id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 juni 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.520 Rolnummer: A. 239636/X-18434 Zaak: Arrest 263520 - Wegenwezen - 06/06/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-06-13 Raadplegingen: 95 - laatst gezien 2026-06-16 04:48 Fiche Arrest nr 263.520 van 6 juni 2025 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Wegenwezen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 263.520 van 6 juni 2025 in de zaak A. 239.636/X-18.434 In zake : M.V. woonplaats kiezend te tegen :
- de STAD AARSCHOT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Wim Mertens kantoor houdend te 3580 Beringen Paalsesteenweg 81 bij wie woonplaats wordt gekozen
- het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jonas De Wit kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep Het beroep, ingesteld op 24 juli 2023, strekt tot de nietigverklaring van: a. het besluit van de gemeenteraad van de stad Aarschot van 15 december 2022 ‘Gemeenteweg nr. 116 in Rillaar: definitief akkoord met voorstel tot gedeeltelijke opheffing’ (hierna: het gemeenteraadsbesluit van 15 december 2022) en b. het besluit van de Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken van 10 april 2023 tot verwerping van het beroep van verzoeker tegen het gemeenteraadsbesluit van 15 december 2022 (hierna: het ministerieel besluit van 10 april 2023). X-18.434-1/12 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Evelien De Taeye heeft een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De verwerende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 maart
- Kamervoorzitter Jan Clement heeft verslag uitgebracht. Verzoeker, die in persoon verschijnt, advocaat Kilian Stulens, die loco advocaat Wim Mertens verschijnt voor de eerste verwerende partij en advocaat Dylan Vercammen, die loco advocaat Jonas De Wit verschijnt voor de tweede verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Evelien De Taeye heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Ten noordoosten van de woning van verzoeker te Nieuwrode strekt zich – tot voorbij het dorp Rillaar – een openruimtegebied uit dat op het bij koninklijk besluit van 7 november 1978 vastgestelde gewestplan Aarschot-Diest voor het overgrote deel ingekleurd is als agrarisch gebied met een aantal verspreide X-18.434-2/12 zones natuurgebied (hierna: de openruimte rond verzoekers woning). In de noordoostelijke rand van de openruimte rond verzoekers woning loopt te Rillaar de weg Roth die, via het noordelijk deel van de in de Atlas der Buurtwegen opgenomen voetweg nr. 116, aansluiting geeft op de straat Wijper. Het zuidelijke gedeelte van voetweg nr. 116 verbindt de laatstgenoemde straat met de aan de noordzijde van de Diestsesteenweg gelegen grasstrook, die paalt aan een vrijliggend fietspad met naastgelegen strook met groenaanplantingen. Ten opzichte van het tracé volgens de oorspronkelijke Atlas der Buurtwegen is het zuidelijke deel van de voetweg nr. 116 bij besluit van de bestendige deputatie van de provincie Brabant van 5 april 1957 verschoven in westelijke richting. 3.
- Op 8 september 2022 stelt de gemeenteraad van de stad Aarschot het ontwerp van rooilijnplan voor buurtweg nr. 116 voorlopig vast. Het strekt met name tot de afschaffing van het zuidelijk deel ervan. Ter verduidelijking volgt hierna een uittreksel uit een stuk van het administratief dossier waarop benaderende aanduidingen zijn aangebracht. X-18.434-3/12 3.
- Van 29 september 2022 tot 29 oktober 2022 wordt een openbaar onderzoek gehouden. Er wordt een bezwaarschrift ingediend, meer bepaald door verzoeker. 3.
- Met het gemeenteraadsbesluit van 15 december 2022 wordt het rooilijnplan definitief goedgekeurd. Er wordt niets gewijzigd ten opzichte van wat X-18.434-4/12 in randnummer 3.2 is vermeld. Het gemeenteraadsbesluit van 15 december 2022 steunt de opheffing van het zuidelijke deel van voetweg nr. 116 op volgend motief: “de aansluiting op de Diestsesteenweg gebeurt via een vrij aanzienlijk niveauverschil dat onmiddellijk uitgeeft op het fietspad en de eigenlijke steenweg, wat maakt dat eventuele gebruikers wegens het niveauverschil en de abrupte overgang naar de steenweg met een onveilige verkeerssituatie geconfronteerd zouden worden” (hierna: het motief inzake het hoogteverschil).” 3.
- Met het ministerieel besluit van 10 april 2023 wordt het door verzoeker tegen het gemeenteraadsbesluit van 15 december 2022 ingestelde bestuurlijk beroep verworpen. IV. Ontvankelijkheid A. Laattijdigheidsexceptie
- De in de memorie van antwoord van de eerste verwerende partij aangevoerde exceptie van laattijdigheid behoeft geen beoordeling daar deze partij er ter terechtzitting afstand van doet. B. Belang Uiteenzetting van de exceptie 5.
- In haar memorie van antwoord betwist de tweede verwerende partij de ontvankelijkheid van het beroep. Zij zet uiteen dat de voetweg nr. 116 op vijf kilometer van verzoekers woning ligt zodat “deze voetweg te ver verwijderd is voor verzoekende partij om een belang te hebben bij de uitbouw van het gemeentelijk wegennet in een gemeente die ver verwijderd ligt van zijn woonplaats”. X-18.434-5/12 De tweede verwerende partij voegt eraan toe dat verzoeker, gelet op zijn middelen, zijn belang lijkt te steunen op de hoedanigheid van gebruiker van het gemeentelijk wegennet, waarbij specifiek gewezen wordt op de noodzaak en het nut van trage wegen. Daarbij moet worden opgemerkt dat een verzoekende partij het beweerde belang persoonlijk moet maken, waarbij het niet volstaat dat dit belang samenvalt met de belangen van eenieder, in casu het recht om gebruik te maken van het gemeentelijk wegennet. Immers neigt dergelijke invulling van het belang naar het aannemen van een actio popularis, hetgeen niet toegelaten is. 5.
- In haar laatste memorie voegt de tweede verwerende partij toe dat verzoeker er niet in slaagt om aan te tonen “dat hij werkelijk als ‘gebruiker’ van het zuidelijk tracé van de voetweg nr. 116 aangemerkt kan worden”. Uit hetgeen verzoeker aanvoert kan niet opgemaakt worden “of de openstelling/realisatie/het behoud nagestreefd wordt voor het eigen gebruik dan wel het gebruik door de inwoners”. Met een verwijzing naar het gebruik door de inwoners wordt geen voldoende individueel en persoonlijk belang aangetoond. Beoordeling
- Verzoeker wijst erop dat hij sinds 2010 wandelingen maakt in de openruimte rond zijn woning, waarbij hij het tragewegennetwerk stelselmatig verkent en gebruikt. De door verzoeker neergelegde stukken bevatten door hem in 2015 en 2018 gemaakte foto’s van het noordelijk deel van voetweg nr. 116, evenals foto’s uit 2019 waarop te zien is dat verzoeker wandelt op de wegzate van dit noordelijke deel. Verzoeker maakt aannemelijk dat hij als herhaaldelijk gebruiker van (het noordelijk deel van) de betrokken voetweg beschikt over een voldoende geïndividualiseerd belang om de nietigverklaring van de bestreden beslissingen na te streven. X-18.434-6/12 Aan dit belang wordt geen afbreuk gedaan door de door de tweede verwerende partij ingeroepen elementen. De exceptie wordt verworpen. V. Onderzoek van het vierde middel Standpunt van de partijen 7.
- In het vierde middel wordt onder meer de schending aangevoerd van de materiëlemotiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. 7.
- Verzoeker meent dat de afschaffing van het zuidelijke deel van voetweg nr. 116 onterecht verantwoord is door te verwijzen naar een hoogteverschil, zeker nu de opheffing van (een deel van) een bestaande trage weg een uitzonderingsmaatregel moet zijn. Hij wijst erop dat de Diestsesteenweg hoger gelegen is dan de straat Wijper. Het is geen enkel probleem om van Wijper naar de Diestsesteenweg te stijgen. Anders dan in het gemeenteraadsbesluit van 15 december 2022 is aangenomen, kan er geen verkeersveiligheidsprobleem rijzen voor gebruikers van het zuidelijke deel van voetweg nr. 116 die, komende vanuit Wijper, de Diestsesteenweg bereiken. Het is integendeel de afschaffing van het zuidelijke deel van voetweg nr. 116 die een verkeersveiligheidsprobleem meebrengt, daar de trage weggebruikers op de straat Wijper geconfronteerd worden met gemotoriseerd verkeer. 8.
- In haar memorie van antwoord stelt de eerste verwerende partij dat verzoekers kritiek op de motivering in verband met het hoogteverschil louter opportuniteitskritiek betreft, waarvan de beoordeling niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort. Volgens de eerste verwerende partij is het uitvoerig gemotiveerde gemeenteraadsbesluit van 15 december 2022 gebaseerd op een X-18.434-7/12 combinatie van verschillende factoren (hoogteverschil, geen goede aansluiting, onveilige verkeerssituatie,…). Voor zover de Raad van State niet overtuigd zou zijn van het hoogteverschil bij de aansluiting op de Diestesesteenweg, stelt de eerste verwerende partij voor een plaatsbezoek te bevelen. Voorts wijst de eerste verwerende partij erop dat trageweggebruikers die het noordelijke deel van voetweg nr. 116 verlaten veeleer geneigd zullen zijn op de straat Wijper naar links af te slaan en langs deze straat hun weg naar de Diestsesteenweg te vervolgen, in plaats van naar rechts af te slaan om het zuidelijke deel van voetweg nr. 116 te bereiken. Niet alleen de veiligheid van de gebruikers, maar ook het gebruiksgemak is een relevant criterium dat een gemeente mag, zo niet moet, gebruiken bij het nemen van beslissingen over gemeentewegen. 8.
- De eerste verwerende partij voegt er nog een verzoek aan toe om, voor zover de Raad van State van oordeel zou zijn dat het motief in verband met de veilige aansluiting op de Diestsesteenweg niet toereikend is – met substitutie van motieven – “het bewezen gebruiksgemak” als relevant en toereikend criterium in de plaats te stellen. 9.
- In haar memorie van antwoord voert de tweede verwerende partij de exceptio obscuri libelli aan. Volgens haar zet het verzoekschrift de wijze waarop de aangevoerde rechtsregels geschonden zouden zijn onvoldoende uiteen daar verzoeker er zich toe beperkt te beweren dat de bestreden beslissingen steunen op een onjuist motief. 9.
- Ten gronde benadrukt de tweede verwerende partij dat de beslissende overheden te dezen beschikken over een ruime discretionaire beoordelingsbevoegdheid. De opheffing van het zuidelijke deel van de voetweg nr. 116 steunt op meerdere motieven, zoals het feit dat het in 1957 verlegde tracé niet aansluit op het noordelijk deel en het gegeven dat het voor voetgangers en fietsers verkeersveiliger is om via de straat Wijper aan te sluiten op de Diestsesteenweg. Daarbij is het hoogteverschil aangewend ter motivering van de verkeersonveiligheid en de onwenselijkheid van de verbinding langs het zuidelijke deel van de voetweg nr.
- Ten onrechte maakt verzoeker abstractie van de X-18.434-8/12 mogelijkheid dat mindervalide wandelaars alsook fietsers van dit zuidelijke deel gebruik maken. De verwerende partijen hebben daar uitdrukkelijk wél rekening mee gehouden. Voorts beweert verzoeker dat de straat Wijper een onveilig alternatief zou uitmaken doordat aldaar gemotoriseerd verkeer mogelijk is. Zowel de eerste verwerende partij als de tweede verwerende partij zijn zich evenwel bewust van dit feit en betrekken dit ook in hun respectievelijke behandeling van het dossier. Het door verzoeker voorgestane tracé betreft een loodrechte aansluiting op de Diestsesteenweg, waardoor het voetgangers- en/of fietsverkeer geconfronteerd wordt met zeer slechte zichtbaarheden. Het ministerieel besluit van 10 april 2023 wordt gedragen door meerdere motieven die niet terug te brengen zijn tot een afschaffing wegens een hoogteverschil, aangezien zowel de ligging, de wenselijkheid, de toegankelijkheid en de noodzaak van het noordelijke tracégedeelte afgetoetst werden. Bovendien doet verzoeker niet meer dan de kritiek herhalen die hij ook reeds in zijn bezwaarschrift heeft opgeworpen.
- In haar laatste memorie stelt de eerste verwerende partij dat de afschaffing van het zuidelijke deel van voetweg nr. 116 hoofdzakelijk, maar niet uitsluitend, steunt op de noodzaak om de veiligheid van de trageweggebruikers te waarborgen. Het behoud van dit tracégedeelte zou moorddadig zijn gelet op de plaatsgesteldheid (niveauverschil, smalle strook die door alle weggebruikers moet worden gebruikt, aantakking op een gewestweg,…). Zij herhaalt haar voorstel om een plaatsbezoek te bevelen.
- In haar laatste memorie benadrukt de tweede verwerende partij dat de omstandigheid dat het gemeenteraadsbesluit van 15 december 2022 het hoogteverschil op de verkeerde plaats situeert geen afbreuk doet aan de deugdelijkheid van dat besluit, daar dit duidelijk een louter materiële misslag betreft. X-18.434-9/12 Beoordeling
- In het middel wordt op voldoende duidelijke wijze uiteengezet dat het motief inzake het hoogteverschil draagkracht mist, zodat de aangevoerde beginselen geschonden worden. De in randnummer 9.1 bedoelde exceptie wordt verworpen.
- Het materiëlemotiveringsbeginsel houdt in dat een besluit van het bestuur moet gedragen worden door rechtens verantwoorde motieven die kunnen blijken, hetzij uit het besluit zelf, hetzij uit de stukken van het dossier. Het zorgvuldigheidsbeginsel verplicht de overheid zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van een beslissing en ervoor te zorgen dat de juridische en feitelijke aspecten van het dossier deugdelijk worden geïnventariseerd en gecontroleerd, zodat de overheid met kennis van zaken kan beslissen. De beoordeling van opportuniteitskritiek behoort niet tot de bevoegdheid van de Raad van State, die een wettigheidsrechter is. In de uitoefening van zijn wettigheidscontrole mag de Raad van State zich niet in de plaats stellen van de overheid, die met betrekking tot het bepalen van het tracé van een gemeenteweg beschikt over een ruime discretionaire bevoegdheid. De Raad van State is als rechter van de wettigheid wel bevoegd om, desgevraagd, na te gaan of de overheid is uitgegaan van werkelijk bestaande en relevante feitelijke gegevens die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld, of zij die correct en met een zorgvuldige afweging heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen.
- Uit de gegevens van de zaak blijkt dat het motief inzake het hoogteverschil een determinerend motief is van de bestreden beslissingen. Dat ook andere elementen hebben meegespeeld, kan niet doen voorbijzien dat dit motief cruciaal is ter verantwoording van deze beslissingen. X-18.434-10/12
- Het motief inzake het hoogteverschil geeft er blijk van dat de opheffing van het zuidelijke deel van de voetweg nr. 116 gesteund is op de opvatting dat de Diestsesteenweg (aanzienlijk) lager zou liggen dan de straat Wijper, zodat trageweggebruikers die komende van deze straat via dit zuidelijk deel de grasstrook aan de noordkant van de Diestsesteenweg bereiken een hoge snelheid zullen hebben. In werkelijkheid blijkt evenwel dat de Diestsesteenweg hoger ligt dan de straat Wijper. Het motief inzake het hoogteverschil steunt dus op een onjuist feitelijk gegeven. Dit motief mist draagkracht, daar is uitgegaan van een niet werkelijk bestaand feitelijk gegeven.
- Het is niet nodig om in te gaan op het voorstel van de eerste verwerende partij om een plaatsbezoek te bevelen, al was het maar omdat het auditoraatsverslag terdege heeft vastgesteld dat de Diestsesteenweg ter plaatse hoger ligt dan de straat Wijper en de tweede verwerende partij in haar laatste memorie erkent dat het gemeenteraadsbesluit van 15 december 2022 het hoogteverschil op de verkeerde plaats situeert. Bovendien kan de Raad van State zich niet in de plaats stellen van de overheid, zodat het hem ook niet toekomt om “het bewezen gebruiksgemak” (randnr. 8.2) als motief te substitueren voor het motief inzake het hoogteverschil.
- Het middel is in de aangegeven mate gegrond. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt: - het besluit van de gemeenteraad van de stad Aarschot van 15 december 2022 ‘Gemeenteweg nr. 116 in Rillaar: definitief akkoord met voorstel tot gedeeltelijke opheffing’ en X-18.434-11/12 - het besluit van de Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken van 10 april 2023 ‘betreffende het beroep tegen het besluit van de gemeenteraad van de stad Aarschot van 15 december 2022 houdende het definitief akkoord tot de gedeeltelijke opheffing van gemeenteweg nr. 116 in Rillaar’.
- Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als de vernietigde besluiten.
- De verwerende partijen worden, elk voor de helft, verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zes juni tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Jan Clement, kamervoorzitter, Stephan De Taeye, staatsraad, David D’Hooghe, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Jan Clement X-18.434-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.520 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div