← België

Arrest 263501 - Niet begeleide minderjarigen - 04/06/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 juni 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.501 Rolnummer: A. 244655/VII-42861 Zaak: Arrest 263501 - Niet begeleide minderjarigen - 04/06/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-06-05 Raadplegingen: 93 - laatst gezien 2026-06-16 04:48 Fiche Arrest nr 263.501 van 4 juni 2025 Vreemdelingen - Niet begeleide minderjarigen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.501 no lien 283557 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 263.501 van 4 juni 2025 in de zaak A. 244.655/VII-42.861 In zake: A.A. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Elisabeth van der Haert kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 54 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ine De Cneudt kantoor houdend te 3054 Vaalbeek (Oud-Heverlee) Maurits Noëstraat 145 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Verzoeker dient met een enig verzoekschrift op 16 april 2025 een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging en een beroep tot nietigverklaring in van de beslissing van de Federale Overheidsdienst Justitie, dienst Voogdij, van 12 februari 2025 waarbij wordt beslist verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat verzoeker geen voogd zal krijgen. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een administratief dossier ingediend. VII-42.861-1/17 Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld over het beroep tot nietigverklaring met toepassing van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’, en over de vordering tot schorsing met toepassing van artikel 12 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 mei 2025, om 14 uur. Kamervoorzitter Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Gérald Gaspart, die loco advocaat Elisabeth van der Haert verschijnt voor verzoeker, en advocaat Filip Stouthuysen, die loco advocaat Ine De Cneudt verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. Verzoeker komt België binnen en hij wordt op 17 oktober 2024 als niet-begeleide minderjarige vreemdeling aangemeld door de dienst Vreemdelingenzaken bij de dienst Voogdij. Hij heeft verklaard van Jemenitische nationaliteit te zijn en geboren te zijn op 13 december
  5. De dienst Vreemdelingenzaken uit twijfel over verzoekers voorgehouden leeftijd. VII-42.861-2/17 In het Universitair Ziekenhuis Pellenberg te Leuven ondergaat verzoeker op 24 oktober 2024 een medisch onderzoek om na te gaan of hij al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. De arts besluit dat verzoeker “op datum van 24-10-2024 een leeftijd heeft van zeker ouder dan 18 jaar, waarbij 23,0 jaar een minimum leeftijd is. Waarschijnlijk ligt deze nog hoger”. Op 31 oktober 2024 bezorgt verzoeker een originele geboorteakte aan de dienst Voogdij. De dienst Voogdij beslist op 28 november 2024 op basis van de eindconclusie van het voormelde medisch onderzoek verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat hij geen voogd zal krijgen. 3.
  6. Op 30 januari 2025 legt verzoeker een Jemenitisch paspoort over aan de dienst Voogdij. De dienst Voogdij beslist op 12 februari 2025 dit document niet te aanvaarden en verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar. Verzoeker zal geen voogd krijgen. Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel
  7. Verzoeker werpt in een enig middel de schending op van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM), van de artikelen 5, 6 en 7 van Titel XIII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet (I) van 24 december 2002 (hierna: voogdijwet), van artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 2003 ‘tot uitvoering van Titel XIII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet (I) van24 december 2002’ (hierna: koninklijk besluit van 22 december 2003), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 VII-42.861-3/17 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: wet van 29 juli 1991) en van “de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder de verplichting de beslissingen afdoende te motiveren, het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en de verplichting rekening te houden met alle elementen van het dossier”. Hij licht dit als volgt toe: “Eerste onderdeel: schending van artikelen 5, 6 en 7 van de Programmawet van 24 december 2002 (I) (art. 479) – Titel XIII – Hoofdstuk VI: Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen, van artikel 3 van het Koninklijk besluit van 22 december 2003 tot uitvoering van Titel XII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet van 24 december 2002, van artikelen 2 en 3 van de Wet van 19 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder de verplichting de beslissingen afdoende te motiveren, het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en de verplichting rekening te houden met alle elementen van het dossier.
  8. Artikel 5 van de Programmawet van 24 december 2002 (I) (art. 479) – Titel XIII – Hoofdstuk VI: Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen bepaalt dat: […]. Artikel 6 van de Programmawet van 24 december 2002 (I) (art. 479) – Titel XIII – Hoofdstuk VI: Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen bepaalt dat: […]. Artikel 7 van de Programmawet van 24 december 2002 (I) (art. 479) – Titel XIII – Hoofdstuk VI: Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen bepaalt dat: […]. Artikel 3 van het Koninklijk besluit van 22 december 2003 tot uitvoering van Titel XIII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet van 24 december 2002 bepaalt wat volgt: […]. Artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen verplichten de overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dit op een ‘afdoende’ wijze. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben en draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. Het zorgvuldigheidsbeginsel legt de overheid de verplichting op haar beslissingen op een zorgvuldige wijze voor te bereiden en te stoelen op een correcte feitenbevinding. Het respect voor het zorgvuldigheidsbeginsel houdt derhalve in dat de administratie bij het nemen van een beslissing moet steunen op alle gegevens van het betreffende dossier en op alle daarin vervatte dienstige stukken. Het zorgvuldigheidsbeginsel ‘veronderstelt eerst ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.501 VII-42.861-4/17 en vooral dat de administratie voldoende informatie inwint om met kennis van zaken beslissingen te nemen. De administratie moet beschikken over alle juridische en feitelijke gegevens die voor de beslissing noodzakelijk zijn’ (http://www.federaalombudsman.be/nl/inhoud/ombudsnormen). Verder moet de overheid haar beslissingen nemen in alle redelijkheid en evenredigheid. Dit houdt in dat de administratie gepaste en billijke beslissingen moet nemen die in een redelijke verhouding staan tot de feiten. ‘Het redelijkheidsbeginsel is geschonden, wanneer de administratie haar beleidsvrijheid op een kennelijk onredelijke manier heeft aangewend. De beslissing van de administratie wordt als onredelijk beschouwd, wanneer ze niet heeft gehandeld zoals elke normaal voorzichtige en zorgvuldige ambtenaar in dezelfde omstandigheden zou doen. In toepassing van het evenredigheidsbeginsel geeft de normaal zorgvuldige ambtenaar de voorkeur aan de maatregel die optimaal rekening houdt met de belangen van de burger enerzijds en met de doelstellingen van algemeen belang van zijn administratie anderzijds’ (http://www.federaalombudsman.be/nl/inhoud/ombudsnormen).
  9. Verzoeker merkt op dat hij op 17 oktober 2024 een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend in België. Hij heeft verklaard dat hij geboren is op 13 december 2024 maar beschikte op dat moment over geen enkel origineel identiteitsdocument om zijn identiteit, en bijgevolg zijn leeftijd, te bewijzen. Tijdens zijn registratiegesprek heeft de ambtenaar van de Dienst vreemdelingenzaken een twijfel geuit aangaande de minderjarigheid van verzoeker. Op 24 oktober 2024, heeft verzoeker een medische test ondergaan, waaruit zou blijken dat verzoeker op 24 oktober 2024 ‘een leeftijd zou hebben van zeker ouder dan 18 jaar, waarbij 23.0 jaar een minimumleeftijd is’. Op 31 oktober 2024, heeft verzoeker een originele (niet-gelegaliseerde) geboorteakte, afgeleverd door de Ministry of Interior Civil Status and Registry Authority op 7 augustus 2024, neergelegd. Uit dit document blijkt dat verzoeker weldegelijk geboren is op 13 december
  10. Op 30 januari 2025, heeft verzoeker een origineel Jemenitisch paspoort, uitgegeven door TAZ op 15 december 2024 op naam van verzoeker, neergelegd. In dit paspoort staat geschreven dat verzoeker geboren is op 13 december
  11. Desondanks, heeft de tegenpartij een meerderjarigheidsbeslissing genomen jegens verzoeker.
  12. Verzoeker meent dat deze beslissing illegaal is, in de mate dat de tegenpartij voorrang geeft aan de resultaten van de medische test die uitgevoerd werd op de originele identiteitsdocumenten die verzoeker heeft neergelegd om zijn leeftijd te bewijzen. Verzoeker heeft een originele (niet-gelegaliseerde) geboorteakte neergelegd, alsook een origineel nationaal papsoort. De Dienst Voogdij heeft een advies gevraagd over deze twee documenten aan de Centrale Dienst voor de Bestrijding van de Valsheden van de Federale Politie. Hoewel het advies omtrent de originele geboorteakte ‘neutraal’ is, bevestigt het advies omtrent het nationaal paspoort dat het nationaal paspoort een ‘waarachtig’ document is. VII-42.861-5/17 Desondanks meent de tegenpartij dat dit document niet aanvaard kan worden, aangezien het verschil tussen de resultaten van de medische test en de leeftijd volgens het document te groot is. Echter, noch de Programmawet van 24 december 2002 (I) (art. 479) – Titel XIII - Hoofdstuk VI : Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen, noch het Koninklijk besluit van 22 december 2003 tot uitvoering van Titel XIII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet van 24 december 2002 voorzien in het feit dat de resultaten van een medische leeftijdstest een grotere bewijswaarde zouden hebben dan een origineel en waarachtig nationaal paspoort. Een loutere verwijzing naar de resultaten van de medische leeftijdstest (‘De medische test zegt dat uw jongste leeftijd 23 jaar is en volgens uw verklaringen en documenten had u een leeftijd van 16.9 jaar op het ogenblik van de test. Er is een verschil van 6.1 jaar, dit vinden we te groot’) is dan ook onvoldoende om de identificatiegegevens in het origineel en waarachtig nationaal paspoort niet te aanvaarden. Dit geldt des te meer dat de tegenpartij helemaal geen grondig onderzoek heeft gevoerd naar het origineel nationaal paspoort dat neergelegd werd, en helemaal niet uitlegt waarom de geboortedatum in dit paspoort niet aanvaard zou kunnen worden. De motivering van de bestreden beslissing laat verzoeker in de onmogelijkheid te begrijpen waarom de bewijswaarde van de conclusie van de medische test groter zou zijn dan de bewijswaarde van zijn origineel paspoort, ondanks het waarachtig karakter van dit document. De motivering van de bestreden beslissing is niet afdoende en schendt bijgevolg de artikelen 2 en 3 van de wet van 19 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen.
  13. Dit is des te zorgwekkend dat de conclusie van de medische onderzoeken die uitgevoerd werden op verzoeker zowel op wetenschappelijk vlak als op politiek vlak twijfelachtig zijn wanneer zij gebruikt worden om een leeftijd te schatten. Zo heeft de Académie nationale des médecins van Frankrijk op 16 januari 2007 een rapport aangenomen waarin duidelijk staat dat : « L’Académie - confirme que la lecture de l’âge osseux par la méthode de Greulich et Pyle universellement utilisée, permet d’apprécier avec une bonne approximation l’âge de développement d’un adolescent en dessous de 16 ans. Cette méthode ne permet pas de distinction nette entre 16 et 18 ans ». (Vrije vertaling : De Academie - bevestigt dat de analyse van de botleeftijd volgens de methode van Greulich en Pyle die universeel wordt gebruikt, toelaat om met een goede benadering de ontwikkelingsleeftijd van een tiener onder de 16 jaar te schatten. Deze methode laat geen duidelijk onderscheid tussen 16 en 18 jaar toe). Ook de Belgische Orde der Artsen stelt dat de interpretatie van een röntgenfoto ‘geen onfeilbare methode om de leeftijd van een persoon te bepalen’ is : ‘X-stralen zijn ioniserende stralen die een gevaar voor de gezondheid kunnen inhouden. In het voorliggende geval is het gevaar miniem indien de regels van goede praktijkvoering nageleefd worden. VII-42.861-6/17 Bestraling mag slechts toegepast worden met de nodige omzichtigheid, vooral bij een jonge persoon. Ze dient zo laag en kort mogelijk gehouden te worden en dient in overeenstemming te zijn met de richtlijnen van radioprotectie. Ze mag niet nutteloos herhaald worden. De interpretatie van een röntgenfoto is geen onfeilbare methode om de leeftijd van een persoon te bepalen. Voor deze interpretatie is een bijzondere expertise vereist. De techniek van de botleeftijdsbepaling laat enkel toe de leeftijd van het skelet vast te stellen; het overeenstemmen met de burgerlijke leeftijd van de persoon is een diagnostische beoordeling. Verschillende factoren (etnische, genetische, endocrinische, sociaal-economische, nutritionele, medische, ...) kunnen de groei van een individu beïnvloeden. De tabellen voor de botleeftijdsbepaling die als referentie dienen, zijn opgemaakt op grond van een bepaalde bevolking; de meest gebruikte zijn gebaseerd op de westerse blanke bevolking. Opdat de verwijzing relevant zou zijn, dient de persoon op wie ze toegepast worden tot dezelfde bevolking te behoren. De dentale criteria hangen in het bijzonder af van de etnische oorsprong en van het sociaal-economisch en nutritioneel niveau van het individu. Voorts schuilt een moeilijkheid in de reproduceerbaarheid van de interpretatie van de onderzoeken tussen de verschillende deskundigen. Schatting houdt altijd een onnauwkeurigheidsfactor in en kan bijgevolg slechts leiden tot een betrouwbaarheidsinterval. Twijfel moet altijd uitvallen in het voordeel van de persoon die verklaart minderjarig te zijn. Blootstelling aan ioniserende stralen is ethisch gezien slechts gerechtvaardigd wanneer ze meer voordelen biedt dan nadelen. De dienst Voogdij moet het belang van de leeftijdsbepaling bij benadering afwegen tegen het, zij het minieme, gevaar dat de verwezenlijking ervan schade toebrengt aan de gezondheid van het individu. De Nationale Raad meent om de hierboven uiteengezette redenen dat de andere indicatoren die leeftijdsbepaling van het individu mogelijk maken niet verwaarloosd mogen worden. In elk geval mag de test niet uitgevoerd worden zonder de toestemming van de persoon, die de nodige informatie verkregen dient te hebben over het doeleinde, de contra-indicaties en de inherente risico’s van de test. Deze informatie dient te worden verstrekt in een duidelijke en begrijpelijke taal, eventueel door bemiddeling van een tolk. De toestemming dient uitdrukkelijk gegeven te worden. Bijstand van een voogd of van een referentiepersoon is belangrijk voor de betrokken persoon in dit stadium van de procedure, ofschoon de programmawet van 24 december 2002 bepaalt dat een voogd aangewezen wordt wanneer het statuut van NBMV bewezen is, behalve in uiterst dringende noodzakelijkheid’. Een twijfel betreffende de resultaten van de onderzoeken die uitgevoerd werden, kan bijgevolg nooit uitgesloten worden, ook niet in onderhavige zaak. Het is daarom des te belangrijk om rekening te houden met de neergelegde documenten, zoals, in casu, de originele geboorteakte en het origineel paspoort van verzoeker. VII-42.861-7/17 Medische leeftijdstesten kunnen niet blindelings worden gevolgd, zeker wanneer ze in conflict komen met officiële documenten die voldoen aan de vereisten van het Wetboek internationaal privaatrecht. De tegenpartij heeft met de relatieve bewijskracht van de medische testen echter geen rekening gehouden en schendt bijgevolg artikel 5, 6 en 7 van de Programmawet van 24 december 2002 (I) (art. 479) - Titel XIII – Hoofdstuk VI : Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en de verplichting rekening te houden met alle elementen van het dossier.
  14. De originele (niet-gelegaliseerde) geboorteakte en het origineel paspoort bevestigen de verklaringen van verzoeker omtrent zijn leeftijd, zodat de leeftijd van verzoeker, op basis van deze twee documenten, voldoende gecontroleerd kon worden door de Dienst Voogdij, op basis van artikel 3 van het Koninklijk besluit van 22 december 2003 tot uitvoering van Titel XIII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet van 24 december
  15. Door desondanks te menen dat verzoeker meerderjarig is, schendt de tegenpartij ook dit artikel.
  16. De bestreden beslissing schendt artikelen 5, 6 en 7 van de Programmawet van 24 december 2002 (I) (art. 479) - Titel XIII - Hoofdstuk VI : Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen, artikel 3 van het Koninklijk besluit van 22 december 2003 tot uitvoering van Titel XIII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet van 24 december 2002, de artikelen 2 en 3 van de Wet van 19 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder de verplichting de beslissingen afdoende te motiveren, het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en de verplichting rekening te houden met alle elementen van het dossier. Tweede onderdeel: schending van artikel 8 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden
  17. Artikel 8 van het EVRM bepaalt: […]. Artikel 8 van het EVRM is in huidig geval van toepassing, aangezien de bestreden beslissing ernstige gevolgen heeft op het privéleven van verzoeker. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft in een recent arrest de toepassing van artikel 8 van het EVRM op leeftijdsbeslissingen bevestigd: «
  18. Elle réitère à ce titre que la notion de « vie privée » est une notion large, non susceptible d’une définition exhaustive (Pretty c. Royaume-Uni, no 2346/02, § 61, CEDH 2002-III), qui recouvre l’intégrité physique et psychologique de la personne et peut donc englober de multiples aspects de l’identité d’un individu, tels l’identification et l’orientation sexuelle, le nom, ou des éléments se rapportant au droit à l’image (S. et Marper c. Royaume-Uni [GC], nos 30562/04 et 30566/04, § 66, CEDH 2008). L’article 8 protège en outre un droit à l’épanouissement personnel et celui de nouer et de développer des relations avec autrui et avec le monde extérieur (voir, par ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.501 VII-42.861-8/17 exemple et avec les références qui s’y trouvent citées, Odièvre c. France [GC], no 42326/98, § 29, CEDH 2003-III, Denisov c. Ukraine [GC], no 76639/11, § 95, 25 septembre 2018, et Milićević c. Monténégro, no 27821/16, § 54, 6 novembre 2018). L’obligation des États de protéger ce droit est d’autant plus importante lorsque sont en jeu, comme en l’espèce, les relations personnelles d’un mineur non accompagné dans un contexte de migration qui le rend particulièrement vulnérable (Darboe et Camara, précité, § 123).
  19. La Cour rappelle que l’âge d’une personne est un moyen d’identification personnelle et que la procédure d’évaluation de l’âge d’un individu se déclarant mineur ainsi que les garanties procédurales y afférentes sont essentielles pour garantir à l’intéressé tous les droits découlant de son statut de mineur (Darboe et Camara, précité, § 124). Les garanties de l’article 8 trouvent d’autant plus à s’appliquer quand une telle procédure implique, comme en l’espèce, la réalisation de tests médicaux sur la personne concernée (Pindo Mulla c. Espagne [GC], no 15541/20, § 138, 17 septembre 2024) ». (Vrije vertaling :
  20. In dit verband wordt herhaald dat het begrip ‘privéleven’ een breed begrip is, dat niet voor een uitputtende definitie in aanmerking komt (Pretty v. the United Kingdom, nr. 2346/02, § 61, EHRM 2002-III), dat de fysieke en psychische integriteit van de persoon omvat en daarom meerdere aspecten van iemands identiteit kan omvatten, zoals seksuele identificatie en geaardheid, naam of elementen met betrekking tot het recht op iemands afbeelding (S. en Marper v. the United Kingdom [GC], nrs. 30562/04 en 30566/04, § 66, EHRM 2008). Artikel 8 beschermt ook het recht op persoonlijke ontwikkeling en het recht om relaties met anderen en met de buitenwereld aan te gaan en te ontwikkelen (zie bijvoorbeeld, en met de daarin aangehaalde referenties, Odièvre v. Frankrijk [GC], nr. 42326/98, § 29, EHRM 2003-III; Denisov v. Oekraïne [GC], nr. 76639/11, § 95, 25 september 2018; en Milićević v. Montenegro, nr. 27821/16, § 54, 6 november 2018). De verplichting van staten om dit recht te beschermen is des te belangrijker wanneer, zoals in dit geval, de persoonlijke relaties van een niet-begeleide minderjarige in een migratiecontext op het spel staan die hem of haar bijzonder kwetsbaar maakt (Darboe en Camara, hierboven aangehaald, § 123).
  21. Het Hof herinnert eraan dat de leeftijd van een persoon een middel is tot persoonlijke identificatie en dat de procedure ter beoordeling van de leeftijd van iemand die zichzelf minderjarig verklaart, en de procedurele waarborgen die daarmee verband houden, essentieel zijn om de betrokkene alle rechten te garanderen die voortvloeien uit zijn status van minderjarige (Darboe en Camara, reeds aangehaald, § 124). De waarborgen van artikel 8 zijn des te meer van toepassing wanneer een dergelijke procedure, zoals in het onderhavige geval, het uitvoeren van medische tests op de betrokkene inhoudt (Pindo Mulla tegen Spanje [GC], nr. 15541/20, § 138, 17 september 2024)).
  22. Op basis van artikel 8 van het EVRM, dient er besloten te worden dat het besluitvormingsproces dat heeft geleid tot de beëindiging van de hoede van verzoeker als niet-begeleide minderjarige vreemdeling door de Dienst Voogdij, niet werd omgeven door voldoende waarborgen. VII-42.861-9/17 Immers, verzoeker merkt op dat hij, nadat hij zijn verzoek om internationale bescherming heeft ingediend, verhoord werd door een medewerker van de Dienst vreemdelingenzaken. Tijdens dit gesprek, heeft de ambtenaar een twijfel geuit over de minderjarigheid van verzoeker, waardoor verzoeker onmiddellijk een medische test heeft moeten ondergaan teneinde zijn leeftijd te bepalen, op basis van artikel 7 van de Programmawet van 24 december 2002 (I) (art. 479) - Titel XIII - Hoofdstuk VI : Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen. Deze medische test werd reeds een week na de indiening van het verzoek om internationale bescherming uitgevoerd. Verzoeker werd nooit uitgenodigd voor een identificatiegesprek op de Dienst vreemdelingenzaken (noch vóór de uitvoering van de medische test, noch na de uitvoering van de medische test). Echter, zoals het Europees Hof voor de Rechten van de Mens onlangs geoordeeld heeft : “la Cour souligne que, compte tenu de leur caractère invasif en l’espèce, il convient de ne pratiquer les examens médicaux qu’en dernier ressort si les autres moyens permettant de lever le doute sur l’âge de l’intéressé n’ont pas abouti à des résultats concluants (voir en ce sens également paragraphe 41 ci-dessus). Elle rappelle en effet que, pour qu’une mesure puisse être considérée comme proportionnée et nécessaire dans une société démocratique, l’existence d’une mesure portant moins gravement atteinte au droit fondamental en cause et permettant d’arriver au même but doit être exclue (Nada c. Suisse [GC], no 10593/08, § 183, CEDH 2012, et Saint-Paul Luxembourg S.A. c. Luxembourg, no 26419/10, § 44, 18 avril 2013) ». (Vrije vertaling : Het Hof benadrukt dat medische onderzoeken, gelet op het ingrijpende karakter ervan, in dit geval slechts als laatste redmiddel mogen worden uitgevoerd, indien andere middelen om twijfel over de leeftijd van de betrokkene weg te nemen geen doorslaggevende resultaten hebben opgeleverd (zie ook punt 41 hierboven). Het Hof herinnert eraan dat, om een maatregel als evenredig en noodzakelijk in een democratische samenleving te kunnen beschouwen, het bestaan van een maatregel die het betrokken fundamentele recht minder ernstig ondermijnt en hetzelfde doel bereikt, moet worden uitgesloten (Nada tegen Zwitserland [GC], nr. 10593/08, § 183, EHRM 2012, en Saint-Paul Luxembourg S.A. tegen Luxemburg, nr. 26419/10, § 44, 18 april 2013). Verzoeker merkt op dat de medische test uitgevoerd werd als allereerste en enige maatregel om zijn leeftijd te bepalen : - Verzoeker heeft de nodige tijd niet gekregen om, vóór de uitvoering van de medische test, eventuele originele identiteitsdocumenten neer te leggen (die hij, na de leeftijdstest, wél heeft kunnen neerleggen) ; - Verzoeker werd niet uitgenodigd op een voorafgaand identificatiegesprek met een medewerker van de Dienst Voogdij. Verzoeker werd, vóór de uitvoering van de medische test, niet bevraagd over het bestaan van eventuele originele identiteitsdocumenten, over zijn burgerlijke staat, zijn familieleden, zijn levensomstandigheden in Jemen, enz. Een voorafgaand gesprek met een medewerker van de Dienst Voogdij had het echter, indien nodig, mogelijk gemaakt om enerzijds te bepalen of de twijfel over de minderjarigheid van verzoeker met andere, minder ingrijpende middelen kon ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.501 VII-42.861-10/17 worden weggenomen en, anderzijds, de medewerker de kans te geven om zich ervan te vergewissen dat verzoeker alle noodzakelijke informatie had gekregen om zijn rechten geldig te kunnen doen gelden. Gelet op het uiterst ingrijpend karakter van de medische testen, vereist artikel 8 van het EVRM, dat het privéleven beschermd, dat deze testen slechts als laatste middel zouden worden gebruikt om de leeftijd van een persoon te bepalen. In casu, werden deze testen onmiddellijk uitgevoerd, zonder enige beoordeling en uitvoering van mogelijke minder ingrijpende maatregelen. De tegenpartij schendt dan ook artikel 8 van het EVRM. Waar de tegenpartij noch zou opwerpen dat artikel 7 van de Programmawet van 24 december 2002 (I) (art. 479) - Titel XIII - Hoofdstuk VI : Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen bepaalt dat te medische test ‘onmiddellijk’ uitgevoerd moet worden, moet worden opgemerkt dat de identificatie van een minderjarige hoe dan ook op basis van artikel 3 van het Koninklijk Besluit van 22 december 2003 tot uitvoering van Titel XIII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet van 24 december 2002 in eerste instantie dient te gebeuren op basis van de documenten die neergelegd worden door de minderjarige. Dit houdt in dat de minderjarige ook voldoende tijd moet krijgen om deze documenten neer te leggen, wat in casu niet het geval is geweest. Hoe dan ook, lijkt het duidelijk dat de ‘onmiddellijke’ uitvoering van een medische test niet in overeenstemming te brengen is met de procedurele waarborgen die in het licht artikel 8 van het EVRM moeten worden voorzien in de besluitvormingsproces dat leidt tot de beëindiging van de hoede van verzoeker als niet-begeleide minderjarige vreemdeling door de Diens Voogdij.” Beoordeling Eerste onderdeel van het enige middel
  23. Naar luid van artikel 7, § 1, van de voogdijwet laat de dienst Voogdij, indien hij twijfel koestert omtrent de leeftijd van de betrokken persoon, onmiddellijk een medisch onderzoek door een arts uitvoeren teneinde na te gaan of die persoon al dan niet jonger is dan 18 jaar. Artikel 7, § 2 van die wet bepaalt dat, indien uit het medisch onderzoek blijkt dat de betrokkene jonger is dan 18 jaar en mits voldaan is aan enkele voorwaarden, een voogd wordt aangewezen. Indien uit het medisch onderzoek blijkt dat de persoon in kwestie de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, dan vervalt de plaatsing onder de hoede van de dienst Voogdij van rechtswege. Het medisch onderzoek is aldus door de wet zelf ingesteld als ultiem VII-42.861-11/17 bewijsmiddel om na te gaan of de betrokkene al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt indien er twijfel is omtrent zijn leeftijd. De verwerende partij diende dan ook niet verzoekers verklaringen te laten primeren op de resultaten van het medisch onderzoek. Wat de beoordeling van de bewijswaarde van de hem voorgelegde stukken betreft, beschikt de dienst Voogdij overigens over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid en is hij er niet toe gehouden verzoekers verklaringen en documenten te laten primeren op de resultaten van het medisch onderzoek. Hiervoor kan, onder meer, worden gewezen op artikel 28, § 2, van de wet van 16 juli 2004 ‘houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht’ (hierna: WIPR), naar luid waarvan het tegenbewijs van de door de buitenlandse overheid vastgestelde feiten mag worden aangebracht met alle middelen. Het resultaat van een medische leeftijdsschatting vormt dergelijk (tegen)bewijsmiddel. Verzoeker beperkt zich tot algemene kritiek op het medisch onderzoek, zonder in te gaan op de concrete vaststellingen en gevolgtrekkingen in de huidige zaak. Hij onderbouwt niet concreet dat het te dezen uitgevoerde onderzoek op ondeskundige wijze is verlopen en dat het resultaat van de leeftijdsanalyse onbetrouwbaar is. Hij toont op die wijze niet aan dat de materiëlemotiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel of de artikelen 5, 6 en 7, van de voogdijwet werden geschonden doordat de bestreden beslissing is gesteund op een medisch onderzoek waarvan blijkt dat het door de wet zelf is voorzien.
  24. Naar luid van artikel 3, eerste lid, van het koninklijk besluit van 22 december 2003 “[gaat] de dienst Voogdij […] over tot de identificatie van de niet-begeleide minderjarige vreemdeling en controleert zijn verklaringen betreffende zijn naam, nationaliteit en leeftijd inzonderheid door middel van zijn officiële documenten of van de inlichtingen verstrekt door de consulaire of diplomatieke posten van het land van herkomst of van doorvoer, of van elke andere inlichting […]”. Deze bepaling verzet er zich niet tegen dat in geval van twijfel aan de opgegeven leeftijd wordt overgegaan tot een leeftijdsonderzoek dat, zoals hoger reeds is aangehaald, door de wet zelf is ingesteld. Anders dan hoe verzoeker het ziet, blijkt uit deze bepaling evenmin dat de dienst Voogdij ertoe gehouden is ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.501 VII-42.861-12/17 verzoekers documenten te laten primeren op de resultaten van het medisch onderzoek. Waar verzoeker zich zowel op de door hem voorgelegde geboorteakte als op zijn paspoort wenst te beroepen, blijkt voorts dat verzoekers originele geboorteakte niet het voorwerp uitmaakt van de beoordeling in de thans bestreden beslissing. De dienst Voogdij had reeds op 28 november 2024 beslist verzoekers geboorteakte niet te aanvaarden. Verzoeker heeft deze laatste beslissing, waarvan hij zelf aantoont op 30 november 2024 kennis te hebben genomen, niet aangevochten met een annulatieberoep zodat deze definitief is geworden.
  25. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 verplichten de administratieve overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze. Het afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. Uit de bestreden beslissing blijkt dat verzoeker op 30 januari 2025, nadat de beslissing van 28 november 2024 van de dienst Voogdij waarbij wordt beslist verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat hij geen voogd krijgt en waarvan hij op 30 november 2024 kennis heeft genomen, definitief is geworden, een Jemenitisch paspoort heeft overgemaakt aan de dienst Voogdij. Omtrent dit document motiveert de dienst Voogdij in de bestreden beslissing, na het advies van de Centrale Dienst voor de Bestrijding van de Valsheden van de Federale Politie te hebben ingewonnen, dat het wel degelijk om een waarachtig document gaat, doch dat hij het document niet aanvaardt en zich baseert op het resultaat van het medisch onderzoek. De dienst Voogdij voegt daaraan toe dat hij documenten aanvaardt wanneer het verschil tussen de resultaten van het medisch ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.501 VII-42.861-13/17 onderzoek en de leeftijd zoals die blijkt uit de documenten redelijk en dus niet te groot is en oordeelt te dezen dat een verschil van 6,1 jaar tussen verzoekers jongste leeftijd die blijkt uit het medisch onderzoek en zijn verklaarde leeftijd die blijkt uit het overgelegde document te groot is, waardoor verzoekers document niet wordt aanvaard. Bovendien verwijst de dienst Voogdij in de bestreden beslissing naar artikel 28 van het WIPR dat handelt over de bewijskracht van buitenlandse authentieke akten en meer specifiek naar het supra reeds aangehaalde artikel 28, § 2 van het WIPR. De dienst Voogdij heeft bij het nemen van de bestreden beslissing wel degelijk rekening gehouden met verzoekers document en gemotiveerd waarom hij het niet aanvaardt. Verzoeker verduidelijkt niet waarom deze motivering hem niet in staat zou stellen te begrijpen waarom de dienst Voogdij het resultaat van het medisch onderzoek laat primeren op zijn Jemenitisch paspoort. Het enige middel is ongegrond wat betreft de voorgehouden schending van de formelemotiveringsplicht, zoals deze ook is vastgelegd in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli
  26. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en correcte feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen. Zoals hoger reeds werd aangehaald, heeft de wet zelf het medisch onderzoek als bewijsmiddel ingesteld wanneer twijfel over de leeftijd van de betrokkene bestaat en blijkt uit het feit dat de dienst Voogdij de bestreden beslissing heeft genomen op grond van de eindconclusie van dergelijk leeftijdsonderzoek geen schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. Waar ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.501 VII-42.861-14/17 verzoeker aanvoert dat de dienst Voogdij geen grondig onderzoek voerde naar verzoekers paspoort, blijkt uit de bestreden beslissing dat de dienst Voogdij alvorens een beslissing te nemen omtrent verzoekers document het advies van de Centrale Dienst voor de Bestrijding van de Valsheden van de Federale Politie heeft ingewonnen. Verzoekers kritiek mist feitelijke grondslag.
  27. Waar verzoeker in het middel voorhoudt dat bij het nemen van de bestreden beslissing geen rekening is gehouden met de relatieve bewijskracht van de medische testen en dat verzoekers documenten dienden te primeren op de resultaten van het medisch onderzoek, werpt hij een schending van de materiëlemotiveringsplicht op. Deze houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. De bestreden beslissing wordt gedragen door het motief omtrent het door verzoeker voorgelegde Jemenitisch paspoort. Zoals uit bovenstaande overwegingen betreffende de formelemotiveringsplicht blijkt, verduidelijkt de bestreden beslissing waarom verzoekers paspoort niet wordt aanvaard en de dienst Voogdij verzoeker beschouwt als ouder dan 18 jaar en geen voogd toewijst. Concreet stelt de dienst Voogdij op basis van het ingewonnen advies vast dat verzoekers paspoort een waarachtig document betreft, doch motiveert hij vervolgens waarom hij verzoekers document niet aanvaardt. Uit de bestreden beslissing blijkt dat de dienst Voogdij documenten aanvaardt wanneer het verschil tussen de resultaten van het medisch onderzoek en de leeftijd zoals die blijkt uit de documenten redelijk en dus niet te groot is. Te dezen is de dienst Voogdij van oordeel dat een verschil van 6,1 jaar tussen verzoekers jongste leeftijd die blijkt uit ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.501 VII-42.861-15/17 het medisch onderzoek en zijn verklaarde leeftijd die blijkt uit het overgelegde document te groot is. Aangezien hij verzoekers document niet aanvaardt, baseert de dienst Voogdij zich, met verwijzing naar onder meer artikel 28 van het WIPR, op het resultaat van het medisch onderzoek om verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en te beslissen dat hij geen voogd krijgt. Deze motieven volstaan om de bestreden beslissing te dragen. Verzoeker maakt in die mate geen schending aannemelijk van de de materiëlemotiveringsplicht, noch van de artikelen 5, 6 en 7 van de voogdijwet of van het redelijkheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel of de zorgvuldigheidsplicht als algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
  28. Het eerste onderdeel van het enige middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. Tweede onderdeel van het enige middel
  29. De door verzoeker opgeworpen schending van artikel 8 van het EVRM steunt uitsluitend op kritiek die is gericht tegen de beslissing tot het houden van een leeftijdsonderzoek en het in aanmerking nemen van de resultaten van dat leeftijdsonderzoek, hetgeen heeft geleid tot de eerste leeftijdsbeslissing van 28 november
  30. Verzoeker heeft de beslissing van 28 november 2024 niet met een annulatieberoep aangevochten zodat ze definitief is geworden. Verzoeker kan zijn kritiek bijgevolg niet meer richten tegen de thans bestreden beslissing in de mate dat deze is gesteund op het voormelde leeftijdsonderzoek. Hij had zich daartoe tegen de beslissing van 28 november 2024 moeten richten. Hierbij kan nog worden opgemerkt dat verzoeker pas op 30 januari 2025, na het definitief worden van de leeftijdsbeslissing van 28 november 2024, het document dat heeft geleid tot de thans bestreden beslissing aan de dienst Voogdij heeft bezorgd.
  31. Het tweede onderdeel van het enige middel is onontvankelijk. VII-42.861-16/17 V. Over de vordering tot schorsing
  32. Deze zaak vereist slechts korte debatten zodat er grond is om toepassing te maken van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Er is bijgevolg geen grond meer om de vordering tot schorsing verder te onderzoeken. BESLISSING
  33. De Raad van State verwerpt het beroep tot nietigverklaring.
  34. De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing.
  35. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 154 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vier juni tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-42.861-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.501 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.