id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 juni 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.527 Rolnummer: A. 243506/VII-42709 Zaak: Arrest 263527 - Niet begeleide minderjarigen - 06/06/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-06-11 Raadplegingen: 93 - laatst gezien 2026-06-16 04:48 Fiche Arrest nr 263.527 van 6 juni 2025 Vreemdelingen - Niet begeleide minderjarigen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 263.527 van 6 juni 2025 in de zaak A. 243.506/VII-42.709 In zake : H.M. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gérald Gaspart kantoor houdend te 1060 Brussel Berckmansstraat 89 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ine De Cneudt kantoor houdend te 3054 Vaalbeek (Oud-Heverlee) Maurits Noëstraat 145 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Verzoekster dient met een enig verzoekschrift op 18 november 2024 een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring in van de beslissing van de Federale Overheidsdienst Justitie, dienst Voogdij, van 19 september 2024 waarbij wordt beslist verzoekster te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat verzoekster geen voogd zal krijgen. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. VII-42.709-1/8 Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld over het beroep tot nietigverklaring met toepassing van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’, en over de vordering tot schorsing met toepassing van artikel 12 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 mei 2025, om 14 uur. Kamervoorzitter Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Gérald Gaspart, die verschijnt voor verzoekster, en advocaat Filip Stouthuysen, die loco advocaat Ine De Cneudt verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Verzoekster komt België binnen en zij wordt op 2 september 2024 als niet-begeleide minderjarige vreemdeling aangemeld door de dienst Vreemdelingenzaken bij de dienst Voogdij. Zij heeft verklaard van Eritrese nationaliteit te zijn en geboren te zijn op 1 januari
- De dienst Vreemdelingenzaken uit twijfel over verzoeksters voorgehouden leeftijd. VII-42.709-2/8 In het Universitair Ziekenhuis Pellenberg te Leuven ondergaat verzoekster op 18 september 2024 een medisch onderzoek om na te gaan of zij al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. De arts besluit dat verzoekster “op datum van 18-09-2024 een leeftijd heeft van 21,7 jaar met een standaarddeviatie van 2 jaar”. Op 19 september 2024 beslist de dienst Voogdij verzoekster te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat verzoekster geen voogd zal krijgen. Dit is de bestreden beslissing. IV. Ambtshalve exceptie van niet-ontvankelijkheid – gebrek aan actueel belang
- Ter terechtzitting merkt de Raad van State op dat verzoekster bij het indienen van haar verzoek om internationale bescherming en op het ogenblik van het medisch onderzoek heeft verklaard geboren te zijn op 1 januari 2007 en dat zij deze datum ook in het enig verzoekschrift tot schorsing en nietigverklaring opgeeft als geboortedatum. De vraag wordt gesteld of verzoekster nog een actueel belang heeft bij de nietigverklaring van de bestreden beslissing vermits zij volgens haar eigen verklaringen de leeftijd van 18 jaar reeds heeft bereikt.
- Desgevraagd verklaart verzoekster nog over het vereiste belang te beschikken. Zij verwijst daartoe naar de impact van de bestreden beslissing op de behandeling van haar verzoek om internationale bescherming vermits de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich houdt aan de beslissing wat verzoeksters leeftijd betreft. Verzoekster wijst op de gevolgen van de bestreden beslissing voor de behandeling van haar verzoek om internationale bescherming vermits haar verklaringen over haar leeftijd als ongeloofwaardig zullen worden beschouwd in het kader van dat verzoek. Verzoekster benadrukt vooral de gevolgen van de leeftijdsbeslissing voor haar recht op gezinshereniging met haar ouders. VII-42.709-3/8
- Een nietigverklaring is een bijzondere vorm van rechtsherstel die erin bestaat de bestreden rechtshandeling retroactief uit het rechtsverkeer te doen verdwijnen, wat de overheid er in bepaalde gevallen toe moet, minstens kan, aanzetten om een nieuwe beslissing te nemen.
- Gelet op artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan het beroep tot nietigverklaring bedoeld bij artikel 14 van deze wet, voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State worden gebracht “door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een belang”. Die vereiste is erop gericht de rechtszekerheid te dienen en een goede rechtsbedeling te verzekeren (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, Moors). Een verzoeker beschikt over dit rechtens vereiste belang indien twee voorwaarden vervuld zijn: vooreerst dient hij door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel te lijden; voorts moet de eventueel tussen te komen nietigverklaring van die rechtshandeling hem een direct en persoonlijk voordeel verschaffen, hoe miniem ook (RvS (A.V.) 15 januari 2019, nr. 243.406, Van Dooren). Het belang moet niet alleen bestaan bij het instellen van het beroep maar moet voortduren tot aan de sluiting van het debat (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, Moors). Het staat aan de Raad van State te oordelen of de verzoekende partij die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij haar beroep. De Raad van State dient er over te waken dat het belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast (GwH 30 september 2010, nr. 109/2010, punt 4.3; EHRM 17 juli 2018, Vermeulen t. België, punten 42 e.v.). VII-42.709-4/8
- Om als toereikend te worden beschouwd, moet het belang onder meer rechtstreeks zijn en verzoekster een voordeel verschaffen dat voldoende direct verband houdt met de finaliteit van een nietigverklaring, namelijk het doen verdwijnen van de bestreden rechtshandeling uit de rechtsorde. Onvoldoende om een nietigverklaring van de bestreden beslissing te kunnen verkrijgen, is dan ook het belang van een verzoeker dat in de loop van de annulatieprocedure is geëvolueerd naar nog uitsluitend een belang bij het onwettig horen verklaren van die beslissing om de toekenning van een schadevergoeding – door de rechtbanken van de rechterlijke orde, die daartoe zelf de eventuele fout van de overheid kunnen vaststellen – te vergemakkelijken. Dit kan van aard zijn bezwaren op te roepen in het geval waarin de omstandigheden waaruit het verlies van het belang van de verzoekende partij voortvloeit haar niet kunnen worden aangerekend, en verzoekster om die reden de gevorderde nietigverklaring afgewezen ziet worden én geen onderzoek geniet van de middelen die zij aanvoerde (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, Moors).
- Volgens artikel 5 van Titel XIII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet (I) van 24 december 2002, is de voogdijregeling over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen van toepassing op elke persoon “van minder dan achttien jaar oud”. Het niet bereikt hebben van de leeftijd van 18 jaar is bijgevolg beslissend om onder de toepassing van de wetgeving op de voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen te vallen en om dus onder de hoede van de dienst Voogdij of van een voogd te worden geplaatst. Na een eventuele nietigverklaring van de bestreden beslissing zal de dienst Voogdij enkel kunnen vaststellen dat verzoekster ook op basis van de door haarzelf verstrekte gegevens de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt.
- De bestreden beslissing houdt louter een schatting in van verzoeksters leeftijd om na te gaan of zij al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt en zij dus al dan niet in aanmerking komt voor de bescherming die is VII-42.709-5/8 voorzien voor een niet-begeleide minderjarige vreemdeling. Ze vormt geen leeftijdsbepaling noch maakt ze deel uit van het onderzoek van het verzoek om internationale bescherming. Indien de bestreden beslissing ertoe zou leiden dat in een beslissing omtrent het verzoek om internationale bescherming verzoeksters verklaarde leeftijd niet wordt aanvaard en dit zou worden beschouwd als een tegenindicatie voor de algemene geloofwaardigheid van het asielrelaas, kan verzoekster daartegen alsnog de rechtsmiddelen uitputten waarover zij beschikt, met de mogelijkheid van een beroep met hervormingsbevoegdheid bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en van een cassatieberoep bij de Raad van State tegen de arresten van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
- Verzoekster wijst op het in artikel 10, § 1, 7°, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ vervatte recht op gezinshereniging met “de ouders van een vreemdeling die erkend werd als vluchteling in de zin van artikel 48/3 of die de subsidiaire bescherming geniet, voor zover zij met hem komen samenleven en op voorwaarde dat hij jonger is dan achttien jaar en het Rijk binnengekomen is zonder begeleiding van een krachtens de wet verantwoordelijke meerderjarige vreemdeling en vervolgens niet daadwerkelijk onder de hoede van een dergelijke persoon gestaan heeft, of zonder begeleiding werd achtergelaten nadat hij het Rijk is binnengekomen”. Door de leeftijdsbeslissing zou zij niet in aanmerking komen voor deze gunstige regeling. Opnieuw moet het karakter van de bestreden beslissing worden benadrukt, niet als leeftijdsbepaling maar slechts als leeftijdsschatting om na te gaan of verzoekster al dan niet in aanmerking komt voor de bescherming die is voorzien voor een niet-begeleide minderjarige vreemdeling.
- De vernietiging van de bestreden beslissing verschaft verzoekster te dezen geen bijkomend direct en persoonlijk voordeel, hoe miniem VII-42.709-6/8 ook, minstens toont verzoekster dit niet aan. Er blijkt ook niet dat verzoekster tot op het ogenblik van het sluiten van het debat een vordering tot schadevergoeding tot herstel heeft ingediend overeenkomstig artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Aangezien verzoeksters gebeurlijk belang bij het voortzetten van de procedure niet is te onderscheiden van het belang bij het onwettig horen verklaren van de bestreden beslissing om de toekenning van een schadevergoeding – door de rechtbanken van de rechterlijke orde, die daartoe zelf de eventuele fout van de overheid kunnen vaststellen – te vergemakkelijken, beschikt verzoekster niet langer over het vereiste belang om de voortzetting van de vernietigingsprocedure bij de Raad van State te benaarstigen.
- Het beroep tot nietigverklaring is niet ontvankelijk. V. De vordering tot schorsing
- Deze zaak vereist slechts korte debatten zodat er grond is om toepassing te maken van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Er is bijgevolg geen grond meer om de vordering tot schorsing verder te onderzoeken. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep tot nietigverklaring.
- De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing. VII-42.709-7/8
- Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 154 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zes juni tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter bijgestaan door Bryan Geerts, toegevoegd griffier. De griffier De voorzitter Bryan Geerts Carlo Adams VII-42.709-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.527 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div