id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 juni 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.549 Rolnummer: A. 244889/XIV-39805 Zaak: Arrest 263549 - Overheidsopdrachten - 10/06/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-06-13 Raadplegingen: 90 - laatst gezien 2026-06-16 03:34 Fiche Arrest nr 263.549 van 10 juni 2025 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Afstand Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 263.549 van 10 juni 2025 in de zaak A. 244.889/XIV-39.805 In zake: de BV D. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Katrijn Vermeulen en Brecht Lambrecht kantoor houdend te 9000 Gent Coupure 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de GEMEENTE GRIMBERGEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Johan Geerts kantoor houdend te 2140 Antwerpen Turnhoutsebaan 139A bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 20 mei 2025, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de gemeente Grimbergen van 28 april 2025 om de opdracht ‘Raamovereenkomst voor het ontwerp en de realisatie van diverse onthardings- en vergroeningsprojecten in de gemeente Grimbergen voor een periode van 3 jaar’ te gunnen aan een derde en “aansluitend de beslissing tot niet-selectie van de verzoekende partij.” XIV-39.805-1/5 II. Verloop van de rechtspleging
- Bij beschikkingen van 21 en 28 mei 2025 werd, in samenspraak met het aangeduide lid van het auditoraat, de procedurekalender vastgesteld en werden de partijen opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 juni
- Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Johan Geerts die verschijnt voor de verwerende partij is gehoord. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Afstand
- Bij brief van 27 mei 2025 deelt de verzoekende partij de Raad van State mee dat zij afstand doet van het geding. IV. Kosten Uiteenzetting van het standpunt van de verzoekende partij
- De verzoekende partij verzoekt in haar brief van 27 mei 2025 waarin zij afstand van het geding doet, om “geen kosten ten laste te leggen”, omdat er volgens haar door deze afstand geen “in het ongelijk gestelde partij [is] daar er XIV-39.805-2/5 geen eindvonnis wordt geveld.” Zij vraagt daarom de terugbetaling van de voorgeschoten kosten. Beoordeling
- Op grond van artikel 70, § 1, 2°, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuurs- rechtspraak van de Raad van State’ (hierna: de algemene procedureregeling) geeft de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, aanleiding tot de betaling van een rolrecht van 200 euro. Luidens artikel 66, 6°, van de algemene procedureregeling geeft de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid voor de Raad van State ook aanleiding tot het kwijten van de bijdrage bedoeld in artikel 4, § 4, van de wet van 19 maart 2017 ‘tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand.’ Voorts bepaalt artikel 68, derde lid, van de algemene procedureregeling dat de Raad van State de kosten begroot en uitspraak doet over de bijdrage in de betaling ervan. Op grond van artikel 68, vijfde lid, van datzelfde besluit, wordt hierbij “in ieder geval […] het geheel van de kosten […] ten laste gelegd van de partij die ten gronde in het ongelijk gesteld wordt”. Uit die bepalingen volgt dat de aard van de (ingediende) procedureakte bepaalt of er een recht en een bijdrage is verschuldigd en niet het (navolgende) eindoordeel van het geding in het eindarrest over het ingeleide geschil. In de mate dat de verzoekende partij uitgaat van een andere rechtsopvatting faalt die derhalve in rechte. De door de verzoekende partij ingeleide vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid is een procedureakte die aan het rolrecht en de bijdrage is onderworpen. De Raad van State moet derhalve in het voorliggende eindarrest uitspraak doen over die kosten, die begroten en de bijdrage in de betaling XIV-39.805-3/5 ervan bepalen. Deze moeten “in ieder geval” worden ten laste gelegd van de partij die in het (voorliggende) eindarrest “ten gronde in het ongelijk gesteld wordt.” Hieruit volgt dat er ook in het voorliggende geding een partij moet worden aangewezen als de die welke “ten gronde” in het ongelijk wordt gesteld. Bedoeld wordt te dezen de partij die ten oorzaak ligt dat het proces zijn zin heeft verloren. Door de afstand van geding heeft de verzoekende partij op onbetwistbare wijze zelf bewerkstelligd dat de door haar ingeleide vordering voortijdig is beëindigd. Hieruit volgt dat zij om redenen die haar eigen zijn, in wezen van oordeel is dat het voortzetten van de door haar ingeleide vordering geen zin (meer) heeft. Behoudens tegenindicaties die niet worden aangevoerd – de verzoekende partij was overigens ter zake niet aanwezig noch vertegenwoordigd op de terechtzitting – volstaat dit derhalve om te besluiten dat ingevolge de afstand, de verzoekende partij moet worden beschouwd als de partij die ten gronde in het ongelijk werd gesteld in de zin van het voornoemde artikel 68, vijfde lid. De kosten zoals begroot in het dictum, moeten derhalve haar ten laste worden gelegd. BESLISSING
- De Raad van State verleent akte van de afstand.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 26 euro. XIV-39.805-4/5 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op tien juni tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-39.805-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.549 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.