← België

Arrest 263453 - Fiscale provinciale en lokale reglementen - 27/05/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 mei 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.453 Rolnummer: A. 238340/X-18333 Zaak: Arrest 263453 - Fiscale provinciale en lokale reglementen - 27/05/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-05-28 Raadplegingen: 109 - laatst gezien 2026-06-16 05:08 Fiche Arrest nr 263.453 van 27 mei 2025 Fiscaliteit - Fiscale provinciale en lokale reglementen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 263.453 van 27 mei 2025 in de zaak A. 238.340/X-18.333 In zake : J.D. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Engelen kantoor houdend te 2000 Antwerpen Léon Stynenstraat 75/C bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de PROVINCIE WEST-VLAANDEREN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michel Maus kantoor houdend te 8020 Oostkamp Hertsbergsestraat 4 bij wie woonplaats wordt gekozen en eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Thomas De Jonckheere kantoor houdend te 1150 Brussel Tervurenlaan 446 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 3 februari 2023, strekt tot de nietigverklaring van “het besluit van de provincieraad van de provincie West- Vlaanderen dd. 22/11/2022 met voortzettingen op 23, 24 en 29 november en 1 december 2022 tot goedkeuren van de belastingverordening inzake de provinciebelasting op tweede verblijven voor [aanslagjaar] 2023”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. X-18.333-1/14 Adjunct-auditeur Nino Vermeire heeft een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 februari
  3. Staatsraad David D’Hooghe heeft verslag uitgebracht. Advocaat Bart Engelen, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Thomas De Jonckheere, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Nino Vermeire heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker is mede-eigenaar van een tweede verblijf te Bredene (provincie West-Vlaanderen). 3.
  6. Op de zitting van 22 november 2022, met voortzettingen op 23, 24 en 29 november en 1 december 2022, keurt de verwerende partij een belastingverordening inzake de provinciebelasting op tweede verblijven voor het aanslagjaar 2023 goed. Dit is de bestreden beslissing. X-18.333-2/14 3.
  7. De bestreden belastingverordening vestigt een belasting op tweede verblijven (artikel 1). Daaronder wordt begrepen “elke private woongelegenheid die voor de eigenaar, de huurder of de gebruiker ervan niet tot hoofdverblijf dient, maar voor bewoning kan worden gebruikt”. Een private woongelegenheid waarvoor niemand is ingeschreven in de bevolkingsregisters van de gemeente van de ligging van het goed op 1 januari van het aanslagjaar dient niet tot hoofdverblijf (artikel 2). 3.
  8. De belasting is verschuldigd door degene die op 1 januari van het aanslagjaar eigenaar is van het tweede verblijf. Zijn belastingplicht geldt ongeacht het feit of hij al dan niet is ingeschreven in de bevolkingsregisters van een West-Vlaamse gemeente (artikel 3). 3.
  9. De belasting wordt forfaitair vastgesteld op 132,00 euro per tweede verblijf (artikel 4). 3.
  10. De provinciebelasting op tweede verblijven wordt in de aanhef van de bestreden beslissing als volgt gemotiveerd: “[…] - deze belasting is een forfaitaire belasting op het hebben van een tweede verblijf in de provincie en dit ongeacht het inkomen van de belastingplichtige en ongeacht de hoedanigheid van de belastingplichtige, met andere woorden, zowel inwoners van de provincie als niet-inwoners zijn aan deze belasting onderworpen; - tweede verblijvers genieten rechtstreeks, dan wel onrechtstreeks, het voordeel van de investeringen die door de provincie worden gedaan in diverse provinciale voorzieningen; - tweede verblijvers veroorzaken bijkomende kosten voor de provincie die niet vergelijkbaar zijn met de kosten die vaste inwoners veroorzaken; - het gaat om een zeer beperkt forfaitair tarief dat niet van die aard is dat ze de financiële draagkracht van de belastingplichtigen duurzaam kan ontwrichten; - het is budgettair noodzakelijk een belasting te heffen die toelaat de uitgaven van de provincie in het algemeen te financieren; […].” X-18.333-3/14 IV. Onderzoek van het tweede middel Standpunt van de partijen
  11. Verzoeker voert de schending aan van het gelijkheidsbeginsel. 5.
  12. Verzoeker betoogt (samengevat) in een eerste middelonderdeel dat, vermits door de verwerende partij zowel een algemene provinciebelasting als een provinciebelasting op tweede verblijven wordt geheven, een niet toegelaten onderscheid wordt gemaakt tussen, enerzijds, de eigenaars van een woongelegen- heid waarop een inschrijving in het bevolkings- en vreemdelingenregister werd genomen en, anderzijds, de eigenaars van een tweede verblijf. 5.
  13. Verzoeker voert in dit verband aan dat niet kan worden ingezien waarom door een tweede verblijver een aanzienlijk hogere provinciebelasting zou moeten worden betaald dan door een vaste inwoner van de provincie, gezien dit niet redelijk en objectief verantwoord is, gelet op de aard en het doel van de belasting. Voor het aanslagjaar 2023 bedraagt de algemene provincie- belasting 22 euro voor de gezinnen die bestaan uit één persoon en 44 euro voor de gezinnen die bestaan uit twee of meer personen, terwijl de provinciebelasting op tweede verblijven forfaitair is vastgesteld op 132 euro per tweede verblijf. 5.
  14. Waar de financiële toestand van de verwerende partij de invoering van een belasting verantwoordt, rechtvaardigt de financiële toestand op zich niet het aanzienlijke verschil qua bijdrage tot de provinciale financiën tussen vaste inwoners en niet-inwoners. X-18.333-4/14 Beide belastingen streven een louter fiscaal doel na. Gezien de aard en het doel van de belasting, is het feit dat verzoeker als eigenaar van een tweede verblijf een aanzienlijk hogere bijdrage voor de provinciale dienstverlening zou moeten betalen dan een vaste inwoner, niet redelijk en objectief verantwoord. Een toegelaten differentiatie bestaat, aldus verzoeker, indien zij die een tweede verblijf in de provincie hebben (ongeacht of zij daarnaast ook inwoner zijn van de provincie) door de aanwezigheid van hun tweede verblijf meer kosten zouden veroorzaken dan zij die er (enkel) hun woonplaats hebben, of indien zij die een tweede verblijf in de provincie hebben minder zouden bijdragen tot de vermelde kosten dan zij die er (enkel) hun woonplaats hebben. Evenwel bestaat een dergelijke toegelaten differentiatie in casu niet. Gezien de aard van de kosten en investeringen die de provincie wenst mee te laten dragen door de eigenaars van een tweede verblijf, kan niet zonder meer worden aangenomen dat tweede verblijven meer of minder kosten en investeringen veroorzaken dan de verblijven van de inwoners van de provincie. 5.
  15. Volgens verzoeker wordt er door de verwerende partij niet aannemelijk gemaakt dat er een verschil in dienstverlening zou zijn dat zou verant- woorden dat een hoger belastingtarief wordt gevraagd van tweede verblijvers, noch dat tweede verblijven in grotere mate aanleiding geven tot het maken van kosten voor toezicht en medewerking van de provinciale diensten of het doen van investeringen, noch dat deze daar meer voordeel uithalen of gebruik van maken. Uit geen enkel stuk blijkt voorts dat de (specifieke) meerkost van de dienstverlening (inzake veiligheid en anderszins), die zou worden veroorzaakt door de tweede verblijvers, zou worden gefinancierd door de provinciebelasting op tweede verblijven. 5.
  16. Bovendien kan niet zomaar worden aangenomen dat de eigenaars van een tweede verblijf meer dan de eigen inwoners gebruik zouden maken van de inspanningen die door de provincie worden geleverd of meer gebruik X-18.333-5/14 zouden maken van het provinciaal domein. Beide categorieën moeten geacht worden in gelijke mate te genieten van deze provinciale voorzieningen, als gevolg waarvan zij in gelijke mate zouden moeten tussenkomen in de kosten ervan. 5.
  17. Er bestaat volgens verzoeker geen objectieve correlatie tussen het tarief van de algemene provinciebelasting en het tarief van de provinciebelasting op tweede verblijven. Het tarief van de provinciebelasting op tweede verblijven is manifest onredelijk ten aanzien van het tarief van de algemene provinciebelasting, hetgeen – door het ontbreken van een redelijke, objectieve verantwoording voor de verschillende behandeling in de bestreden beslissing, het administratief dossier of de context ervan en gezien de aard en het doel van de belastingen – in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. 6.
  18. De verwerende partij repliceert dat het beginsel van de gelijkheid van de burgers inzake belastingen de provincieraad niet verbiedt om in een onderscheiden belastingreglement te voorzien voor de eigenaars van een tweede verblijf, op voorwaarde dat dit onderscheid niet willekeurig is, wat onder meer inhoudt dat het criterium op grond waarvan bepaalde categorieën personen aan de belasting worden onderworpen en andere niet, bekeken in het licht van de aard van de belasting en het vooropgestelde doel, objectief en in redelijkheid te verantwoorden is. 6.
  19. Specifiek met betrekking tot de verantwoording voor het bestaan van een provinciale belasting op tweede verblijven, verwijst de verwerende partij naar de rechtspraak over het quasi-identiek reglement voor de aanslagjaren 2008, 2009 en
  20. Volgens de verwerende partij bevestigde het Hof van Cassatie dat het hof van beroep te Gent terecht kon oordelen dat de provinciale belasting op tweede verblijven verantwoord wordt door de noodzaak om de provinciale voorzieningen aan de bevolkingstoename aan te passen. Dat het tarief van de algemene provinciebelasting niet gelijk is aan het tarief van de provinciebelasting op tweede verblijven, heeft luidens de voornoemde rechtspraak niet tot gevolg dat de provinciebelasting op tweede X-18.333-6/14 verblijven het gelijkheidsbeginsel zou schenden. De vaststaande rechtspraak vereist immers allerminst een weegschaalbenadering tussen, enerzijds, de belasting die de vaste inwoners verschuldigd zijn en, anderzijds, de provinciebelasting op tweede verblijven. 6.
  21. De al dan niet kennelijke onredelijkheid van het tarief van de provinciebelasting op tweede verblijven moet worden beoordeeld in functie van de doelstelling van de belasting, namelijk de kosten te verhalen die worden gemaakt voor de aanpassing van de provinciale voorzieningen, die noodzakelijk zijn omwille van een toename van de bevolking door het gebruik van tweede verblijven. Het is zo dat de instroom van tweede verblijvers vanuit het hele land naar de provincie West-Vlaanderen de druk die op de provinciale voorzieningen rust, aanzienlijk verhoogt. De noodzaak van de aanpassingen aan deze provinciale voorzieningen vloeit bijgevolg in hoofdzaak voort uit de toestroom aan tweede verblijvers die, hoewel zij aldaar slechts tijdelijk verblijven, een aanzienlijke bijkomende belasting vormen voor de provinciale voorzieningen. In de praktijk blijkt dat de overgrote meerderheid aan tweede verblijven gelegen is in de kustgemeenten, daar waar de provincie de meeste uitgaven doet ter bevordering van de toeristische aantrekkelijkheid van de provincie. Daarnaast zorgt de toestroom aan toeristen ook voor een noodzaak aan tal van bijkomende investeringen, zoals het aanleggen van bredere fietspaden, het aanleggen van wandelpaden, het realiseren van verbeteringen en schaalvergrotingen in diverse provinciale domeinen,… Dergelijke kosten worden slechts in veel mindere mate veroorzaakt door de vaste inwoners, waardoor net het hanteren van een identiek tarief in de algemene provinciebelasting gezinnen als in de provinciebelasting op tweede verblijven, het gelijkheidsbeginsel zou schenden. 6.
  22. Bovendien investeert de verwerende partij via het autonoom provinciebedrijf Westtoer in de ontwikkeling en de promotie van het toerisme en de recreatie in West-Vlaanderen. De verwerende partij ondersteunt de toeristisch- recreatieve ontwikkeling onder meer op het vlak van infrastructuur en evenementen. X-18.333-7/14 6.
  23. Ten overvloede meent de verwerende partij dat het meer dan aannemelijk is dat de belastingplichtigen in de algemene provinciebelasting niet allemaal even financieel draagkrachtig zijn als moet worden aangenomen ten aanzien van de eigenaar van een tweede verblijf, wat het lagere tarief verantwoordt dat van toepassing is in de algemene provinciebelasting ten opzichte van de belasting op tweede verblijven. 6.
  24. Verder blijkt uit de aanhef van de bestreden beslissing dat het tariefonderscheid tussen de algemene provinciebelasting gezinnen en de provincie- belasting op tweede verblijven in hoofdzaak het gevolg is van de onderscheiden financiële draagkracht. Bijgevolg kan omwille van de weelde waarover de eigenaars van een tweede verblijf beschikken, het zeer beperkt forfaitair tarief van de belasting de draagkracht van de belastingplichtigen niet ontwrichten. Van een kennelijke wanverhouding tussen het tarief van de algemene provinciebelasting op gezinnen en de provinciebelasting op tweede verblijven is dan ook geen sprake. 7.
  25. In zijn memorie van wederantwoord dupliceert verzoeker dat de verwijzing naar de rechtspraak over het belastingreglement voor de aanslagjaren 2008, 2009 en 2010 niet dienend is, gezien de middelen die in dat geschil werden opgeworpen verschillend zijn van de middelen die in deze zaak worden opgeworpen. 7.
  26. Waar de argumentatie van de verwerende partij erop neerkomt dat de (specifieke) meerkost van de dienstverlening – die wordt veroorzaakt door de tweede verblijvers – wordt gefinancierd door de provinciebelasting op tweede verblijven, wordt dit volgens verzoeker niet objectief ondersteund door de stukken neergelegd door de verwerende partij. 7.
  27. Volgens verzoeker is het redelijk om aan te nemen dat elke verblijfplaats in de provincie aanleiding geeft tot een relatief gelijkaardige kost aan provinciale voorzieningen, zonder dat daarbij een onderscheid wordt gemaakt X-18.333-8/14 naargelang een inschrijving is genomen op deze verblijfplaats of naargelang de ligging van deze verblijfplaats. 7.
  28. Verzoeker wijst er ten slotte op dat uit de aanhef van de bestreden beslissing niet blijkt dat de provinciebelasting op tweede verblijven werd ingevoerd als een forfaitaire weeldebelasting op het gebruik van een luxegoed. De verantwoording als een forfaitaire weeldebelasting is volgens verzoeker geen redelijke en objectieve verantwoording om de eigenaars van een tweede verblijf te belasten. Bovendien neemt de verwerende partij een tegenstrijdige houding aan door, enerzijds, voor te houden dat de belasting een compensatoir karakter heeft, terwijl het, anderzijds, om een forfaitaire weeldebelasting zou gaan. Beoordeling
  29. De provincies beschikken over een grondwettelijk gewaarborgde fiscale autonomie, die hen toelaat om binnen de grenzen van de door de wetgever opgelegde beperkingen en onder controle van de toezichthoudende overheid, gelijk welke materie aan een belasting te onderwerpen.
  30. Van die autonomie gebruik makend, heeft de verwerende partij met de bestreden beslissing gemeend een belasting te moeten heffen op tweede verblijven. De belasting wordt forfaitair vastgesteld op 132 euro per tweede verblijf. Dit is drie tot zes keer meer dan het tarief van de algemene provinciebelasting ten laste van de vaste inwoners.
  31. De in de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet vervatte regels met betrekking tot de gelijkheid en de niet-discriminatie inzake belastingen staan er niet aan in de weg dat een verschillende fiscale behandeling wordt ingesteld ten aanzien van bepaalde categorieën van personen, althans voor zover dat verschil op X-18.333-9/14 een objectief criterium berust en redelijk verantwoord is. Die verantwoording moet worden beoordeeld in het licht van de aard en het doel van de belasting.
  32. Wat de motieven en het doel van de belasting zijn, moet in de eerste plaats uit de bestreden beslissing zelf of de voorbereiding ervan blijken.
  33. Uit de preambule bij de bestreden belastingverordening blijkt dat de bestreden belasting beoogt “de uitgaven van de provincie in het algemeen te financieren”. De “forfaitaire belasting op het hebben van een tweede verblijf in de provincie” wordt verantwoord op grond dat “tweede verblijvers […] rechtstreeks, dan wel onrechtstreeks, het voordeel [genieten] van de investeringen die door de provincie worden gedaan in diverse provinciale voorzieningen”.
  34. Naar door de verwerende partij wordt toegelicht, heeft de belasting tot doel de kosten van de provinciale investeringen te verhalen op zij die het voordeel ervan genieten. De inwoners van de provincie zijn, in het licht van de aard en het doel van dergelijke belasting, vergelijkbaar met de tweede verblijvers.
  35. Verzoeker voert niet aan dat het loutere feit dat een belasting in hoofde van de tweede verblijver wordt geheven, strijdig is met het gelijkheidsbeginsel. Wél voert verzoeker aan “dat niet kan worden ingezien waarom door een tweede verblijver een aanzienlijk hogere provinciebelasting zou moeten worden betaald dan door een vaste inwoner van de provincie”.
  36. Bijgevolg rijst de vraag of de verwerende partij in redelijkheid heeft kunnen aannemen dat de kosten die de tweede verblijvers voor de provincie met zich meebrengen, substantieel hoger zijn dan de kosten die de inwoners van de provincie voor haar met zich meebrengen. X-18.333-10/14
  37. De preambule bij de bestreden belastingverordening maakt ter zake enkel melding van het gegeven dat tweede verblijvers bijkomende kosten voor de provincie veroorzaken “die niet vergelijkbaar zijn met de kosten die vaste inwoners veroorzaken”. Welke die bijkomende kosten kunnen zijn, wordt in de preambule niet nader toegelicht.
  38. In haar memorie van antwoord licht de verwerende partij de bijkomende kosten als volgt toe: “Daar waar de algemene provinciebelasting gezinnen uitsluitend wordt verantwoord door een financieel doel, heeft de belasting op tweede verblijven tot doel de provincie in staat te stellen haar voorzieningen aan te passen aan de bevolkingstoename die wordt veroorzaakt door het gebruik van tweede verblijven. Het is inderdaad zo dat de instroom van tweede verblijvers vanuit het hele land naar de provincie West-Vlaanderen de druk die op de provinciale voorzieningen rust aanzienlijk verhoogt. De noodzaak van de aanpassingen aan deze provinciale voorzieningen vloeit bijgevolg in hoofdzaak voort uit de toestroom aan tweede verblijvers die hoewel zij aldaar slechts tijdelijk verblijven, een aanzienlijke bijkomende belasting vormen voor de provinciale voorzieningen. In de praktijk blijkt dat de overgrote meerderheid aan tweede verblijven gelegen is in de kustgemeenten, daar waar de provincie het meest uitgaven doet ter bevordering van de toeristische aantrekkelijkheid van de provincie. Daarnaast zorgt de toestroom aan toeristen ook voor een noodzaak aan tal van bijkomende investeringen zoals het aanleggen van bredere fietspaden, wandelpaden aanleggen, verbeteringen en schaalvergrotingen realiseren in diverse provinciale domeinen, ...Dergelijke kosten worden slechts in veel mindere mate veroorzaakt door de vaste inwoners, waardoor net het hanteren van een identiek tarief in de algemene provinciebelasting gezinnen als in de algemene provinciebelasting op tweede verblijven het gelijkheidsbeginsel zou schenden. Bovendien investeert verweerster via het autonoom provinciebedrijf Westtoer in de ontwikkeling en de promotie van het toerisme en de recreatie in West-Vlaanderen. Verweerster ondersteunt de toeristisch-recreatieve ontwikkeling onder meer op het vlak van infrastructuur en evenementen. [….].”
  39. Een dergelijke verantwoording kan de Raad van State niet overtuigen. Gewis brengen tweede verblijvers bijkomende kosten met zich mee, en vergen zij dat de provinciale voorzieningen moeten worden opgeschaald. X-18.333-11/14 De verwerende partij kan er echter niet van overtuigen dat de omvang van de kosten voor investeringen zoals deze op het vlak van fietspaden, wandelpaden en provinciale domeinen, zou verschillen naargelang ze worden verricht voor de inwoners van de eigen provincie dan wel voor de tweede verblijvers. Het blijkt niet dat dergelijke investeringen specifiek bestemd zijn voor tweede verblijvers, veeleer dan voor de inwoners van de provincie West- Vlaanderen. In de benadering van de verwerende partij wordt bovendien abstractie gemaakt van de vele bezoekers die geen gebruik maken van een tweede verblijf. De verwerende partij maakt evenmin aannemelijk dat de kosten die zijn gericht op de ontwikkeling en de promotie van het toerisme en de recreatie in West-Vlaanderen specifiek ten bate van de tweede verblijvers worden verricht, en niet ten bate komen van de bezoekers die geen gebruik maken van een tweede verblijf en de inwoners van de provincie West-Vlaanderen. De Raad van State ziet ook niet in dat, wanneer een tweede verblijf na verloop van tijd zou evolueren naar een hoofdverblijf, de kosten die de betrokkene voor de provincie met zich meebrengt dan plots substantieel zouden worden gereduceerd.
  40. De verwerende partij verwijst in haar memorie van antwoord, ter verantwoording van de bestreden onderscheiden behandeling, ook naar “de onderscheiden financiële draagkracht”. Dit strookt evenwel niet met de verantwoording in de preambule bij de bestreden belastingverordening die stelt dat de belasting op het hebben van een tweede verblijf in de provincie geldt “ongeacht het inkomen van de belastingplichtige”. Deze verantwoording wordt dan ook buiten beschouwing gelaten. X-18.333-12/14
  41. Het besluit is dat de verwerende partij niet aantoont dat er voor de bestreden onderscheiden behandeling van inwoners en tweede verblijvers een objectieve en redelijke verantwoording bestaat.
  42. Het eerste middelonderdeel van het tweede middel is in de aangegeven mate gegrond. V. Verzoek tot handhaving van de gevolgen
  43. In ondergeschikte orde vraagt de verwerende partij om, in geval van vernietiging, de gevolgen van het reglement voor het verleden te handhaven. De verwerende partij verantwoordt die vraag onder verwijzing naar “de gigantische budgettaire impact van een eventuele vernietiging […] en de jarenlange rechtsonzekerheid […]”. Zij verwijst ter zake ook naar de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof.
  44. Artikel 14ter van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat een dergelijke maatregel enkel kan worden bevolen “om uitzonderlijke redenen die een aantasting van het legaliteitsbeginsel rechtvaardigen”.
  45. De zeer algemene verwijzing naar de budgettaire gevolgen en naar de rechtsonzekerheid toont het bestaan van dergelijke “uitzonderlijke redenen” niet aan. Meer bepaald toont de verwerende partij niet aan dat nog effectief tot terugvordering van de reeds betaalde belastingen kan worden overgegaan. Evenmin doet de verwerende partij ervan blijken dat, zelfs indien de mogelijkheid tot terugvordering niet a priori kan worden uitgesloten, er een grote kans bestaat dat de betrokkenen dit ook effectief op een systematische wijze zullen doen.
  46. Het verzoek tot handhaving van de gevolgen moet dan ook worden afgewezen. X-18.333-13/14 BESLISSING
  47. De Raad van State vernietigt het besluit van de provincieraad van de provincie West-Vlaanderen van 1 december 2022 tot goedkeuring van de belastingverordening inzake de provinciebelasting op tweede verblijven voor het aanslagjaar
  48. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan verzoeker.
  49. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zevenentwintig mei tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Jan Clement, kamervoorzitter, Stephan De Taeye, staatsraad, David D’Hooghe, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Jan Clement X-18.333-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.453 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.