← België

Arrest 263515 - Bewakingsondernemingen - 06/06/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 juni 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.515 Rolnummer: A. 241625/XII-9679 Zaak: Arrest 263515 - Bewakingsondernemingen - 06/06/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-06-10 Raadplegingen: 102 - laatst gezien 2026-06-16 04:48 Fiche Arrest nr 263.515 van 6 juni 2025 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Bewakingsondernemingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 263.515 van 6 juni 2025 in de zaak A. 241.625/XII-9679 In zake : A.E. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Alexander Timmermans kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Elzenstraat 44 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 5 april 2024, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing van de federale overheidsdienst binnenlandse zaken, algemene directie veiligheid en preventie, directie private veiligheid met referentie VIII/MW/24, tot weigering van de identificatiekaart voor het uitoefenen van bewakingsactiviteiten te verlenen aan verzoekende partij van 15.02.2024”. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Lennard Michaux heeft een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding ingediend. XII-9679-1/29 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 24 april 2024. Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. Advocaat Anthony Godfroid , die loco advocaat Alexander Timmermans verschijnt voor verzoeker en Attaché Dominique Van Dam, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Lennard Michaux, daartoe gemachtigd bij beslissing van de auditeur-generaal van 28 februari 2024, heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Op 6 juli 2022 dient de bewakingsonderneming Security Masters BVBA een aanvraag in om voor verzoeker een identificatiekaart als bewakingsagent te verkrijgen overeenkomstig de wet van 2 oktober 2017 ‘tot regeling van de private en de bijzondere veiligheid’ (hierna: de wet van 2 oktober 2017). 3.2. Op 13 oktober 2022 beslist de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken, algemene directie Veiligheid en Preventie, directie Private Veiligheid (hierna: directie Private Veiligheid) om de aangevraagde identificatiekaart voor bewakingsagent te weigeren. Deze weigering steunt, in toepassing van artikel 61, eerste lid, 1°, van de wet van 2 oktober 2017, op een veroordeling door de politierechtbank te Antwerpen van 27 april 2021 wegens het niet-naleven van het verbod op samenscholing in het kader van de COVID-19- maatregelen. XII-9679-2/29 3.3. Bij aangetekende brief van 10 januari 2023 deelt de directie Private Veiligheid aan verzoeker mee dat zij de beslissing van 13 oktober 2022 intrekt naar aanleiding van het arrest van het Grondwettelijk Hof van 24 november 2022 met nr. 154/2022. In deze brief wijst de directie Private Veiligheid erop dat de bewakingsonderneming desgewenst een nieuwe aanvraag voor een identificatiekaart voor verzoeker kan indienen. Deze brief vermeldt voorts: “Ik wil tot slot verduidelijken dat deze beslissing geen enkel oordeel velt over het feit dat u al dan niet voldoet aan de andere voorwaarden bepaald in artikel 61 van de wet. Deze zullen opnieuw onderzocht worden op het ogenblik dat er een aanvraag identificatiekaart voor uw persoon binnenkomt.” 3.4. Op 16 januari 2023 dient de bewakingsonderneming Security Masters BVBA een nieuwe aanvraag in om voor verzoeker een identificatiekaart als bewakingsagent te verkrijgen. 3.5. Op 18 januari 2023 vraagt de directie Private Veiligheid een onderzoek naar de veiligheidsvoorwaarden in hoofde van verzoeker. 3.6. Op 5 oktober 2023 wordt het verslag van het onderzoek naar de veiligheidsvoorwaarden opgesteld. 3.7. Op basis van dit verslag adviseert de Commissie onderzoeken naar de veiligheidsvoorwaarden op 9 oktober 2024 dat verzoeker niet aan de veiligheidsvoorwaarden voldoet en dat een procedure tot weigering van de afgifte van een identificatiekaart moet worden aangevat. 3.8. Bij aangetekende brief van 23 oktober 2023 deelt de directie Private Veiligheid aan verzoeker het voornemen mee om de aangevraagde identificatiekaart te weigeren. De brief vermeldt onder meer: “Het onderzoek dat, op vraag van de door mij aangewezen ambtenaren door de politiediensten werd uitgevoerd, heeft een aantal inlichtingen van gerechtelijke en bestuurlijke aard, alsook beroepsgegevens aan het licht gebracht die van belang zijn XII-9679-3/29 in het kader van de beoordeling van de naleving van het profiel, bedoeld in artikel 61 van de voorgenoemde wet, uit uwen hoofde. Overeenkomstig artikel 16 § 6 van het koninklijk besluit van 26 september 2005 betreffende de modaliteiten voor de toekenning, de geldigheidsduur, de weigering en de vernietiging van de identificatiekaart en de procedure inzake de onderzoeken naar de veiligheidsvoorwaarden, maken deze inlichtingen deel uit van een verslag van een officier van de politie. Dit verslag werd voor advies aan de Commissie onderzoeken naar de veiligheidsvoorwaarden voorgelegd. Na bovengenoemd advies van de Commissie beoogt de administratie de identificatiekaart te weigeren voor de onderneming SECURITY MASTERS. In het verslag naar de veiligheidsvoorwaarden worden de volgende feiten naar voren gebracht: […] Ik vestig uw aandacht op het feit dat u zich in elke fase van de procedure kan laten bijstaan door een raadsman naar keuze. U beschikt over een termijn van 15 werkdagen, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van onderhavige brief om ten burelen van de Algemene Directie Veiligheids- en Preventie, Handelsstraat 96 te 1040 BRUSSEL inzage te nemen van het administratief dossier en er een afschrift van te verkrijgen. Betreffende verzoek ik U voorafgaandelijk contact op te nemen met mevrouw [L.V.] via email. U beschikt tevens over een termijn van 40 werkdagen te rekenen vanaf de datum van ontvangst van deze brief om uw verweermiddelen bij aangetekende brief over te maken. Na afloop van deze termijn zal de Minister een definitieve beslissing nemen aangaande uw dossier.” 3.9. Op 7 november 2023 dient verzoekers raadsman een schriftelijk verweer in. 3.10. Op 23 februari 2024 beslist de directeur-generaal van de directie Private Veiligheid om de aanvraag tot het bekomen van een identificatiekaart als bewakingsagent te weigeren. Deze weigering steunt op de vaststelling dat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 61, eerste lid, 6°, van de wet van 2 oktober 2017, met name dat hij niet beantwoordt aan het profiel van artikel 64 van diezelfde wet. Dit is de bestreden beslissing. XII-9679-4/29 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 4. In het verzoekschrift voert verzoeker de schending aan van artikel 23 van de Grondwet, van het redelijkheidsbeginsel en van het zorgvuldigheidsbeginsel. Het auditoraat vat de essentie van het middel, zoals uiteengezet in het verzoekschrift en in de memorie van wederantwoord, als volgt samen: “De verzoekende partij roept eerst en vooral een ‘onredelijke beperking’ in van het fundamenteel recht op arbeid uit artikel 23 Grondwet. Hoewel zij erkent dat dit recht niet absoluut is, haalt zij twee onredelijke motieven aan uit het bestreden besluit: (

  1. i)Het feit dat het vonnis van 27 april 2021 van de politierechtbank Antwerpen wat betreft de inbreuk op de COVID-regelgeving zou zijn meegenomen door verwerende partij zou noch proportioneel noch redelijk zijn, mede gelet op de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof waarin werd gesteld dat dit soort veroordelingen niet kan worden aanvaard als objectieve weigeringsgrond; (
  2. ii)Wat betreft de opschorting uitgesproken door de rechtbank van Antwerpen van 26 oktober 2021, wat de “tweede weigeringsgrond” zou uitmaken, stelt zij dat dit ten eerste – doordat deze niet vermeld was in het eerste weigeringsbesluit – geen weigeringsgrond kan uitmaken in de nieuwe weigering (het bestreden besluit). Bovendien merkt zij ten tweede op dat dit een opschorting betreft en geen veroordeling. Dit zou dan ook wederom noch proportioneel noch redelijk zijn, ook gelezen in het licht van artikel 61, 1° van de Wet Private Veiligheid. […] In de memorie van wederantwoord wordt er kort ingegaan op het argument van verweerder dat in de bestreden beslissing duidelijk wordt uiteengezet aan welke elementen van het profiel niet voldaan zijn. Verzoeker stelt dat dit niet kan worden gevolgd, en verwijst nogmaals naar het feit dat een opschorting is uitgesproken, en geen veroordeling, en dat in de eerste weigeringsbeslissing naar deze feiten niet werd verwezen.” 5. In het verzoek tot voortzetting van het geding beperkt verzoeker zich tot het standpunt dat hij niet akkoord gaat met het auditoraatsverslag en tot de verwijzing naar het verzoekschrift tot nietigverklaring en de memorie van wederantwoord. XII-9679-5/29 Beoordeling 6. Het auditoraat heeft het middel zoals uiteengezet in het verzoekschrift en zoals aangevuld in de memorie van wederantwoord, weergegeven in de zin als hiervoor (zie supra, nr. 4). Partijen hadden in hun navolgende processtukken geen kritiek op deze analyse. De beoordeling van het middel wordt daarom aan de hand van deze samenvatting verricht. 7. Het recht op arbeid en op de vrije keuze van beroepsarbeid zoals gewaarborgd door artikel 23 van de Grondwet is geen onbeperkt recht. Niets belet dat de overheid maatregelen neemt die een beperking inhouden van dat recht. Deze eventuele beperkingen zijn evenwel aan bepaalde voorwaarden onderworpen: ze moeten zijn opgelegd door of krachtens een wet, ze dienen een wettig doel na te streven en ze mogen niet onevenredig zijn met dat doel. Te dezen bepaalt artikel 60, 3°, van de wet van 2 oktober 2017 dat de personen belast met het uitoefenen van de activiteiten behorend tot het toepassingsgebied van deze wet aan bepaalde “persoonsvoorwaarden” moeten voldoen, die nader zijn bepaald in de artikelen 61 tot en met 64 van dezelfde wet. Artikel 61, eerste lid, 1° en 6°, van de wet van 2 oktober 2017 luidt: “De personen, bedoeld in artikel 60, moeten voldoen aan de volgende voorwaarden: 1° niet veroordeeld geweest zijn, zelfs niet met uitstel, tot enige correctionele of criminele straf zoals bedoeld in artikel 7 van het Strafwetboek of tot een gelijkaardige straf in het buitenland, behoudens veroordelingen wegens inbreuken op de regelgeving betreffende de politie over het wegverkeer en veroordelingen bedoeld in artikel 420, tweede lid, van het Strafwetboek; […] 6° beantwoorden aan het profiel, zoals bedoeld in artikel 64;” Artikel 64 van de wet van 2 oktober 2017 luidt: “Het profiel van de personen, bedoeld in artikel 60, is gekenmerkt door: 1° respect voor de grondrechten en de rechten van de medeburgers; 2° integriteit, loyaliteit en discretie; XII-9679-6/29 3° een incasseringsvermogen ten aanzien van agressief gedrag van derden en het vermogen om zich daarbij te beheersen; 4° afwezigheid van verdachte relaties met het crimineel milieu; 5° respect voor de democratische waarden; 6° de afwezigheid van risico voor de inwendige of uitwendige veiligheid van de Staat of voor de openbare orde.” 8. Een schending van het redelijkheidsbeginsel (of van het evenredigheidsbeginsel dat er een bijzondere toepassing van
  3. is)als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, veronderstelt dat het bestuur bij het nemen van de beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat het de hem toegekende discretionaire beoordelings- of beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt. Van een schending van het redelijkheidsbeginsel (en van het evenredigheidsbeginsel) kan slechts sprake zijn wanneer een beslissing, waarvan is vastgesteld dat ze berust op deugdelijke grondslagen, inhoudelijk dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon of, nog, er een zodanige wanverhouding bestaat tussen die motieven en de inhoud van de beslissing, dat het niet denkbaar is dat een ander zorgvuldig handelend bestuur in dezelfde omstandigheden tot die besluitvorming zou komen of die beslissing zou nemen. De Raad van State is in de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht enkel bevoegd om, desgevraagd, na te gaan of het bestuur op grond van de juiste en correct beoordeelde feitelijke gegevens, in redelijkheid tot de bestreden beslissing is kunnen komen. Het komt de Raad van State evenwel niet toe zijn beoordeling in de plaats te stellen van die van het bevoegde bestuur. De Raad van State gaat bij de beoordeling van de redelijkheid of de evenredigheid van de bestreden beslissing uit van de feiten zoals ze blijken uit de bestreden beslissing en waarvan verzoeker de onwettigheid niet heeft aangetoond, getoetst aan de door verzoeker in het middel aangevoerde argumenten die volgens verzoeker doen blijken dat de bestreden beslissing het redelijkheids- of evenredigheidsbeginsel miskent. 9. Krachtens het zorgvuldigheidsbeginsel moet elk bestuur zich gedragen zoals een voorzichtig en redelijk handelend bestuur, geplaatst in dezelfde omstandigheden. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt onder meer in dat het bestuur XII-9679-7/29 zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. Het bestuur is onder meer verplicht om zorgvuldig tewerk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat het met kennis van zaken kan beslissen. Het komt aan verzoeker toe om met concrete gegevens aannemelijk te maken dat de handelwijze van het bestuur niet doet blijken van het vereiste zorgvuldig handelen. Het formuleren door verzoeker van eigen aannames, veronderstellingen en kritieken zonder enig begin van bewijs, volstaat niet om aannemelijk te maken dat de bestreden beslissing op een onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. 10. Verzoeker acht zijn recht op arbeid vooreerst onredelijk beperkt, doordat de veroordeling op 27 april 2021 door de politierechtbank te Antwerpen wegens een inbreuk op het samenscholingsverbod als onderdeel van de COVID- regelgeving in aanmerking zou zijn genomen als een motief om de gevraagde identificatiekaart als bewakingsagent te weigeren. 11. De bestreden beslissing vermeldt dienaangaande: “Bij deze beoordeling houd ik enkel rekening met bovenvermelde feiten. Het PV AN.62.[…], dat mee opgenomen werd in het veiligheidsverslag en bij de opening van de procedure, laat ik buiten beschouwing om mijn beslissing op te staven aangezien deze feiten niet voldoende relevant werden bevonden.” Uit de bestreden beslissing blijkt aldus expliciet dat verzoekers veroordeling op 27 april 2021 door de politierechtbank te Antwerpen, noch de aan die veroordeling ten grondslag liggende feiten, in aanmerking werden genomen bij de beoordeling van de bestreden beslissing en derhalve geen een weigeringsmotief vormen. In de mate dat het eerste middel van het tegendeel uitgaat, mist het feitelijke grondslag. XII-9679-8/29 12. Wat de “tweede” weigeringsgrond betreft – het vonnis van de correctionele rechtbank van Antwerpen van 26 oktober 2021 – voert verzoeker aan, eensdeels, dat bij gebrek aan verwijzing naar dat vonnis in het eerste weigeringsbesluit dit in de bestreden beslissing geen weigeringsgrond meer kan zijn, en, anderdeels, dat daar dit vonnis een opschorting betreft en geen veroordeling, het noch proportioneel noch redelijk is op grond hiervan de identificatiekaart te weigeren in het licht van artikel 61, 1°, van de wet van 2 oktober 2017. Deze argumentatie wordt niet bijgevallen. 13. De eerste weigering van de aangevraagde identificatiekaart steunde op de objectieve weigeringsgrond vervat in artikel 61, eerste lid, 1°, van de wet van 2 oktober 2017, met name de voorwaarde niet te zijn veroordeeld, zelfs niet met uitstel, tot enige correctionele of criminele straf zoals bedoeld in artikel 7 van het Strafwetboek. Daar een dergelijke strafrechtelijke veroordeling een objectief gegeven is dat tot gevolg heeft dat de betrokkene in ieder geval niet meer voldoet aan de voorwaarden om bewakingsactiviteiten zoals bedoeld in artikel 60 van de wet van 2 oktober 2017 uit te oefenen, zodat de gevraagde identificatiekaart alleen reeds op die grond moet worden geweigerd, diende de eerste weigeringsbeslissing verder niet na te gaan of verzoeker daarnaast al dan niet voldeed aan de andere voorwaarden bepaald in artikel 61, eerste lid, van de wet van 2 oktober 2017. 14. De thans bestreden beslissing vertrekt allereerst van de premisse dat met de veroordeling op 27 april 2021 door de politierechtbank te Antwerpen geen rekening meer wordt gehouden, wat een gevolg was van rechtspraak van het Grondwettelijk Hof (zie supra, nr. 3.3). Bijgevolg moest ter beoordeling van de aanvraag om een identificatiekaart af te leveren worden onderzocht of verzoeker voldoet aan de overige voorwaarden van artikel 61, eerste lid, van de wet van 2 oktober 2017. De bestreden beslissing komt desbetreffend tot de conclusie dat verzoeker niet beantwoordt aan de voorwaarde van artikel 61, eerste lid, 6°, met name dat hij niet beantwoordt aan het profiel zoals bedoeld in artikel 64 van de wet XII-9679-9/29 van 2 oktober 2017. Zij steunt daarvoor op de feiten waaraan verzoeker schuldig werd bevonden in het vonnis van de correctionele rechtbank van Antwerpen van 26 oktober 2021, ook al werd verzoeker voor die feiten niet veroordeeld, daar de opschorting van de uitspraak van de veroordeling werd bevolen. Verzoeker toont niet aan dat de verwerende partij hiermee een onwettigheid heeft begaan, noch dat haar handelwijze niet doet blijken van het vereiste zorgvuldig handelen of dat zij in redelijkheid niet tot de bestreden beslissing is kunnen komen. In de concrete omstandigheden van de zaak volgt dit immers niet uit het loutere gegeven dat de eerste weigeringsbeslissing geen melding maakte van het vonnis van de correctionele rechtbank van Antwerpen van 26 oktober 2021. In de eerste weigeringsbeslissing werd de voorwaarde van artikel 61, eerste lid, 6°, met name of verzoeker beantwoordt aan het profiel zoals bedoeld in artikel 64 van de wet van 2 oktober 2017, niet onderzocht. Bijgevolg kon verzoeker – in weerwil van wat hij aanvoert – uit de eerste weigeringsbeslissing geen rechtmatig vertrouwen putten dat, in het kader van de behandeling van de tweede aanvraag om een identificatiekaart te bekomen, het vonnis van de correctionele rechtbank van Antwerpen van 26 oktober 2021 en de daaraan ten grondslag liggende feiten niet zouden worden betrokken bij de beoordeling van de vraag of verzoeker beantwoordt aan het profiel zoals bedoeld in artikel 64 van de wet van 2 oktober 2017. Ter gelegenheid van de kennisgeving van de intrekking van de eerste weigeringsbeslissing werd overigens expliciet aangegeven dat die geen enkel oordeel inhield over de vraag of verzoeker “al dan niet voldoet aan de andere voorwaarden bepaald in artikel 61 van de wet” en dat die “opnieuw onderzocht worden op het ogenblik dat er een aanvraag identificatiekaart voor uw persoon binnenkomt” (zie supra, nr. 3.3). Verzoeker maakt aldus niet aannemelijk dat de bestreden beslissing, om de loutere reden dat het vonnis van de correctionele rechtbank van Antwerpen van 26 oktober 2021 niet ter sprake kwam in de eerste weigeringsbeslissing, bij de beoordeling van de tweede aanvraag om een identificatiekaart te bekomen, niet mag verwijzen naar dat vonnis. XII-9679-10/29 15. In de mate dat verzoeker in het eerste middel aanvoert dat, daar het vonnis van de correctionele rechtbank van Antwerpen van 26 oktober 2021 een opschorting betreft en geen veroordeling, het noch proportioneel noch redelijk is om op grond hiervan de identificatiekaart te weigeren in het licht van artikel 61, 1°, van de wet van 2 oktober 2017, faalt het middel evenzeer. Uit de bestreden beslissing blijkt zeer duidelijk dat de identificatiekaart wordt geweigerd, niet op grond van artikel 61, eerste lid, 1°, van de wet van 2 oktober 2017, omdat verzoeker strafrechtelijk zou zijn veroordeeld, maar wel op grond van artikel 61, eerste lid, 6°, van de wet van 2 oktober 2017, omdat verzoeker niet beantwoordt aan het profiel van artikel 64 van dezelfde wet. Dat de draagwijdte van het vonnis van de correctionele rechtbank van Antwerpen van 26 oktober 2021 niet verkeerd werd beoordeeld, blijkt onder meer uit de volgende overwegingen in de bestreden beslissing: “Het is dan ook uitermate essentieel dat alle gekende feiten en gegevens die een negatief licht kunnen werpen op de betrokkene, nauwkeurig en gedetailleerd ter mijner kennis worden gebracht, zelfs indien er geen veroordeling wordt uitgesproken. Meer nog, bij gebrek aan nauwkeurige en gedetailleerde informatie, kan ik ertoe gebracht worden een identificatiekaart af te leveren of te laten behouden aan personen die een ernstig veiligheidsrisico inhouden. Er dient immers een belangrijk onderscheid gemaakt te worden tussen de manier waarop de feiten moeten bekeken worden op vlak van de veiligheidsvoorwaarden, en op strafrechtelijk vlak. Feiten die niet het voorwerp uitmaken van een strafrechtelijke veroordeling, maar die - zoals in casu - geleid hebben tot een opschorting van de uitspraak van veroordeling gedurende een periode van drie jaar, kunnen een weigering of intrekking rechtvaardigen, wanneer ze bekeken worden in het kader van de veiligheidsvoorwaarden. Ik kan derhalve nagaan of betrokkene in het verleden geen feiten heeft begaan of gedrag aan de dag heeft gelegd dat van die aard is dat er gerede twijfel bestaat of betrokkene wel over de juiste ingesteldheid en integriteit beschikt die verwacht mag worden van een persoon die toegang wenst te verkrijgen of te behouden tot de sector van de private veiligheid.” Op basis van de gegevens die blijken uit het vonnis van de correctionele rechtbank van Antwerpen van 26 oktober 2021 gaat de bestreden beslissing vervolgens over tot de volgende beoordeling: “Overeenkomstig art. 64, 2° van de wet private veiligheid dient een persoon die tewerkgesteld is in deze sector over de nodige integriteit te beschikken. Met XII-9679-11/29 integriteit wordt bedoeld dat men adequaat en zorgvuldig handelt, met inachtneming van zijn verantwoordelijkheid en geldende regels. Integriteit is een essentiële eigenschap waar een bewakingsagent over moet beschikken in het uitoefenen van zijn functie. Het beroep van en bewakingsagent is uitermate delicaat. We mogen van een integer persoon verwachten dat hij de wetgeving nauwgezet opvolgt en geen feiten pleegt die het vertrouwen kunnen schaden. Van een integer persoon mag worden verwacht dat hij al de geldende wetten respecteert en geen gebruik maakt van illegale manieren om bepaalde voordelen te bekomen. Ze moeten zich eerlijk gedragen en geen misbruik maken van het vertrouwen dat hun medeburgers in hen stellen. Uw betrokkenheid in de handel van namaakgoederen strookt niet met iemand die een integere houding aanneemt. Iemand die opzettelijk dit bedrog faciliteert, misbruikt het vertrouwen dat in hem door de samenleving gesteld wordt. Daarenboven berokkent iemand die zich schuldig maakt aan deze feiten schade aan de economie, de merkhouders en haar klanten. De correctionele rechtbank van Antwerpen tilde ook zwaar aan de aan u tenlastegelegde feiten aangezien het in haar vonnis een opschorting van de veroordeling met een proeftijd van drie jaar oplegt. De rechtbank achtte de feiten die u tenlastegelegd zijn dan ook als bewezen. Iets waar niet lichtzinnig mee mag omgegaan worden. Overeenkomstig Art. 64, 4° dient een persoon die tewerkgesteld is in de sector van de Private Veiligheid eveneens geen verdachte relaties te hebben met het criminele milieu. Uit bovenvermeld proces-verbaal en vonnis staat vast dat u tussen 26 februari 2020 tot en met 17 april 2020 deel uitmaakte van een 'vereniging opgericht om op personen of eigendommen wanbedrijven te plegen'. Deze tenlastelegging is dan ook bewezen. Uit bovenstaande uiteenzetting blijkt dat de feiten voldoende vast staan en in aanmerking kunnen en moeten genomen worden bij onderhavige beoordeling met betrekking tot uw correcte ingesteldheid om werkzaam te kunnen zijn binnen de sector van de private en bijzondere veiligheid. Dit geldt des temeer gelet op het relatief recente karakter en vooral gezien de ernst ervan. Ik ben dan ook van mening dat uw attitude en ingesteldheid niet diegene is die verwacht wordt van iemand die activiteiten wil uitoefenen binnen de private veiligheidssector.” Verzoeker betrekt deze overwegingen uit de bestreden beslissing niet bij de uiteenzetting van zijn middel, doch beperkt zich daarentegen tot het loutere standpunt dat de weigering van een identificatiekaart op basis van een opschorting van de uitspraak van de veroordeling niet proportioneel noch redelijk is. Verzoeker geeft daarmee weliswaar blijkt van een eigen beoordeling, doch maakt daarmee niet aannemelijk dat de bestreden beslissing onwettig is, noch dat zij niet het resultaat is van het vereiste zorgvuldig handelen of dat de dienst Private Veiligheid in redelijkheid niet tot de bestreden beslissing is kunnen komen. XII-9679-12/29 16. Uit wat voorafgaat, volgt dat verzoeker geen schending aantoont van artikel 23 van de Grondwet, noch van het redelijkheidsbeginsel of het zorgvuldigheidsbeginsel. 17. Het eerste middel is ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 18. In het verzoekschrift voert verzoeker de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel, de materiëlemotiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel, de artikelen 66 en 73 van de wet van 2 oktober 2017, het recht van verdediging, alsook de formelemotiveringsplicht vervat in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen’ (hierna: wet van 29 juli 1991). Benevens een toelichting van wat de voormelde rechtsregels en beginselen volgens verzoeker inhouden, zet hij uiteen dat hij geen verweer heeft mogen voeren omtrent de feiten, geen verduidelijking heeft mogen geven en niet is uitgenodigd om toelichting te geven. Hij kreeg kennis van de weigering, zonder te worden gehoord. Volgens verzoeker is de motivering van de bestreden beslissing uitermate beperkt en heeft er geen volwaardig onderzoek plaatsgevonden. De formele motivering is volgens verzoeker niet afdoende, daar er niet voldoende informatie wordt verleend en het niet geheel duidelijk is op welke juridische en feitelijke overwegingen de verwerende partij steunt. Er wordt immers geen melding gemaakt van het volledige gevoerde onderzoek. Verzoeker acht het tot slot opmerkelijk dat in de eerste weigeringsbeslissing geen melding is gemaakt van de opschorting en in de bestreden beslissing plots wel. 19. In de memorie van wederantwoord voegt verzoeker daaraan toe dat de verwerende partij verzoeker correct moest informeren dat hij kon worden gehoord, wat niet gebeurde. XII-9679-13/29 20. In het verzoek tot voortzetting van het geding beperkt verzoeker zich tot het standpunt dat hij niet akkoord gaat met het auditoraatsverslag en tot de verwijzing naar het verzoekschrift tot nietigverklaring en de memorie van wederantwoord. Beoordeling A. Exceptie van gebrek aan belang bij het middel in de mate dat het de schending van de hoorplicht aanvoert Uiteenzetting van de exceptie 21. In de memorie van antwoord werpt de verwerende partij op dat in de mate verzoeker de schending van de hoorplicht inroept, dit onderdeel van het middel niet-ontvankelijk moet worden verklaard bij gebrek aan belang. Beoordeling 22. Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van deze exceptie op grond van de volgende overwegingen: “Wat betreft de argumentatie door verzoeker op basis van de hoorplicht stelt verwerende partij het belang bij dit middelonderdeel in vraag. Verwerende partij maakt echter niet duidelijk waarom verzoeker geen belang zou hebben indien de hoorplicht mogelijks geschonden zou zijn tijdens deze procedure. Deze exceptie kan dan ook niet worden weerhouden. Dit middelonderdeel dient dan ook als ontvankelijk te worden beschouwd.” De verwerende partij heeft na kennisneming van het auditoraatsverslag niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven. Zij verzuimt immers om nog op de bespreking in het auditoraatsverslag van deze exceptie inhoudelijk te reageren. In die omstandigheden en na eigen onderzoek ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en besluit, de redenering van het auditoraat bijvallend, dat de exceptie ongegrond is. XII-9679-14/29 23. De exceptie wordt verworpen. B. Ten gronde 24. De draagwijdte van het zorgvuldigheidsbeginsel en van het redelijkheidsbeginsel werd hiervoor uiteengezet. Er wordt naar verwezen (zie supra, nrs. 8-9). 25. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere bestuurshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van het bestuur. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of het bestuur is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of het die correct heeft beoordeeld en of het op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot zijn besluit is kunnen komen. Voorts mag enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden. Aan een overheidsonderzoek kleeft het vermoeden van wettigheid. Om de onwettigheid van de motieven van de beslissing van het bestuur aan te tonen, mag een verzoeker niet volstaan met het louter ontkennen of in vraag stellen van de feitelijke elementen waarop de beoordeling door het bestuur berust. Het is zaak van verzoeker om aanwijzingen te verschaffen die het vermoeden wettigen of aantonen dat de door het bestuur in aanmerking genomen gegevens niet juist zijn. 26. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 verplichten de administratieve overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze. Het afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze XII-9679-15/29 draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. Bij het onderzoek naar het afdoende karakter van de formelemotiveringsplicht moet voorts worden rekening gehouden met het geheel van de formele motivering en niet met een of meerdere onderdelen van de motivering op zich. De motivering in haar geheel moet immers afdoende zijn. 27. Artikel 66 van de wet van 2 oktober 2017 luidt: “De door de minister van Binnenlandse Zaken aangewezen ambtenaar vraagt een onderzoek naar de veiligheidsvoorwaarden aan nadat hij heeft vastgesteld dat betrokkene gekend is voor feiten of handelingen, die een tegenindicatie kunnen uitmaken van het profiel.” Artikel 73 van de wet van 2 oktober 2017 luidt: “De kennisgeving van een negatieve beslissing herneemt de motieven die deze beslissing rechtvaardigen, met uitzondering van iedere inlichting waarvan de communicatie ervan schade zou kunnen toebrengen aan de verdediging van de onschendbaarheid van het nationaal grondgebied en van de militaire defensieplannen, de vervulling van de opdrachten van de strijdkrachten, de inwendige veiligheid van de Staat, met inbegrip van het domein van de kernenergie, en het voortbestaan van de democratische en grondwettelijke orde, de uitwendige veiligheid van de Staat en de internationale betrekkingen, het wetenschappelijk en economisch potentieel van het land of elk ander fundamenteel belang van de Staat, de veiligheid van de Belgische onderdanen in het buitenland, de werking van de besluitvormingsorganen van de Staat, de bescherming van de bronnen, aan het geheim van een lopend opsporings- of gerechtelijk onderzoek of de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van derden.” XII-9679-16/29 28. Niettegenstaande verzoeker de schending aanvoert van diverse rechtsregels, algemene rechtsbeginselen en beginselen van behoorlijk bestuur, komen zijn grieven in essentie neer op
  4. i)een schending van het recht van verdediging en de hoorplicht,
  5. ii)het gebrek aan een volwaardig onderzoek en iii) het gebrek aan een afdoende motivering. Het middel wordt vanuit dat oogpunt onderzocht. Wat de schending van het recht van verdediging en de hoorplicht betreft 29. Het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging is, behoudens andersluidend voorschrift, alleen van toepassing in strafzaken, tuchtzaken en op bestraffende bestuurlijke maatregelen. De beslissing waarbij aan een persoon een identificatiekaart voor het uitoefenen van bewakingsactiviteiten wordt geweigerd, omdat hij niet aan de vereisten van de wet van 2 oktober 2017 voldoet, is geen “straf”, maar een louter bestuurlijke maatregel, die ertoe strekt de toegang tot de private bewakingssector voor te behouden aan professioneel betrouwbare personen. Het recht van verdediging is te dezen bijgevolg niet van toepassing. Daar het recht van verdediging niet van toepassing is, kan verzoeker ook geen recht laten gelden om mondeling te worden gehoord. 30. Verzoeker voert evenwel ook aan dat hij niet werd gehoord en geen verduidelijking of toelichting bij de feiten kon geven, alsook dat hij niet werd geïnformeerd over het recht om te worden gehoord. 31. Artikel 72 van de wet van 2 oktober 2017 bepaalt dat “[d]e beslissing aangaande het resultaat van het onderzoek naar de veiligheidsvoorwaarden, […] per aangetekende brief ter kennis wordt gebracht aan de persoon die er het voorwerp van uitmaakt”. XII-9679-17/29 De artikelen 18 tot en met 20 van het koninklijk besluit van 26 september 2005 ‘betreffende de modaliteiten voor de toekenning, de geldigheidsduur, de weigering en de vernietiging van de identificatiekaart en de procedure inzake de onderzoeken naar de veiligheidsvoorwaarden’ (hierna: het koninklijk besluit van 26 september 2005) organiseren het recht van de betrokkene om te worden gehoord, indien wordt overwogen een identificatiekaart te weigeren omdat hij niet aan de voorwaarden voldoet. Deze bepalingen luiden: “Artikel 18 § 1. De betrokkene wordt bij een ter post aangetekende brief op de hoogte gebracht van: 1° alle hem ten laste gelegde feiten; 2° de wettelijke uitoefeningsvoorwaarden waaraan hij niet zou voldoen en de weigering van de afgifte van de kaart die hieruit kan voorvloeien; 3° zijn recht om inzage te nemen van zijn dossier en om zich te laten bijstaan of vertegenwoordigen door een raadsman van zijn keuze; 4° de plaats waar het dossier kan worden ingezien en de termijn waarover hij daartoe beschikt; 5° zijn recht om schriftelijk zijn verdedigingsmiddelen in te dienen. […] Artikel 19 De betrokkene beschikt vanaf de datum van ontvangst van de brief, bedoeld in artikel 18, over een termijn van 15 werkdagen om het te zijnen laste aangelegde dossier ter plaatse in te zien en er een afschrift van te verkrijgen. Artikel 20 Binnen de 40 werkdagen na de datum van ontvangst van de brief, zoals bedoeld in artikel 18, kan de betrokkene zijn verdedigingsmiddelen meedelen per aangetekende brief.” Uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker bij aangetekende brief van 23 oktober 2023 in kennis werd gesteld van het resultaat van het onderzoek naar de veiligheidsvoorwaarden en dat die brief alle door artikel 18 van het koninklijk besluit van 26 september 2005 voorgeschreven vermeldingen bevat, alsook dat de termijnen bepaald in de artikelen 19 en 20 van het koninklijk besluit van 26 september 2005 werden nageleefd (zie supra, nr. 3.8). In navolging van de voormelde brief van 23 oktober 2023 heeft verzoeker via zijn raadsman op 7 november 2023 een schriftelijk standpunt ingediend met bijlagen, waarin onder meer wordt ingegaan op het vonnis van de politierechtbank van 27 april 2021 en op het vonnis van de correctionele rechtbank van Antwerpen van 26 oktober 2021. Uit de bestreden beslissing blijkt dat de “verweermiddelen” goed werden XII-9679-18/29 ontvangen door de verwerende partij, alsook dat op de diverse verweerelementen een antwoord wordt geformuleerd. In de mate dat verzoeker aanvoert dat hij niet werd geïnformeerd over het recht om te worden gehoord, dat hij zelfs “nooit” werd gehoord, dat hij geen verweer mocht voeren over de feiten noch verduidelijking of toelichting bij de feiten kon geven, alsook dat de weigering hem “enkel ter kennis gebracht” is “zonder gehoord te worden”, mist het middel manifest feitelijke grondslag. 32. In de mate dat het tweede middel de schending van het recht van verdediging en van de hoorplicht aanvoert, is het ongegrond. Wat het gebrek aan een volwaardig onderzoek betreft 33. Verzoeker voert in het tweede middel voorts aan dat er geen volwaardig onderzoek heeft plaatsgevonden. 34. Artikel 2, § 1, eerste lid, 3°, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: de algemene procedureregeling), vereist dat het verzoekschrift tot nietigverklaring “een uiteenzetting van de feiten en de middelen” bevat. Luidens artikel 2, § 1, tweede lid, van de algemene procedureregeling bestaat het middel “uit de vermelding van de rechtsregel waarvan de schending aangevoerd wordt en van de wijze waarop die rechtsregel concreet overtreden zou zijn”. De uiteenzetting van een middel vereist aldus dat zowel de rechtsregel of het rechtsbeginsel wordt aangeduid die volgens verzoeker werd geschonden, als de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden beslissing werd geschonden. Opdat een middel ontvankelijk zou zijn, is minstens vereist dat summier doch duidelijk de beweerde onregelmatigheid van de bestreden beslissing wordt aangegeven. De vereiste om een middel voldoende duidelijk en nauwkeurig XII-9679-19/29 te formuleren strekt ertoe het tegensprekelijke karakter van de schriftelijke procedure en het recht van verdediging van de verwerende partij te waarborgen. Het komt overigens niet aan de Raad van State toe om uit een juridisch niet onderbouwde uiteenzetting zelf middelen te construeren die voldoen aan de vereiste van de algemene procedureregeling. 35. Verzoeker beperkt zich tot het standpunt dat er geen volwaardig onderzoek heeft plaatsgevonden, doch licht dit niet nader toe, noch koppelt hij die grief aan één van de door hem aangevoerde geschonden geachte rechtsregels, algemeen rechtsbeginsel of beginselen van behoorlijk bestuur. Dit beantwoordt niet aan de vereiste omschrijving van een middel, opdat het ontvankelijk zou zijn. 36. In de mate dat het tweede middel aanvoert dat er geen volwaardig onderzoek heeft plaatsgevonden, is het niet-ontvankelijk. Wat het gebrek aan een afdoende motivering betreft 37. In wat als een derde grief kan worden beschouwd, voert verzoeker in het tweede middel aan dat de formele motivering van de bestreden beslissing niet afdoende is, daar “geen voldoende informatie” wordt verleend, niet duidelijk is op welke juridische en feitelijke overwegingen de verwerende partij steunt, de motivering “uitermate beperkt” is, alsook dat geen melding wordt gemaakt van het volledige onderzoek dat zou zijn gevoerd. Tot slot voert verzoeker aan dat het “opmerkelijk” is dat de eerste weigeringsbeslissing geen melding maakte van de opschorting en de bestreden beslissing plots wel. 38. De bestreden beslissing is als volgt formeel gemotiveerd: “U beoogt activiteiten van bewaking uit te oefenen. De wet van 02 oktober 2017 tot regeling van de private veiligheid en de bijzondere veiligheid voorziet dat er slechts XII-9679-20/29 bewakingsactiviteiten kunnen uitgeoefend worden indien er is voldaan aan artikel 61 van voorgaande wet. Eén van de voorwaarden ligt vervat in artikel 61, 6° van vernoemde wet. Dit artikel stelt dat de personen die een functie uitoefenen in een onderneming of interne dienst moeten voldoen aan het profiel zoals vervat in artikel 64 van vernoemde wet. Artikel 64 van de wet op de private en bijzondere veiligheid stelt dat het profiel van de personen, bedoeld in artikel 60, is gekenmerkt door: - 1° respect voor de grondrechten en de rechten van de medeburgers; - 2° integriteit, loyaliteit en discretie; - 3° een incasseringsvermogen ten aanzien van agressief gedrag van derden en het vermogen om zich daarbij te beheersen; - 4° afwezigheid van verdachte relaties met het crimineel milieu; - 5° respect voor de democratische waarden; - 6° de afwezigheid van risico voor de inwendige of uitwendige veiligheid van de Staat of voor de openbare orde. De bewakingsonderneming SECURITY MASTERS heeft op 16 januari 2023 een identificatiekaart voor u aangevraagd. Artikel 68 bepaalt dat de personen die aan een onderzoek onderworpen worden hiertoe voorafgaandelijk en eenmalig hun instemming dienen te geven. U hebt de toestemming gegeven tot het uitvoeren van een dergelijk onderzoek naar het profiel teneinde een functie, meer bepaald activiteiten van bewakingen te kunnen uitoefenen. Het onderzoek dat, op vraag van de door mij aangewezen ambtenaren door de politiediensten werd uitgevoerd, heeft een aantal inlichtingen van gerechtelijke en bestuurlijke aard, alsook beroepsgegevens aan het licht gebracht die van belang zijn in het kader van de beoordeling van de naleving van het profiel, bedoeld in artikel 61 van de voorgenoemde wet, uit uwen hoofde. Overeenkomstig artikel 16 § 6 van het koninklijk besluit van 26 september 2005 betreffende de modaliteiten voor de toekenning, de geldigheidsduur, de weigering en de vernietiging van de identificatiekaart en de procedure inzake de onderzoeken naar de veiligheidsvoorwaarden, maken deze inlichtingen deel uit van een verslag van een officier van de politie. Dit verslag werd voor advies aan de Commissie onderzoeken naar de veiligheidsvoorwaarden voorgelegd. Na bovengenoemd advies van de Commissie beoogt de administratie de identificatiekaart te weigeren. In het verslag naar de veiligheidsvoorwaarden worden de volgende feiten naar voren gebracht: PV AN.68.[…] uitgaande van de PZ Antwerpen uit hoofde van handel in goederen met vervalste naam [verzoeker] werd er van verdacht lid te zijn van een criminele organisatie die handelt in namaakgoederen. Op 17 april 2020, wordt [Y.A.], tijdens een actie tegen drugoverlast in zijn wagen VVV Golf (met nummerplaat […]) geïntercepteerd nadat hij een garagebox in de […]straat bezocht had. In zijn wagen werden vier namaak T-shirts aangetroffen. Bij de huiszoeking in de garagebox, waarvan [Y.A.] de sleutel in zijn bezit had, werden 106 namaak T-shirts en 6 namaakjassen gevonden. De kledij aangetroffen in de wagen was voor persoonlijk gebruik. De garagebox werd gehuurd door [verzoeker] sinds 1 maart 2020. VERHOOR [verzoeker]: [verzoeker] verklaart dat hij een garagebox huurde op verzoek van een jeugdvriend de genaamde [Y.A.]. Deze had nl. zijn identiteitskaart verloren en kon hierdoor de garagebox niet zelf huren. [verzoeker] zag hier geen problemen in en huurde de garagebox in [adres]. [verzoeker] betaalde 100 Euro per maand. [verzoeker] wist niet waarmee [Y.A.] bezig was, anders had hij de box niet gehuurd. Hij verklaart dat hij een trui gekocht heeft van het merk Givenchy voor 30 Euro in de vestiging van Shurgard van [Y.A.]. Hij wist dat het om namaak ging. Hij zag daar goederen XII-9679-21/29 liggen maar zag er niets verdacht in. Tijdens de huiszoeking werden namaakgoederen aangetroffen in de woning van [verzoeker]. [verzoeker] geeft toe dat de luxemerken inderdaad namaakgoederen zijn, gekocht via iemand van Brussel die hij ontmoet heeft via snapchat. [verzoeker] doet afstand van de goederen die aangetroffen werden in de garagebox in […]. Naar aanleiding van deze gebeurtenissen werd [verzoeker] samen met vijf andere beklaagden gedagvaard voor de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, met uitspraak van het vonnis op 26 oktober 2021. Uit dit vonnis blijkt dat beide tenlasteleggingen lastens [verzoeker] bewezen worden geacht. De eerste tenlastelegging aan [verzoeker] betrof ‘een inbreuk op het merkenrecht m.b.t. volgende merken: Louis Vuitton, Givenchi, Christian Dior Couture, Moncler, Balenciaga en Balmain’. Het staat vast dat de in beslag genomen goederen namaakgoederen betroffen aangezien de verschillende firma's/merkenhouders dit bevestigen. Verder konden de verbalisanten ook vaststellen dat de verpakking en kwaliteit van de afwerking bedenkelijk waren. Daarnaast faciliteerde [verzoeker] de handel van namaak producten door een garagebox te huren op zijn naam voor [A.] omdat deze zijn identiteitskaart kwijt zou zijn. Vervolgens kocht [verzoeker] wetens en willens bij [A.] een namaaktrui aan van het merk Givenchy voor 30 euro. Om deze trui te kopen zijn [verzoeker] en [A.] naar een gehuurde garagebox gereden. Daarnaast zijn er bij [verzoeker] tijdens een huiszoeking ook namaakspullen gevonden. Deze inbreuk op het merkenrecht werd dus bewezen verklaard door de correctionele rechtbank te Antwerpen, afdeling Antwerpen gelet op: - de vaststellingen van verbalisanten; - de uitlezing van het gsm-toestel van [A.], die het adres van [verzoeker] doorstuurde voor afhaling van de goederen; - het huurcontract op naam van [verzoeker] voor de garagebox aan de […]straat op verzoek van [A.]; - de resultaten van de huiszoeking bij [verzoeker] waar namaakmerkkledij werd aangetroffen en een document van Union Pay uit China met vermelding van het merk ‘Louis Vuitton’; - de bekentenissen van [verzoeker]. De tweede tenlastelegging aan [verzoeker] betrof: ‘deel uitmaken van een vereniging opgericht om op personen of eigendommen wanbedrijven te plegen van 26 februari 2020 tot en met 17 april 2020’. De correctionele rechtbank te Antwerpen, afdeling Antwerpen achtte deze tenlastelegging eveneens als bewezen. De grootschalige omvang van de handel in namaakgoederen, de huur van meerdere opslagruimtes, het telefonie-onderzoek en de taakverdelingen laten volgens de rechtbank geen twijfel bestaan over het georganiseerde karakter van de handel. Ten slotte werden de winsten ook verdeeld onder de leden. Volgende op beide bewezen geachte tenlasteleggingen stelde de rechtbank dat [verzoeker] verkeerde in de voorwaarden om te genieten van de gewone opschorting van de uitspraak van de veroordeling zonder voorwaarden met een proeftijd van 3 jaar. De namaakgoederen waar [verzoeker] van in het bezit was, werden verbeurdverklaard. Bij deze beoordeling houd ik enkel rekening met bovenvermelde feiten. Het PV AN.62.[…], dat mee opgenomen werd in het veiligheidsverslag en bij de opening van de procedure, laat ik buiten beschouwing om mijn beslissing op te staven aangezien deze feiten niet voldoende relevant werden bevonden. […] Het is dan ook uitermate essentieel dat alle gekende feiten en gegevens die een negatief licht kunnen werpen op de betrokkene, nauwkeurig en gedetailleerd ter mijner kennis worden gebracht, zelfs indien er geen veroordeling wordt XII-9679-22/29 uitgesproken. Meer nog, bij gebrek aan nauwkeurige en gedetailleerde informatie, kan ik ertoe gebracht worden een identificatiekaart af te leveren of te laten behouden aan personen die een ernstig veiligheidsrisico inhouden. Er dient immers een belangrijk onderscheid gemaakt te worden tussen de manier waarop de feiten moeten bekeken worden op vlak van de veiligheidsvoorwaarden, en op strafrechtelijk vlak. Feiten die niet het voorwerp uitmaken van een strafrechtelijke veroordeling, maar die - zoals in casu - geleid hebben tot een opschorting van de uitspraak van veroordeling gedurende een periode van drie jaar, kunnen een weigering of intrekking rechtvaardigen, wanneer ze bekeken worden in het kader van de veiligheidsvoorwaarden. Ik kan derhalve nagaan of betrokkene in het verleden geen feiten heeft begaan of gedrag aan de dag heeft gelegd dat van die aard is dat er gerede twijfel bestaat of betrokkene wel over de juiste ingesteldheid en integriteit beschikt die verwacht mag worden van een persoon die toegang wenst te verkrijgen of te behouden tot de sector van de private veiligheid. Wat betreft de feiten van handel in goederen met vervalste naam Uit bovenvermelde feiten blijkt samengevat dat u een garagebox huurde waar A.Y. de sleutel van had. Bij een huiszoeking in die garagebox werden 106 namaak T- shirts en 6 namaakjassen gevonden. U verklaarde in uw verhoor dat u niet wist waarvoor de box gebruikt werd. U verklaarde eveneens dat u een trut heeft gekocht van het merk Givenchy bij A. en dat u wist dat dit een namaak betrof. Ik wens in dit verband uw aandacht te trekken op volgende elementen: 1° In uw verweer stelt u dat het vonnis van de politierechtbank d.d. 27 april 2021 geen reden is om een weigeringsbeslissing op te baseren gelet op het arrest van het Grondwettelijk Hof d.d. 24 november 2022 dat stelt dat een inbreuk op de reglementering houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zouden schenden en dus niet automatisch kunnen leiden tot een beroepsverbod. U tekende beroep aan bij de Raad van State tegen de weigering die u ontving d.d. 13 oktober 2022 op basis van art. 61, 1° wet private veiligheid ten gevolge van uw veroordeling aangaande het niet-naleven van het samenscholingsverbod. Naar aanleiding van dit beroep stuurde mijn administratie u op 10 januari 2023 een brief met de mededeling dat deze weigeringsbeslissing ingetrokken werd, Echter, verklaarde deze brief ook dat: ‘deze beslissing [tot intrekking van het vorige besluit] geen enkel oordeelt velt over het feit dat u al dan niet voldoet aan de andere voorwaarden bepaald in artikel 61 van de wet. Deze zullen opnieuw onderzocht worden op het ogenblik dat er een aanvraag identificatiekaart voor uw persoon binnenkomt.’. Bijgevolg werd in dit dossier verder gekeken of er elementen zijn die een weigering van de identificatiekaart vereisen op basis van art. 61 wet private veiligheid bij de navolgende aanvraag tot het bekomen van een identificatiekaart. 2° U stelt in eveneens uw verweer dat het vonnis van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen van 26 oktober 2021, geen veroordeling inhoudt aangezien louter de opschorting van de uitspraak voor een periode van drie jaar werd uitgesproken. Aangezien er geen veroordeling is, kan artikel 61, 1° wet private veiligheid van 2 oktober 2017 niet toegepast worden om de weigering te rechtvaardigen. De brief opening procedure d.d. 23 oktober 2023 vermeldt echter duidelijk dat er een onderzoek geopend werd op basis van art. 61, 6° wet private veiligheid om een eventuele weigering op te baseren. Dit betreft de veiligheidsvoorwaarden en ik verwijs hiervoor naar hetgeen hierboven werd uiteengezet: ‘Feiten die niet het voorwerp uitmaken van een strafrechtelijke veroordeling, maar die - zoals in casu - geleid hebben tot een opschorting van de uitspraak van veroordeling gedurende een periode van drie jaar, kunnen een weigering of XII-9679-23/29 intrekking rechtvaardigen, wanneer ze bekeken worden in het kader van de veiligheidsvoorwaarden.’ 3° U stelt in tenslotte dat het vonnis van de correctionele rechtbank Antwerpen van 26 oktober 2021 geen weigeringsgrond kan uitmaken aangezien dit vonnis niet gebruikt werd in de voorgaande, reeds ingetrokken, weigeringsbeslissing. U stelt dat deze afwezigheid van dat vonnis in die beslissing een rechtmatig vertrouwen wekt dat dit vonnis geen weigeringsgrond is. Graag zou ik u er op willen wijzen op het gegeven dat, wanneer er een objectieve weigeringsgrond aanwezig is waarbij het loutere feit dat men veroordeeld is geweest volstaat om de toegang te weigeren, er niet verder gekeken wordt naar eventuele andere weigeringsgronden waarbij er een appreciatiebevoegdheid aanwezig is. Pas wanneer er geen dergelijke objectieve weigeringsgrond voorhanden is, wordt er gekeken of er desgevallend feitelijkheden voortvloeien uit pv's, verhoren, of zoals in casu een vonnis waarbij een opschortingsmaatregel werd opgelegd..., die aanleiding kunnen geven tot een weigeringsgrond zoals bedoeld in art. 61, 6° van de wet private veiligheid. Het arrest van het Grondwettelijk Hof van 24 november 2022 zorgde ervoor dat de objectieve weigeringsgrond waarop de eerdere weigering gebaseerd was verviel. Hierna diende er verder te worden geverifieerd of u aan de andere uitoefeningsvoorwaarden - waaronder de veiligheidsvoorwaarden - voldoet. 4° Verder stelt u in uw verhoor aan de politie in het navolgend PV AN.68.[…] dat u geen weet had van de activiteiten die A. uitvoerde. Deze verklaring is ongeloofwaardig aangezien in bovenvermeld vonnis de feiten die u ten laste werden gelegd, bewezen werden verklaard en uw exacte rol hierin nauwkeurig werd gespecificeerd. Daarnaast valt er ook op te maken uit het vonnis dat bij het uitlezen van de gsm van A. bleek dat hij uw thuisadres doorgaf als afhaalplaats van de goederen. Overeenkomstig art. 64, 2° van de wet private veiligheid dient een persoon die tewerkgesteld is in deze sector over de nodige integriteit te beschikken. Met integriteit wordt bedoeld dat men adequaat en zorgvuldig handelt, met inachtneming van zijn verantwoordelijkheid en geldende regels. Integriteit is een essentiële eigenschap waar een bewakingsagent over moet beschikken in het uitoefenen van zijn functie. Het beroep van en bewakingsagent is uitermate delicaat. We mogen van een integer persoon verwachten dat hij de wetgeving nauwgezet opvolgt en geen feiten pleegt die het vertrouwen kunnen schaden. Van een integer persoon mag worden verwacht dat hij al de geldende wetten respecteert en geen gebruik maakt van illegale manieren om bepaalde voordelen te bekomen. Ze moeten zich eerlijk gedragen en geen misbruik maken van het vertrouwen dat hun medeburgers in hen stellen. Uw betrokkenheid in de handel van namaakgoederen strookt niet met iemand die een integere houding aanneemt. Iemand die opzettelijk dit bedrog faciliteert, misbruikt het vertrouwen dat in hem door de samenleving gesteld wordt. Daarenboven berokkent iemand die zich schuldig maakt aan deze feiten schade aan de economie, de merkhouders en haar klanten. De correctionele rechtbank van Antwerpen tilde ook zwaar aan de aan u tenlastegelegde feiten aangezien het in haar vonnis een opschorting van de veroordeling met een proeftijd van drie jaar oplegt. De rechtbank achtte de feiten die u tenlastegelegd zijn dan ook als bewezen. Iets waar niet lichtzinnig mee mag omgegaan worden. Overeenkomstig Art. 64, 4° dient een persoon die tewerkgesteld is in de sector van de Private Veiligheid eveneens geen verdachte relaties te hebben met het criminele milieu. Uit bovenvermeld proces-verbaal en vonnis staat vast dat u tussen 26 februari 2020 tot en met 17 april 2020 deel uitmaakte van een ‘vereniging opgericht XII-9679-24/29 om op personen of eigendommen wanbedrijven te plegen’. Deze tenlastelegging is dan ook bewezen. Uit bovenstaande uiteenzetting blijkt dat de feiten voldoende vast staan en in aanmerking kunnen en moeten genomen worden bij onderhavige beoordeling met betrekking tot uw correcte ingesteldheid om werkzaam te kunnen zijn binnen de sector van de private en bijzondere veiligheid. Dit geldt des temeer gelet op het relatief recente karakter en vooral gezien de ernst ervan. Ik ben dan ook van mening dat uw attitude en ingesteldheid niet diegene is die verwacht wordt van iemand die activiteiten wil uitoefenen binnen de private veiligheidssector. Conform de uiteengezette redenen stel ik bijgevolg vast dat u niet voldoet aan de voorwaarde van art. 61, 6° van de voornoemde wet van 2 oktober 2017, aangezien u niet voldoet aan het profiel van artikel 64 van dezelfde wet. De aanvraag voor een identificatiekaart wordt dan ook geweigerd.” 39. De formele motivering van de bestreden beslissing schetst vooreerst de rechtsgronden waarop zij steunt, het regelgevende kader, de delegatie van de beslissingsbevoegdheid door de bevoegde minister ter zake en de algemene rechtsregels en beginselen die bij de uitoefening van die bevoegdheid volgens de bestreden beslissing in acht moeten worden genomen. De bestreden beslissing geeft voorts aan op welke concrete feitelijke gegevens de beoordeling berust dat verzoeker niet beantwoordt aan het profiel vereist door artikel 64 van de wet van 2 oktober 2017 en waaruit die feitelijke gegevens worden afgeleid. Ook wordt omstandig ingegaan op de vraag waarom met die gegevens rekening kan worden gehouden, ook al is verzoeker er niet strafrechtelijk voor veroordeeld en beval de rechtbank de opschorting van de uitspraak van de veroordeling. Op de diverse aangevoerde verweerelementen vindt verzoeker eveneens een antwoord in de bestreden beslissing. Gelet op deze omstandige formele motivering overtuigt verzoeker niet dat de bestreden beslissing niet afdoende formeel is gemotiveerd. Verzoeker betrekt de formele motivering van de bestreden beslissing overigens in het geheel niet bij de uiteenzetting van het middel, maar beperkt zich tot de loutere stellingnames dat de motivering “uitermate beperkt” is, “geen voldoende informatie” verstrekt, en dat niet duidelijk is op welke juridische en feitelijke overwegingen de verwerende partij steunt. Met dergelijke loutere stellingnames toont verzoeker evenwel – in het licht van de omstandig formeel gemotiveerde XII-9679-25/29 bestreden beslissing – niet aan waarom dit zo zou zijn, en derhalve, waarom de formelemotiveringsplicht zou zijn geschonden. In de mate dat verzoeker aanvoert dat de bestreden beslissing geen melding maakt van het volledige onderzoek dat zou zijn gevoerd, stelt de Raad van State vast dat de bestreden beslissing wel degelijk de gevoerde procedure, met inbegrip van het onderzoek naar de veiligheidsvoorwaarden, beschrijft en de bevindingen ervan weergeeft. Voorts blijkt uit de bestreden beslissing dat verzoeker de gelegenheid werd geboden om het administratief dossier in te zien en er een afschrift van te verkrijgen, doch dat verzoeker hiervan geen gebruik heeft gemaakt, een geven dat verzoeker niet tegenspreekt. Ook met dit argument toont verzoeker derhalve niet aan dat de bestreden beslissing niet afdoende is gemotiveerd. In de mate dat verzoeker aanvoert dat het “opmerkelijk” is dat de eerste weigeringsbeslissing geen melding maakte van de opschorting en de bestreden beslissing plots wel, wordt verwezen naar de beoordeling van het eerste middel. Voor zover verzoeker met dit argument een gebrek aan afdoende formele motivering wil aantonen, wordt het evenmin bijgevallen. Uit de formele motivering blijkt immers duidelijk waarom de verwerende partij meent de feiten die ten grondslag liggen aan het vonnis van de correctionele rechtbank van Antwerpen van 26 oktober 2021 waarbij de opschorting van de uitspraak van de veroordeling werd bevolen, te kunnen betrekken bij de beoordeling of verzoeker beantwoordt aan het profiel vereist door artikel 64 van de wet van 2 oktober 2017. 40. In de mate dat het tweede middel het gebrek aan een afdoende motivering aanvoert, is het ongegrond. Conclusie 41. Uit wat voorafgaat, volgt dat verzoeker geen schending aantoont van het zorgvuldigheidsbeginsel, de materiëlemotiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel, de artikelen 66 en 73 van de wet van 2 oktober 2017, het XII-9679-26/29 recht van verdediging, noch de formelemotiveringsplicht vervat in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991. 42. Het tweede middel is, in de mate dat het ontvankelijk is, ongegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 43. In het verzoekschrift voert verzoeker de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en het gelijkheidsbeginsel, alsook van de materiëlemotiveringsplicht en het evenredigheidsbeginsel. Verzoeker zet uiteen dat de identificatiekaart wordt geweigerd omdat hij is veroordeeld voor de niet- naleving van het samenscholingsverbod in het kader van de COVID-19- maatregelen. Volgens verzoeker schendt het onderscheid tussen personen die zijn veroordeeld wegens een inbreuk op dat samenscholingsverbod en personen die zijn veroordeeld wegens een inbreuk op de wetgeving betreffende de politie op het wegverkeer – waarvoor de wetgever expliciet een uitzondering maakt – het gelijkheidsbeginsel. Verzoeker verwijst in dat verband naar het arrest van het Grondwettelijk Hof van 24 november 2022 met nummer 154/2022. Voorts voert verzoeker aan dat de verwerende partij in reactie op dat arrest plots de opschorting aanhaalt. 44. In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoeker letterlijk de uiteenzetting uit het verzoekschrift. 45. In het verzoek tot voortzetting van het geding beperkt verzoeker zich tot het standpunt dat hij niet akkoord gaat met het auditoraatsverslag en tot de verwijzing naar het verzoekschrift tot nietigverklaring en de memorie van wederantwoord. XII-9679-27/29 Beoordeling 46. Het derde middel vertrekt van de premisse dat de veroordeling van verzoeker door de politierechtbank van Antwerpen op 27 april 2021 wegens niet-naleving van het samenscholingsverbod in het kader van de COVID-19- maatregelen een decisief motief is van de bestreden beslissing. Zoals uit de beoordeling van het eerste middel is gebleken, faalt dit standpunt in feite. Verzoeker toont bijgevolg geen schending van het grondwettelijk gewaarborgde gelijkheidsbeginsel aan, daar hij ter adstructie van die aangevoerde schending louter en alleen steunt op dat vermeend motief van de bestreden beslissing, waarvan in het kader van de beoordeling van het eerste middel is vastgesteld dat het in werkelijkheid geen motief was van de bestreden beslissing, laat staan een decisief motief. In de mate dat het middel een schending van het gelijkheidsbeginsel aanvoert, is het ongegrond. 47. Voorts besluit verzoeker de uiteenzetting van het derde middel met het argument: “Als reactie hierop haalt verwerende partij plots de opschorting aan.” Hiervoor werd uiteengezet aan welke vereisten de omschrijving van het middel moet voldoen. Er wordt naar verwezen (zie supra, nr. 33). 48. Verzoeker beperkt zich tot het hiervoor weergegeven standpunt “[a]ls reactie hierop haalt verwerende partij plots de opschorting aan”, doch licht dit niet nader toe. Evenmin koppelt hij dit standpunt aan één van de door hem aangevoerde geschonden geachte rechtsregels of beginselen van behoorlijk bestuur. Dit beantwoordt niet aan de vereiste omschrijving van een middel, opdat het ontvankelijk zou zijn. XII-9679-28/29 49. In de mate dat het derde middel louter het hiervoor weergegeven standpunt poneert, is het niet-ontvankelijk. 50. Uit wat voorafgaat, volgt dat verzoeker geen schending aantoont van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, het gelijkheidsbeginsel, de materiëlemotiveringsplicht noch het evenredigheidsbeginsel. Het derde middel is, in de mate dat het ontvankelijk is, ongegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zes juni tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, kamervoorzitter, Ann Coolsaet, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Chantal Bamps XII-9679-29/29 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.515 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.