id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 juni 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.584 Rolnummer: A. 241720/XIV-39502 Zaak: Arrest 263584 - Overheidsopdrachten - 12/06/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-06-18 Raadplegingen: 86 - laatst gezien 2026-06-13 05:55 Fiche Arrest nr 263.584 van 12 juni 2025 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 263.584 van 12 juni 2025 in de zaak A. 241.720/XIV-39.502 In zake : de BV P. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joost Bosquet kantoor houdend te 2650 Edegem Mechelsesteenweg 326 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van sociale zaken en volksgezondheid bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Franky De Mil kantoor houdend te 9000 Gent Voskenslaan 34 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 18 april 2024, strekt tot de nietigverklaring van “de gemotiveerde beslissing van 22 februari 2024 van de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu om af te zien [van] het gunnen of het sluiten van de opdracht voor de uitvoering van de follow- up van een wetenschappelijke evaluatie met betrekking tot de implementatie van het concept Medical First Responder”. De verzoekende partij vordert in haar verzoekschrift eveneens een schadevergoeding tot herstel. XIV-39.502-1/17 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Adjunct-auditeur Anke Meskens heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 maart
- Staatsraad Patricia De Somere heeft verslag uitgebracht. Advocaat Julie Philtjens, die loco advocaat Joost Bosquet verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Karo De Paepe, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Adjunct-auditeur Anke Meskens heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verwerende partij heeft een openbare procedure uitgeschreven voor de overheidsopdracht voor diensten met als voorwerp XIV-39.502-2/17 ‘Uitvoering van de follow-up van een wetenschappelijke evaluatie met betrekking tot de implementatie van het concept Medical First Responder’. In punt 11.1.2 ‘Kwalitatieve selectie’ van het bestek dat op de opdracht van toepassing is, worden de volgende selectiecriteria opgenomen: “[…] 11.1.2.
- Selectiecriteria inzake de technische bekwaamheid van de inschrijvers […] * Tweede criterium inzake de technische bekwaamheid van de inschrijvers De inschrijver moet beschikken over een referentie voor elk van de volgende studies, die werden uitgevoerd tijdens de laatste drie jaren: - Wetenschappelijke studies over dringende geneeskundige hulpverlening. - Wetenschappelijke studies over de Medical First Responder. De inschrijver voegt als ondersteunend document een referentie toe met de belangrijkste diensten die gedurende de afgelopen drie jaar werden verricht, met vermelding van het bedrag (minimum 100.000 euro incl. BTW per referentie) en de datum en de publiek- of privaatrechtelijke instanties waarvoor ze bestemd waren. [….].” 3.
- Op 11 december 2023 beslist de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu de verzoekende partij niet te selecteren, en de opdracht te gunnen aan de KU Leuven Research & Development. Bij arrest nr. 258.619 van 26 januari 2024 (ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.619) schorst de Raad van State de beslissing in haar tenuitvoerlegging. De Raad van State overweegt onder meer wat volgt: “
- Zoals weergegeven sub 3.2, moet luidens het bestek de inschrijver beschikken ‘over een referentie voor elk van de volgende studies, die werden uitgevoerd tijdens de laatste drie jaren: - Wetenschappelijke studies over dringende geneeskundige hulpverlening. - Wetenschappelijke studies over de Medical First Responder.’ Uit deze omschrijving kan op het eerste gezicht niet worden afgeleid, zoals de verwerende partij thans doet in haar nota, dat ‘er twee referenties […], namelijk één voor elk van beide wetenschappelijke studies’ moeten worden voorgelegd. Minstens lijkt met de verzoekende partij op het eerste gezicht te moeten worden vastgesteld dat deze bestekbepaling onduidelijk is, en in de bestreden beslissing lijkt te worden aangenomen dat één referentie voor de beide XIV-39.502-3/17 studies kan volstaan, op voorwaarde dat die nuttig kan worden ingeroepen zowel voor de wetenschappelijke studies over dringende geneeskundige hulpverlening als voor de wetenschappelijke studies over de Medical First Responder.
- Uit de offerte van de verzoekende partij blijkt dat zij in totaal vier referenties heeft voorgelegd. Dat twee daarvan, namelijk de opdracht met betrekking tot de ‘triagesoftware 112-noodcentrales’ en de opdracht voor medische expertise voor B-Fast, niet voldoen, betwist de verzoekende partij niet. Daarnaast legt de verzoekende partij twee andere referenties voor, namelijk ‘Proefproject EVapp Hoogstraten’, in opdracht van de FOD Volksgezondheid, Nationale Raad voor Dringende Geneeskundige Hulpverlening, en ‘Wetenschappelijke onderzoekslijn burgerhulpverlening’, in opdracht van de vzw EVapp. In de bestreden beslissing lijkt de verwerende partij deze twee referenties als één referentie te beschouwen, waar wordt verwezen naar ‘de referentie van het EVapp project’. De verzoekende partij stelt op het eerste gezicht terecht dat het motief in de bestreden beslissing, dat deze referentie weliswaar relevant maar onvoldoende is want ‘enkel beperkt tot hartstilstand’, niet deugdelijk is. Het bestek lijkt immers geen vereisten op te leggen aangaande de deeldomeinen die de wetenschappelijke studie over dringende geneeskundige hulpverlening dient te bevatten. De verzoekende partij lijkt daarbij bovendien op het eerste gezicht terecht te wijzen op het voorwerp van de opdracht dat, blijkens punt 7 van het bestek, in concreto is gericht op de haalbaarheid van een Medical-First-Respondersysteem ‘bij een oproep naar de 112-centrale met aanwijzingen voor een hartstilstand’, en aldus is gesitueerd binnen dit specifiek deeldomein van dringende medische hulpverlening. Door het betrokken selectiecriterium zo in te vullen dat de ervaring een bepaald niveau moet bereiken, heeft de verwerende partij op het eerste gezicht in strijd met haar eigen bestek gehandeld en zodoende het beginsel patere legem quam ipse fecisti geschonden.” 3.
- Na kennisneming van het schorsingsarrest beslist de verwerende partij op 19 februari 2024 om haar gunningsbeslissing in te trekken, en om de plaatsingsprocedure stop te zetten, op grond van de volgende motivering: “
- Juridische en feitelijke motieven om af te zien van de gunning of de sluiting van de opdracht In haar arrest beveelt van de Raad van State de schorsing van de gemotiveerde gunningsbeslissing van 11 december
- Om de opmerkingen van de Raad van State over het betrokken selectiecriteria uit het bestek ten gronde te kunnen aanpakken, dient een ander lastenboek opgesteld te worden en dus een andere procedure opgestart te worden. Daarom wordt beslist om de huidige procedure niet te gunnen en stop te zetten.” XIV-39.502-4/17 Dit is de bestreden beslissing. IV. Vertrouwelijke stukken
- De verzoekende partij vraagt in de memorie van wederantwoord om de vertrouwelijke behandeling van haar ingediende offerte die zij bijkomend heeft neergelegd, waarbij zij de redenen opgeeft waarom zij om die vertrouwelijke behandeling vraagt. Er zijn geen gronden aangevoerd door de verwerende partij om het vertrouwelijk karakter van dit stuk te lichten. De Raad van State mag overigens dit stuk in zijn beoordeling betrekken. V. Regelmatigheid van de rechtspleging
- Met een brief van 4 april 2025 stelt de verzoekende partij “[i]n navolging van de zitting d.d. 12 maart 2025” de Raad van State in kennis van “bijkomende ontwikkelingen in onderhavige zaak”, namelijk een artikel van de KULeuven gepubliceerd op haar website, met een laatste update op 31 maart 2025, waaruit zou blijken dat de verwerende partij de KULeuven om een adviesrapport heeft gevraagd betreffende een onderzoek met eenzelfde voorwerp en inhoud als de in het geding zijnde overheidsopdracht. De verwerende partij antwoordt hierop met een brief van 15 april 2025 en de verzoekende partij repliceert nog met een brief van 28 april 2025, waarin zij stelt dat “een overlegging van de bestuursdocumenten die betrekking hebben op afspraken en communicatie tussen de Belgische Staat en KULeuven vóór zowel als na de stopzettingsbeslissing de kern van het geschil raakt, namelijk de rechtmatigheid van de ingeroepen motieven van de stopzettingsbeslissing”. XIV-39.502-5/17
- De voornoemde brieven dateren van na de terechtzitting waarop het debat werd gesloten. Door het sluiten van het debat wordt een einde gemaakt aan de behandeling van de zaak door de partijen. De verzoekende partij vraagt niet de heropening van het debat doch gedraagt zich, inzake de beoordeling of deze nieuwe feiten een heropening van het debat rechtvaardigen, naar de wijsheid van de Raad van State. Er is geen reden om het debat ambtshalve te heropenen. De voornoemde brieven van de verzoekende partij laten zich immers begrijpen als een verzoek tot informeren van de Raad van State, in navolging van wat de verzoekende partij reeds had uiteengezet ter zitting. Voorts blijkt uit wat hierna volgt (zie infra, nr. 16) dat de in die brieven vervatte gegevens niet van overwegend belang zijn, in die zin dat ze geen feiten of gegevens bevatten van wezenlijke, fundamentele en beslissende aard in die mate dat ze de uitspraak kunnen beïnvloeden. Zoals hierna zal blijken, relateren zij aan feiten die zich voordeden na de bestreden beslissing, hetgeen geen invloed kan hebben op de beoordeling van de wettigheid van de bestreden beslissing.
- Er is geen reden om het debat te heropenen. De brieven van de verzoekende partij van 4 en 28 april 2025 alsook de brief van de verwerende partij van 15 april 2025 worden ambtshalve uit het debat geweerd. VI. Onderzoek van het enig middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoekende partij voert de schending aan van artikel 85 van de wet van 17 juni 2016 ‘inzake overheidsopdrachten’ (hierna: de wet van 17 juni 2016), van het gelijkheidsbeginsel inzake overheidsopdrachten zoals neergelegd in XIV-39.502-6/17 artikel 4 van de wet van 17 juni 2016, en het eruit voortvloeiende verbod op willekeur, van artikel 4, eerste lid, 9°, en artikel 5, 10°, van de wet van 17 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies’ (hierna: de wet van 17 juni 2013), en van de materiëlemotiveringsplicht. Zij acht deze bepalingen en beginselen geschonden: “Doordat, de bestreden beslissing besluit om de opdracht niet te gunnen en de lopende gunningsprocedure stopt te zetten, waarbij deze beslissing gesteund wordt op het motief dat het noodzakelijk is om een ander lastenboek op te stellen en een andere plaatsingsprocedure op te starten gelet op de opmerkingen van Uw Raad over het betrokken selectiecriterium uit het bestek, waarbij het betrokken selectiecriterium ten gronde zou moeten worden aangepakt. Terwijl, artikel 85 [van de wet van 17 juni 2016] voorschrijft dat er in hoofde van de aanbestedende entiteit geen verplichting bestaat tot het gunnen of het sluiten van een overheidsopdracht en de aanbestede entiteit kan afzien van het gunnen of het sluiten van de opdracht zowel als de opdracht te herbeginnen. Dat het gelijkheidsbeginsel en het verbod op willekeur zich verzetten tegen het gebruik van de aanbestedende overheid haar discretionaire beoordelingsbevoegdheid op een dusdanige wijze dat de beslissing niet is ingegeven door het algemeen belang en objectieve dan wel wettige motieven ontbreken. Dat artikel 4, 1ste lid, 9° van de [wet van 17 juni 2013] vereist dat een beslissing tot stopzetting moet worden gemotiveerd. Dat artikel 5, 10° van de [wet van 17 juni 2013] voorschrijft dat de feitelijke en juridische motieven die aan de basis liggen van de genomen beslissing tot het niet gunnen moeten worden opgenomen in de beslissingen. Dat het beginsel van de materiële motiveringsverplichting vereist dat de beslissing genomen wordt in het kader van het algemeen belang en gedragen moet worden door motieven die in rechte en in feite aanvaardbaar zijn, waarbij deze motieven pertinent en duidelijk moeten zijn. Zodat, de bestreden beslissing die zich steunt op het schorsingsarrest van Uw Raad van 26 januari 2024 als enige motief om over te gaan tot het afzien van de gunningsprocedure, hoewel in voormeld arrest geen gebrek werd vastgesteld dat van dien aard was dat de wettigheid van het betrokken selectiecriterium en het bestek in het gedrang kwam, de in het middel aangehaalde wettelijke bepalingen en beginselen schendt.” XIV-39.502-7/17 Na de aangevoerde bepalingen en beginselen te hebben toegelicht, stelt de verzoekende partij dat in het voornoemd schorsingsarrest geen tegenstrijdigheden in het bestek naar voor zijn gebracht waardoor een stopzetting zich opdrong. In het schorsingsarrest wordt overwogen dat op basis van de kwestieuze bestekbepaling niet kan worden afgeleid – in tegenstelling tot het standpunt van de verwerende partij – dat er twee referenties, namelijk één voor elke van beide wetenschappelijke studies, moeten worden voorgelegd, minstens zou de bestekbepaling onduidelijk zijn, doch dit is volgens de verzoekende partij niet het geval. Zoals in het schorsingsarrest ook is opgemerkt, wordt in de gemotiveerde gunningsbeslissing immers aangenomen dat één referentie voor beide studies kan volstaan, op voorwaarde dat die nuttig kan worden ingeroepen zowel voor de wetenschappelijke studies over dringende geneeskundige hulpverlening als voor de wetenschappelijke studie over de ‘Medical First Responder’. Zij vervolgt dat de verwerende partij (in het arrest) de noodzaak leest om de opmerkingen van de Raad van State aan te pakken zodat dezelfde beslissing of dezelfde (tot nu foutief bevonden) interpretatie van het selectiecriterium kan worden aangehouden bij de gunning van de opdracht. Nergens blijkt echter dat de noden van het bestuur binnen de opdracht dit zouden vereisen, en een deugdelijke selectie dan wel een verbreding van de mededinging dergelijke aanpassing zou vereisen. De verwerende partij kan het schorsingsarrest maar hanteren als deugdelijk motief indien het arrest van dien aard is dat er wordt vastgesteld dat de plaatsingsprocedure fundamenteel is aangetast zoals de vaststelling dat het opgestelde bestek (of bepaalde bestekbepalingen) onwettig zijn of niet meer beantwoorden aan de noden van de aanbestedende dienst die zij ab initio met deze opdracht beoogde. Dit is echter in deze niet het geval aangezien de Raad van State de draagwijdte van de selectiecriteria en de voor te leggen referenties volgens het huidig bestek heeft gehanteerd in rechte, waardoor kan worden vastgesteld dat de verzoekende partij voldeed aan de eisen. Volgens de verzoekende partij mag de bestreden stopzettingsbeslissing niet zijn ingegeven XIV-39.502-8/17 door motieven die lijken te berusten op een gewijzigde interpretatie van een bestekbepaling, wat te dezen neerkomt op een verstrenging van de selectiecriteria. De verzoekende partij besluit dan ook dat de bestreden beslissing onvoldoende en ondeugdelijk is gemotiveerd. De motivering laat niet toe te begrijpen waarom de eisen van het bestek niet meer aan de behoeften van de verwerende partij zouden beantwoorden of waarom aanpassing nodig zou zijn opdat specifieke inschrijvers kunnen worden geselecteerd die als enige de behoefte van verwerende partij zouden kunnen invullen.
- In de memorie van wederantwoord stelt de verzoekende partij dat de verwerende partij, zoals blijkt uit de memorie van antwoord, beoogt de selectiecriteria aan te passen om het aantal voor te leggen referenties te vermeerderen én een nieuw prestatieniveau op te nemen, omdat haar wens daaromtrent onvoldoende in het bestek zou zijn veruitwendigd. Volgens de verzoekende partij heeft de Raad van State in het voornoemd schorsingsarrest evenwel niet vastgesteld dat er sprake was van de noodzaak om verbeteringen of wijzingen aan het bestek aan te brengen omdat de onduidelijkheden van dien aard zouden zijn dat de vergelijkbaarheid van de offertes in het gedrang worden gebracht. Daarentegen heeft de Raad vastgesteld dat de verwerende partij het patere legem quam ipse fecisti-beginsel schendt en er sprake is van een onzorgvuldige beoordeling van het aantal voorgelegde referenties waardoor de gekozen inschrijver een discriminerend voordeel verkrijgt. De verwerende partij heeft dan ook een ondeugdelijk motief gehanteerd met als verdoken achterliggende bedoeling de laagste regelmatige inschrijver in de plaatsingsprocedure niet te moeten kiezen. De voorgenomen wijziging van het betreffende selectiecriterium zou volgens de verzoekende partij betekenen dat een referentie inzake de medische dringende hulpverlening met uitsluiting van het voorwerp van de voorliggende opdracht dient te worden voorgelegd. Volgens haar is een dergelijk selectiecriterium niet pertinent, noch proportioneel en om die reden onwettig. Ook XIV-39.502-9/17 van een verruiming van de mededinging is met een dergelijke wijziging geen sprake, wel integendeel. Volgens de verzoekende partij is een wijziging van het prestatieniveau maar mogelijk wanneer de aanbestedende overheid kan aantonen dat haar behoeften naderhand zijn gewijzigd. De noodzaak om het bestek te verbeteren kan volgens de verzoekende partij enkel een deugdelijk motief vormen wanneer blijkt dat de onduidelijkheden van dien aard zijn dat de vergelijking van de offertes in het gedrang komt, wat te dezen niet blijkt. Een in concreto-analyse had de verwerende partij kunnen toelaten na te gaan of er sprake is van een verschil in interpretatie van het kwestieuze tweede selectiecriterium door de beide inschrijvers en of dit leidt tot concurrentievervalsing, doch deze analyse ligt niet voor. De verzoekende partij zet uitvoerig uiteen waarom zij volgens haar wel degelijk had moeten worden geselecteerd in geval van voortzetting van de plaatsingsprocedure. De verwerende partij kan dan ook niet worden bijgevallen waar zij in haar memorie van antwoord betoogt dat er te dezen een noodzaak bestaat om de plaatsingsprocedure stop te zetten. Minstens is de gegeven motivering dat de opdracht niet wordt gegund “om de opmerkingen van de Raad van State over het betrokken selectiecriterium ten gronde te kunnen aanpakken” onvoldoende concreet om de verzoekende partij toe te laten hierop verweer te bieden, zodat de formelemotiveringsplicht is geschonden.
- De verzoekende partij benadrukt in haar laatste memorie dat de verwerende partij de procedure weliswaar kan stopzetten ook om andere redenen dan opgenomen in het schorsingsarrest, maar dat indien zij het schorsingsarrest als enige motief daartoe aangrijpt, dit motief de beslissing tot stopzetting moet kunnen dragen en pertinent moet zijn. Voorts rust volgens haar een strengere formelemotiveringsplicht op de verwerende partij om de stopzetting te verantwoorden, gelet op de omstandigheid dat de verwerende partij zich (post factum) beroept op haar wens XIV-39.502-10/17 om twee afzonderlijke referenties te ontvangen voor het tweede selectiecriterium inzake de technische bekwaamheid, terwijl de verzoekende partij bij haar offerte reeds vier referenties had voorgelegd waarvan twee referenties voldeden. De reden dat die wens van de verwerende partij niet tot uiting kwam in het bestek, is volgens de verzoekende partij een drogreden. De verzoekende partij herhaalt dat het wijzigen van het prestatieniveau zal zorgen voor een verstrenging van het desbetreffende selectiecriterium. Uit de initiële gunningsbeslissing blijkt dat de offerte van de verzoekende partij in dat geval onregelmatig zou worden verklaard. De verzoekende partij analyseert nogmaals de bewoordingen van het schorsingsarrest van 26 januari 2024, en besluit dat in het arrest geen sprake is van een expliciete vaststelling van een onduidelijkheid van de bestekbepaling. Voor zover zou worden aanvaard dat een loutere verwijzing naar het schorsingsarrest voldoende zou zijn om het prestatieniveau van een geldig selectiecriterium te wijzigen, stelt de verzoekende partij dat volgens rechtspraak van de Raad van State de aanbestedende overheid daarbij concreet dient aan te geven waarom de ingediende offertes tekort schieten in het licht van de behoefte van de aanbestedende overheid en hoe dit te wijten is aan het betrokken criterium. Volgens de verzoekende partij dient ook rekening te worden gehouden met de specifieke context van de opdracht, namelijk een follow-up van een eerste studie betreffende de implementatie van het concept ‘Medical First Responder’, zodat het voorwerp van de voorliggende overheidsopdracht aldus niet zonder meer kan worden gewijzigd bij herlancering, terwijl noch uit het voormelde schorsingsarrest, noch uit de stopzettingsbeslissing blijkt dat er een wens zou zijn tot wijziging van het voorwerp om beter aan te sluiten bij de behoeften van de aanbesteder. Beoordeling
- Overeenkomstig artikel 85, eerste lid, van de wet van 17 juni 2016 houdt het opstarten van een gunningsprocedure geen verplichting in tot het gunnen of het sluiten van de opdracht. De aanbestedende overheid kan zowel afzien XIV-39.502-11/17 van het gunnen of het sluiten van de opdracht, als de procedure herbeginnen, desnoods op een andere wijze. De wetgever heeft de uitoefening van de door artikel 85 van de wet van 17 juni 2016 verleende mogelijkheid om een gunningsprocedure te beëindigen niet afhankelijk gesteld van de naleving van enige voorwaarde ten aanzien van de wettigheid of regelmatigheid van de voorafgaande fasen van de procedure. De wetgever heeft aldus met deze bepaling een bijzondere regeling gecreëerd om de gunningsprocedure niet verder te zetten, ook al zou ze niet aangetast zijn door enige onregelmatigheid. De plaatsing van een overheidsopdracht strekt ertoe te voldoen aan de behoeften van de aanbestedende overheid. De aanbestedende overheid heeft bij de beoordeling of de lopende gunningsprocedure hieraan nog steeds voldoet, een discretionaire bevoegdheid. Het komt aan de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht niet toe om zelf die beoordeling te maken. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de aanbestedende overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen. Luidens de eveneens door de verzoekende partij geschonden geachte materiëlemotiveringsplicht moet iedere administratieve rechtshandeling steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Uit artikel 4, eerste lid, 9°, en artikel 5, 10°, van de wet van 17 juni 2013, waarvan de verzoekende partij eveneens de schending aanvoert, volgt dat de aanbestedende overheid een gemotiveerde beslissing opstelt wanneer deze afziet van het plaatsen van de opdracht en eventueel beslist een nieuwe plaatsingsprocedure uit te schrijven. XIV-39.502-12/17
- Het motief waarop de bestreden beslissing is gesteund, is weergegeven onder punt 3.
- hiervoor. Er wordt naar verwezen. De noodzaak van het aanbrengen van verbeteringen in het bestek, zoals te dezen, kan een gegronde reden zijn om te besluiten een opdracht niet te gunnen en de plaatsingsprocedure stop te zetten. De verzoekende partij betwist de deugdelijkheid van dit enig motief.
- De argumentatie van de verzoekende partij dat in het schorsingsarrest niet expliciet wordt gesteld dat het betreffend selectiecriterium onduidelijk zou zijn – in de zin dat er twee referenties, één voor elk van de beide wetenschappelijke studies zouden zijn vereist –, wordt niet bijgevallen. In het schorsingsarrest wordt immers overwogen dat dit uit de omschrijving in de betreffende bestekbepaling op het eerste gezicht niet kan worden afgeleid, minstens dat deze bestekbepaling onduidelijk is. De verzoekende partij wordt evenmin bijgevallen waar zij vervolgt dat een herbeoordeling van de ingediende referenties mogelijk zou zijn zonder aanpassing van het bestek (en waarbij zij alsdan zou zijn geselecteerd). Dit kan alvast niet uit het schorsingsarrest worden afgeleid. De verwijzing naar het schorsingsarrest, gelet op deze overwegingen in dit arrest, volstaat op zich reeds om het stopzettingsmotief te schragen dat een ander bestek dient te worden opgesteld om de opmerkingen van de Raad van State over het betrokken selectiecriterium ten gronde aan te pakken.
- Voor zover de verzoekende partij daarnaast uitvoerig kritiek voert op het nieuwe, door de verwerende partij nog te formuleren, selectiecriterium, in de zin dat de verwerende partij het prestatieniveau van het betreffend selectiecriterium zal verhogen, is haar kritiek voorbarig en gaat de verzoekende partij uit van veronderstellingen waarop de Raad van State niet kan vooruitlopen. XIV-39.502-13/17 Anders dan de verzoekende partij stelt, heeft de Raad van State in het voornoemd schorsingsarrest niet de draagwijdte van de selectiecriteria en de voor te leggen referenties volgens het initiële bestek “gehanteerd in rechte [waardoor] duidelijk kon worden vastgesteld dat de verzoekende partij voldeed aan de eisen”. Naast de voornoemde vaststelling dat het betrokken selectiecriterium minstens onduidelijk is wat het aantal voor te leggen referenties betreft, heeft de Raad van State in dat arrest geoordeeld, en dit op het eerste gezicht, dat de interpretatie en de toepassing die de verwerende partij in de initiële gunningsbeslissing heeft gemaakt van het betrokken selectiecriterium, niet strookt met de omschrijving ervan in het bestek. De verzoekende partij maakt niet aannemelijk dat de verwerende partij, door nu te oordelen dat de opmerkingen van de Raad van State een aanpassing aan het bestek noodzaken, zij haar beoordelingsruimte inzake het stopzetten van de lopende gunningsprocedure zou zijn te buiten gegaan. Die beoordelingsruimte ter zake is immers niet beperkt tot de beoordeling of, na lezing van het schorsingsarrest, de lopende gunningsprocedure nog verder doorgang kan vinden met het initiële bestek, maar impliceert ook dat de verwerende partij kan oordelen dat het bestek moet worden gewijzigd om haar behoeften van aanbestedende overheid beter tot uiting te brengen. Anders dan de verzoekende partij stelt, is daarbij niet vereist dat de Raad van State voordien onduidelijkheden in het bestek zou hebben vastgesteld die van die aard zijn dat de vergelijkbaarheid van de offertes in het gedrang wordt gebracht. Voor zover de verzoekende partij stelt dat op grond van het formele motief van de bestreden beslissing niet blijkt hoe de eisen van het initiële bestek niet (langer) zouden aansluiten bij de behoeften van de verwerende partij, stelt de Raad van State vast dat de in artikel 4, eerste lid, 9°, en artikel 5, 10°, van de wet van 17 juni 2013, vervatte motiveringsplicht niet zo ver strekt dat de stopzettingsbeslissing ook de motieven van de motieven moet bevatten. Overigens stelt de Raad van State vast dat de verzoekende partij een uitvoerige kritiek heeft XIV-39.502-14/17 kunnen formuleren tegen de uitgedrukte motivering, zodat zij er blijk van geeft dat zij wel degelijk weet waarom de verwerende partij het aangewezen heeft geacht om de lopende gunningsprocedure stop te zetten.
- Voor zover de verzoekende partij ter zitting nog stelt dat eenzelfde opdracht intussen onderhands zou zijn gegund aan dezelfde gekozen inschrijver, betreft dit een aangelegenheid die op zich (met terugwerkende kracht) de wettigheid van de bestreden beslissing niet kan aantasten. De beoordeling van de wettigheid van de bestreden beslissing gebeurt immers steeds ex tunc, zodat met argumenten en feiten die zich hebben voorgedaan na de bestreden beslissing geen rekening mag worden gehouden. Hieruit volgt dat dit argument niet tot de gegrondheid van het middel kan leiden.
- Wat de overige door de verzoekende partij geschonden geachte bepalingen en beginselen betreft, wordt er geen specifieke argumentatie opgebouwd, zodat deze grieven geacht moeten worden ofwel samen te vallen met wat hiervóór al is besproken, ofwel niet ontvankelijk te zijn.
- De verzoekende partij maakt, gelet op het voorgaande, niet aannemelijk dat de aanbestedende overheid, door op grond van het voornoemd motief te besluiten de lopende plaatsingsprocedure stop te zetten, zij de aangevoerde regelgeving en beginselen zou hebben geschonden. Het enig middel is niet gegrond. VII. Schadevergoeding tot herstel
- In haar verzoekschrift formuleert de verzoekende partij een verzoek om schadevergoeding tot herstel.
- Op grond van artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de Raad een schadevergoeding tot herstel toekennen indien de XIV-39.502-15/17 daarom verzoekende partij “een nadeel heeft geleden omwille van de onwettigheid van de akte, het reglement of de stilzwijgend afwijzende beslissing”. Artikel 25/3, § 3, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ bepaalt dat “[i]ndien geen onwettigheid wordt vastgesteld, […] het arrest dat de procedure tot nietigverklaring afsluit, eveneens het verzoek om schadevergoeding tot herstel af[wijst]”. Tot een vaststelling van een onwettigheid is de Raad van State in dit arrest, dat de procedure tot nietigverklaring afsluit, niet gekomen. Die vaststelling alleen volstaat reeds om het verzoek af te wijzen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De Raad van State verwerpt het verzoek tot schadevergoeding tot herstel.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
- Het onverschuldigd betaalde bedrag in verband met het verzoek tot schadevergoeding tot herstel, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro, dient aan de verzoekende partij te worden terugbetaald. XIV-39.502-16/17 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twaalf juni tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Patricia De Somere XIV-39.502-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.584 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.619 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div