← België

Arrest 263489 - Ziekenhuizen - 03/06/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 juni 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.489 Rolnummer: A. 239904/XII-9678 Zaak: Arrest 263489 - Ziekenhuizen - 03/06/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-06-12 Raadplegingen: 207 - laatst gezien 2026-06-18 18:04 Fiche Arrest nr 263.489 van 3 juni 2025 Sociale zaken en volksgezondheid - Ziekenhuizen Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XII KAMER nr. 263.489 van 3 juni 2025 in de zaak A. 239.904/XII-9678 In zake : de VZW JESSA ZIEKENHUIS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sarah Van Haute en Hadewijch Jansen kantoor houdend te 3700 Tongeren Vlasmarkt 4 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jean-François De Bock en Joy Moens kantoor houdend te 1180 Brussel Bosveldweg 70 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 28 augustus 2023, strekt tot de nietigverklaring van: - de omzendbrief van 1 juni 2023 van het Directoraat-generaal Gezondheidszorg, dienst Financiering van de Ziekenhuizen & Dienst Legal Management van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, met bijgaand een technische nota, waarmee de modaliteiten worden bepaald voor de tegemoetkoming in de meerkosten van artsen-specialisten in opleiding (ASO) ingevolge de collectieve overeenkomst van 19 mei 2021; - de beslissing van ongekende datum van directeur-generaal A.P., genomen in opdracht van de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, houdende vaststelling van het voor de verzoekende partij op 1 juli 2023 toegekende (voorstel XII-9678-1/28 van) budget van financiële middelen van 1 juli 2023, wat betreft de lijnen C2-9726 en B4-1550. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Tina Coen heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 mei 2025. Kamervoorzitter Chantal Bamps heeft verslag uitgebracht. Advocaat Hadewijch Jansen, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Jean-François De Bock, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Tina Coen, daartoe gemachtigd bij beslissing van de auditeur-generaal van 29 april 2025, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. XII-9678-2/28 III. Feiten 3.1. Het budget van financiële middelen (hierna: BFM) dekt op forfaitaire wijze de kosten die verband houden met het verblijf en de verstrekking van zorgen aan de patiënten in het ziekenhuis, met inbegrip van de patiënten in chirurgische daghospitalisatie (artikel 100 van de gecoördineerde wet van 10 juli 2008 ‘op de ziekenhuizen en andere verzorgingsinrichtingen’ (hierna: ziekenhuiswet)). Op grond van artikel 105 van diezelfde wet bepaalt de Koning, na advies van de Federale Raad voor Ziekenhuisvoorzieningen, de voorwaarden en de regels voor de vaststelling van het BFM en van de onderscheiden bestanddelen. 3.2. De uitvoering van deze bepalingen is in hoofdzaak geregeld door het koninklijk besluit van 25 april 2002 ‘betreffende de vaststelling en de vereffening van het budget financiële middelen van de ziekenhuizen’ (hierna: koninklijk besluit van 25 april 2002). Blijkens artikel 7 van dit koninklijk besluit is het BFM dat voor elk ziekenhuis vastgesteld wordt, opgesplitst in drie delen (A, B en C), die op hun beurt verder worden opgesplitst in onderdelen. Het koninklijk besluit van 25 april 2002 bepaalt voorts op gedetailleerde wijze uit welke bestanddelen elk onderdeel van het BFM bestaat (artikelen 8 tot 23) en wat de modaliteiten voor de vaststelling van dat onderdeel van het BFM zijn, met inbegrip van de criteria ter vastlegging van de kosten die precies worden gedekt (artikelen 24 tot 85). 3.3. Op basis van voormelde reglementaire bepalingen stelt de minister van Volksgezondheid voor ieder ziekenhuis een BFM vast (artikel 95 van de ziekenhuiswet). De te volgen procedure is bepaald in artikel 108, eerste lid, van de ziekenhuiswet en luidt: “Vooraleer enige beslissing wordt getroffen omtrent de vaststelling van een budget van financiële middelen van een ziekenhuis, ziekenhuisdienst, -functie of zorgprogramma, deelt de minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft of de door hem gedelegeerde ambtenaar van het Bestuur van de gezondheidszorgen, de voorgenomen beslissing, met de nodige elementen ter verantwoording ervan, mede aan de beheerder. Deze beschikt over 30 dagen om zijn opmerkingen te doen gelden. Deze XII-9678-3/28 opmerkingen van de beheerder worden samen met de ontwerpbeslissing door de minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft of de daartoe gedelegeerde ambtenaar voor advies aan de Federale Raad voor Ziekenhuisvoorzieningen overgemaakt. De beslissing van de minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft is met redenen omkleed en wordt aan de beheerder medegedeeld, alsmede ter kennisgeving aan de Federale Raad voor Ziekenhuisvoorzieningen.” 3.4. Op 10 juni 2024 wordt het koninklijk besluit van 3 mei 2024 ‘tot wijziging van het koninklijk besluit van 25 april 2002 betreffende de vaststelling en de vereffening van het budget van financiële middelen van de ziekenhuizen’ (hierna: koninklijk besluit van 3 mei 2024) in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd. Zoals het opschrift aangeeft, heeft dit koninklijk besluit het koninklijk besluit van 25 april 2002 gewijzigd. In de context van de voorliggende zaak zijn in het bijzonder de invoeging van een punt 16 in artikel 19bis van het koninklijk besluit van 25 april 2002 en de invoeging van artikel 79terdecies in datzelfde besluit, relevant. Artikel 19bis, 16°, van het koninklijk besluit van 25 april 2002, zoals ingevoegd bij artikel 2 van het koninklijk besluit van 3 mei 2024, luidt: “De elementen waarvan de kosten door onderdeel B9 worden gedekt, zijn de volgende: […] 16° de middelen toegewezen aan de opleiding van kandidaat-specialisten.” Artikel 79terdecies van het koninklijk besluit van 25 april 2002, zoals ingevoegd bij artikel 19 van het koninklijk besluit van 3 mei 2024, luidt: “Met het oog op de ondersteuning van de opleiding van kandidaat-specialisten wordt in onderdeel B4 van het budget van financiële middelen vanaf 1 augustus 2021 een forfaitair bedrag van 30.000.000 euro (waarde op 1 januari 2022) opgenomen dat over de ziekenhuizen wordt verdeeld pro rata het aantal voltijdse equivalenten kandidaat-specialisten die een stage bij een erkende stagemeester in een ziekenhuis of een specifieke stage met een coördinerende stagemeester uitvoeren. XII-9678-4/28 De gebruikte gegevens worden aangeleverd door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid en zijn deze van 31 januari 2020. Extra-muros stages en wetenschappelijke stages worden niet meegerekend in de berekening. Voorwaarde voor de financiering is dat het ziekenhuis voldoet aan de verplichte minimumvoorwaarden die zijn opgenomen in de collectieve overeenkomst die op 19 mei 2021 is gesloten in de Nationale Paritaire Commissie Geneesheren-Ziekenhuizen, over de minimale voorwaarden die moeten opgenomen worden in de opleidingsovereenkomsten van de artsen- specialisten in opleiding (ASO), verplicht gesteld door het koninklijk besluit van 19 juli 2021 waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve overeenkomst van 19 mei 2021, gesloten binnen de Nationale Paritaire Commissie Geneesheren-Ziekenhuizen, over de minimale voorwaarden die moeten opgenomen worden in de opleidingsovereenkomsten die met artsen-specialisten in opleiding worden afgesloten. De financiering wordt gewogen op basis van de volgende beoordelingscriteria: - Volledigheid omschrijving voorwerp (1 punt); - Volledigheid omschrijving verplichtingen van alle betrokken partijen (1 punt); - Volledigheid bepalingen arbeidsduur (3 punten); o Vermelden van planning vier weken op voorhand (1 punt); o Gemiddeld 48u/week met max. 60u/week (1 punt); o Optie opting-out te ondertekenen: (1 punt); - Rusttijden en oproepbare wachten (2 punten): o Vermelden van minstens 12 uur tussen shifts (1 punt); o Vermelden van bepalingen in overeenkomst omtrent intramurale wachten ( - Vergoeding (3 punten): o Basisvergoeding (1 punt); o Vermelden bepalingen toeslag oncomfortabele (125%/150%) en opt-out uren (110%) (1 punt); o Vermelden forfaits wacht (1 punt) ; - Vermelden onkostenvergoeding en vergoeding wetenschappelijk verlof (2 punten); o Vermelden minstens 100 euro onkosten (1 punt); o Reële vergoeding of bepaald bedrag voor besteding wetenschappelijke activiteiten (1 punt); - Verlof (3 punten): o Vermelden minstens 20 dagen verlof (1 punt); o Vermelden 10 wettelijke feestdagen (1 punt); o Vermelden minstens 10 volle dagen wetenschappelijk verlof (1 punt); - Vertrouwenspersoon (2 punten): o Vermeld (1 punt); o Contactgegevens vertrouwenspersoon in opleidingsovereenkomst (1 punt); - Verzekering burgerlijke aansprakelijkheid (2 punten): o Vermelding naam verzekeraar in opleidingsovereenkomst (1 punt); o Vermelding polisnummer verzekeraar in opleidingsovereenkomst (1 punt); - Volledigheid omschrijving relatie stagemeester en arts-specialist in opleiding (1 punt). Dit brengt het maximaal te behalen resultaat op 20 punten. De resultaten werden op volgende manier berekend: XII-9678-5/28 - 20/20: Financiering aan 100% pro rata VTE ASO zonder opmerkingen; - 18-19/20: Financiering aan 100% pro rata VTE ASO met opmerking(en); - 16-17/20: Financiering aan 80% pro rata VTE ASO met opmerking(en); - 14-15/20: Financiering aan 60% pro rata VTE ASO met opmerking(en); - 12-13/20: Financiering aan 40% pro rata VTE ASO met opmerking(en); - 3.5. Ingevolge artikel 26 van het koninklijk besluit van 3 mei 2024 zijn beide wijzigingen met terugwerkende kracht in werking getreden: - aan de invoeging van artikel 19bis, 16°, van het koninklijk besluit van 25 april 2002 werd uitwerking verleend met ingang van 1 januari 2023 (artikel 26, § 7, van het koninklijk besluit van 3 mei 2024); - aan de invoeging van artikel 79terdecies van het koninklijk besluit van 25 april 2002 werd uitwerking verleend met ingang van 1 augustus 2021 (artikel 26, § 3, van het koninklijk besluit van 3 mei 2024). 3.6. Op 19 mei 2021 wordt in de schoot van de Nationale Paritaire Commissie Geneesheren-Ziekenhuizen een collectieve overeenkomst goedgekeurd over de minimale voorwaarden die moeten worden opgenomen in de opleidingsovereenkomsten die met artsen-specialisten in opleiding worden afgesloten (hierna: collectieve overeenkomst). Deze overeenkomst, die een verbetering beoogt van het statuut van de artsen-specialisten in opleiding, wordt bij koninklijk besluit van 19 juli 2021 algemeen verbindend verklaard. 3.7. Om de eventuele meerkosten van de collectieve overeenkomst te financieren, wordt een globaal budget van 30 miljoen euro op jaarbasis in het vooruitzicht gesteld. In de Commissie voor Gezondheid en Gelijke Kansen deelt de minister voor Volksgezondheid op 7 juni 2022 mee dat dat budget als volgt onder de ziekenhuizen zal worden verdeeld: “Zoals vorig jaar afgesproken bij het afsluiten van de collectieve overeenkomst, is er een budget van 30 miljoen euro vrijgemaakt om de eventuele meerkosten van deze overeenkomst te financieren. Dat budget wordt inderdaad via het budget van financiële middelen van de ziekenhuizen toegekend. De ziekenhuizen hebben al op 1 januari van dit jaar, in afwachting van de publicatie van de definitieve regels in een koninklijk besluit, een voorschot gekregen, dat berekend werd pro rata het aantal vte’s XII-9678-6/28 kandidaat-specialisten die stage lopen bij een erkende stagemeester in een ziekenhuis of een specifieke stage lopen bij een coördinerend stagemeester. Binnenkort zal het KB in het Staatsblad gepubliceerd worden dat de definitieve spelregels vastlegt. De verdeling van het budget tussen de ziekenhuizen zal gebeuren op basis van een vast forfait per vte ASO, onafhankelijk van de anciënniteit. Dit forfait wordt bepaald op basis van de gesloten enveloppe van 30 miljoen euro. Bovendien wordt een voorwaarde gekoppeld aan het ontvangen van de financiering, namelijk dat het ziekenhuis contracten met de ASO’s gebruikt die overeenstemmen met de modelovereenkomst die vorig jaar binnen de Nationale Paritaire Commissie artsen-ziekenhuizen werd overeengekomen. Dat zal een krachtig wapen zijn om compliance te bekomen.” 3.8. Bij omzendbrief van 11 juli 2022 wordt verduidelijkt hoe de financiering zal worden toegekend: “Op 19 mei 2021 bereikte de Nationale Paritaire Commissie Geneesheren-Ziekenhuizen een akkoord inzake de minimale voorwaarden die moeten opgenomen worden in de opleidingsovereenkomsten die met de artsen-specialisten in opleiding worden afgesloten. Dit akkoord vormde het voorwerp van een collectieve overeenkomst en werd algemeen verbindend verklaard met ingang van 1 augustus 2021 bij het koninklijk besluit van 19 juli 2021. Dit betekent een belangrijke stap vooruit voor de werkomstandigheden en sociale bescherming van de artsen-specialisten in opleiding (ASO) in de ziekenhuizen. Voor de uitvoering van deze overeenkomst werd een structureel budget van 30 miljoen euro op jaarbasis vrijgemaakt. In het budget van financiële middelen van 1 januari 2022 van uw ziekenhuis werd in de B4 lijn 1550 ‘Statuut ASO’ voor het jaar 2022 een budget toegekend en in de C2 lijn 9711 ‘Statuut ASO 2021’ een inhaalbedrag voor de maanden augustus t.e.m. december 2021. Het beschikbare budget werd provisioneel verdeeld onder de ziekenhuizen pro rata hun aantal VTE ASO dat op 31 januari 2020 stage loopt bij een erkende stagemeester in een ziekenhuis of een specifieke stage loopt bij een coördinerend stagemeester, zoals geregistreerd in de eCAD gegevens. Loontrekkende VTE en VTE in het kader van extramurale stages en van wetenschappelijke stages werden niet meegerekend, aangezien de collectieve overeenkomst op deze ASO niet van toepassing is. De collectieve overeenkomst is immers uitsluitend van toepassing op ASO die een opleidingsovereenkomst gesloten hebben met een ziekenhuis. Het budget dat provisioneel werd toegekend voor de periode van 1 augustus 2021 t.e.m. 30 juni 2023 vormt het voorwerp van een éénmalige herziening. Deze herziening op 23 maanden van de provisionele financiering zal worden uitgevoerd op basis van de RSZ-gegevens inzake het aantal VTE ASO waarop de collectieve overeenkomst van toepassing is en die werkzaam zijn in uw ziekenhuis gedurende het laatste kwartaal 2021 t.e.m. het derde kwartaal 2022. Het behoud van deze provisionele financiering wordt afhankelijk gesteld van het overmaken aan de FOD Volksgezondheid van: • een aangepast model van opleidingsovereenkomst gehanteerd op ziekenhuisniveau met toepassing vanaf 1 augustus 2021 waarin de bepalingen van de collectieve overeenkomst het minimale uitgangspunt vormen; XII-9678-7/28 • en van een ingevulde versie van de bijgevoegde template. Gelieve dit tegen 31 januari 2023 te versturen naar fin.pers@health.fgov.be. Op 1 juli 2023 zal de het beschikbare budget verdeeld worden tussen de ziekenhuizen op basis van door de RSZ verschafte gegevens voor de periode van 1 oktober 2021 tot en met 30 september 2022. Het budget dat op deze datum wordt toegekend zal niet herzien worden aangezien er voorafgaandelijk een actualisatie van de toegekende financiering zal worden uitgevoerd. Vanaf 1 juli 2024, zal er een jaarlijkse actualisatie van de financiering worden uitgevoerd op basis van de RSZ gegevens met betrekking tot het aantal VTE ASO waarop de collectieve overeenkomst van toepassing is werkzaam in uw ziekenhuis gedurende het vierde trimester van n-2 tot en met het derde trimester van n-1. Het behoud van deze volledige financiering is voor ieder ziekenhuis afhankelijk van de voorwaarde dat ze voor 31 januari 2023 naar het contact-emailadres hun aan de collectieve overeenkomst conforme model-opleidingsovereenkomst van toepassing op ziekenhuisniveau hebben overgemaakt, én dat ze na deze verzending de FOD Volksgezondheid ook informeren over wijzigingen die aangebracht worden aan deze modelovereenkomst op ziekenhuisniveau en kunnen aantonen dat deze aanpassingen de minimale bepalingen van de collectieve overeenkomst blijven respecteren. De dossierbeheerder van de FOD Volksgezondheid die belast zijn met de controle op het niveau van ieder ziekenhuis kan ondertekende opleidingsovereenkomsten opvragen en verifiëren of deze overeenkomsten voldoen aan de minimale bepalingen voorzien in de collectieve overeenkomst. De verdeling van het beschikbare budget tussen de ziekenhuizen gebeurt op basis van een vast forfait per VTE ASO onafhankelijk van de anciënniteit. Deze middelen worden toegekend via het budget van financiële middelen van de ziekenhuizen, maar dienen overeenkomstig artikel 16 van de overeenkomst in onderlinge overeenstemming tussen de beheerder en de medische raad van het ziekenhuis besteed te worden ter vergoeding van de arts-specialist in opleiding overeenkomstig de bepalingen van de overeenkomst. Indien deze financiële middelen niet volstaan voor de dekking van de meerkosten die het gevolg zijn van deze overeenkomst, zullen deze gedragen worden door de artsen die de honoraria ontvangen voor de prestaties die door de arts-specialist in opleiding geleverd worden. De regeling ter zake zal ook in onderlinge overeenstemming tussen de beheerder en de medische raad worden afgesproken.” 3.9. Bij deze omzendbrief is een “Template voor de controle van de financiering i.h.k.v. de collectieve overeenkomst ASO” gevoegd, die volgende inleiding bevat: “Om de controle op de naleving van de minimale verplichte bepalingen zo efficiënt mogelijk te maken, vragen wij u onderstaand overzicht in te vullen. In de linkerkolom vindt u de minimale verplichte bepalingen zoals opgesteld in het kader van de modelovereenkomst van de Nationale Paritaire Commissie Artsen-Ziekenhuizen (NPCAZ), integraal beschikbaar op onze website. We verzoeken u om in de rechterkolom aan te geven of de XII-9678-8/28 modelovereenkomst gehanteerd op het niveau van uw ziekenhuis deze bepaling (minimaal) respecteert. Hiertoe kan u in de rechterkolom schrijven: - ‘Identiek’: de exacte bepaling werd op ziekenhuisniveau overgenomen. - ‘Niet van toepassing’: er is geen enkele bepaling die de inhoud van de bepaling uit de NPCAZ-modelovereenkomst herneemt. - De volledige bepaling uit uw eigen modelovereenkomst die inhoudelijk (minimaal) overeenstemt met de NPCAZ overeenkomst. Naast een ingevulde versie van deze template, verzoeken we u, zoals aangegeven in de omzendbrief, om ook een modelovereenkomst gehanteerd op het niveau van uw ziekenhuis over te maken en dit tegen 31 januari 2023. Gelieve dit te versturen naar fin.pers@health.fgov.be.” 3.10. De verzoekende partij heeft op 4 augustus 2022 de door haar ingevulde template overgemaakt, alsook de opleidingsovereenkomst die zij met haar artsen-specialisten in opleiding sluit. 3.11. Op 26 juni 2023 worden volgende documenten aan de verzoekende partij betekend: - De omzendbrief van 1 juni 2023 betreffende “Resultaat na controle opleidingsovereenkomst met het oog op de uitvoering van de collectieve overeenkomst betreffende arts-specialisten in opleiding (ASO)”.Aan de omzendbrief is ook een technische nota gehecht met een toelichting van het quoterings- en wegingssysteem dat werd toegepast voor de berekening van het aandeel van een individueel ziekenhuis in het ter beschikking gestelde globaal budget van 30 miljoen euro op jaarbasis. De omzendbrief, met inbegrip van de technische nota, vormt de eerste bestreden beslissing; en - De beslissing van onbepaalde datum houdende vaststelling van het aan de verzoekende partij voorlopig toegekende budget van financiële middelen op 1 juli 2023. Aan deze beslissing is een detail van berekening gehecht waarin de concrete berekening van de lijnen C2-9726 (“Herziening statuut ASO 1/8/2021 – 30/06/2023”) en B4-1550 (“Statuut ASO”) wordt toegelicht. Dit is de tweede bestreden beslissing. XII-9678-9/28 IV. Ontvankelijkheid - Rechtsmacht van de Raad van State Ambtshalve exceptie van gebrek aan rechtsmacht in hoofde van de Raad van State Uiteenzetting van de ambtshalve exceptie 4. Het auditoraat werpt in zijn verslag ambtshalve de niet-ontvankelijkheid van het beroep op wegens gebrek aan rechtsmacht in hoofde van de Raad van State, op grond van de volgende overwegingen: A. ALGEMEEN 5.1. In haar arrest nr. 257.892 van 14 november 2023 heeft de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak het volgende geoordeeld: ‘6. Uit de artikelen 144, eerste lid, en 145 van de Grondwet volgt dat de geschillen over subjectieve rechten – altijd, wat de in de eerstgenoemde bepaling bedoelde geschillen over burgerlijke rechten betreft en in principe, wat de geschillen over politieke rechten betreft – tot de rechtsmacht van de hoven en rechtbanken behoren. Onder voorbehoud van een toewijzing van bevoegdheid inzake politieke rechten, is de Raad van State dan ook zonder rechtsmacht om kennis te nemen van beroepen en vorderingen waarvan het werkelijke en rechtstreekse voorwerp een geschil over subjectieve rechten betreft. 7. De bevoegdheid van de Raad van State wordt aldus bepaald door het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van het beroep tot nietigverklaring (Cass. (verenigde kamers) 19 februari 2015, C.14.0308.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150219.8). De Raad van State is op grond van de artikelen 144 en 145 van de Grondwet zonder rechtsmacht wanneer de vordering strekt tot de nietigverklaring van een administratieve rechtshandeling waarbij (

  1. i)een administratieve overheid weigert om een verplichting uit te voeren die overeenstemt met een subjectief recht waarover de verzoekende partij meent te beschikken en (
  2. ii)het ingeroepen annulatiemiddel gebaseerd is op een regel van materieel recht die deze verplichting in het leven roept en het geschil inhoudelijk bepaalt (Cass. (verenigde kamers) 27 november 2020, C.17.0114.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201127.REUN.2 en de concl. van eerste adv.-gen. R. Mortier; zie eveneens Cass. (verenigde kamers) 8 september 2016, C.11.0455.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160908.8 en de concl. van adv.-gen. Th. Werquin). Hieruit volgt derhalve dat de Raad van State zonder rechtsmacht is wanneer aan twee (connexe) voorwaarden is voldaan waarbij niet alleen acht moet worden geslagen op het voorwerp van de vordering (het petitum) maar ook op het aangevoerde middel (de causa petendi). De eerste voorwaarde houdt verband met het voorwerp van het beroep, met datgene wat wordt gevorderd, namelijk de erkenning of de vaststelling van het bestaan van een subjectief recht in hoofde van de rechtzoekende, aangezien hij XII-9678-10/28 voldoet aan alle voorwaarden waarvan het objectief recht deze aanspraak afhankelijk maakt. De eerste voorwaarde is alleen maar vervuld wanneer de bevoegdheid van de administratie volledig gebonden is (zie de concl. van adv.-gen. Th. Werquin voor Cass. (verenigde kamers) 11 juni 2010, AR C.09.0336.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100611.6, AC 2010, nr. 418; concl. van eerste adv.-gen. R. Mortier voor Cass. (verenigde kamers) 27 november 2020, C.17.0114.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201127.REUN.2). De tweede voorwaarde heeft betrekking op de middelen die tot staving van het annulatieverzoek worden aangevoerd. De Raad van State heeft geen rechtsmacht wanneer het aangevoerde annulatiemiddel wordt afgeleid uit de schending van de rechtsregel welke die verplichting vestigt (zie de concl. van eerste adv.-gen. R. Mortier voor Cass. (verenigde kamers) 27 november 2020, 17.0114.N). Het is daarbij niet voldoende dat een annulatiemiddel de Raad van State in het raam van het wettigheidstoezicht incidenteel of onrechtstreeks verplicht om uitspraak te doen over het bestaan of over de draagwijdte van een subjectief recht om te beslissen tot de afwezigheid van rechtsmacht van de Raad van State (zie Cass. (verenigde kamers) 11 juni 2010, AR C.09.0336.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100611.6, AC 2010, nr. 418; evenals de concl. van adv.-gen. C. Vandewal voor Cass. (verenigde kamers) 19 februari 2015, C.14.0369.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150219.9 en van eerste adv.-gen. R. Mortier voor Cass. (verenigde kamers) 27 november 2020, C.17.0114.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201127.REUN.2). 8. Opdat er sprake zou zijn van een vordering op grond van een subjectief recht, is vereist dat de verzoekende partij zich beroept op een welbepaalde juridische verplichting die een regel van objectief recht rechtstreeks aan een derde oplegt en bij de nakoming waarvan die partij belang heeft; opdat een verzoekende partij zich op een dergelijk recht zou kunnen beroepen ten aanzien van de bestuurlijke overheid, dient de bevoegdheid van die overheid volledig gebonden te zijn (Cass. (verenigde kamers) 20 december 2007 (2 arresten), C.06.0574.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.10 en C.06.0596.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.11). De Raad van State blijft bevoegd wanneer het ontstaan van het subjectief recht afhangt van een voorafgaande beslissing van de administratieve overheid, die wat die beslissing betreft over een discretionaire bevoegdheid beschikt, ook al is haar bevoegdheid op bepaalde vlakken gebonden (Cass. (verenigde kamers) 19 februari 2015, C.14.0369.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150219.9). Het gegeven dat de administratieve overheid de wettelijke en reglementaire criteria die aan haar bestuurshandelen ten grondslag liggen moet interpreteren, noch het gegeven dat zij ertoe wordt verplicht feiten juridisch te kwalificeren, leiden ertoe dat zij een discretionaire bevoegdheid uitoefent of dat er niet langer sprake zou zijn van een op haar rustende juridische verplichting en een daarmee overeenstemmend subjectief recht in hoofde van de rechtszoekende. 9. Er dient te dezen dan ook in de eerste plaats [te] worden nagegaan of de verwerende partij bij het nemen van de bestreden beslissing over enige discretionaire beoordelingsbevoegdheid beschikte, dan wel slechts over een (volledig) gebonden bevoegdheid en in dat opzicht slechts heeft moeten vaststellen of de reglementair vastgestelde voorwaarden, zoals zij die als overheid interpreteert, vervuld waren. Voorts dient bij die beoordeling van het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van de vordering, en anders dan de verwerende partij dat ziet, wel degelijk acht [te] worden XII-9678-11/28 geslagen op de door de verzoekende partij “ingeroepen middelen en vermeende onwettigheden” (de causa petendi). 10. De omstandigheid daarentegen dat de verwerende partij bij de kennisgeving van haar beslissing aan de verzoekende partij o.m. heeft vermeld dat een annulatieberoep bij de Raad van State kon worden ingesteld, doet – en anders dus dan de verzoekende partij dat ziet – aan het voorgaande niet af. Die omstandigheid heeft immers geen invloed op het onderzoek naar en de beoordeling van de rechtsmacht van de Raad van State. De regels die de respectieve bevoegdheden van de hoven en rechtbanken van de rechterlijke orde en van de Raad van State vaststellen, vloeien voort uit de Grondwet en partijen kunnen daarvan niet afwijken. 11. Het valt dan ook de bevoegde kamer toe om te oordelen of in casu aan de beide voorwaarden is voldaan, wat inhoudt dat bij de beoordeling van het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van de vordering niet alleen acht moet worden geslagen op het voorwerp van de vordering (het petitum) maar ook op het/de aangevoerde middel(
  3. en)(de causa petendi).’ De algemene vergadering van de Raad van State oordeelde in dezelfde zin in haar arresten nrs. 257.891 en 257.893 van dezelfde datum. 5.2. Er wordt bij de navolgende beoordeling van het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van de vordering dan ook acht geslagen op zowel het voorwerp van de vordering (het petitum), dit is de eerste connexe voorwaarde, als op de te dezen aangevoerde middelen (de causa petendi), dit is de tweede connexe voorwaarde. B. TOEPASSING: EERSTE (CONNEXE) VOORWAARDE 6.1. De eerste voorwaarde om uit te maken of het werkelijke en rechtstreekse voorwerp van de vordering een geschil omtrent een subjectief recht betreft, houdt verband met het voorwerp van het beroep, met datgene wat wordt gevorderd, namelijk de erkenning of de vaststelling van het bestaan van een subjectief recht in hoofde van de rechtzoekende, wat het geval is wanneer hij voldoet aan alle voorwaarden waarvan het objectief recht deze aanspraak afhankelijk maakt. De eerste voorwaarde is alleen vervuld wanneer de bevoegdheid van het bestuur volledig gebonden is. De vraag die derhalve voorligt, is of de verwerende partij bij het nemen van de bestreden beslissing (al dan niet) over enige discretionaire beoordelingsbevoegdheid beschikt dan wel of haar bevoegdheid ter zake volledig, d.w.z. ‘honderd ten honderd’ gebonden is en in dat opzicht slechts heeft moeten vaststellen of (in hoofde van de verzoekende partij) de reglementair vastgestelde voorwaarden zoals zij die als overheid interpreteert, vervuld waren. Daarbij leidt het gegeven dat de administratieve overheid de wettelijke en reglementaire criteria die aan haar bestuurshandelen ten grondslag liggen moet interpreteren, noch het gegeven dat zij ertoe wordt verplicht feiten juridisch te kwalificeren, ertoe dat zij een discretionaire bevoegdheid uitoefent of dat er niet langer sprake zou zijn van een op haar rustende juridische verplichting en een daarmee overeenstemmend subjectief recht in hoofde van de rechtzoekende. 6.2. In de voorliggende zaak gaat de betwisting specifiek over de financieringsvoorwaarden die zijn opgenomen in het eerste onderdeel van de bestreden beslissing, alsook de wijze waarop die voorwaarden vervolgens zijn toegepast om de lijnen C2-9726 (“Herziening statuut ASO) en B4-1550 (‘Statuut ASO’) van het BFM van 1 juli 2023 van XII-9678-12/28 verzoekende partij (provisioneel) te berekenen. Meer bepaald is de toekenning van de financiering blijkens de bestreden beslissing afhankelijk gesteld van de voorwaarde dat de opleidingsovereenkomst die met de kandidaat-specialisten wordt afgesloten, voldoet aan de minimale voorwaarden, vastgelegd in de Collectieve Overeenkomst. Doordat de opleidingsovereenkomst van verzoekende partij niet volledig in overeenstemming werd geacht met de inhoud van de Collectieve Overeenkomst, werd haar aandeel in het globaal budget pro rata het aantal voltijdse equivalenten kandidaat-specialisten (‘VTE ASO’) herleid tot 80%. De quotering en weging gebeurde volgens de bestreden beslissing overeenkomstig de criteria, opgenomen in de technische nota die aan het eerste onderdeel van de bestreden beslissing is gehecht. 6.3. In haar eerste middel stelt verzoekende partij dat de bestreden beslissing onwettig is doordat de minister is overgegaan tot het bepalen van bijkomende voorwaarden op basis waarvan de bijkomende financiering werd verdeeld, terwijl het overeenkomstig artikel 105 van de Ziekenhuiswet, gelezen in samenhang met artikel 95 van diezelfde wet, aan de Koning toekomt om de voorwaarden en regelen voor de vaststelling van het BFM en van de onderscheiden bestanddelen te bepalen en dat koninklijk besluit ten tijde van het nemen van de bestreden beslissing nog niet was gepubliceerd. Verwerende partij betwist het belang van verzoekende partij bij dit middel. Zonder dat het eerste (of de andere) middel(
  4. en)moet worden onderzocht, stelt het auditoraat vast dat artikel 79terdecies van het KB van 25 april 2002, gelezen in samenhang met artikel 19bis, 16°, van het KB van 25 april 2002, thans de voorwaarden vaststelt voor de toekenning van financiering van de ziekenhuizen voor de ondersteuning van de opleiding van kandidaat-specialisten, met inbegrip van de wijze waarop die financiering moet worden berekend. Zowel het vereiste dat de met de kandidaat-specialisten afgesloten opleidingsovereenkomst moet voldoen aan de minimale voorwaarden, vastgelegd in de Collectieve Overeenkomst, als het blijkens diezelfde beslissing toegepaste quoterings- en wegingssysteem zijn integraal hernomen in artikel 79terdecies van het KB van 25 april 2022. Te dezen zijn in het bijzonder het vierde tot en met het zevende lid van artikel 79terdecies van het KB van 25 april 2002 relevant. 6.4. Net als de bestreden beslissing stelt het vierde lid van het KB van 25 april 2002 de toekenning van de financiering afhankelijk van het vereiste dat het ziekenhuis voldoet aan de verplichte minimumvoorwaarden die zijn opgenomen in de Collectieve Overeenkomst. Die minimumvoorwaarden zijn vermeld in de artikelen 1 t.e.m. 15 van de Collectieve Overeenkomst en luiden als volgt: ‘Basisarbeidstijd tijdens “comfortabele” uren Artikel 1. Het basisloon, bedoeld in artikel 7 § 2, eerste lid, van de wet van 12 december 2010 wordt vastgesteld op een minimum forfaitair brutobedrag van 3.111,92 EUR per maand voor een arts-specialist in opleiding tijdens zijn eerste jaar opleiding en overeenstemmend met de arbeidsprestaties en de uren wetenschappelijk werk gerealiseerd in de in artikel 5 § 1, eerste lid, bedoelde arbeidsduur. Dit minimum brutobedrag wordt jaarlijks op 1 januari geïndexeerd volgens de regels vastgesteld in uitvoering van artikel 207bis van de wet van XII-9678-13/28 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen. Een voltijdse tewerkstelling bedraagt een arbeidsduur van 48 uur per week. Het minimum basisloon vermeld in het eerste lid wordt op basis van de anciënniteit van de arts-specialist in opleiding verhoogd met de minimumbedragen vermeld in volgende tabel: Verhoging Minimum brutobedrag Jaar 1 - 3.111,92 EUR Jaar 2 100 EUR 3.211,92 EUR Jaar 3 125 EUR 3.336,92 EUR Jaar 4 125 EUR 3.461,92 EUR Jaar 5 150 EUR 3.611,92 EUR Jaar 6 150 EUR 3.761,92 EUR Voor een deeltijdse arbeidsduur wordt het minimum brutobasisloon pro rata verminderd. Opt-out uren tijdens “comfortabele” uren Art. 2. Voor de bijkomende arbeidstijd, bedoeld in artikel 7 § 2, eerste lid van de wet van 12 december 2010, die niet valt onder één van de situaties bedoeld in artikelen 3 en 4, bedraagt het minimum bruto uurloon 110 % van het minimum basisuurloon. Oncomfortabele uren week en zaterdag Art. 3. Voor elke arbeidstijd, ongeacht of deze behoort tot de basis arbeidstijd bedoeld in artikel 1 of de bijkomende arbeidstijd bedoeld in artikel 2, die tussen 20 u ’avonds en 8 uur ’s morgens en op zaterdag wordt verricht, bedraagt het minimum bruto uurloon 125 % van het minimum basisuurloon. Oncomfortabele uren zondag en feestdagen Art. 4. Voor elke arbeidstijd, ongeacht of deze behoort tot de basis arbeidstijd bedoeld in artikel 1 of de bijkomende arbeidstijd bedoeld in artikel 2, die op zondag of op wettelijke feestdagen wordt verricht, bedraagt het minimum bruto uurloon 150 % van het minimum basisuurloon. Oproepbare wachtdiensten Art. 5. Als oproepbare wachten worden beschouwd, de extramurale wachtdiensten waarbij van de arts-specialist in opleiding niet wordt verwacht om zich binnen de 20 minuten ter plaatse in het ziekenhuis te begeven. Oproepbare wachten tijdens weekdagen tussen 8 uur ’s morgens en 20 uur ’s avonds worden, forfaitair vergoed met een bedrag van 50 EUR per begonnen periode van 12 uren. Oproepbare wachten tijdens het weekend en tussen 20 uur ’s avonds en 8 uur ’s morgens worden, forfaitair vergoed met een bedrag van 75 EUR per begonnen periode van 12 uren. De betrokken uren worden niet bij de berekening van de arbeidsduur in aanmerking genomen. Gepresteerde arbeidstijd in het ziekenhuis tijdens de periode van een oproepbare wachtdienst wordt vergoed als arbeidstijd conform voorgaande artikelen, met dien verstande dat elk begonnen uur minstens vergoed wordt. Oproepbare wachten waarbij men in minder dan 20 minuten in het ziekenhuis wordt verwacht, worden beschouwd als XII-9678-14/28 intramurale wachten, en meegeteld en vergoed als arbeidstijd conform voorgaande artikelen. Registratie arbeidsduur Art. 6. Het maandelijks arbeidsrooster met inbegrip van de wachtregeling en de rusttijden wordt door het ziekenhuis minstens vier weken voor de aanvang ervan aan de arts-specialist in opleiding op elektronische wijze meegedeeld en tezelfdertijd op elektronische wijze overgemaakt aan de onafhankelijke derde partij bedoeld in artikel 7. Art. 7. De arts-specialist in opleiding doet een beroep op een door de overheid ter beschikking gestelde elektronische registratietool, beheerd door een onafhankelijke derde partij, om de door hem geleverde arbeidstijden te registreren en om een berekening van de verschuldigde vergoedingen te laten verrichten. De registratie van de arbeidstijd en berekening van de vergoedingen worden minstens éénmaal per trimester door de onafhankelijke derde partij overgemaakt aan de arts-specialist in opleiding, de stagemeester en het ziekenhuis waar de arts-specialist in opleiding zijn prestaties heeft verricht. De door de arts-specialist in opleiding geregistreerde arbeidstijd wordt geacht correct te zijn tenzij de stagemeester of ziekenhuis aan de hand van documentatie kan aantonen dat de registratie niet met de werkelijkheid overeenkomt. In het geval het ziekenhuis of de stagemeester opmerkingen heeft bij de door de onafhankelijke derde partij opgeleverde informatie, neemt deze laatste de nodige initiatieven om het geschil uit te klaren. De onafhankelijke derde partij screent de in artikel 6 bedoelde arbeidsroosters op hun conformiteit met de vigerende wet- en regelgeving of de bepalingen van deze overeenkomst. De vastgestelde afwijkingen worden meegedeeld aan de arts-specialist in opleiding, de stagemeester en het ziekenhuis met het oog op het rechtzetten van deze afwijkingen. De stagemeester en het ziekenhuis blijven hoe dan ook verantwoordelijk voor de financiële impact van gebeurlijke rechtzettingen van welke aard ook, ook al heeft de arts-specialist in opleiding de betrokken stagedienst reeds verlaten. Bij veelvuldig voorkomende discrepantie tussen het arbeidsrooster, de door de arts-specialist in opleiding geregistreerde arbeidstijd en/of de door de stagemeester of ziekenhuis aangegeven arbeidstijd, wordt de sociale inspectie op de hoogte gebracht met het oog op een controle van deze discrepanties. Ook in het geval van weigering van aanpassing van het arbeidsrooster na controle op de conformiteit met de vigerende wet- en regelgeving, wordt de sociale inspectie op de hoogte gebracht met het oog op een controle op deze niet-conforme arbeidsroosters. De onafhankelijke derde partij maakt ook jaarlijks een verslag aan de overheid op van de problemen die zich hebben voorgedaan. Dit verslag wordt ook besproken binnen de NPCAZ met het oog op het evalueren van deze collectieve overeenkomst. Art. 8. De maandelijkse loonfiche vermeldt met de hoogste mate van detail de geleverde arbeidstijden. Op zijn minst moet een XII-9678-15/28 vergelijking mogelijk zijn met de geregistreerde arbeidsduur in de door de overheid ter beschikking gestelde registratietool bedoeld in artikel 7. Onkostenvergoeding Art. 9. Er wordt maandelijks een onkostenvergoeding van 100 EUR toegekend aan de arts-specialist in opleiding. Deze vergoeding dekt onder meer de kosten die betrekking hebben op verplaatsingen, telefonie en telematica. Wetenschappelijke activiteiten (zoals publicatiekosten, congressen, vaardigheids-cursussen, ...) worden vergoed op basis van bewezen reële kosten in onderlinge overeenstemming tussen de stagemeester en de arts-specialist in opleiding, of maken het voorwerp uit van een specifiek budget ten voordele van de arts-specialist in opleiding. Het ziekenhuis wordt uitdrukkelijk geïnformeerd over de gemaakte onkosten. De afspraken en de bedragen inzake de vergoeding voor wetenschappelijke activiteiten worden uitdrukkelijk vermeld in de opleidingsovereenkomst. Sociale bescherming Art. 10. De zwangere arts-specialist in opleiding geniet van de volledige moederschapsbescherming die op basis van de arbeidswet van 16 maart 1971 en haar uitvoeringsbesluiten wordt geboden. De ondertekenende partijen komen overeen dat de zwangere arts-specialist in opleiding vanaf 26 weken zwangerschap geen prestaties meer mag verrichten tussen 20 u ’s avonds en 8 u ’s morgens en geen risicovolle activiteiten mag verrichten zoals onder meer een deelname aan MUG-interventies. De arbeidsduur wordt beperkt tot maximum 12 uur aaneensluitend. Vanaf de bekendmaking van de zwangerschap aan de werkgever mag er geen blootstelling meer zijn aan ioniserende stralen en andere gevaarlijke situaties met een potentiële impact op de gezondheid van de foetus. De arts-specialist in opleiding kan genieten van de verlofstelsels bepaald in de artikelen 30 en 30ter van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en onder de voorwaarden die in deze bepalingen zijn omschreven. De arts-specialist in opleiding kan genieten van de palliatieve verlofstelsels bepaald in de artikelen 100bis en 102bis van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen. De opleidingsovereenkomst vermeldt uitdrukkelijk dat de arts-specialist in opleiding een beroep kan doen op de toepassing van deze bepalingen. Art. 11. Diegene die het loon van de arts-specialist in opleiding betaalt, garandeert bij ziekte van de arts-specialist in opleiding een gewaarborgd maandloon, minstens gelijk aan het basisloon bedoeld in artikel 1, gedurende de eerste 30 dagen van arbeidsongeschiktheid. Art. 12. De codex over het welzijn op het werk is van toepassing op de personen die artsenspecialisten in opleiding tewerkstellen. Meer in het bijzonder engageren de partijen zich om hun interne procedure met betrekking tot problemen inzake grensoverschrijdend of ontoelaatbaar gedrag aan te scherpen. De contactgegevens van de vertrouwenspersoon of de preventieadviseur psychosociale aspecten (of van de dienst die XII-9678-16/28 deze taak op zich neemt) wordt uitdrukkelijk in de opleidingsovereenkomst vermeld. Verlof Art. 13. Elke arts-specialist in opleiding heeft jaarlijks recht op minstens 20 vakantiedagen boven op de 10 wettelijke feestdagen. Minstens 10 vakantiedagen kunnen in een ononderbroken periode worden opgenomen, met inbegrip van het weekend in het begin en aan het einde van deze periode. De arts-specialist in opleiding die arbeidsprestaties verricht op een wettelijke feestdag heeft recht op de in de arbeidswetgeving voorziene betaalde inhaalrust. Daarnaast wordt een wettelijke feestdag die in het weekend valt gerecupereerd op een ander moment. Elke arts-specialist in opleiding heeft jaarlijks recht op vrijstelling van arbeidsprestaties met het oog op het verrichten van wetenschappelijke opdrachten, bovenop de jaarlijks contractueel toegekende vakantiedagen. De ondertekenende partijen komen overeen om de in artikel 5 § 4 van de wet van 12 december 2010 bedoelde uren te bundelen tot minstens 10 forfaitaire wetenschappelijke dagen per jaar die vrij gebruikt kunnen worden voor wetenschappelijk werk, studieverlof of congressen. De arts-specialist in opleiding die aanwezig dient te zijn op lessen en examens in het kader van een master specialistische geneeskunde, wordt vrijgesteld van arbeid. Als deze lessen of examens in het weekend plaatsvinden, dan zijn artikelen 3 en 4 niet van toepassing en is er geen aanleiding tot recuperatie van deze tijd op een ander moment. Afwezigheden moeten door de arts-specialist in opleiding minstens 4 weken op voorhand worden aangevraagd. De stagemeester of zijn/haar plaatsvervanger is gehouden om hierop binnen de 7 dagen te antwoorden. De opleidingsovereenkomst vermeldt uitdrukkelijk, rekening houdend met de minima, bepaald in dit artikel, op hoeveel dagen vakantieverlof, wetenschappelijk verlof en studieverlof de arts-specialist in opleiding recht heeft. Verzekering burgerlijke aansprakelijkheid Art. 14. Overeenkomstig artikel 38 van het ministerieel besluit van 23 april 2014 tot vaststelling van de algemene criteria voor de erkenning van arts-specialisten, stagemeesters en stagediensten, moet ten behoeve van de arts-specialist in opleiding een verzekering burgerlijke aansprakelijkheid worden afgesloten. De opleidingsovereenkomst vermeldt uitdrukkelijk de regeling die ter zake werd getroffen. De polis van de verzekering burgerlijke aansprakelijkheid kan op vraag van de arts-specialist in opleiding ingekeken worden. De arts-specialist in opleiding wordt uitdrukkelijk gewezen op het feit dat activiteiten buiten het ziekenhuis verricht, niet toegelaten zijn en niet gedekt worden door de polis. Slotbepalingen Art. 15. De opleidingsovereenkomst vermeldt de periode waarvoor de stagemeester erkend werd en voor hoeveel artsen-specialist in opleiding deze erkenning geldt.’ 6.5. Het vijfde, zesde en zevende lid van het KB van 25 april 2002 leggen vervolgens de criteria vast op basis waarvan die financiering wordt XII-9678-17/28 beoordeeld en gewogen. Deze criteria en hun onderlinge weging zijn dezelfde als die opgenomen in het eerste onderdeel van de bestreden beslissing, en luiden als volgt: ‘De financiering wordt gewogen op basis van de volgende beoordelingscriteria: - Volledigheid omschrijving voorwerp (1 punt); - Volledigheid omschrijving verplichtingen van alle betrokken partijen (1 punt); - Volledigheid bepalingen arbeidsduur (3 punten); o Vermelden van planning vier weken op voorhand (1 punt); o Gemiddeld 48u/week met max. 60u/week (1 punt); o Optie opting-out te ondertekenen: (1 punt); - Rusttijden en oproepbare wachten (2 punten): o Vermelden van minstens 12 uur tussen shifts (1 punt); o Vermelden van bepalingen in overeenkomst omtrent intramurale wachten ( - Vergoeding (3 punten): o Basisvergoeding (1 punt); o Vermelden bepalingen toeslag oncomfortabele (125%/150%) en opt-out uren (110%) (1 punt); o Vermelden forfaits wacht (1 punt) ; - Vermelden onkostenvergoeding en vergoeding wetenschappelijk verlof (2 punten); o Vermelden minstens 100 euro onkosten (1 punt); o Reële vergoeding of bepaald bedrag voor besteding wetenschappelijke activiteiten (1 punt); - Verlof (3 punten): o Vermelden minstens 20 dagen verlof (1 punt); o Vermelden 10 wettelijke feestdagen (1 punt); o Vermelden minstens 10 volle dagen wetenschappelijk verlof (1 punt); - Vertrouwenspersoon (2 punten): o Vermeld (1 punt); o Contactgegevens vertrouwenspersoon in opleidingsovereenkomst (1 punt); - Verzekering burgerlijke aansprakelijkheid (2 punten): o Vermelding naam verzekeraar in opleidingsovereenkomst (1 punt); o Vermelding polisnummer verzekeraar in opleidingsovereenkomst (1 punt); - Volledigheid omschrijving relatie stagemeester en arts-specialist in opleiding (1 punt). Dit brengt het maximaal te behalen resultaat op 20 punten. De resultaten werden op volgende manier berekend: - 20/20: Financiering aan 100% pro rata VTE ASO zonder opmerkingen; - 18-19/20: Financiering aan 100% pro rata VTE ASO met opmerking(en); - 16-17/20: Financiering aan 80% pro rata VTE ASO met opmerking(en); - 14-15/20: Financiering aan 60% pro rata VTE ASO met opmerking(en); XII-9678-18/28 - 12-13/20: Financiering aan 40% pro rata VTE ASO met opmerking(en); - De bestreden beslissing dateert van 1 juni 2023 en is dus van latere datum. Bijgevolg moet de beoordeling van het al dan niet gebonden karakter van de bevoegdheid van de verwerende partij gebeuren met inachtneming van artikel 79terdecies van het KB van 25 april 2002. 6.7. Zoals hiervoor is gebleken, vloeit het vereiste dat, om aanspraak te kunnen maken op financiering, de met de kandidaat-specialisten afgesloten opleidingsovereenkomst in overeenstemming moet zijn met de minimale voorwaarden van de Collectieve overeenkomst, rechtstreeks voort uit artikel 79terdecies van het KB van 25 april 2022. Die minimumvoorwaarden zijn zeer nauwkeurig en precies bepaald. Ook de wijze waarop de naleving van dit vereiste moet worden beoordeeld en het aandeel van verzoekende partij in het globaal budget moet worden berekend, is zeer nauwkeurig en precies vastgelegd in datzelfde artikel. Artikel 79terdecies van het KB van 25 april 2002 laat verwerende partij bijgevolg geen beoordelingsvrijheid bij de toepassing ervan op verzoekende partij. Immers, zodra vaststaat dat de in artikel 79terdecies, vierde lid, van het KB van 25 april 2002 bedoelde voorwaarden zijn nageleefd, is de verwerende partij ertoe gehouden de financiering voor de ondersteuning van de opleiding van kandidaat-specialisten overeenkomstig de beoordelingscriteria, vastgesteld in het vijfde t.e.m. zevende lid van diezelfde bepaling, te berekenen. Het betreft met andere woorden een welbepaalde juridische verplichting die een regel van objectief recht rechtstreeks aan de verwerende partij oplegt. 6.8. Uit het voorgaande volgt dat de bevoegdheid van de verwerende partij bij het nemen van de bestreden beslissing, ingevolge de retroactieve inwerkingtreding van het KB [v]an 3 mei 2024, ab initio moet worden geacht volledig gebonden te zijn. De vaststelling dat de gebonden aard van die bevoegdheid slechts tot stand is gekomen door de retroactieve inwerkingtreding van de artikelen 2 en 19 van het KB van 3 mei 2024, doet daaraan geen afbreuk. Het is nu eenmaal inherent aan de juridische fictie van de terugwerkende kracht dat de bevoegdheid van de verwerende partij bij het nemen van de bestreden beslissing ab initio moet worden geacht volledig gebonden te zijn geweest. 6.9. Aan de eerste connexe voorwaarde om tot het gebrek aan rechtsmacht te besluiten, is voldaan. C. TOEPASSING : TWEEDE (CONNEXE) VOORWAARDE 7.1. Zoals hiervoor is gebleken, heeft de tweede voorwaarde betrekking op de ‘ingeroepen middelen en vermeende onwettigheden’ die tot staving van het vernietigingsberoep worden aangevoerd. Opdat daadwerkelijk een (betwisting over een) subjectief recht zou voorliggen, is niet alleen vereist dat een verzoekende partij zich beroept op een welbepaalde juridische verplichting die een regel van objectief recht rechtstreeks aan de verwerende partij oplegt. De XII-9678-19/28 verzoekende partij moet ook belang hebben bij de naleving van die regel van objectief recht. 7.2. De Raad van State is aldus onbevoegd wanneer het beroep strekt tot de nietigverklaring van een administratieve rechtshandeling waarbij een administratieve overheid weigert om een verplichting uit te voeren die overeenstemt met een subjectief recht van de verzoekende partij en het ingeroepen annulatiemiddel gebaseerd is op de schending van een regel van objectief recht die deze juridische verplichting in het leven roept en, aldus, het geschil inhoudelijk bepaalt. De Raad van State is daarentegen wel bevoegd wanneer in het ingeroepen annulatiemiddel de onwettigheid wordt aangevoerd van de regel van objectief recht waarop de bestreden beslissing is gebaseerd. Het rechtstreeks en werkelijk voorwerp van het beroep betreft in dat geval het bestaan van die verplichting en de daaruit voortvloeiende gebonden bevoegdheid, en niet de nakoming van een door de toepasselijke regelgeving aan de verwerende partij opgelegde welbepaalde juridische verplichting. In die omstandigheid ligt geen betwisting over het bestaan of de omvang van een subjectief recht voor. 7.3. Bijzonder aan voorliggende zaak is dat de gebonden aard van de bevoegdheid van verwerende partij het gevolg is van een regel van objectief recht die pas is gepubliceerd nadat de ingeroepen middelen zijn ontwikkeld. Hieruit vloeit noodzakelijkerwijs voort dat geen van de in het verzoekschrift aangevoerde middelen betrekking kunnen hebben op de onwettigheid van de regel van objectief recht waarop de bestreden beslissing is gesteund, zijnde artikel 79terdecies van het KB van 25 april 2022. De beoordeling van elk van de middelen van verzoekende partij houdt dan ook steeds een beoordeling in over het bestaan en de omvang van het subjectief recht, wat ontsnapt aan de rechtsmacht van de Raad van State. 7.4. De tweede connexe voorwaarde om tot het gebrek aan rechtsmacht te besluiten, is eveneens vervuld. De ambtshalve opgeworpen exceptie is gegrond.” Beoordeling A. Wat de eerste connexe voorwaarde (het petitum) betreft 5. In haar laatste memorie laat de verzoekende partij, voor wat de eerste connexe voorwaarde betreft, gelden dat het nemen van de beslissing op 1 juni 2023 alvast geen gebonden bevoegdheid betrof, aangezien artikel 79terdecies van het koninklijk besluit van 25 april 2002, waarop de gebonden bevoegdheid wordt gestoeld, werd ingevoerd middels het koninklijk besluit van 3 mei 2024 tot wijziging van het voornoemde koninklijk besluit – m.a.w. na indiening van het verzoekschrift tot nietigverklaring en alle memories. XII-9678-20/28 De verzoekende partij benadrukt dat, in (het eerste onderdeel van) de eerste bestreden beslissing dan ook niet wordt verwezen naar artikel 79terdecies van het koninklijk besluit van 25 april 2002, doch dat erin wordt verwezen naar criteria van “de template”. De verzoekende partij wijst erop dat deze “template” geen enkele rechtskracht had noch heeft en al zeker niet de basis kan vormen voor enige gebonden bevoegdheid. Volgens de verzoekende partij heeft de verwerende partij in de eerste bestreden beslissing dan ook (logischerwijze) niet geoordeeld of de verzoekende partij voldoet aan artikel 79terdecies van het koninklijk besluit van 25 april 2002, aangezien dit artikel niet bestond bij het nemen van de beslissing. Voorts is volgens de verzoekende partij de verwerende partij niet honderd ten honderd gebonden door artikel 79terdecies van het koninklijk besluit van 25 april 2002 en kan zij nog steeds zelf bepalen of zij rekening houdt met het corpus van de opleidingsovereenkomst of het geheel (d.i. inclusief de bijlagen). Artikel 79terdecies van het koninklijk besluit van 25 april 2002 bepaalt volgens de verzoekende partij hieromtrent niets, zodat dit behoort tot de discretionaire bevoegdheid van de verwerende partij. In het kader van de bestreden beslissingen blijkt volgens haar overigens dat de verwerende partij er te dezen ook gebruik van maakt en louter op machinale wijze het corpus van de opleidingsovereenkomst nakijkt, zonder enige navraag of controle van de bijlagen. De eerste connexe voorwaarde om te besluiten tot een gebrek aan rechtsmacht is, gelet op het bovenstaande, niet voldaan. Dit betoog wordt niet bijgevallen. 6. Vooreerst blijkt uit het feitenrelaas dat artikel 79terdecies van het koninklijk besluit van 25 april 2002 werd ingevoegd bij artikel 19 van het koninklijk besluit van 3 mei 2024 en dat op grond van artikel 26, § 3, van het koninklijk besluit van 3 mei 2024 aan artikel 79terdecies van het koninklijk besluit van 25 april 2002 uitwerking werd verleend met ingang van 1 augustus 2021. De bestreden beslissing dateert van 1 juni 2023 en is dus van latere datum. De beoordeling van het al dan niet gebonden karakter van de bevoegdheid van de verwerende partij dient bijgevolg te gebeuren met inachtneming van artikel 79terdecies van het koninklijk besluit van 25 april 2002, nu de beslissingen XII-9678-21/28 dateren van een latere datum dan de door artikel 26, §3, van het koninklijk besluit van 3 mei 2024 voorziene datum van uitwerking van artikel 79terdecies van het koninklijk besluit van 25 april 2002. De vaststelling dat de gebonden aard van die bevoegdheid slechts tot stand is gekomen door de retroactieve inwerkingtreding van artikel 79terdecies van het koninklijk besluit van 25 april 2002, doet daaraan geen afbreuk, nu het, zoals terecht wordt aangegeven in het auditoraatsverslag, inherent is aan de juridische fictie van de terugwerkende kracht dat de bevoegdheid van de verwerende partij bij het nemen van de bestreden beslissing ab initio moet worden geacht volledig gebonden te zijn geweest. Daarnaast wordt vastgesteld, anders dan de verzoekende partij het ziet, dat om aanspraak te kunnen maken op financiering, de met de kandidaat-specialisten afgesloten opleidingsovereenkomst in overeenstemming moet zijn met de minimale voorwaarden van de collectieve overeenkomst, wat rechtstreeks voortvloeit uit artikel 79terdecies van het koninklijk besluit van 25 april 2002, waarbij zowel de minimumvoorwaarden, als de beoordeling van de wijze van de naleving van dit vereiste, als de berekening van het aandeel van de verzoekende partij in het globaal budget zeer nauwkeurig en precies worden bepaald. Bijgevolg laat het bepaalde in artikel 79terdecies van het koninklijk besluit van 25 april 2002 de verwerende partij geen beoordelingsvrijheid bij de toepassing ervan, nu van zodra vaststaat dat de in artikel 79terdecies, vierde lid, van het koninklijk besluit van 25 april 2002 bedoelde voorwaarden zijn nageleefd, de verwerende partij ertoe gehouden is de financiering voor de ondersteuning van de opleiding van kandidaat-specialisten overeenkomstig de beoordelingscriteria, vastgesteld in het vijfde t.e.m. zevende lid van diezelfde bepaling, te berekenen. Zoals terecht wordt aangegeven in het auditoraatsverslag, betreft het een welbepaalde juridische verplichting die een regel van objectief recht rechtstreeks aan de verwerende partij oplegt. 7. In die omstandigheden en na een eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, dat, wat het voorwerp van de vordering betreft, de verwerende partij bij het nemen van de bestreden beslissingen XII-9678-22/28 ingevolge de retroactieve uitwerking van artikel 79terdecies van het koninklijk besluit van 25 april 2002, ab initio moet worden geacht over een volledig gebonden bevoegdheid te beschikken, geen enkele appreciatieruimte heeft en in dat opzicht slechts heeft moeten vaststellen of de door de regelgever vastgestelde voorwaarden, zoals het die als overheid interpreteert, vervuld waren. Aan de eerste connexe voorwaarde om tot het gebrek aan rechtsmacht te besluiten, is voldaan. B. Wat de tweede connexe voorwaarde (de causa petendi) betreft B.1. Vooraf 8. Zoals hiervoor is gebleken, heeft de tweede voorwaarde betrekking op de “ingeroepen middelen en vermeende onwettigheden” die tot staving van het vernietigingsberoep worden aangevoerd. Opdat een (betwisting over een) subjectief recht zou voorliggen, is vereist dat een verzoekende partij zich beroept op een welbepaalde juridische verplichting die een regel van objectief recht rechtstreeks aan een derde, te dezen de verwerende partij, oplegt, en bij de nakoming waarvan de verzoekende partij belang heeft. Uit de hiervoor onder randnummer 4 aangehaalde arresten van de algemene vergadering volgt dat niet elk annulatiemiddel onder de rechtsmacht van de Raad van State valt. Het ontbreken van een belang in hoofde van de verzoekende partij bij de nakoming van de door de toepasselijke regelgeving aan de verwerende partij opgelegde welbepaalde juridische verplichting, brengt mee dat geen betwisting over een subjectief recht kan voorliggen. XII-9678-23/28 Aldus, wanneer in een middel op grond van artikel 159 van de Grondwet de onwettigheid wordt aangevoerd van het reglementair besluit waarop de bestreden beslissing is gesteund, bijvoorbeeld omwille van de onbevoegdheid van de steller ervan, dan kan de Raad van State kennis nemen van het beroep omdat hij zich dan niet uitspreekt over het bestaan of de omvang van een subjectief recht. Wanneer daarentegen het beroep strekt tot de nietigverklaring van een administratieve rechtshandeling waarbij een administratieve overheid weigert om een verplichting uit te voeren die overeenstemt met een subjectief recht van de verzoekende partij en het ingeroepen annulatiemiddel is gebaseerd op de schending van een regel van materieel recht die deze juridische verplichting in het leven roept en, aldus, het geschil inhoudelijk bepaalt, is de Raad van State zonder rechtsmacht. Het is daarbij evenwel niet voldoende dat een annulatiemiddel de Raad van State in het raam van het wettigheidstoezicht incidenteel of onrechtstreeks verplicht om uitspraak te doen over het bestaan of over de draagwijdte van een subjectief recht om te beslissen tot de afwezigheid van rechtsmacht van de Raad van State. B.2. Uiteenzetting van de annulatiemiddelen (de causa petendi) 9. Te dezen voert de verzoekende partij in het verzoekschrift acht middelen aan, die zij in de memorie van wederantwoord herneemt. In het eerste middel wordt een manifeste bevoegdheids-overschrijding aangevoerd; In een tweede middel wordt de schending aangevoerd van de adviesverplichting van de Raad van State; In een derde middel wordt de schending aangevoerd van artikel 108 van de ziekenhuiswet; XII-9678-24/28 In een vierde middel wordt aangevoerd dat de bestreden beslissing in strijd is met de collectieve overeenkomst; In een vijfde middel wordt de schending aangevoerd van de beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid van het motiveringsbeginsel; In een zesde middel wordt de schending aangevoerd van de beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid van het rechtszekerheidsbeginsel; In een zevende middel wordt de schending aangevoerd van de beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid van het gelijkheidsbeginsel; En in een achtste middel wordt de schending aangevoerd van de beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid van het zorgvuldigheidsbeginsel. In haar laatste memorie laat de verzoekende partij onder het kopje “in limine litis – bijkomend middel van openbare orde: exceptie van onwettigheid cf. artikel 159 GW” gelden dat de retroactieve invoering van artikel 79terdecies van het koninklijk besluit van 25 april 2002 in strijd is met de hogere normen, zodoende dat zij de exceptie van onwettigheid cf. artikel 159 van de Grondwet opwerpt bij wijze van bijkomend middel van openbare orde. Te dezen voert de verzoekende partij in deze context zes grieven aan, met name de schending van:
  5. i)de collectieve overeenkomst;
  6. ii)artikel 105 van de ziekenhuiswet; iii) het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, artikel 1.2 BW en het algemeen rechtsbeginsel van niet-retroactiviteit;
  7. iv)het beginsel van de scheiding der machten;
  8. v)het gelijkheidsbeginsel en
  9. vi)het zorgvuldigheidsbeginsel. 10. Gelet op het voorgaande dient, alvorens te kunnen besluiten of de exceptie wegens gebrek aan rechtsmacht kan worden ingewilligd – in het kader van het vervuld zijn van de tweede connexe voorwaarde –, het door de XII-9678-25/28 verzoekende partij in haar laatste memorie ontwikkelde “bijkomend middel”, met de aldaar aangevoerde schendingen, te worden onderzocht. XII-9678-26/28 V. Aanvullend onderzoek 11. Zoals uit randnummer 9 is gebleken, werd door de verzoekende partij in haar laatste memorie een “bijkomend middel van openbare orde” aangevoerd. Dit “bijkomend middel” werd met andere woorden aangevoerd na de neerlegging van het auditoraatsverslag, uitgebracht in het kader van het door haar ingediende annulatieberoep. Uit wat voorafgaat, volgt dat het past om in de voorliggende zaak het debat te heropenen en het auditoraat, in het raam van het gevoerde dubbel onderzoek, te gelasten met een aanvullend verslag over de gevolgen van dit aangevoerde middel op de door het auditoraat opgeworpen ambtshalve exceptie van gebrek aan rechtsmacht in hoofde van de Raad van State, inzonderheid wat de tweede connexe voorwaarde betreft. BESLISSING 1. De Raad van State heropent het debat. 2. De Raad van State gelast het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat met het aanvullend onderzoek. XII-9678-27/28 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op drie juni tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, kamervoorzitter, Ann Coolsaet, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Chantal Bamps XII-9678-28/28 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.489 Gerelateerde publicatie(
  10. s)citeert: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.10 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.11 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100611.6 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150219.8 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150219.9 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160908.8 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201127.REUN.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.