2026-06-16 04:57 Fiche Arrest nr 263.440 van 27 mei 2025 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Afstand van geding Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.440 no lien 283450 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 263.440 van 27 mei 2025 in de zaak A. 241.853/IX-10.465 In zake: M.D. woonplaats kiezend te tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door:

  1. de minister belast met Ambtenarenzaken
  2. de leidend ambtenaar van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de FOD Beleid en Ondersteuning bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Maxime Chomé en Helena Verschueren kantoor houdend te 1050 Brussel Eugène Flageyplein 18 bij wie woonplaats wordt gekozen
  3. de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ine De Cneudt kantoor houdend te 3054 Vaalbeek Maurits Noëstraat 145 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp
  4. Het verzoekschrift, ingediend op 10 april 2024, strekt tot: “- De nietigverklaring van de beslissing van de verwerende partij dd. 16/02/2024 en van de weigering mij aan te stellen bij de dienst Voogdij; - Dat het Raad van State te beslissen dat ik aangesteld ben met ingang van 16/02/2024; - Veroordeling van de verweerder tot betaling van een provisioneel bedrag van €1 als loonverschil en bijbehorende vergoedingen vanaf de datum van de bestreden beslissing d.d. 16/02/2024 tot de effectieve indiensttreding bij de dienst Voogdij ten titel van materiële schadevergoeding; - Veroordeling van verweerder tot betaling van een morele schadevergoeding van ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.440 IX-10.465-1/4 € 2000.” II. Verloop van de rechtspleging
  5. De tweede en de derde vertegenwoordiger van de verwerende partij hebben een memorie van antwoord ingediend. De verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend ten aanzien van deze twee vertegenwoordigers van de verwerende partij en een toelichtende memorie ten aanzien van de eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een verslag opgesteld. Dat verslag werd aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 13 december
  6. Op 5 februari 2025 heeft de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan de verzoekende partij de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 14quater van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. De verzoekende partij heeft niet gevraagd om te worden gehoord. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  7. III. Beoordeling
  8. In het auditoraatsverslag wordt de verwerping van het beroep voorgesteld. IX-10.465-2/4 Naar luid van artikel 21, zevende lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State geldt ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding wanneer zij, na de kennisneming van het verslag van de auditeur waarin de verwerping of de onontvankelijkheid van het beroep wordt voorgesteld, geen verzoek tot voortzetting van de procedure indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de betekening van het verslag. Verzoeker heeft geen verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend.
  9. Het vermoeden van afstand van geding is te dezen van toepassing.
  10. Aangezien er aldus geen aanleiding is om de door verzoeker aangevoerde middelen te onderzoeken en er derhalve ook geen onwettigheid wordt vastgesteld, dient het verzoek tot schadevergoeding tot herstel overeenkomstig artikel 25/3, § 3, van het voormelde besluit van de Regent te worden verworpen.
  11. Met toepassing van artikel 70, § 1, vijfde lid, van het besluit van de Regent zijn het rolrecht en de bijdrage voor het verzoek tot schadevergoeding tot herstel niet verschuldigd en dienen ze aan verzoeker te worden terugbetaald. BESLISSING
  12. De Raad van State spreekt de afstand van geding uit.
  13. De Raad van State verwerpt het verzoek tot schadevergoeding tot herstel. IX-10.465-3/4
  14. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de tweede en de derde vertegenwoordiger van de verwerende partij, elk voor de helft. Het onverschuldigde rolrecht van 200 euro en de onverschuldigde bijdrage van 24 euro voor het verzoek tot schadevergoeding tot herstel dienen aan de verzoekende partij te worden terugbetaald. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zevenentwintig mei tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.465-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.440 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.