id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 juni 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.482 Rolnummer: A. 241457/IX-10435 Zaak: Arrest 263482 - Examens (onderwijs) - 02/06/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-06-10 Raadplegingen: 117 - laatst gezien 2026-06-16 04:48 Fiche Arrest nr 263.482 van 2 juni 2025 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 263.482 van 2 juni 2025 in de zaak A. 241.457/IX-10.435 In zake: E.S. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Alexander De Becker kantoor houdend te 9051 Sint-Denijs-Westrem Drie Koningenstraat 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het EUROPACOLLEGE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom Peeters kantoor houdend te 2600 Antwerpen - Berchem Borsbeeksebrug 36 bus 9 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 14 maart 2024, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de academische raad van het Europacollege van 15 september 2023 om de aan verzoeker voor het opleidingsonderdeel ‘Economics of European Integration: From Theory to Practice’ toegekende nulscore te behouden. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Wendy Depester heeft een verslag opgesteld. IX-10.435-1/29 De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 april
- Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Isabo Heirbaut, die loco advocaat Alexander De Becker verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Lobke Roodhooft, die loco advocaat Tom Peeters verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Wendy Depester heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker volgt tijdens het academiejaar 2021-2022 aan het Europacollege de opleiding ‘Master of Science in European Economic Studies’, met specialisatie ‘European Economic Integration and Business’. 3.
- Bij zijn eerste examendeelname voor het opleidingsonderdeel ‘Economics of European Integration: From Theory to Practice’ behaalt verzoeker een score van 10/
- Dat is onvoldoende omdat overeenkomstig het studiereglement ten minste 11/20 moet worden behaald om te slagen voor een opleidingsonderdeel. IX-10.435-2/29 3.
- Op 26 mei 2023 neemt verzoeker deel aan het herexamen voor dit opleidingsonderdeel. De verwerende partij stelt vast dat verzoeker tijdens dit schriftelijk examen gebruik heeft gemaakt van ChatGPT, een generatief AI- programma. Zij nodigt verzoeker op 12 juni 2023 uit “for a plagiarism hearing regarding [his] exam on 26 May”. In onderling overleg wordt deze hoorzitting verplaatst naar 16 juni
- In het inleidend verzoekschrift geeft verzoeker aan dat hij op het examen ChatGPT heeft gebruikt “om zijn antwoorden in het Engels meer te structureren en een correctere zinsbouw te hebben”, en geeft hij ook aan dat hij niet wist “dat bij een openboekexamen dat online plaatsvond geen gebruik mocht worden gemaakt van een hulpprogramma als chat GPT”. Op 24 juni 2023 wordt verzoeker meegedeeld dat de academische raad van de verwerende partij hem op 22 juni 2023 een nulscore heeft opgelegd voor het examen: “With this email, I would like to inform you about the decision taken by the Academic Council in its meeting of Thursday 22 June 2023 based on a proposed sanction for cheating in the written resit examination for the course of Professor […] and Professor […] (submitted to the Academic Council by the European Economic Studies Department). Based on the elements presented to the Academic Council by the ECO Department, and in line with article 30 of the Study Regulations, the deci- sion was taken to impose the mark of 0 for your examination in the abovementioned course. The sanction has been applied in calculating the final mark for the course, which is the mark appearing on your transcript.” Vrij vertaald: Met deze e-mail wil ik u informeren over het besluit van de academische raad in zijn vergadering van donderdag 22 juni 2023, op basis van een voorstel tot sanctie wegens bedrog bij het schriftelijk herexamen voor het IX-10.435-3/29 opleidingsonderdeel van professor [...] en professor [...] (voorgelegd aan de academische raad door het departement European Economic Studies). Op basis van de door het departement aan de academische raad voorgelegde elementen en in overeenstemming met artikel 30 van het studiereglement, is besloten het cijfer 0 op te leggen voor uw examen in bovengenoemd opleidingsonderdeel. De sanctie is toegepast bij de berekening van het eindcijfer voor het opleidingsonderdeel, dat is het cijfer dat op uw cijferlijst staat. Op 30 juni 2023 volgt nog een e-mailbericht dat verzoeker wijst op de mogelijkheid om uiterlijk 1 juli 2023 een beroep in te stellen tegen die beslissing. 3.
- Verzoeker tekent op 1 juli 2023 beroep aan bij de academische raad, die op 15 september 2023 beslist om de nulscore te handhaven als sanctie voor bedrog of poging daartoe (“cheating or attempted cheating”). Dat wordt aan verzoeker meegedeeld in een e-mailbericht van 16 september 2023, waarin ook wordt gepreciseerd dat het gebruik van een “chatbot” op een examen reeds onder de examenregeling voor het academiejaar 2021-22 als bedrog was aangemerkt: “With this email, I would like to inform you about the decision taken by the Academic Council in its meeting of Friday 15 September 2023 con- cerning the appeal you lodged against the sanction for cheating in the written examination for the course of Professor […] and Professor […] applied in June
- Based on the elements presented to the Academic Council, the decision was taken to reject your appeal and maintain the sanction of reducing your resit exam mark to 0 for cheating or attempted cheating. Furthermore, the Academic Council underlined the following: the use on an (AI) chatbot during an exam would have already been considered cheating under the academic rules for the ‘Organisation of Exams at the Bruges and Natolin Campuses, Academic Year 2021-22 - Applicable for the November/December 2021 exam session (Approved by the Academic Council of 4 November 2021)’ and any subsequent academic rules for ex- amination sessions approved by the Academic Council.” Vrij vertaald: Met deze e-mail wil ik u informeren over de beslissing die de academische raad in zijn vergadering van vrijdag 15 september 2023 heeft IX-10.435-4/29 genomen met betrekking tot het beroep dat u heeft ingesteld tegen de sanctie wegens bedrog bij het schriftelijk examen voor het opleidingsonderdeel van professor […] en professor […] die in juni 2023 werd toegepast. Op basis van de elementen die aan de academische raad werden voorgelegd, werd beslist om uw beroep af te wijzen en de sanctie te handhaven om de punten voor uw herexamen te verlagen naar 0 wegens bedrog of poging daartoe. Voorts onderstreepte de academische raad het volgende: het gebruik van een (AI) chatbot tijdens een examen zou reeds als bedrog beschouwd zijn volgens het academisch reglement voor de ‘Organisatie van Examens op de Campussen Brugge en Natolin, Academiejaar 2021-22 – Van toepassing op de examenperiode november/december 2021 (Goedgekeurd door de academische raad van 4 november 2021)’ en elke latere academische regel voor examenperiodes goedgekeurd door de academische raad. Dat is de thans bestreden beslissing. 3.
- Op 18 september 2023 vraagt verzoeker de examenregels 2021- 2022 op bij de verwerende partij. Hij vraagt ook welke juridische stappen hij nog kan ondernemen. De verwerende partij bezorgt verzoeker de door hem opgevraagde examenregels met een e-mailbericht van 19 september 2023, waarin zij hem er voorts op wijst dat alle interne procedures zijn uitgeput en dat nadere juridische stappen “extern” zijn (“As regards the next steps for judicial process, the internal procedures have been exhausted. Any further judicial steps would be external ones.”). Op 11 december 2023 stelt verzoeker de verwerende partij in gebreke. In deze ingebrekestelling verwijt hij haar dat de bestreden beslissing het motiveringsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur schendt en dat zij hem niet duidelijk heeft meegedeeld welke externe procedure er nu precies gevolgd moet worden. De verwerende partij bevestigt op 22 december 2023 ontvangst van de ingebrekestelling en verwijst naar haar vroegere communicatie die volgens haar de motivering van de academische raad bevat en die ook al heeft verwezen naar de mogelijkheid om een extern beroep in te stellen: IX-10.435-5/29 “By this letter, we would like to confirm having received the letter dated 11 December 2023 from your lawyer, Mr. A. De Becker. We can, however, do no more than refer you to what has already been communicated in the emails of 16 and 19 September
- In particular, the reasoning behind the decision by the Academic Council (taken during its meeting of 15 September 2023) is included in the email of 16 September 2023, and also emerges from the context well known to you (see in particular the email of 24 June 2023). Similarly, the possibility of making an external appeal has already been mentioned in the email of 19 September 2023.” Vrij vertaald: Met deze brief bevestigen wij de ontvangst van de brief van 11 december 2023 van uw advocaat, Mter A. De Becker. Wij kunnen u echter enkel verwijzen naar wat reeds werd meegedeeld in de e-mails van 16 en 19 september
- Meer in het bijzonder is de motivering van de beslissing van de academische raad (genomen tijdens zijn vergadering van 15 september 2023) opgenomen in de e-mail van 16 september 2023, en blijkt deze ook uit de u welbekende context (zie met name de e-mail van 24 juni 2023). Ook de mogelijkheid om extern beroep aan te tekenen is al vermeld in de e-mail van 19 september
- IV. Precisering van het voorwerp van het beroep en rechtsmacht van de Raad van State Exceptie
- De verwerende partij werpt in hoofdorde op dat de Raad van State niet bevoegd is om kennis te nemen van voorliggend geschil. De bestreden beslissing is volgens haar immers “een tuchtbeslissing genomen door een privaatrechtelijke instelling”. Verweerster handelt hierbij niet als administratieve overheid omdat een dergelijke beslissing enkel rechtsgevolgen heeft voor de onderlinge relatie tussen de school en de student en niet voor anderen. Deze beslissing “werd verder genomen overeenkomstig interne tuchtregels en heeft louter betrekking op de onderlinge contractuele relatie tussen verzoeker en [de verwerende partij]. Andere onderwijsinstellingen zijn immers niet gebonden door deze tuchtbeslissing”. In dat verband merkt de verwerende partij nog op dat IX-10.435-6/29 verzoeker enkel “de beslissing van 22 juni 2023 aanvecht waarbij hem een tuchtsanctie wordt opgelegd, maar niet de examenbeslissing van het betreffende opleidingsonderdeel, zoals opgenomen in het puntenoverzicht van 22 juni 2023”. In zoverre verzoeker stelt dat het in casu niet gaat om een eenvoudige tuchtmaatregel, maar de beslissing ook tot gevolg heeft dat hij niet geslaagd is voor het opleidingsonderdeel en daardoor ook zijn diploma niet behaalt – zodat de bestreden beslissing beschouwd kan worden als een studievoortgangsbeslissing in het hoger onderwijs – is deze beslissing volgens de verwerende partij óók uitgesloten van de rechtsmacht van de Raad van State omdat dergelijke beslissingen in beginsel aan de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen worden toevertrouwd. In het geval van de verwerende partij heeft ook deze Raad echter geen bevoegdheid om te oordelen over studievoortgangsbeslissingen. Het Europacollege is weliswaar een ‘geregistreerde instelling voor hoger onderwijs’ overeenkomstig artikel II.6 van de Vlaamse Codex Hoger Onderwijs (VCHO), zoals blijkt uit het hogeronderwijsregister. Een kwalificatie als geregistreerde instelling heeft echter enkel tot gevolg dat de diploma’s die de verwerende partij uitreikt, erkend worden door de Vlaamse overheid. De bepalingen van de Codex Hoger Onderwijs zijn voorts niet van toepassing op de verwerende partij, behalve de artikelen die expliciet van toepassing worden verklaard in artikel I.2, § 3, VCHO. Onder meer de bepalingen die betrekking hebben op de rechtspositie van de studenten en de bevoegdheid van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen zijn niet van toepassing op de verwerende partij. Meer nog is ook artikel I.3, 69°, VCHO, waarin de definitie ‘studievoortgangsbeslissing’ is opgenomen, niet van toepassing op de verwerende partij. De wetgever schijnt ervan uitgegaan te zijn dat geregistreerde instellingen voor hoger onderwijs geen studievoortgangsbeslissingen kunnen nemen die onderworpen zijn aan de rechtsmacht van een administratief rechtscollege. Voor zover ze niet onder de rechtsmacht van dat rechtscollege ressorteren, is de Raad van State niet automatisch in de plaats daarvan bevoegd, IX-10.435-7/29 aldus nog de verwerende partij. Het is niet zo dat een examentuchtbeslissing onder de bevoegdheid van de Raad van State valt, louter omwille van het feit dat de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen voor andere onderwijsinstellingen wel bevoegd is verklaard voor dergelijke studievoortgangsbeslissingen. De verwerende partij herhaalt dat dit een bewuste beslissing is geweest van de wetgever, die zelf het onderscheid tussen geregistreerde instellingen van hoger onderwijs en andere hoger onderwijsinstellingen heeft gemaakt. Volgens de verwerende partij is enkel de burgerlijke rechter bevoegd om zich uit te spreken over de betwisting met betrekking tot de aan verzoeker opgelegde tuchtsanctie, die immers de contractuele afspraken tussen partijen betreft. Net zoals in arrest nr. 223.726 van 5 juni 2013, waar de Raad van State van oordeel was dat een tuchtsanctie die een student definitief uitsloot van de opleiding, waardoor deze geen diploma kon behalen bij die onderwijsinstelling, betreft ook de beslissing in casu de regels van de interne organisatie van de onderwijsinstelling, namelijk de regels omtrent het voorkomen van plagiaat en spieken. Het feit dat dit tot gevolg heeft dat verzoeker geen diploma behaalde bij de verwerende partij is daarbij een bijkomend gevolg voor verzoeker, die door hem echter niet wordt aangevochten. Net zoals bij een uitsluiting als tuchtsanctie wordt verzoeker ook in casu niet belet om een gelijkaardig diploma te behalen bij een andere onderwijsinstelling.
- De verwerende partij handhaaft in haar laatste memorie de exceptie dat de Raad van State bij gebrek aan rechtsmacht onbevoegd is. Het Europacollege is een instelling van privaatrechtelijke aard. Zijn werking wordt niet door de overheid bepaald of gecontroleerd en het oefent geen openbaar gezag uit. De verwerende partij herhaalt dat verzoeker zich heeft gericht tegen een tuchtbeslissing. Met het argument dat het om een tuchtbeslissing gaat, ontkent zij niet dat het een examentuchtbeslissing zou zijn, maar zij maakt IX-10.435-8/29 daarmee enkel het onderscheid tussen een tuchtbeslissing en een gewone examenbeslissing. Een examentuchtbeslissing bestaat bij de verwerende partij niet als afzonderlijke categorie en wordt niet anders dan als een andere tuchtbeslissing beschouwd en behandeld. De Codex Hoger Onderwijs, waarin dat anders is geregeld (als gevolg van een wijziging in de loop der jaren), is niet op de verwerende partij van toepassing. Beoordeling a. voorwerp van het beroep
- Uit het verzoekschrift tot nietigverklaring blijkt dat verzoeker de nietigverklaring vordert van “de beslissing van de Academische Raad van 15 september 2023, bekendgemaakt op 16 september 2023, als beroepsorgaan waarbij beslist wordt om het examenresultaat van verzoeker voor het opleidingsonderdeel Economics of European Integration als 0 te behouden”. Verzoeker vecht dus zijn “examenresultaat” aan. Het verweer dat verzoeker “enkel de beslissing van 22 juni 2023 aanvecht waarbij hem een tuchtsanctie wordt opgelegd, maar niet de examenbeslissing van het betreffende opleidingsonderdeel, zoals opgenomen in het puntenoverzicht van 22 juni 2023” houdt geen steek. Dat puntenoverzicht leert niets méér dan wat de bestreden beslissing stelt, namelijk een 0 voor het bedoelde opleidingsonderdeel. De huidige zaak verschilt derhalve van wat voorlag toen de Raad van State arrest nr. 223.726 van 5 juni 2013 uitsprak over een wegzending van een student: de thans opgelegde (examen)tuchtbeslissing ís het toegekende examenresultaat. De bevoegdheid van de Raad van State om van het beroep kennis te nemen wordt uit dat oogpunt onderzocht. b. rechtsmacht van de Raad van State IX-10.435-9/29
- De verwerende partij beschikt over rechtspersoonlijkheid krachtens een besluit van de Regent van 20 juni 1950 (BS 23 juni 1950) en heeft de vorm aangenomen van “stichting van openbaar nut” in de zin van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, bekend bij de kruispuntbank van ondernemingen met ondernemingsnummer 0409.518.
- De verwerende partij biedt opleidingen aan die kunnen leiden tot zeven door de Vlaamse overheid erkende diploma’s, opgenomen in het hogeronderwijsregister, bedoeld in artikel II.170 VCHO. Eén ervan is de master of science in European Economic Studies, waarvoor verzoeker zich heeft ingeschreven. De verwerende partij is bij het aanbieden van dat onderwijs onderworpen aan de Codex Hoger Onderwijs, namelijk als geregistreerde instelling voor hoger onderwijs – weze het niet aan álle bepalingen ervan. Geregistreerde instellingen voor hoger onderwijs zijn “alle niet ambtshalve geregistreerde instellingen die hoger onderwijs aanbieden in de Vlaamse Gemeenschap en door de Vlaamse Regering werden geregistreerd” (artikel II.6, § 1, VCHO).
- De verwerende partij is een vrije, privaatrechtelijk vormgegeven onderwijsinstelling. De betrekking tussen die instelling en haar studenten ontstaat door een overeenkomst, zodat in beginsel de rechtsverhouding tussen partijen van contractuele aard is en de geschillen daaromtrent rechten betreffen waarvoor, gelet op de artikelen 144 en 145 van de Grondwet, normaal de gewone rechter bevoegd is. Niét op de verwerende partij van toepassing, zijn de artikelen II.273 en II.274 VCHO over de aard van de rechtspositie van de student, naar luid waarvan het bestuur en de student door de inschrijving gebonden zijn aan een toetredingsovereenkomst en eerstgenoemde in een reglementaire verhouding staat IX-10.435-10/29 tot de student bij het nemen van een studievoortgangsbeslissing. Die bepalingen en de rechtspraak van de Raad van State erover zijn dan ook niet dienstig. Aan de Raad van State is evenmin enige andere bepaling bekend, waaruit moet blijken dat de decreetgever het voorliggende geschil uitdrukkelijk heeft beschouwd als een politiek subjectief recht, waarvan de beslechting krachtens artikel 145 van de Grondwet in beginsel tot de bevoegdheid van de justitiële rechter behoort maar waarvan de decreetgever een andere (administratieve) rechter expliciet bevoegd heeft gemaakt.
- De verwerende partij mag evenwel eraan worden herinnerd dat het Hof van Cassatie als attributierechter over de rechtsmacht van de Raad van State in onderwijsgeschillen reeds in zijn arrest nr. C01.0382.N van 6 september 2002 heeft geoordeeld “dat het feit dat verweerster een vrije onderwijsinstelling is, opgericht is door privé-personen en door privé-personen kan worden afgeschaft, niet uitsluit dat het verweerster toegelaten kan zijn beslissingen te nemen die derden binden; dat het enkele feit dat een instelling geen organiek verband heeft met de overheid, de bevoegdheid van de Raad van State niet uitsluit”.
- Ongeacht hoe de verwerende partij haar met huidig beroep bestreden beslissing zelf typeert of omschrijft, is na te gaan of het gaat om een derdenbindende beslissing.
- Het op de zaak toepasselijke studiereglement leert dat de academische raad delibereert over de voorlopig toegekende punten en beslist over de eindresultaten in overeenstemming met de docenten (artikel 23 “The Academic Council deliberates on the provisional marks before deciding on the final results in agreement with the professors”). De academische raad mag de door de docent toegekende score in uitzonderlijke gevallen verhogen of verlagen met één punt. IX-10.435-11/29 Het studiereglement bevat een procedure van overleg over, verbetering van en beroep tegen de door een docent toegekende score. Bedrog op een examen, of poging daartoe, kan luidens artikel 30 van het studiereglement leiden tot de toekenning door de academische raad van een nulscore voor het examen in kwestie en tot de uitsluiting van de student. De student mag tegen die beslissing een beroep instellen bij de academische raad. Artikel 38 verbiedt vormen van examenfraude (“plagiarism, self-plagiarism, collusion and falsification of data”). Zulke fraude kan worden bestraft met aftrek van punten tot een nulscore, te beslissen door de Director of Studies met een beroepsmogelijkheid bij de academische raad of door uitsluiting van de student, te beslissen door de academische raad.
- Wanneer de academische raad van het Europacollege een beslissing neemt over het al dan niet slagen van een student, vervult deze een taak van openbare dienst die hem door de overheid is toevertrouwd ongeacht of de betrokken onderwijsinstelling waarvan hij deel uitmaakt, opgericht is door de overheid of op privé-initiatief. Die beslissing determineert of aan de student het diploma wordt uitgereikt – casu quo een credit wordt verleend – waarvoor hij bij de bedoelde instelling voor hoger onderwijs was ingeschreven en dat van rechtswege erkend en bekrachtigd is en bindend is voor derden. Die beslissing is bijgevolg gesteld door de verwerende partij, optredende zoals een administratieve overheid en mag het voorwerp uitmaken van een annulatieberoep bij de Raad van State. Dat deze beslissing, zoals hier voorligt, kadert in een examentuchtprocedure doet niet anders besluiten. Zelfs al spreekt de academische raad zich bij het opleggen van een nulscore als sanctie strikt genomen niet uit over de leerprestatie van de student maar over diens gedrag, is zijn beslissing een eindoordeel over de vraag of de student heeft voldaan voor het IX-10.435-12/29 opleidingsonderdeel in kwestie. Die beslissing overstijgt de interne organisatie van de onderwijsinstelling. Het geschil daaromtrent past in de algemene annulatiebevoegdheid die aan de Raad van State is verleend, tenzij de bevoegde wetgever een andere rechter uitdrukkelijk die bevoegdheid heeft toegewezen. Dat is, zoals sub 9 al is opgemerkt, niet het geval en wordt door de verwerende partij ook niet beweerd.
- De exceptie wordt verworpen. IX-10.435-13/29 V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Het eerste middel is geput uit de “schending van de studieregels en meer in het bijzonder (de artikelen 38, 39 en 40) alsook het adagium ‘patere legem quam ipse fecisti’”. Verzoeker werd meegedeeld dat hij de regels inzake het plagiaat zou hebben geschonden op 12 juni
- Verzoeker stelt geenszins enige tekst geschreven te hebben die origineel niet van zijn hand was. Er is geen zin of zinsnede die hij niet zelf heeft geschreven. Hij heeft ook geen derde partij gevraagd om een deel van het werk voor hem te verrichten of een deel van het examen voor hem te maken. Er is geen vals citaat gebruikt, noch is er niet verwezen naar enige bronvermelding. Dat betekent dat het geval van verzoeker niet voldoet aan de omschrijving van plagiaat zoals die is aangenomen door de artikelen 38 en 39 van de studieregels en dat de straffen van artikel 40 ook niet kunnen worden toegepast. Er kan geen vermindering van het studieresultaat worden toegepast en evenmin kan het studieresultaat van verzoeker herleid worden tot
- Het gebruik van chatGPT vormt namelijk geen plagiaat. Alle stukken blijven integraal geschreven door verzoeker zelf. ChatGPT verbeterde louter de structuur en maakte het geheel leesbaarder. De artikelen 38 en 39 van de studieregels bevatten volgens verzoeker een definitie die geenszins het gebruik van ChatGPT uitsluit. Dit geldt des te meer omdat het een online openboekexamen betrof waar zelfs expliciet het gebruik van online woordenboeken toegelaten was. De bestreden beslissing schendt bijgevolg de eigen regelgeving, namelijk de studieregels, door een kwalificatie van plagiaat aan te nemen die IX-10.435-14/29 geenszins strookt met de definitie die in de artikelen 38 en 39 staat te lezen. Bijgevolg kan er geen straf worden opgelegd, conform artikel 40 van de studieregels, die bepaalt dat (eventueel) een 0 wordt toegekend aan de betrokkene omdat hij plagiaat heeft gepleegd.
- In de memorie van wederantwoord wijst verzoeker erop dat de uitnodiging voor de hoorzitting enkel refereert aan “plagiaat”. Hij is niet gehoord over “fraude” in de zin van artikel 30 van het studiereglement. In de uitnodiging voor de hoorplicht was louter sprake van plagiaat. Er was geen sprake van fraude in de brief voor de hoorplicht. Ook de hoorzitting zelf handelde niet over fraude maar over plagiaat. Het kan dan ook niet zijn dat verzoeker zich nuttig heeft kunnen verweren, aangezien hij niet op de hoogte was van de essentiële gegevens die de verwerende partij in haar besluitvorming wenste te betrekken, zijnde de kwalificatie en toepasselijke regelgeving van de maatregel, alsook de eventuele toepasselijke sanctie. De verwerende partij kon dus geen sanctie opleggen op grond van artikel 30 van het studiereglement aangezien zij verzoeker enkel hoorde met betrekking tot de artikelen 38, 39 en 40 van het studiereglement. Beoordeling
- Verzoeker is op 12 juni 2023 uitgenodigd “for a plagiarism hearing regarding your exam on 26 May” (voor een hoorzitting omtrent plagiaat met betrekking tot het examen van 26 mei).
- Tussen partijen wordt niet betwist dat verzoeker op voormeld examen gebruik heeft gemaakt van ChatGPT. Evenmin wordt betwist dat hij hierover is ondervraagd op de hoorzitting, dat hij het gebruik van dat programma heeft toegegeven en dat hij zijn standpunt hierover kenbaar heeft kunnen maken.
- Daarop heeft de academische raad van de verwerende partij op 24 juni 2023 aan verzoeker een maatregel opgelegd “based on a proposed sanction for cheating” (gesteund op een voorstel van sanctie voor bedrog), met IX-10.435-15/29 referentie aan “article 30 of the Study Regulations” (artikel 30 van de studieregels). De academische raad heeft bijgevolg op grond van de feitelijke vaststellingen en het verweer van verzoeker diens gebruik van ChatGPT op het examen gekwalificeerd als bedrog in de zin van artikel 30 van de studieregels. Op 15 september 2023 beslist dan de academische raad met de thans bestreden beslissing over het beroep tegen de sanctie voor bedrog (“the appeal […] against the sanction for cheating”) om de nulscore te behouden, ditmaal wegens bedrog of poging daartoe (“for cheating or attempted cheating”).
- Rechtsgrond voor de aan verzoeker opgelegde sanctie is artikel 30 van de studieregels en het daarin beteugelde bedrog of poging daartoe. De academische raad heeft noch in zijn initiële beslissing, noch in de eindbeslissing gewag gemaakt van plagiaat of de specifiek met plagiaat verband houdende bepalingen van de studieregels. Zoals de verwerende partij stelt: verzoeker wordt geen sanctie opgelegd voor plagiaat, maar voor fraude tijdens het examen. Het middel, in zoverre het vertrekt van een feitelijk verkeerd uitgangspunt, is ongegrond.
- De grief van verzoeker dat hij na de herkwalificatie van de feiten – bedrog in plaats van plagiaat – opnieuw zou moeten worden gehoord omdat de uitnodiging voor de hoorzitting enkel plagiaat vermeldt, is laattijdig aangevoerd in de memorie van wederantwoord. Ook in zoverre is het middel niet ontvankelijk. Louter ten overvloede bedenkt de Raad daarbij nog dat verzoeker op de hoorzitting perfect op de hoogte was van wat hem werd verweten en van de mogelijke sancties die hem boven het hoofd hingen, aangezien in de beide gevallen een nulscore voor het opleidingsonderdeel en de wegzending van IX-10.435-16/29 de instelling tot de mogelijkheden behoorde. Voorts maakt verzoeker niet inzichtelijk wat hij anders of méér zou hebben laten gelden, mocht de kwalificatie ‘bedrog’ in de oproeping zijn vermeld of indien hij daarover nogmaals zou zijn gehoord. Verzoeker overtuigt aldus niet dat hij zich niet nuttig heeft kunnen verweren ten gevolge van de herkwalificatie van zijn gedrag.
- Het middel wordt verworpen. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Het tweede middel is geput uit de schending “van de academische regels (academic rules) met betrekking tot de organisatie van het examen al dan niet samengelezen met het adagium ‘patere legem quam ipse fecisti’”. Verzoeker betoogt: “In de academische regels staat te lezen dat het gebruik van online vertaalwoordenboeken is toegelaten terwijl het gebruik van Google Translate of Deepl dat niet is (stuk 6 pagina 3). Met andere woorden: verzoeker mocht niet vragen aan een vertaalmachine om voor hem de vertaling te maken vanuit het Turks naar het Engels maar hij mocht wel gebruik maken van [e]en online vertaalwoordenboek om een betere woordenschat te kunnen hanteren. De bedoeling van verzoeker was precies om zijn woordenschat beter te hanteren. Chat GPT zorgt precies voor een hulpmiddel [om dat] te realiseren. Verzoeker heeft de Turkse nationaliteit en is geen Britse onderdaan. Vanuit dat oogpunt is het logisch dat hij op zoek ging naar een gepaste wijze om […] op een coherente wijze zijn zinnen vorm te geven. Chat GPT is thans een hulpmiddel dat nauwelijks weg te denken valt uit de actuele wereld. Bij een online openboekexamen waarbij geenszins aangegeven staat dat het gebruik van Chat GPT is uitgesloten, is het zelfs niet onlogisch om te vermoeden dat het gebruik ervan mogelijk is. Het gaat verder dan dat aangezien alle materiaal uit de lessen alsook elk ander materiaal (stuk 6, pagina 4) mag worden gebruikt, kon verzoeker er zeker vanuit gaan dat het gebruik van chat GPT geoorloofd was. Het was niet expliciet uitgesloten en het gebruik van alle materiaal was toegelaten. IX-10.435-17/29 Logischerwijze wenste verzoeker zijn Engels op het hoogst mogelijk niveau te brengen. Het gebruik van chat GPT was niet verboden en er was expliciet bepaald dat het gebruik van alle materiaal was toegelaten behalve als het expliciet verboden was. Chat GPT werd nergens uitdrukkelijk verboden. Bijgevolg schendt de bestreden beslissing de academische regels zoals ze zijn uitgevaardigd.”
- In de memorie van wederantwoord voegt verzoeker hieraan toe dat het examen werd afgelegd in een ruimte met weinig studenten, waarin twee toezichthouders aanwezig waren die in het lokaal rondliepen. Op geen enkel moment werd hij door één van hen aangesproken over het gebruik van ChatGPT. Voorts merkt hij op dat de verwerende partij, als zij nieuwe examenregels op het examen van verzoeker van toepassing wou maken, die gewijzigde regels expliciet ter kennis moest brengen van verzoeker. Aangezien de verwerende partij dat niet deed, bleven de examenregels van 2021-2022 van toepassing op het examen van verzoeker in mei
- Op grond van de examenregels van 2021-2022 was het gebruik van ChatGPT niet uitgesloten en was alles dat niet expliciet verboden was, toegelaten. De verwerende partij erkent overigens impliciet dat het gebruik van ChatGPT in 2021-2022 toegelaten was, door de wijziging van haar examenreglement in 2023 waarbij zij het gebruik van ChatGPT expliciet uitsluit. Het gebruik van generatieve AI-tools was in 2021- 2022 niet uitdrukkelijk uitgesloten en dus toegelaten. Verzoeker vervolgt: “De verzoeker verklaarde inderdaad plechtig dat het examen volledig zijn werk is. De verzoeker blijft bij die verklaring: de tekst is helemaal van zijn hand; hij gebruikte Chat GPT louter om de structuur van zijn tekst wat te verbeteren. De verzoeker heeft Chat GPT noch gebruikt als communicatietool, noch als vertaler. De verzoeker kopieerde evenmin volledige tekst uit Chat GPT. Aangezien de verwerende partij niet het ingevulde examen noch het proces-verbaal van verhoor voorlegt van de hoorplicht, dat overigens over plagiaat ging en niet over spieken, toont de verwerende partij helemaal niet aan dat de verzoeker bepaalde tekst niet zelf zou hebben geschreven IX-10.435-18/29 en welke tekst dat dan wel zou zijn, toont de verwerende partij helemaal niet aan dat Chat GPT werd gebruikt als vertaler, of als communicatietool. Overigens, is een eigen tekst met een verbeterde structuur die wordt weergegeven in Chat GPT, natuurlijk wél een eigen digitaal document, net zoals de eigen geprinte lesnota’s die tijdens een openboekexamen mogen worden gebruikt evengoed met Chat GPT geoptimaliseerd kunnen zijn en zeker en vast ‘eigen lesnota’s’ zijn. Aan alle instellingen voor hoger onderwijs optimaliseren studenten tegenwoordig hun eigen lesnota’s met Chat GPT. Uiteraard zijn en blijven het natuurlijk wel eigen lesnota’s die mogen worden gebruikt tijdens een openboekexamen. Met andere woorden: het gewijzigde studiereglement van de verwerende partij lijkt blijkbaar enkel ‘live’ gebruik van Chat GPT uit te sluiten tijdens online openboek examens, wat nog steeds niet helemaal duidelijk is in haar reglement. Het reglement van de verwerende partij lijkt immers enkel het kopiëren van tekst uit Chat GPT te verbieden, maar niet het optimaliseren van de structuur van eigenhandig geschreven tekst: ‘The answer must directly be typed on the dedicated online plat- form. No text may be copied from any other software application of sources (incl. AI-generated text).’ ‘De examenantwoorden moeten rechtstreeks op het speciale online platform worden getypt. Er mag geen tekst worden gekopieerd uit andere softwaretoepassingen of bronnen (incl. door AI gegenereerde tekst).’ (stuk 9 van de verwerende partij) De verzoeker kopieerde geen tekst van Chat GPT.” Tot besluit betoogt verzoeker dat de verwerende partij haar eigen studieregels en haar eigen examenregels heeft geschonden door hem voor het gebruik van ChatGPT te bestraffen volgens de frauderegels (artikel 30 van het studiereglement), terwijl het gebruik van ChatGPT volgens haar eigen reglement enkel kan worden bestraft volgens de regels met betrekking tot plagiaat (artikel 38, 39 en 40 van het studiereglement).
- In zijn laatste memorie merkt verzoeker op dat hij het examenreglement voor het academiejaar 2021-2022 niet meer kon raadplegen, omdat het niet langer beschikbaar was. Had verzoeker geweten dat het niet toegelaten was, dan zou het een fraude-inbreuk zijn geweest maar fraude veronderstelt een moreel element. Dat kon bij verzoeker niet aanwezig zijn omdat hij het examenreglement voor het academiejaar 2021-2022 niet kon kennen. IX-10.435-19/29 IX-10.435-20/29 Beoordeling
- Het middel wordt beoordeeld zoals het in het inleidend verzoekschrift is ontwikkeld. De latere toelichtingen in de memorie van wederantwoord en de laatste memorie geven aan het middel laattijdig een nieuwe grondslag en zijn om die reden niet ontvankelijk.
- Door zich in te schrijven als student bij de verwerende partij en deel te nemen aan de examens, moet verzoeker worden geacht kennis te hebben van de examenregels. Dat is niet anders omdat hij zijn herexamen pas enkele jaren later heeft kunnen afleggen. Hoe dan ook beweert verzoeker niet dat hij niet op de hoogte was of moest zijn van de volgende bepaling in de examenregels: “While the use of online language dictionaries (alongside printed diction- aries) is allowed, the translation of entire sentences/sections of text (e.g. via tools like Google Translate, DeepL or plug-ins) is strictly prohibited and will be verified during the onsite supervision (observation of screens) as well as retroactively via the tools available on the exam.net platform. (Auto-)Translated sections of text will be sanctioned according to the pla- giarism rules.” Vrije vertaling: Hoewel het gebruik van online woordenboeken (naast gedrukte woordenboeken) is toegestaan, is de vertaling van hele zinnen/gedeelten van tekst (bijv. via tools zoals Google Translate, DeepL of plug-ins) strikt verboden. Dit zal worden geverifieerd tijdens het toezicht ter plekke (observatie van schermen) en ook retroactief met de tools die beschikbaar zijn op het examen.net platform. (Auto-)Vertaalde tekstgedeelten zullen worden bestraft volgens de regels over plagiaat.
- Een vertaalwoordenboek is een woordenboek waarin woorden van een taal zijn voorzien van een vertaling in één of meer andere talen. Het toegelaten gebruik van een vertaalwoordenboek staat in de examenregels tegenover het gebruik van “tools” die zorgen voor de vertaling van gehele zinnen IX-10.435-21/29 en zinsdelen. De examenregels geven als exemplatieve voorbeelden Google Translate, DeepL of “plug-ins”.
- Verzoeker stelt zelf dat hij ChatGPT op het examen heeft gebruikt “om zijn zinnen vorm te geven”, om een betere structuur te brengen in zijn uiteenzetting en om een correctere zinsbouw in zijn antwoorden te verkrijgen. Dit is een ingreep die het gebruik van een toegelaten vertaalwoordenboek ruim overstijgt en die minstens op dezelfde hoogte staat als “vertaling van hele zinnen/gedeelten van tekst”. Aangezien de opsomming van verboden hulpmiddelen niet limitatief is, doet daaraan geen afbreuk dat het gebruik van een (AI) chatbot slechts in een latere aanvulling van de examenregels nader is geëxpliciteerd. Zoals de verwerende partij terecht opmerkt in haar beslissing, was het gebruik van ChatGPT al omvat door het verbod in de examenregels van 2021-
- Het middel, dat uit de niet-vermelding van ChatGPT afleidt dat het gebruik ervan is toegelaten, steunt op een verkeerde lezing van de examenregels. Het is ongegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- In een derde middel voert verzoeker de schending aan van de artikelen 1 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijk motivering van de bestuurshandelingen’, al dan niet gelezen samen met het redelijkheidsbeginsel. Verzoeker argumenteert dat de bestreden beslissing niet formeel gemotiveerd is. In de beslissing wordt enkel geschreven dat de academische raad van verweerster het beroep van verzoeker verwerpt en dat de IX-10.435-22/29 beslissing om verzoeker een 0 toe te kennen wegens fraude wordt behouden. Verzoeker besluit hieruit dat de juridische en de feitelijke overwegingen niet zijn opgenomen in de bestreden beslissing omdat er geen enkel feit uit deze beslissing blijkt noch enige juridische grondslag. Ook besteedt de academische raad geen aandacht aan de door verzoeker in diens beroepsschrift aangedragen argumenten. Zelfs na aandringen van de raadsman van verzoeker op 11 december 2023 wordt er op diens vraag tot motivering van de bestreden beslissing geen antwoord gegeven. Beoordeling
- Hoe de verwerende partij het redelijkheidsbeginsel heeft geschonden, wordt door verzoeker in het inleidend verzoekschrift met geen woord toegelicht. In zoverre is het middel onontvankelijk.
- De bestreden beslissing verwijst naar en bevestigt de eerste beslissing van de academische raad, die aan verzoeker ook bekend is. Wat de juridische grondslag van de beslissing betreft, heeft verzoeker kunnen lezen dat de academische raad steunt op artikel 30 van het studiereglement en op haar op 4 november 2021 goedgekeurde “academic rules” voor de organisatie van de examenreeks in november/december 2021 en latere wijzigingen ervan. Wat de feitelijke grondslag betreft, kan het verzoeker niet onbekend zijn dat het geschil het gebruik van ChatGPT betreft op zijn examen van 26 mei
- De beslissing refereert aan zijn beroep tegen de beslissing van de academische raad over bedrog gepleegd op dat examen en vermeldt “the use of an (AI) chatbot during an exam”. IX-10.435-23/29 Deze motivering van de bestreden beslissing stelt verzoeker in staat om met voldoende kennis van zaken te oordelen of het nuttig is om de bestreden beslissing al dan niet met een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State aan te vechten. Verzoeker toont het tegendeel niet aan.
- In de toelichting bij het middel geeft verzoeker nog aan dat in de bestreden beslissing geen aandacht is besteed aan de argumentatie die hij in zijn intern beroepsschrift heeft ontwikkeld en dat de verwerende partij derhalve niet motiveert waarom zij niet ingaat op de door hem aangevoerde argumenten. Verzoeker blijft hierover echter heel algemeen. Hij preciseert niet welke argumenten zonder antwoord zijn gebleven. Het komt evenwel niet aan de Raad van State toe om de inhoud van het intern beroepsschrift te onderzoeken en daaruit zelf af te leiden op welke argumenten de verwerende partij in de bestreden beslissing heeft verzuimd een antwoord te formuleren. In zoverre is het middel onontvankelijk.
- Het middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
- Een vierde middel put verzoeker uit de schending van “de beginselen van behoorlijk bestuur en specifiek van het proportionaliteitsbeginsel, samen gelezen met het artikel 38, 39 en 40 van de studieregels en artikel 3 van de Uitdrukkelijke Motiveringswetwet van 29 juli 1991”. Verzoeker betoogt: “Verzoeker had in zijn beroepschrift aangegeven dat een nul opleggen op dit examen disproportioneel was met de inbreuk die hij had begaan. IX-10.435-24/29 Verwerende partij heeft niet geantwoord op deze argumentatie. De verwerende partij moest motiveren waarom een nul, hetgeen de strengste van de twee sancties is die is opgenomen in artikel 40 van de studieregels werd opgelegd. Er kan namelijk ook een reductie van de punten worden opgelegd. De ‘nulscore’ hangt samen met een zware inbreuk inzake plagiaat. Verwerende partij motiveert nergens waarom deze zware sanctie moet worden opgelegd. Er is dus geen motivering gegeven, noch is een afweging gemaakt waarom de zwaarste sanctie moet worden opgelegd. De verwerende partij moet aangeven waarom zulke beslissing wordt genomen zeker omdat verzoeker had aangegeven de sanctie ‘nul’ disproportioneel te vinden (stuk 4). Als gevolg van die sanctie kon hij geen diploma meer behalen. De verwerende partij geeft geen motivering en schendt daardoor artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 en doet geen afweging en schendt zo het proportionaliteitsbeginsel en zijn eigen artikel 40 inzake de studieregels. Opnieuw houdt verwerende partij zich niet aan de Belgische rechtsregels.”
- In de memorie van wederantwoord betoogt verzoeker dat het gebruik van Chat GPT bestraft moet worden overeenkomstig de regels met betrekking tot plagiaat. Alleen al daarom, dient de beslissing te worden vernietigd. Maar ook bij toepassing van artikel 30 van het studiereglement is de beslissing volgens verzoeker disproportioneel: “De verwerende partij voert aan dat haar studiereglement geen ruimte laat voor de Academische Raad om een lichtere sanctie toe te kennen dan een nulscore. Nog volgens de verwerende partij was enkel een zwaardere sanctie mogelijk, met name de uitsluiting. Gelet op de libellering van de mogelijke sancties ‘may’, bestond er natuurlijk wel beoordelingsvrijheid voor de verwerende partij. Zij kon er met name voor kiezen om geen sanctie op te leggen, rekening houdend met de legitieme belangen van de verzoeker. Uit niets blijkt dat de verwerende partij de belangen van de verzoeker zoals uiteengezet in zijn beroepsschrift ernstig in overweging heeft genomen. Nochtans, leidt het in overweging nemen van de belangen van de verzoeker tot de conclusie dat het opleggen van een sanctie in de gegeven omstandigheden disproportioneel was. Omwille van ziekte op het ogenblik van het oorspronkelijk examen, diende de verzoeker het examen opnieuw af te leggen. De verzoeker kon het examen pas een jaar later afleggen. De verzoeker was toen al aan het IX-10.435-25/29 werk en ondervond problemen met zijn visum, waardoor hij begrijpelijkerwijze nipt niet slaagde voor het examen. De herkansing van het examen vond plaats in mei
- Die herkansing vond dus anderhalf jaar na het oorspronkelijk examen plaats en was voor de verzoeker de allerlaatste kans om zijn diploma te halen. In die periode van een anderhalf jaar werd Chat GPT gelanceerd en werd hier en daar al wel geëxperimenteerd met die softwaretoepassing, maar het gebruik ervan was helemaal nog niet bekend. Evenmin de draagwijdte, correctheid, enzovoort, van de softwaretoepassing. Dat de opkomst van generatieve AI voor verwarring en onduidelijkheid zorgde, blijkt overigens uit de onaangepastheid van het studiereglement van de verwerende partij alsook haar (nog) niet-consequent(e) beleid/reactie ter zake. Dat de verzoeker al zijn vroegere verdiensten en resultaten niet ‘te danken heeft’ aan Chat GPT maar aan hard werk en inzet, wordt aangetoond door het feit dat Chat GPT eenvoudig nog niet bestond toen de verzoeker zijn voorgaande resultaten en diploma’s behaalde. De verzoeker heeft in het verleden bewezen dat hij een uitstekende en integere student is. De verzoeker is onbetwistbaar in staat om te slagen voor het examen zonder het gebruik van Chat GPT. De verzoeker heeft evenmin voorgaanden van welk oneerlijk dan wel negatief gedrag dan ook. Dat één menselijke vergissing over wat mocht worden gebruikt tijdens een openboekexamen leidde tot een nulscore die dan ook nog eens verhindert dat de verzoeker ooit nog het gegeerde diploma kan behalen aan de gerenommeerde onderwijsinstelling van de verwerende partij, is disproportioneel.”
- In zijn laatste memorie merkt verzoeker op dat voor hem het verschil in praktijk tussen een nulscore en een uitsluiting onbestaande is: hij kan niet meer terug naar het Europacollege en kan geen diploma meer behalen. Beoordeling
- Verzoeker preciseert niet welke ándere algemene beginselen van behoorlijk bestuur, naast het proportionaliteitsbeginsel, door de verwerende partij zijn geschonden. In die mate is het middel onontvankelijk. IX-10.435-26/29
- Hiervóór is erop gewezen dat de bestreden beslissing steunt op artikel 30 van de studieregels. In zoverre verzoeker in het inleidend verzoekschrift grieven neemt uit de toepassing van artikel 40 van de studieregels, faalt het middel in feite. In zoverre verzoeker in de memorie van wederantwoord dan weer voor het eerst aanvoert dat niet artikel 30 op het gebruik van Chat GPT van toepassing is, maar wel de regels inzake plagiaat en aanvoert dat de academische raad deze regels had moeten volgen, geeft hij een nieuwe, laattijdige grondslag aan het middel. In zoverre is het onontvankelijk.
- De Raad van State gaat bij de beoordeling van de evenredigheid van de bestreden beslissing uit van de feiten zoals ze blijken uit de bestreden beslissing en waarvan verzoeker de onwettigheid niet heeft aangetoond, getoetst aan de door verzoeker in het middel aangevoerde argumenten die volgens verzoeker doen blijken dat de bestreden beslissing het redelijkheids- of evenredigheidsbeginsel miskent. Op verzoeker rust aldus de bewijslast om aannemelijk te maken dat het door hem aangevoerde beginsel van behoorlijk bestuur is geschonden. In het inleidend verzoekschrift voert verzoeker als feitelijke argumenten enkel aan dat hij de sanctie disproportioneel vindt omdat ze de strengste is van de mogelijke sancties, omdat ook een reductie van punten kan worden opgelegd en omdat hij als gevolg van de nulscore geen diploma kan behalen. De overige argumenten die verzoeker uiteenzet in de memorie van wederantwoord – tot de vraag om op grond daarvan géén sanctie op te leggen – zijn laattijdig en dus onontvankelijk.
- Luidens artikel 30 van de studieregels is bedrog of zelfs een poging daartoe “strikt verboden”. Hieruit blijkt de beleidslijn van de verwerende partij om streng op te treden tegen dergelijk gedag. Verzoeker vergist zich ook, als hij de nulscore de strengste bestraffing noemt: ook een uitsluiting behoorde tot de mogelijkheden – ook al heeft die voor verzoeker eenzelfde praktisch gevolg, IX-10.435-27/29 omdat de nulscore in zijn geval een herexamen betreft. Daargelaten of de academische raad als sanctie ook een reductie van de punten kon opleggen, overtuigt verzoeker niet ervan dat het ondenkbaar is dat enig ander beroepsorgaan, geplaatst tegenover dezelfde feitelijke gegevens, tot eenzelfde beslissing zou komen. De schending van het proportionaliteitsbeginsel is niet aangetoond.
- Bij de beoordeling van het derde middel is vastgesteld dat de bestreden beslissing afdoende formeel gemotiveerd is door de rechtsgrondslag en de feitelijke gegevens te vermelden waarop ze steunt. De formelemotiveringsplicht gaat niet zover dat de verwerende partij ook afzonderlijk en expliciet moet motiveren waarom zij de in de studieregels opgenomen sanctie van de nulscore toepast, en geen zwaardere of lichtere. De aangevoerde schending van de formelemotiveringsplicht faalt.
- Het middel wordt verworpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. IX-10.435-28/29 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twee juni tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Jurgen Neuts, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren IX-10.435-29/29 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.482 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.