← België

Arrest 263451 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 27/05/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.451 Rolnummer: A. 240022/X-18467 Zaak: Arrest 263451 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 27/05/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-06-06 Raadplegingen: 90 - laatst gezien 2026-06-16 04:53 Fiche Arrest nr 263.451 van 27 mei 2025 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 263.451 van 27 mei 2025 in de zaak A. 240.022/X-18.467 In zake : de VZW M.O. woonplaats kiezend te tegen : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN OOST-VLAANDEREN Tussenkomende partij : de STAD OUDENAARDE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Meindert Gees en Hanna Biebauw kantoor houdend te 8500 Kortrijk Engelse Wandeling 2F5 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 13 september 2023, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de provincieraad van de provincie Oost-Vlaanderen van 24 mei 2023 waarbij het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan (PRUP) ‘Bedrijvigheid Oudenaarde’ definitief wordt vastgesteld, in zoverre dit het deelplan 2 ‘Coupure’ betreft. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. X-18.467-1/14 De stad Oudenaarde heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. Adjunct-auditeur Evelien De Taeye heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 februari
  3. Kamervoorzitter Jan Clement heeft verslag uitgebracht. Advocaat Luc Lambert, die verschijnt voor de verzoekende partij, Kaat Van Keymeulen, juriste, die loco verschijnt voor de verwerende partij, en Eva Verelst, die loco advocaten Meindert Gees en Hanna Biebauw verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Evelien De Taeye heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Ten westen van het historisch centrum van de stad Oudenaarde bevindt zich een terrein dat paalt aan de Schelde (hierna: het betrokken terrein). Krachtens het bij koninklijk besluit van 24 februari 1977 vastgestelde gewestplan ‘Oudenaarde’ (hierna: het gewestplan uit 1977) is het X-18.467-2/14 betrokken terrein gelegen in recreatiegebied en gebied voor gemeenschaps-voorzieningen en openbare nutsvoorzieningen. Aan de overzijde van de Schelde toont het gewestplan uit 1977 een zone voor ambachtelijke bedrijven en kleine en middelgrote ondernemingen. 3.
  6. Met een besluit van 29 oktober 1999 wijzigt de Vlaamse regering het gewestplan uit 1977, waardoor het betrokken terrein de bestemming ‘regionaal bedrijventerrein met openbaar karakter’ krijgt (hierna: de gewestplanwijziging van 1999). 3.
  7. Op 2 december 2003 keurt de Vlaamse minister van Ruimtelijke Ordening het bijzonder plan van aanleg ‘Coupure’ van de stad Oudenaarde, tot nadere inrichting van het voornoemde regionaal bedrijventerrein, goed (hierna: het BPA van 2003). 3.
  8. Bij arrest nr. 187.224 van 21 oktober 2008 vernietigt de Raad van State het BPA van
  9. In dit arrest wordt geoordeeld dat de gewestplanwijziging van 1999 buiten toepassing moet worden gelaten, overeenkomstig artikel 159 van de Grondwet, wegens een onterechte toepassing van de spoedeisende procedure van advies door de afdeling Wetgeving van de Raad van State. 3.
  10. Met een besluit van 18 december 2008 stelt de provincieraad van de provincie Oost-Vlaanderen (hierna: de provincieraad) het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Afbakening kleinstedelijk gebied Oudenaarde’ vast, dat wordt goedgekeurd door het besluit van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening van 20 maart 2009 (hierna: het PRUP van 2009). Deelplan ‘Coupure’ van het PRUP van 2009 bestemt het betrokken terrein tot bedrijventerrein. 3.
  11. Bij arrest nr. 218.458 van 14 maart 2012 vernietigt de Raad van State het deelplan ‘Coupure’ van het PRUP van 2009 omdat de plannende overheid de op haar rustende plan-milieueffectrapportageplicht niet is nagekomen. X-18.467-3/14 3.
  12. Met een besluit van 12 november 2014 stelt de provincieraad het PRUP ‘Coupure’ vast, dat wordt goedgekeurd door het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 12 januari 2015 (hierna: het PRUP van 2015). 3.
  13. Bij arrest nr. 239.204 van 26 september 2017 vernietigt de Raad van State het PRUP van 2015, waarbij wordt geoordeeld dat de gewestplan-wijziging van 1999, voor wat het plangebied betreft, buiten toepassing dient te worden gelaten, overeenkomstig artikel 159 van de Grondwet.
  14. In 2020 neemt de provincie Oost-Vlaanderen het initiatief voor het PRUP ‘Bedrijvigheid Oudenaarde’ dat uit het deelplan 1 ‘Hauwaart-Varent’ en het deelplan 2 ‘Coupure’ bestaat. Door het laatstgenoemde deelplan wordt het betrokken terrein bestemd tot een gemengd regionaal bedrijventerrein, een bouwvrije zone met archeologische waarde, een zone voor openbaar domein en een zone voor gemeenschapsvoorzieningen.
  15. Op 7 september 2022 stelt de provincieraad het ontwerp PRUP en het bijhorende ontwerp plan-milieueffectrapport (hierna: plan-MER) voorlopig vast.
  16. Tijdens het openbaar onderzoek, georganiseerd van 10 oktober tot 8 december 2022, worden vier adviezen uitgebracht en zes bezwaarschriften ingediend, waaronder een van de verzoekende partij. 7.
  17. In zitting van 14 februari 2023 bespreekt de provinciale commissie voor ruimtelijke ordening (hierna: Procoro) de bezwaren en geeft zij een voorwaardelijk gunstig advies. X-18.467-4/14 7.
  18. De Procoro verwerpt het bezwaar van de verzoekende partij en deze verwerping wordt door de verwerende partij bijgetreden. Dit bezwaar en de beoordeling ervan luidt: “[Bezwaar van de verzoekende partij:] Men kan zich zwaar vragen stellen over de klimaatrobuustheid van dit deelplan en de ligging van overstromingsgevoelig gebied. Er worden geen maatregelen getroffen om te gaan met klimaatwijzigingen zoals hevige en langdurige regen… De effecten worden ook niet onderzocht. Geen rekening gehouden met de bepalingen, doelstellingen en beginselen van het Waterwetboek. […] Ondanks dat het plangebied midden in de Scheldevallei gelegen is, voorziet het ontwerp plan niets om het schadelijk effect van versnippering langsheen de Schelde ongedaan te maken of minstens te beperken bv. door het aanduiden van een corridor die redelijk dienst kan doen voor de fauna en flora van de Scheldevallei, t.t.z. dat die voldoende breedte heeft. Nu wordt met voorliggend plan de volledige breedte van de Scheldevallei hier (i.c. 450 à 550 m) voorzien voor een harde functie, terwijl het redelijk zou zijn hiervan een breedte van 50 à 100 m (dit is slechts 10 à 20% van de volledige breedte) te voorzien als corridor teneinde een functionele corridor te hebben voor fauna en flora. Ondanks de ligging in mogelijk overstromingsgevoelig gebied voorziet het plan niets om de verloren ruimte voor het watersysteem te compenseren. Daarnaast heeft het plangebied door diens ligging midden in de Scheldevallei een uitstekende ligging om extra ruimte voor water te creëren. Uit niets blijkt dat de plannende overheid rekening heeft gehouden met de doelstelling die gericht is op het behouden en herstellen van de natuurlijke werking van watersystemen van de Scheldevallei en met de doelstelling om zoveel mogelijk ruimte te bieden aan water, waarbij het waterbergend vermogen van overstromingsgevoelige gebieden zo veel als mogelijk gevrijwaard wordt en watergebonden functies van de oeverzones en overstromingsgebieden worden behouden en waar nodig hersteld. Motivering Procoro: De klimaatrobuustheid en de overstromingsgevoeligheid werden weldegelijk grondig onderzocht. Zo werd de discipline Klimaat zelfs als volwaardige discipline in het plan-MER onderzocht. De milderende maatregel ‘Voorzien van groenblauwe dooradering van het bedrijventerrein, om de gevolgen van hittestress en wateroverlast te helpen milderen […]’ werd ook doorvertaald in het PRUP: • In de verordenende stedenbouwkundige bestemmingsvoorschriften van het ‘Gemengd regionaal bedrijventerrein’ (art. 2.2.1) is groenaanleg expliciet toegelaten. • In de verordenende stedenbouwkundige inrichtings- en beheervoorschriften van het ‘Gemengd regionaal bedrijventerrein’ (art. 2.2.2) is zijn voorschriften rond ‘Waterhuishouding’ opgenomen. X-18.467-5/14 • Op het verordenend grafisch plan is o.a. op het ‘Gemengd regionaal bedrijventerrein’ een ‘Overdrukzone Bouwvrij’ aangebracht. In de bijhorende verordenende stedenbouwkundige voorschriften (art. 2.2.4) is o.a. aangegeven dat: o in deze overdrukzone min. 70 % groen aan te leggen is; o in deze overdrukzone ook grasperken, waterpartijen en waterbuffering mogen voorkomen; o wanneer de bestaande langsgrachten worden heraangelegd, de betonelementen dienen verwijderd te worden en deze dienen ingericht te worden met zwak hellende taluds en ruimte voor de oevers. • Op het verordenend grafisch plan is op het ‘Gemengd regionaal bedrijventerrein’ een ‘Overdrukzone Buffer’ aangebracht. De bijhorende verordenende stedenbouwkundige voorschriften (art. 2.2.5) bepalen o.a. dat: o de buffer wordt beplant met dicht, streekeigen, hoog- en/of laagstammig groen; o waterlopen in de buffer ruimte krijgen voor natuurlijke ontwikkeling en dat er natuurvriendelijk oeverbeheer wordt toegepast. • Op het verordenend grafisch plan is een ‘Bouwvrije zone met archeologische waarde’ aangebracht. In de bijhorende verordenende stedenbouwkundige inrichtings- en beheervoorschriften (art. 2.3.2) is o.a. aangegeven dat: o in deze zone min. 70 % groen aan te leggen is; o in deze zone ook grasperken, waterpartijen en waterbuffering mogen voorkomen. • Op het verordenend grafisch plan is een ‘Indicatieve lijnoverdruk Waterloop’ aangebracht. De bijhorende stedenbouwkundige voorschriften (art. 2.2.10, art. 2.3.4, art. 2.4.3 en art. 2.5.7) bepalen o.a.: o dat de bestaande waterloop behouden dient te worden; o dat het open en natuurlijk karakter maximaal dient te worden geconsolideerd en zo nodig hersteld en als dusdanig beheerd; o dat de waterloop ruimte krijgt voor natuurlijke ontwikkeling en dat natuurvriendelijk oeverbeheer wordt toegepast. Ook de discipline Oppervlaktewater werd volwaardig in het plan-MER onderzocht. De aanbeveling ‘Verhardingen waar mogelijk waterdoorlaatbaar uit te voeren en enkel met ondoorlatende verhardingen werken waar dit noodzakelijk is […]’ werd ook doorvertaald in het PRUP: In de verordenende stedenbouwkundige voorschriften is in de algemene bepalingen (art. 0.2) onder ‘Waterhuishouding’ o.a. opgenomen dat bij aanleg van verhardingen er rekening dient mee gehouden te worden dat niet-verontreinigd regenwater de mogelijkheid moet krijgen om maximaal door te dringen in de ondergrond door zoveel mogelijk waterdoorlatende materialen te gebruiken, of door afleiding van het regenwater naar onverharde delen, of door afleiding naar daartoe voorziene constructies om water te infiltreren of te bufferen. De aanbeveling ‘Bij het dwarsen van de Rietgracht: Behouden van de open waterloop; Overwelving enkel waar strikt noodzakelijk; Vrijhouden van de oeverstroken; Natuurvriendelijke inrichting van eventueel aan te passen X-18.467-6/14 waterlopen, langsgrachten en in te richten infiltratie-/bufferbekkens (tevens i.f.v. het faunistisch belang – discipline biodiversiteit); Eventueel voorzien van migratiemogelijkheden voor fauna langsheen de waterloop (cfr. discipline biodiversiteit); Kwaliteitsvolle inrichting ‘kruispunten’ weg – waterloop […]’ werd ook doorvertaald in het PRUP: Op het verordenend grafisch plan is voor de Rietgracht een ‘Indicatieve lijnoverdruk Waterloop’ aangebracht. In de bijhorende verordenende stedenbouwkundige voorschriften (art. 2.2.10, art. 2.3.4, art. 2.4.3 en art. 2.5.7) is o.a. bepaald dat: • ter hoogte van deze indicatieve lijnoverdruk de bestaande waterloop dient behouden te worden; • het open en natuurlijk karakter maximaal dient te worden geconsolideerd en zo nodig hersteld en als dusdanig beheerd; • de waterloop ruimte voor natuurlijke ontwikkeling krijgt en dat natuurvriendelijk oeverbeheer wordt toegepast; • overwelvingen uitzonderlijk zijn toegelaten voor noodzakelijke plaatselijke overbruggingen. Op het verordenend grafisch plan is o.a. op het ‘Gemengd regionaal bedrijventerrein’ een ‘Overdrukzone Bouwvrij’ opgenomen. In de bijhorende verordenende stedenbouwkundige voorschriften (art. 2.2.4) is o.a. bepaald dat wanneer de bestaande langsgrachten worden heraangelegd, de betonelementen dienen verwijderd te worden en deze dienen ingericht te worden met zwak hellende taluds en ruimte voor de oevers. De Schelde en haar oevers (grotendeels buiten het plangebied) blijven weldegelijk fungeren als groene en functionele corridor voor fauna en flora. Daarnaast stroomt doorheen het plangebied ook de Rietgracht, die op het verordenend grafisch plan en in de bijhorende verordenende stedenbouwkundige voorschriften de nodige ruimte krijgt (zie hierboven), een ruimte die ook fungeert als groene en functionele corridor voor fauna en flora.”
  19. Met het bestreden besluit van 24 mei 2023 stelt de provincieraad van de provincie Oost-Vlaanderen het PRUP ‘Bedrijvigheid Oudenaarde’ en het bijhorende plan-MER definitief vast. Van dit besluit wordt melding gemaakt in het Belgisch Staatsblad van 19 juli
  20. X-18.467-7/14 IV. Onderzoek van de middelen A. Het eerste middel Uiteenzetting van het middel 9.
  21. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van artikel 1.3.1.1 in samenhang met de artikelen 1.2.2 en 1.2.3 van het decreet van 18 juli 2003 ‘betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018’ (hierna: het waterwetboek) en van de artikelen 2/1 en 4 van het besluit van de Vlaamse regering van 20 juli 2006 ‘tot vaststelling van nadere regels voor de toepassing van de watertoets, tot aanwijzing van de adviesinstanties en tot vaststelling van nadere regels voor de adviesprocedure bij de watertoets, vermeld in artikel 1.3.1.1 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018’, evenals van de materiëlemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. 9.
  22. Volgens de verzoekende partij ontbreekt een toetsing aan de doelstellingsbepaling uit het waterwetboek die stelt dat ter voorkoming van de verdere achteruitgang van aquatische ecosystemen, van rechtstreeks van waterlichamen afhankelijke terrestrische ecosystemen en waterrijke gebieden men zoveel als mogelijk de natuurlijke werking van watersystemen dient te behouden en te herstellen, en het schadelijk effect van versnippering langsheen oppervlakte-waterlichamen ongedaan dient te maken of minstens te beperken. De natuurlijke werking van het watersysteem zou kunnen hersteld worden door de ophoging van dit stuk Scheldevallei terug af te graven, maar daarvoor wordt door de plannende overheid niets voorzien. Er is geen rekening gehouden met de historische toestand vóór de ontwikkeling tot bedrijventerrein. In vergelijking met deze historische feitelijke toestand (tot in 2003), zorgt het bestreden PRUP voor een zeer grote toename van de verharde oppervlakte. Er is niet voldoende onderzocht hoeveel de infiltratie van het hemelwater vermindert ten opzichte van deze historische feitelijke situatie en hoeveel hiervoor gecompenseerd dient te worden. X-18.467-8/14 De verzoekende partij stelt voorts dat de Procoro haar bezwaar omtrent de versnippering van de Scheldevallei naast de kwestie heeft beantwoord. Dit bezwaar ging immers noch over de Rietgracht, noch over (de oevers van) de Schelde, maar over de Scheldevallei, “hetgeen de kern van de zaak betreft”.
  23. In haar memorie van wederantwoord hekelt de verzoekende partij het feit dat het bestreden PRUP uitbreidingsperspectieven biedt aan de bestaande bedrijfsgebouwen. De bestaande feitelijke toestand is wederrechtelijk tot stand gekomen. Een wederrechtelijke toestand kan niet als uitgangspunt van de beoordeling genomen worden. Voorts stelt de verzoekende partij dat de verwerende partij er ten onrechte aan voorbijgaat dat “versnippering” ruimer is dan “onderbreking in het valleigebied”. Ook het kleiner worden van gebieden met hoge natuurwaarden valt onder de term “versnippering”.
  24. In haar laatste memorie benadrukt de verzoekende partij dat er geen rekening mag worden gehouden met de door de Raad van State vernietigde bestemmingsplannen. Het kwam de verwerende partij toe om ten opzichte van de feitelijke toestand van 2003 correct in te schatten voor hoeveel extra bebouwing en verharding het bestreden PRUP kan zorgen en op basis daarvan te bepalen hoeveel verminderde hemelwaterinfiltratie er kan optreden, om vervolgens een passende compensatie op te leggen in dit PRUP. Uit de rechtspraak van de Raad voor Vergunningsbetwistingen blijkt bovendien dat ieder verlies van ruimte voor het watersysteem, hoe beperkt ook, dient te worden gecompenseerd. Het antwoord dat er naar het oordeel van de Procoro en de plannende overheid afdoende corridors voor fauna en flora voorzien zijn, heeft volgens de verzoekende partij geen betrekking op het aspect versnippering zelf, die in de eerste plaats het kleiner worden van leefgebieden betreft. X-18.467-9/14 Beoordeling 12.
  25. Artikel 1.3.1.1, § 1, eerste lid, van het waterwetboek bepaalt dat de overheid die over een plan moet beslissen, er zorg voor draagt, door het weigeren van de goedkeuring van het plan of door het opleggen van gepaste voorwaarden of aanpassingen, dat geen schadelijk effect ontstaat of zoveel mogelijk wordt beperkt en, indien dit niet mogelijk is, dat het schadelijk effect wordt hersteld of in de gevallen van de vermindering van de infiltratie van hemelwater of de vermindering van ruimte voor het watersysteem, wordt gecompenseerd. 12.
  26. Het bestreden PRUP heeft een reglementaire aard. Ter naleving van de in het middel aangevoerde rechtsregels rust op de plannende overheid de verplichting om een watertoets uit te voeren waarin beoordeeld wordt of de vervanging van de voorschriften van het bestaande bestemmingsplan door nieuwe voorschriften een schadelijk effect voor het watersysteem meebrengt. Dat feitelijke elementen, zoals bijvoorbeeld de ligging van het plangebied in een riviervallei, bij die beoordeling een rol kunnen spelen, kan niet doen voorbijzien dat in de eerste plaats de vergelijking moet worden gemaakt tussen de verordenende voorschriften van het bestaande plan en die van het voorgenomen plan. 13.
  27. Vastgesteld moet worden dat, enerzijds, het opgemaakte plan-MER voor wat betreft het mogelijke schadelijk effect voor het watersysteem een toetsing bevat waarin de vergelijking is gemaakt tussen de verordenende voorschriften van het gewestplan uit 1977 met de voorschriften van het bestreden PRUP en dat, anderzijds, de in dat licht in het plan-MER vooropgestelde maatregelen opgenomen zijn in het bestreden PRUP (hierna: de uitgevoerde planologische toetsing). 13.
  28. Het middel is niet deugdelijk geadstrueerd omdat de uitgevoerde planologische toetsing er niet in betrokken is. Door exclusief in te gaan op een X-18.467-10/14 vergelijking met de historische feitelijke toestand in 2003, maakt het middel niet aannemelijk dat de uitgevoerde planologische toetsing niet correct zou zijn of dat de als gevolg van die toetsing in het bestreden PRUP opgelegde voorschriften niet zouden volstaan om de schadelijke effecten voor het watersysteem te vermijden of te compenseren. Uit het voorgaande volgt dat de onwettigheid van de voor het bestreden PRUP uitgevoerde watertoets niet blijkt. 14.
  29. Uit de verplichting om een openbaar onderzoek te organiseren, volgt de verplichting om de ingediende bezwaren met gepaste zorgvuldigheid te onderzoeken en, wanneer ze niet worden gevolgd, om afdoende te laten begrijpen waarom dat niet het geval is. 14.
  30. Te dezen moet worden vastgesteld dat de verzoekende partij in het tijdens het openbaar onderzoek ingediende bezwaarschrift haar kritiek in verband met de versnippering uitdrukkelijk koppelt aan de wenselijkheid om een corridor voor fauna en flora te voorzien. In die omstandigheden blijkt niet dat de verwerende partij het bezwaar niet afdoende zou hebben weerlegd of de aange-voerde rechtsregels anderszins zou hebben geschonden met de in randnummer 7.2 geciteerde weerlegging, waarin met name wordt ingegaan op de corridors voor fauna en flora die in het plangebied voorzien zijn, zoals deze langs de Rietgracht.
  31. De verzoekende partij overtuigt niet van een schending van de aangevoerde rechtsregels.
  32. Het eerste middel wordt verworpen. X-18.467-11/14 B. Het tweede middel Uiteenzetting van het middel 17.
  33. Het tweede middel is afgeleid uit de schending van artikel 8 van het decreet van 21 oktober 1997 ‘betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu’ (hierna: het natuurdecreet) en van de materiëlemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. 17.
  34. Volgens de verzoekende partij is de in artikel 8 van het natuurdecreet bedoelde standstill-verplichting niet gerespecteerd. De tot 2003 bestaande historische feitelijke toestand was er een waarbij het gebied bijna overal minstens biologisch waardevol was. Ten opzichte van die toestand kunnen de stedenbouwkundige voorschriften van het bestreden PRUP niet bewerkstelligen dat aan de standstill-verplichting tegemoet wordt gekomen. Door te overwegen dat er ten gevolge van het bestreden PRUP slechts beperkte natuurwaarden verloren zullen gaan, wordt ingegaan tegen de vaststelling in de toelichtingsnota dat de in 2003 aanwezige ecotopen biologisch (zeer) waardevol waren. Uit niets blijkt dat in het besluitvormingsproces is nagegaan of het bestreden PRUP voldoet aan het standstill-beginsel. Nochtans weet men dat er een sterk verlies aan natuurwaarden optreedt in vergelijking met de historische feitelijke situatie.
  35. In haar memorie van wederantwoord benadrukt de verzoekende partij dat alleen de vergelijking met de tot 2003 bestaande historische feitelijke toestand relevant is. Zoals bevestigd wordt in het plan-MER, kwamen er toen ruigtevegetaties en wilgenbosjes voor in het plangebied.
  36. In haar laatste memorie voegt de verzoekende partij toe dat in het plan-MER erkend wordt dat het bestreden PRUP een negatief effect voor de biodiversiteit heeft in vergelijking met de planologische toestand van het gewestplan uit
  37. Deze achteruitgang ten opzichte van het beschermingsniveau van 1977 wordt niet voldoende gecompenseerd door de niet-toereikende maatregelen die het plan-MER daartoe vooropstelt. X-18.467-12/14 Beoordeling
  38. Artikel 8 van het natuurdecreet luidt: “De Vlaamse regering neemt alle nodige maatregelen ter aanvulling van de bestaande regelgeving om over het gehele grondgebied van het Vlaamse Gewest de milieukwaliteit te vrijwaren die vereist is voor het behoud van de natuur en om het standstill-beginsel toe te passen zowel wat betreft de kwaliteit als de kwantiteit van de natuur.” Toegepast op een reglementair besluit – zoals het bestreden PRUP er een is – staat het standstill-beginsel eraan in de weg dat de bevoegde overheid het beschermingsniveau dat wordt geboden door de toepassing van de regelgeving in aanzienlijke mate vermindert, zonder dat er daarvoor redenen zijn die verband houden met het algemeen belang. Een schending van dit beginsel kan bijgevolg enkel aan de orde zijn wanneer een vergelijking wordt gemaakt met het beschermingsniveau dat wordt geboden door de toepassing van de regelgeving.
  39. In het middel zoals het in het verzoekschrift is aangevoerd maakt de verzoekende partij evenwel enkel een vergelijking met de tot 2003 bestaande feitelijke toestand, zonder dat aannemelijk wordt gemaakt dat die toestand beschouwd zou kunnen worden als het beschermingsniveau dat wordt geboden door de toepassing van de regelgeving. Als gevolg van deze lacune kan het middel niet worden aangenomen.
  40. In de laatste memorie voegt de verzoekende partij een vergelijking met het beschermingsniveau van het gewestplan uit 1977 toe, doch zij geeft met deze toevoeging een laattijdige en bijgevolg onontvankelijke nieuwe grondslag aan het middel.
  41. Het tweede middel wordt verworpen. X-18.467-13/14 V. Conclusie
  42. Gelet op de verwerping van de aangevoerde middelen moet het beroep hoe dan ook worden verworpen. BESLISSING
  43. De Raad van State verwerpt het beroep.
  44. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zevenentwintig mei tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Jan Clement, kamervoorzitter, Stephan De Taeye, staatsraad, David D’Hooghe, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Jan Clement X-18.467-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.451 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.