id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 juni 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.586 Rolnummer: A. 241731/IX-10458 Zaak: Arrest 263586 - Wapens – exportvergunningen - 12/06/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-06-13 Raadplegingen: 93 - laatst gezien 2026-06-16 03:35 Fiche Arrest nr 263.586 van 12 juni 2025 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Wapens – exportvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.586 no lien 283780 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 263.586 van 12 juni 2025 in de zaak A. 241.731/IX-10.458 In zake : G.D. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Nico Demeyere kantoor houdend te 8531 Bavikhove Ter Coutere 7 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Chloé Vanden Eynde kantoor houdend te 1040 Brussel Legerlaan 10 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 19 april 2024, strekt tot de nietigverkla- ring van de beslissing van de minister van Justitie van 29 februari 2024 inzake het beroep van verzoeker tegen de beslissing van de gouverneur van de provincie Oost- Vlaanderen van 7 maart 2023. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld. IX-10.458-1/28 De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 april 2025. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Nico Demeyere, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Chloé Vanden Eynde, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eens- luidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoör- dineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoeker bezit verschillende geregistreerde en vergunde vuur- wapens. 3.2. Op 3 juni 2022 meldt de lokale politie Geraardsbergen-Lierde aan de wapendienst van de provincie Oost-Vlaanderen dat tijdens een huiszoeking bij verzoeker op 2 juni 2022 verschillende inbreuken op de wapenwetgeving zijn vastgesteld. IX-10.458-2/28 3.3. Op vraag van de provinciale wapendienst geeft de procureur des Konings op 10 oktober 2022 een advies over vuurwapenbezit door verzoeker, dat luidt: “Betrokkene heeft een blanco SR; Op 2 juni 2022 werd er evenwel bijstand gevraagd bij een zoeking door Agentschap Natuur en Bos. Daaruit bleken diverse inbreuken op de wapen- wetgeving: Er lagen wapens in de slaapkamer van betrokkene, zowel los in de kasten als in niet slotvaste koffers, 2 niet gehomologeerde alarmpistolen; ook in de berging lagen wapens niet correct opgeslagen. In het bureel en een kast in de gang werden grote aantallen munitie gevonden. Verder werden nog 2 geluidsdempers, een laser voor op een vuurwapen en een niet gehomolo- geerd alarmpistool gevonden. (OU.36.L4.3256/22 – nog in opsporingsonder- zoek). Op basis […] hiervan meent mijn ambt dan ook dat er aanwijzingen bestaan dat het voorhanden hebben van vuurwapens in hoofde van betrokkene een risico inhoudt voor de fysieke integriteit van betrokkene en/of anderen, als- ook voor de openbare orde en veiligheid… Deze feiten doen vrezen dat wa- penbezit in hoofde van betrokkene de openbare veiligheid, de openbare rust en gezondheid kunnen in het gedrang brengen.” 3.4. Op 7 maart 2023 trekt de gouverneur van de provincie Oost- Vlaanderen verzoekers wapenvergunningen en het recht tot voorhanden houden van vuurwapens in. 3.5. Verzoeker stelt op 9 maart 2023 een beroep in tegen die beslis- sing. 3.6. De lokale politie geeft op 3 april 2023 een gunstig advies waarin wordt overwogen: “Betrokkene heeft inspanningen gedaan om de ruimte waar de wapens zullen bewaard worden zo veilig mogelijk te maken, nieuwe sloten op de deur en een degelijke wapenkluis waar de wapens en munitie kunnen bewaard wor- den. Ook heeft hij een alarmsysteem geplaatst om deze ruimte nog extra te beveiligen.” 3.7. Op 2 juni 2023 handhaaft de procureur des Konings zijn eerder ongunstig advies, waarbij hij erop wijst dat verzoeker voor de op 2 juni 2022 IX-10.458-3/28 vastgestelde “diverse flagrante inbreuken op de wapenwetgeving” een minnelijke schikking van 1000 euro heeft betaald. 3.8. De minister van Justitie verwerpt op 29 februari 2024 het beroep van verzoeker. Dit is de bestreden beslissing, waarvan de motivering luidt: “Uit het bestuurlijk dossier blijkt dat bij u thuis enkele vaststellingen werden gedaan die ernstig verontrusten. Zo werd tijdens de zoeking op heterdaad op 2 juni 2022 (OU.36.L4.3256/22) vastgesteld dat wapens los liggen in kasten als in niet slotvast gemaakte kof- fers. Verder worden 2 niet-gehomologeerde alarmpistolen met munitie aan- getroffen. In de berging – die niet op slot kan als men de sleutel van het slot haalt – treft men allerlei wapens ‘in daartoe behorende zakken’. Men treft er ook 2 geluiddempers aan, een lasermiddel geschikt voor montage op een vuurwapen en een niet-gehomologeerd alarmwapen. Men treft tenslotte een groot aantal munitie in verschillende dozen aan in het bureel en in een kast in de gang. U spreekt niet alle vaststellingen tegen maar u geeft er wel een uitleg aan. Zo stelt u dat alle wapens in de slaapkamer wel degelijk in een slotvaste kof- fer zaten. Nochtans staat in het proces-verbaal duidelijk vermeld dat wapens ‘in niet slotvast gemaakte koffers’ lagen. Verder stelt u dat de wapenkluis vol zat waardoor de wapens die er niet meer bij konden in transportzakken lagen voorzien van trekkersloten. U vermeldt ook dat het pistool GP en de revolvers Smith&Wesson in een slotvaste koffer zaten. Hiermee betwist u niet het gegeven – zoals vermeld in het pv – dat wapens ‘in niet slotvast gemaakte koffers’ lagen. Het pv spreekt evenmin van trekkersloten. Verder stelt u dat ‘de meeste munitie’ lag opgeborgen in een ijzeren kast in een aparte kamer. In een kast in de gang stond een oude doos met munitie verkregen van de nonkel van uw echtgenote. Hiermee betwist u niet de vast- stelling dat een groot aantal munitie in verschillende dozen in het bureel werd aangetroffen, evenals munitie in een kast in de gang. Het gegeven dat de mu- nitie zich in een oude doos bevond gekregen van een nonkel van uw echtge- note is overbodig en biedt allerminst een rechtvaardiging voor de slordige bewaring ervan. U heeft meteen na de vaststellingen door de politiediensten het slot van de kamer waar de kluis staat vervangen zodat deze slotvast kan worden ge- maakt. Ook de kamer waar de munitie wordt bewaard, werd voorzien van een nieuw slot. Verder deed u vrijwillig afstand van de verboden wapens. Er zouden tevens enkele wapens worden verkocht zodat alles terug in de brand- kast past. De laser werd nog nooit gebruikt en betrof een verkeerde bestel- ling. Hij zat nog in het doosje. Het gegeven dat er verschillende verboden wapens werden gevonden, zoals twee geluiddempers en een laser voor op een vuurwapen, betwist u evenmin. Ook het bezit van de niet-gehomologeerde alarmwapens ontkent u niet. Voorts heeft de procureur des Konings er op gewezen dat dan wel een ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.586 IX-10.458-4/28 minnelijke schikking werd aangeboden, doch dat deze zogenaamde VSBG 1000 euro bedroeg omwille van ‘diverse flagrante inbreuken op de wapen- wetgeving’ zodat de gouverneur terecht overging tot de intrekking nu uit dit strafdossier blijkt dat wapenbezit in uw hoofde een risico inhoudt voor de fysieke integriteit van eenieder, alsook voor de openbare orde en veiligheid. Deze inbreuken op de wapenwetgeving – dewelke door u dus niet geheel worden ontkend doch wel worden gekaderd – wijzen er op dat vuurwapen- bezit in uw hoofde mogelijks een gevaar kan inhouden voor de openbare orde en veiligheid. U verkreeg voor deze inbreuken een minnelijke schikking en werd niet verder vervolgd en dientengevolge evenmin veroordeeld. In geval van een veroordeling voor dergelijke feiten zou u niet meer in staat zijn om nog een wapenvergunning te verkrijgen. Een aanvraag daartoe zou zelfs niet meer ten gronde worden onderzocht en zou op zich reeds onont- vankelijk zijn. Dergelijke inbreuken behoren immers tot de zogenaamde interdicerende mis- drijven die conform artikel 5, § 4, 2°,
- a)en
- f)juncto artikel 11, § 3, eerste lid, 2° en laatste lid van de wapenwet verhinderen dat een wapenvergunning kan worden afgeleverd. Het toont aan dat dergelijke inbreuken door de wetgever relevant worden geacht bij de beoordeling of iemand al dan niet geschikt is om vuurwapens voorhanden te houden zonder gevaar voor de openbare orde of veiligheid. Uit het plegen ervan blijkt als het ware een vermoeden van gevaar voor de openbare orde ingeval van vuurwapenbezit. In iemand die dergelijke feiten pleegt, waaruit een gebrek aan kennis en/of respect blijkt voor de wapenwetgeving, kan geen vertrouwen worden gesteld om vuurwapens voorhanden te houden. Immers, aangezien de wetgever in de gevallen geviseerd door artikel 11 van de wapenwet zelf heeft geoordeeld dat een veroordeling wegens inbreuken op de wapenwetgeving ertoe leidt dat de aanvrager niet in aanmerking komt voor een wapenvergunning, is het niet onredelijk dat uit een dergelijke ver- oordeling wordt afgeleid dat men niet doet blijken van het vereiste vertrou- wen dat in een houder van een vuurwapen moet kunnen worden gesteld. In casu betrof het dan wel geen veroordeling maar een minnelijke schikking. Desalniettemin worden de vaststellingen in het proces-verbaal door u niet ernstig of betekenisvol betwist. U geeft er dan wel een bepaalde uitleg aan, finaal blijkt uit uw verweerschriften dat u niet alle vaststellingen kan ont- krachten. Bovendien betreffen de feiten in casu inbreuken op de wapenwet- geving, hetgeen bij uitstek aantoont dat u het vertrouwen van de vergunning- verlenende overheid niet waardig bent. U verkreeg van de procureur des Konings de gunst van de minnelijke schik- king met toepassing van artikel 2l6bis van het wetboek van strafvordering. De procureur vond aldus dat er voldoende aanwijzingen waren van schuld doch verleende u deze gunst om proceseconomische redenen. In iemand die dergelijke inbreuken pleegt, kan geen vertrouwen worden ge- steld als wapenbezitter. De feiten zijn relevant op heden omdat ze – in het kader van het uitzonderlijk toestaan van particulier wapenbezit – bijzonder ernstig waren. Niet alleen trof men verschillende verboden wapens aan (twee geluiddempers en een laser voor een vuurwapen) en enkele onvergunde, niet- gehomologeerde alarmwapens, doch tevens stelde men vast dat de ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.586 IX-10.458-5/28 veiligheidsmaatregelen niet correct werden nageleefd. U zegt dan wel dat de wapens in slotvaste koffers zaten, de verbalisanten hebben evenwel vastge- steld dat dat niet het geval was. Het feit dat de munitie in een oude doos zat van een nonkel of dat de laser een verkeerde bestelling betrof, is irrelevante randinformatie die uw ernst als wapenbezitter des te meer in vraag stellen. De feiten zijn nog recent en dateren van nog geen twee jaar geleden. Er kan dan ook niet aan worden voorbijgegaan dat de ernst ervan de vergunningver- lenende overheid op heden nog steeds verontrust. Ze duiden immers op een ernstig gebrek aan respect voor de wapenwetgeving en op de afwezigheid van enige verantwoordelijkheidszin en van besef omtrent de gevaren van vuurwapenbezit. Aldus zijn er duidelijke indicaties dat het voorhanden hebben van vergun- ningplichtige vuurwapens (en de munitie ervoor) in uw hoofde een potentieel gevaar inhoudt voor de openbare orde en veiligheid. De wapenwet is er op gericht om misbruik van en ongelukken met wapens te voorkomen. Een in- trekking van uw recht om vuurwapens voorhanden te houden heeft dan ook niet tot doel om u te bestraffen, maar betreft daarentegen een preventieve maatregel genomen ter vrijwaring van de openbare orde en veiligheid. Uw advocaat is zich duidelijk bewust van de ernst van de gepleegde inbreu- ken en meent dat de loutere vaststellingen in het strafdossier inderdaad zou- den kunnen volstaan om een preventieve maatregel te rechtvaardigen. Hij meent echter ook dat het dan aan de bestuurlijke overheid toekomt om te motiveren waarom voor de ene of gene preventieve maatregel wordt geko- zen. Wat dat betreft is een intrekking van uw recht om vuurwapens voorhan- den te hebben volgens uw advocaat disproportioneel in het licht van de vast- gestelde feiten, waarvoor hij verwijst naar alle argumenten in het beroep, en wat wordt bevestigd in het gunstig moraliteitsverslag van de politie. Hij meent dan ook dat de bewering van het parket – dat wapenbezit een risico zou inhouden voor de fysieke integriteit van eenieder – absurd en uit de lucht gegrepen is omdat het niet is gesteund op de vaststellingen in het dossier. Volgens uw advocaat bent u geen geweldenaar en in de mate dat u wapens bewaarde in strijd met de rechtsregels dient te worden onderstreept dat alle wapens een trekkerslot hadden zodanig dat ongevallen uitgesloten waren. Verder zijn risico’s voor de openbare orde uitgesloten te meer aangezien u afstand heeft gedaan van bijna alle wapens. Aldus dient de preventieve maatregel zich volgens uw advocaat te beperken tot maximaal 1 jaar schorsing vanaf 7 maart 2023. Alhoewel het lange parcours dat u als jager reeds aflegde zonder gekende onregelmatigheden inderdaad in uw voordeel spreekt, moet ook vastgesteld worden dat er nog geen twee jaar zijn verstreken sinds de genoemde feiten en dat het niet maar ‘een stommiteit’ was. Uit de veelheid en diversiteit van de inbreuken blijkt toch dat er een probleem bestaat met uw moraliteit als wapenbezitter. Als jager dient u de wapenwetgeving te kennen en aldus te weten dat geluiddempers, laserpointers en niet-gehomologeerde alarmwa- pens niet voorhanden mogen worden gehouden. Er is geen sprake van een slordigheidje of van een vergetelheid, doch de verschillende inbreuken wij- zen op een duidelijk gebrek aan verantwoordelijkheidszin en respect voor de geldende rechtsregels. Gelet op het voorgaande zou het toekennen van het hoogst uitzonderlijke ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.586 IX-10.458-6/28 recht op wapenbezit te veel risico betekenen voor de openbare orde en vei- ligheid. De wapenwet heeft net tot doel om zulke inbreuken te voorkomen en vermij- den. Het toekennen van vuurwapenbezit aan bij uitstek iemand die dergelijke feiten al eens heeft gepleegd, zou dan ook ingaan tegen het preventieve uit- gangspunt van de wapenwet. Het feit dat de gepleegde feiten inbreuken zijn die werden opgenomen in ar- tikel 5, § 4, 2° van de wapenwet op basis waarvan een vergunningsaanvraag onontvankelijk wordt beschouwd, onderstreept het belang dat eraan moet worden gehecht en benadrukt de zwaarwichtigheid van dergelijke inbreuk in het kader van de wapenwet. Alhoewel het aanvaarden van een minnelijke schikking op zich geen schuld- bekentenis inhoudt, heeft u niet alle feiten betekenisvol ontkracht doch heeft u er een bepaalde uitleg aan gegeven. Aangezien het derhalve de bedoeling is van de wetgever om geen vergunningen toe te kennen aan personen die werden veroordeeld wegens inbreuken op de wapenwet, kan ten aanzien van iemand in wiens hoofde het duidelijk is dat hij dergelijke inbreuken heeft gepleegd tevens wapenbezit worden ontzegd ter vrijwaring van de openbare orde en veiligheid. Het beoordelen van het bij wijze van uitzondering toestaan van het voorhan- den hebben van vuurwapens voor het uitoefenen van een hobby zoals de jacht of het sportief en recreatief schieten dient te gebeuren met het preventief uit- gangspunt van de wapenwet indachtig. Vuurwapens zijn immers per definitie gevaarlijke objecten waarmee zeer voorzichtig dient te worden omgespron- gen. Ze brengen een zekere machtspositie met zich mee doordat ze implice- ren dat de houder ervan autonoom kan beslissen over het gebruik ervan. Eens toegestaan, vormt het vuurwapenbezit aldus een potentieel risico voor de maatschappij en voor de integriteit van de medemens indien er niet op een verantwoorde en voorzichtige manier wordt mee omgegaan. De wapenwet stelt preventie voorop en laat derhalve wapenbezit enkel en alleen uitzonderlijk toe aan zij die daartoe over een geschikte moraliteit be- schikken. Dergelijke moraliteit veronderstelt minstens voldoende verantwoordelijk- heidszin, hetgeen veronderstelt dat men de gevolgen draagt van zijn handelen en bewust opteert voor een gedrag dat geen onnodige risico’s doet ontstaan. In casu blijkt evenwel dat uw moraliteit hieraan niet voldoet. Op grond hiervan moet dan ook vastgesteld worden dat particulier vuurwa- penbezit in uw hoofde een te groot risico zou inhouden voor de openbare orde en veiligheid. In bezit zijnde van vuurwapens wordt het potentieel ge- vaar onaanvaardbaar vergroot. Het uitoefenen van een hobby mag niet opwegen tegen de vrijwaring van de openbare orde en veiligheid. Bijgevolg is een intrekking van uw vergunningen en uw recht tot het voor- handen hebben van vuurwapens noodzakelijk ter vrijwaring van de openbare orde en veiligheid. Een tijdelijke schorsing is in casu onvoldoende om deze vrijwaring te verze- keren aangezien er geen sprake is van een tijdelijke gevaarsituatie doch wel van een duidelijk moraliteitsprobleem in geval van vuurwapenbezit.” IX-10.458-7/28 IV. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel 4. Het enige middel is genomen uit de schending van de artikelen 11, § 1, en 13, eerste lid, van de wet van 8 juni 2006 ‘houdende regeling van eco- nomische en individuele activiteiten met wapens’ (“wapenwet”) en van de materi- elemotiveringsplicht, de zorgvuldigheidsplicht en het redelijkheidsbeginsel. In het middel formuleert verzoeker eerst een aantal “[o]pmerkin- gen omtrent de in de bestreden beslissing aangehaalde specifieke motieven”. Met betrekking tot het eerste motief waarop de bestreden beslis- sing steunt – het niet respecteren van de veiligheidsvoorwaarden inzake de opslag van vuurwapens en munitie – voert verzoeker aan dat hij ondertussen aan alle re- gels van het koninklijk besluit van 24 april 1997 ‘tot bepaling van de veiligheids- voorwaarden bij het opslaan, het voorhanden hebben, het vervoer en het verzame- len van vuurwapens, munitie of laders’ voldoet, wat ook wordt bevestigd door het verslag van de lokale politie van 3 april 2023. Verzoeker vraagt zich af in welke mate dit element nog dienstig kan zijn om een preventieve maatregel te nemen, nu het aanwenden van een dergelijke maatregel veronderstelt dat er een mogelijk ge- vaar voor de openbare orde bestaat dat door het nemen van de preventieve maatre- gel kan worden afgewend. Het mogelijke gevaar wegens het nalaten om de wapens op te slaan in een wapenkluis is niet meer aanwezig aangezien uit het verslag van de lokale politie blijkt dat de nodige maatregelen zijn genomen. Voorts rijst de vraag, aldus verzoeker, hoe dit gegeven de definitieve maatregel van de intrekking van het wapenbezit kan verantwoorden, veeleer dan een beperking of een schor- sing. In de bestreden beslissing wordt een definitieve maatregel verantwoord door erop te wijzen dat een inbreuk op de regels inzake de opslag van vuurwapens duidt op een algemene moraliteit die onverenigbaar is met wapenbezit, waarbij wordt uiteengezet dat een geschikte moraliteit betekent dat “men de gevolgen draagt van zijn handelen en bewust opteert voor een gedrag dat geen onnodige risico’s doet ontstaan”. Het nemen van de nodige maatregelen om wapens veilig op te slaan, ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.586 IX-10.458-8/28 getuigt volgens verzoeker net wel van een attitude om risico’s te beperken, hetgeen in de lijn ligt met de moraliteit die van een wapenbezitter wordt verwacht. Boven- dien heeft hij de gevolgen van zijn handelen aanvaard door het betalen van een minnelijke schikking. Door te overwegen dat hij niet voldoet aan de regels inzake opslag van vuurwapens en aan te nemen dat hij er bewust voor kiest om risico’s te nemen, waardoor zijn moraliteit onverenigbaar is met de van een wapenbezitter verwachte moraliteit, steunt de bestreden beslissing op een feit dat wordt tegenge- sproken in het verslag van de lokale politie en dat bovendien niet actueel is nu is vastgesteld dat wel aan de veiligheidsregels voor de opslag van vuurwapens is vol- daan. Inzake het tweede motief waarop de bestreden beslissing steunt – het illegale bezit van niet-gehomologeerde alarmpistolen – voert verzoeker aan dat hij niet is veroordeeld voor het illegale bezit van niet-gehomologeerde alarm- wapens en dat het dus aan de verwerende partij toevalt om het bestaan van deze inbreuk te bewijzen. Daartoe dient de minister van Justitie te onderzoeken of ver- zoeker deze wapens reeds in zijn bezit had vόόr de inwerkingtreding van het ko- ninklijk besluit van 18 februari 1996 (lees: 18 november 1996) ‘tot indeling van sommige alarmwapens bij de categorie vergunningsplichtige vuurwapens’ (hierna: het koninklijk besluit van 18 november 1996) en of de proefbank voor vuurwapens reeds een beslissing heeft genomen omtrent de homologatie van het model van alarmwapen. Overeenkomstig de overgangsregeling bedoeld in artikel 4 van het koninklijk besluit van 18 november 1996 is het wapen pas vergunningsplichtig in- dien de proefbank heeft beslist dat het niet gehomologeerd kan worden. Heeft de proefbank nog geen beslissing genomen omtrent de homologatie of het model ge- homologeerd, is het alarmwapen vrij verkrijgbaar. In de bestreden beslissing wordt aangenomen dat verzoeker de niet-gehomologeerde alarmpistolen illegaal voor- handen houdt. De door de verwerende partij beoordeelde stukken laten echter niet toe om te bepalen over welke wapens het gaat en of de proefbank al dan niet reeds een beslissing over de homologatie van deze alarmwapens heeft genomen. Van een zorgvuldige overheid kan redelijkerwijze worden verwacht dat zij zich bevraagt over het type en model van de aangetroffen alarmwapens om dan aan de hand van de toepasselijke regelgeving te motiveren waarom ze al dan niet ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.586 IX-10.458-9/28 vergunningsplichtig zijn. Uit de adviezen van de lokale politie en het parket kan niet worden afgeleid of de overgangsregeling bedoeld in artikel 4 van het konink- lijk besluit van 18 november 1996 toepassing kan vinden. Uit de vaststelling dat de alarmpistolen niet gehomologeerd zijn, kan dus niet zonder meer worden afge- leid dat ze vergunningsplichtig waren. Verzoeker merkt ook nog op dat in het ad- vies van de procureur des Konings sprake is van illegaal bezit van munitie voor alarmwapens, hetgeen materieel onmogelijk is aangezien alarmwapens losse flod- ders gebruiken die geen projectielen bevatten zodat er geen sprake kan zijn van munitie in de zin van artikel 2, 20°, van de wapenwet. Met betrekking tot het derde motief waarop de bestreden beslis- sing steunt – het bezit van verboden wapens, namelijk geluidsdempers en een la- serpointer – vraagt verzoeker zich af in welke mate dit gegeven dienstig is om een vergunning tot het voorhanden houden van vuurwapens in te trekken. Uit arrest nr. 228.348 van 12 september 2014 blijkt volgens verzoeker dat verboden wapens aanzienlijk verschillen van vergunningsplichtige wapens en dat daarom feiten waarbij verboden wapens betrokken zijn niet dienstig zijn om de hernieuwing van een wapenvergunning te weigeren. Voorts betoogt verzoeker dat uit het advies van de procureur des Konings blijkt dat hij afstand heeft gedaan van de verboden wa- pens van zodra hij heeft vernomen dat het bezit ervan illegaal was. Ook hieruit blijkt, aldus verzoeker, dat hij niet de volgehouden bedoeling heeft om de wet te overtreden en zich onmiddellijk in regel heeft willen stellen. Er kan dan ook geen moraliteit uit worden afgeleid die erop gericht is om bewust inbreuken op de wa- penwet te willen plegen of om de gevolgen van zijn handelen niet te aanvaarden. Voorts formuleert verzoeker nog een aantal “[a]lgemene opmer- kingen omtrent de motivering van de bestreden beslissing”. Zo voert hij aan dat de geschiktheid van de moraliteit van de wa- penbezitter als toetsingscriterium wordt gehanteerd terwijl overeenkomstig de wa- penwet de verwerende partij moet aantonen dat wapenbezit de openbare orde in het gedrang kan brengen. IX-10.458-10/28 Voorts doet verzoeker gelden dat het door de lokale politie op- gestelde verslag inzake zijn moraliteit gunstig is en dat de verwerende partij nalaat om te motiveren waarom volgens haar zijn moraliteit toch dermate problematisch is dat een definitieve intrekking van het wapenbezit zich opdringt. Verzoeker be- toogt dat de moraliteit van een persoon niet kan worden beoordeeld aan de hand van één vaststelling. Hij is al veertig jaar jager en is nooit negatief in aanraking gekomen met het gerecht of de politie. In juni 2022 is er een eenmalige vaststelling waarvoor hij zijn straf heeft ondergaan. Het is duidelijk dat hij geen enkele intentie heeft om nog inbreuken op de wapenwetgeving te plegen, wel integendeel. Uit het verslag van de lokale politie blijkt dat hij meer dan de nodige maatregelen heeft genomen om wapens veilig op te slaan. In die omstandigheden valt moeilijk in te zien dat er sprake is van een gebrek aan normbesef of een ongeschikte moraliteit die ertoe noodzaakt het voorhanden hebben van vergunningsplichtige wapens de- finitief uit te sluiten. Een derde opmerking betreft het gegeven dat in de bestreden be- slissing wordt gesteld dat het plegen van interdicerende misdrijven zoals bedoeld in artikel 5, § 4, 2°, van de wapenwet een vermoeden van gevaar voor de openbare orde oplevert. Verzoeker betoogt dat er geen wettelijke of reglementaire bepaling is die deze stelling staaft en dat dit zelfs in strijd is met artikel 11, § 3, eerste lid, 2°, van de wapenwet. Uit die bepaling blijkt dat de wetgever ervoor heeft gekozen om enkel veroordelingen tot een straf zwaarder dan een correctionele geldboete van 500 euro in aanmerking te nemen. De wetgever is met andere woorden van oordeel dat het plegen van feiten die onder de genoemde misdrijfomschrijvingen vallen maar geen aanleiding geven tot een veroordeling of tot een veroordeling tot een correctionele werkstraf of een correctionele geldboete van minder dan 500 euro de afgifte van een wapenvergunning niet uitsluiten. Dergelijke feiten kunnen, aldus verzoeker, wel in aanmerking worden genomen bij de afweging van het risico dat wapenbezit voor de openbare orde kan inhouden, maar dan valt het aan de verwe- rende partij toe om te motiveren waarom de feiten wijzen op een actueel risico. De wapenwetgeving laat niet toe om dit bewijs te leveren aan de hand van een ver- moeden. De motivering dat “in geval van veroordeling” voor de feiten een vergun- ningsaanvraag onontvankelijk zou zijn, is volgens verzoeker ook niet relevant ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.586 IX-10.458-11/28 aangezien het strafdossier is afgesloten met een minnelijke schikking waardoor de strafvordering is vervallen en een correctionele veroordeling niet meer mogelijk is. Verzoeker merkt ook nog op dat de lijst van misdrijven bedoeld in artikel 5, § 4, 2°, a), van de wapenwet enkel relevant is in het kader van het voorhanden houden van vergunningsplichtige wapens op grond van artikel 11 van de wapenwet. De lijst van veroordelingen die wapenbezit a priori uitsluiten, indien ze leiden tot een veroordeling zoals bedoeld in artikel 11, § 3, eerste lid, 2°, van de wapenwet is echter niet relevant in het kader van het voorhanden hebben van wapens op grond van artikel 12 van de wapenwet. Artikel 12 van de wapenwet bepaalt immers uit- drukkelijk dat de artikelen 10 en 11 van de wapenwet hierop niet van toepassing zijn. Volgens verzoeker heeft de verwerende partij nagelaten om te motiveren waarom zij bij het nemen van haar beslissing geen onderscheid maakt tussen het voorhanden hebben van wapens op grond van artikel 11 en op grond van artikel 12 van de wapenwet. Ten slotte betoogt verzoeker dat in de bestreden beslissing niet afdoende wordt gemotiveerd dat de definitieve intrekking van het vuurwapenbezit noodzakelijk is, veeleer dan een schorsing of een beperking. Het motief dat er sprake is van een moraliteitsprobleem indien verzoeker met wapens in contact komt, is immers niet afdoende aangetoond. 5. In de memorie van wederantwoord argumenteert verzoeker dat de bevoegdheid die de verwerende partij ontleent aan de artikelen 11, § 1, tweede lid, en 13, eerste lid, van de wapenwet ertoe strekt preventieve maatregelen te ne- men ter vrijwaring van de openbare orde. Een dergelijke preventieve maatregel dient te worden onderscheiden van een straf. Het uitoefenen van de strafvordering voor inbreuken op de regelgeving inzake wapenbezit is een exclusieve bevoegd- heid van het openbaar ministerie. Te dezen is deze bevoegdheid uitgeput doordat het openbaar ministerie heeft beslist om het dossier af te handelen met een minne- lijke schikking waarbij de strafvordering is vervallen door het betalen van 1000 euro. Volgens verzoeker valt het derhalve aan de verwerende partij toe om binnen de grenzen van de redelijkheid aannemelijk te maken dat hij, ondanks de straf die is opgelegd in het kader van de afhandeling van de strafvordering en de ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.586 IX-10.458-12/28 omstandigheid dat hij al meer dan anderhalf jaar niet meer over wapens kan be- schikken, opnieuw inbreuken op de regelgeving zal plegen en dat om die reden een preventieve maatregel nodig is ter vrijwaring van de openbare orde. Daarbij vol- staat het niet om te verwijzen naar vroegere feiten of inbreuken op de regelgeving rond wapens, maar dient ook minstens te worden aangetoond dat die feiten dermate zwaarwichtig zijn dat kan worden verantwoord dat verzoeker definitief moet wor- den uitgesloten van legaal wapenbezit of dat het waarschijnlijk is dat de feiten zich zullen herhalen. In dat verband wijst verzoeker erop dat de lokale politie een gun- stig advies heeft verstrekt aangaande zijn wapenbezit, waaruit onder meer blijkt dat alle maatregelen voor de veilige opslag van vuurwapens worden nageleefd. Volgens verzoeker is een van de dragende motieven van de bestreden beslissing nu net het niet-naleven van de veiligheidsvoorwaarden inzake de opslag van wapens. Uit de bestreden beslissing blijkt immers dat aan dat motief minstens evenveel be- lang wordt gehecht als aan het bezit van verboden wapens en het bezit van niet- gehomologeerde alarmwapens. Indien dan één motief niet deugdelijk is, volstaat dat om de bestreden beslissing te vernietigen. Welnu, uit het politieverslag blijkt dat de veiligheidsmaatregelen wél zullen worden nageleefd. Er wordt ook uitdruk- kelijk vermeld hoe de vergunningsplichtige vuurwapens zullen worden bewaard. Door aan te nemen dat de veiligheidsmaatregelen niet zullen worden nageleefd, terwijl uit het dossier het tegendeel blijkt, miskent de verwerende partij het politie- verslag en handelt zij onzorgvuldig. Er valt ook niet in te zien hoe vroegere vast- stellingen inzake de veiligheidsmaatregelen nog actueel en relevant zijn nu uit het verslag van de lokale politie blijkt dat veiligheidsmaatregelen zijn genomen die verder gaan dan wat strikt reglementair gezien is vereist. Het motief dat de veilig- heidsregels niet zullen worden nageleefd, is dan ook niet deugdelijk en dit volstaat op zich om de bestreden beslissing te vernietigen. Voorts herhaalt verzoeker dat de verwerende partij zonder nader onderzoek heeft besloten dat de niet-gehomologeerde alarmwapens illegaal voor- handen werden gehouden. Verzoeker is evenwel niet veroordeeld voor illegaal be- zit van deze niet-gehomologeerde alarmwapens en ook uit het betalen van een min- nelijke schikking kan dit niet worden afgeleid. De verwerende partij dient derhalve te bewijzen dat de niet-gehomologeerde alarmpistolen niet voorhanden mochten ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.586 IX-10.458-13/28 worden gehouden. Dit bewijs ontbreekt evenwel, ook in het administratief dossier. Nergens bevat het dossier enige beschrijving van de wapens die toelaat na te gaan over welk model het gaat en of dit model al dan niet gehomologeerd is, zodat kan worden geoordeeld of de overgangsregeling van toepassing is. Door zonder enig nader onderzoek te verrichten aan te nemen dat de niet-gehomologeerde alarmwa- pens illegaal voorhanden werden gehouden, schendt de bestreden beslissing het zorgvuldigheidsbeginsel en is ze niet behoorlijk gemotiveerd. Voorts stelt verzoeker dat het administratief dossier geen enkel element bevat waaruit blijkt dat het aannemelijk is dat hij in de toekomst opnieuw “illegale hulpstukken” zal aanschaffen. Het tegendeel blijkt aangezien verzoeker afstand van de “tuigen” heeft gedaan en te kennen heeft gegeven nooit nog derge- lijke “tuigen” te willen bezitten. Voorts heeft hij ook een minnelijke schikking be- taald. In de bestreden beslissing wordt nagelaten om aan te geven waarop de vrees is gestoeld dat nieuwe inbreuken zullen worden gepleegd. Daarbij dient ook reke- ning te worden gehouden met verzoekers lange carrière als jager waarbij nooit enige inbreuk is vastgesteld. Het is volgens verzoeker onwaarschijnlijk dat hij zich nu plots zou ontpoppen tot een persoon die systematisch de regelgeving zou willen overtreden. Bovendien vindt ook de lokale politie het onwaarschijnlijk dat de in- breuken op de regelgeving zouden worden herhaald aangezien een gunstig advies is verstrekt. Ten slotte argumenteert verzoeker dat de omstandigheid dat de verwerende partij over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt haar er niet van ontslaat om in de beslissing behoorlijk te motiveren waarom ze binnen haar ruime bevoegdheid voor een bepaalde maatregel kiest. 6. In zijn laatste memorie betoogt verzoeker dat het verslag van 3 april 2023 eveneens een eigen, objectieve vaststelling door de lokale politie is en dat uit dat verslag blijkt dat de vuurwapens bewaard worden overeenkomstig de veiligheidsregels. Op het moment van het nemen van de bestreden beslissing stond derhalve vast dat er op dat vlak geen risico’s meer zijn. Door in de bestreden be- slissing geen rekening te houden met dit gegeven is de motiveringsplicht ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.586 IX-10.458-14/28 geschonden. De bestreden beslissing gaat er immers ten onrechte van uit dat er sprake is van een voortdurend schenden van het vertrouwen van de vergunningver- lenende overheid terwijl is vastgesteld dat verzoeker zich normconform gedraagt. Ook tijdens de administratieve beroepsprocedure heeft verzoeker de feiten niet ge- minimaliseerd maar ze gekaderd en te kennen gegeven dat hij in de toekomst de regelgeving strikt zal opvolgen. Bovendien maakt de verwerende partij niet aanne- melijk dat het bijzonder waarschijnlijk is dat verzoeker in de toekomst opnieuw inbreuken op de regels inzake de veilige opslag van wapens zou plegen. Voorts betoogt verzoeker dat in de bestreden beslissing geen on- derscheid wordt gemaakt tussen dragende of overtollige motieven. Er blijkt dat de intrekking steunt op een beoordeling van alle elementen in het dossier, namelijk het bezit van verboden wapens, het bezit van onvergunde niet-gehomologeerde alarmwapens en het niet-naleven van de veiligheidsvoorschriften inzake het bewa- ren van wapens. De verwerende partij dient het bestaan van deze inbreuken aan te tonen, zo ook dat verzoeker vergunningsplichtige vuurwapens voorhanden had zonder houder te zijn van de vereiste vergunning. Daarbij volstaat het niet dat de verwerende partij louter de kwalificatie overneemt die wordt vermeld in het advies van de procureur des Konings. Vereist is dat wordt aangetoond welke wapens voor- handen werden gehouden en dat voor die wapens daadwerkelijk een vergunning is vereist. In de bestreden beslissing wijst de verwerende partij enkel op het feit dat het alarmwapens betreft die niet gehomologeerd zijn, maar zij laat na om te onder- zoeken of de betrokken wapens voorhanden konden worden gehouden op grond van de overgangsregeling. Beoordeling 7. In de toelichting bij het middel werkt verzoeker de aangevoerde schending van het redelijkheidsbeginsel niet nader uit. Het middel is in die mate niet ontvankelijk. 8. De materiëlemotiveringsplicht houdt in casu in dat de bestreden beslissing moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.586 IX-10.458-15/28 bewezen en die in rechte verantwoorden dat het voorhanden hebben van wapens de openbare orde kan verstoren. 9. De wapenwet bepaalt niet op grond van welke feiten, noch op grond van welke criteria, de vraag moet worden beoordeeld of het voorhanden heb- ben van een vuurwapen de openbare orde kan verstoren in de zin van artikel 11, § 1, of artikel 13, eerste lid, van die wet. De minister van Justitie beschikt over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid, zowel op het vlak van het bewezen ver- klaren van de feiten waarop hij steunt om tot dit oordeel te komen, als op het vlak van de kwalificatie van die feiten als gronden tot het beoordelen van de verstoring van de openbare orde. Aangezien de wapenwet inzake het bewezen verklaren van de feiten geen bijzondere bewijswaardering voorschrijft, beoordeelt de minister ook op discretionaire wijze de bewijswaarde van de gegevens uit het dossier om tot zijn overtuiging te komen. Hij mag daarbij niet alleen steunen op bekentenissen of vaststaande bewijzen, maar ook op getuigenissen of vermoedens. 10. Het valt aan de Raad van State in het kader van zijn wettigheids- toezicht niet toe om zelf te beoordelen of het voorhanden hebben van een wapen de openbare orde kan verstoren. De Raad van State is enkel bevoegd om desge- vraagd na te gaan of de overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan overeenkomstig de toe- passelijke wettelijke bepalingen binnen de perken van de redelijkheid tot haar be- sluit is gekomen. 11. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslis- sing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvul- digheid zijn vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen. IX-10.458-16/28 12. In de bestreden beslissing komt de verwerende partij tot het be- sluit dat vuurwapenbezit in hoofde van verzoeker een potentieel gevaar inhoudt voor de openbare orde en veiligheid. Zij steunt dit oordeel op de vaststellingen die tijdens een huiszoeking bij verzoeker op 2 juni 2022 zijn gedaan. Bij die huiszoe- king is gebleken dat (
- i)verzoeker de veiligheidsvoorschriften inzake het bewaren van vuurwapens en munitie niet heeft nageleefd, (
- ii)hij in het bezit was van ver- gunningsplichtige wapens zonder daarvoor over een vergunning te beschikken (niet-gehomologeerde alarmwapens) en (iii) hij verboden wapens in zijn bezit had (geluidsdempers en een laserpointer). De verwerende partij overweegt dat deze fei- ten duiden op een ernstig gebrek aan respect voor de wapenwetgeving en op de afwezigheid van enige verantwoordelijkheidszin en van besef omtrent de gevaren van vuurwapenbezit. Zij besluit hieruit dat verzoeker niet over een geschikte mo- raliteit beschikt om hem vuurwapenbezit toe te staan en dat een intrekking van diens vuurwapenbezit noodzakelijk is om de vrijwaring van de openbare orde te verzekeren. Terecht betoogt verzoeker dat in de bestreden beslissing geen onderscheid wordt gemaakt tussen dragende en overtollige motieven. De verwe- rende partij steunt de intrekking van verzoekers wapenbezit op de drie hiervόόr vermelde motieven. 13. Met betrekking tot het eerste motief van de bestreden beslissing – het niet naleven van de veiligheidsvoorwaarden inzake het bewaren van vuurwa- pens en munitie – kan worden vastgesteld dat verzoeker dit feit in het kader van huidig beroep op geen enkele wijze ontkent. Wel voert hij aan dat hij ondertussen wél alle veiligheidsvoor- schriften naleeft, hetgeen blijkt uit het advies van de lokale politie van 3 april 2023. Volgens verzoeker is dit feit om die reden niet meer actueel en niet meer dienstig om een preventieve maatregel op te leggen. Verzoeker gaat er evenwel aan voorbij dat de wapenwet geenszins vereist dat er op het moment van het opleggen van een preventieve maatregel sprake is van een daadwerkelijke verstoring van de openbare orde, bijvoorbeeld doordat de veiligheidsvoorwaarden inzake het bewaren van ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.586 IX-10.458-17/28 vuurwapens en munitie nog steeds niet worden nageleefd. Het volstaat dat er zich feiten hebben voorgedaan die doen vrezen dat het voorhanden hebben van vuur- wapens de openbare orde kan verstoren en die genoegzaam vaststaan, ook al is er op het moment van de bestreden beslissing geen sprake meer van een actuele in- breuk. Het gegeven dat verzoeker in het verleden de regels inzake de opslag van vuurwapens en munitie niet heeft nageleefd, volstaat met andere woorden om dit gegeven mee in rekening te brengen bij de beoordeling van de vraag of wapenbezit in hoofde van verzoeker de openbare orde kan verstoren en om (mee) een preven- tieve maatregel te motiveren. Dat verzoeker ondertussen de veiligheidsvoorschrif- ten wel naleeft en meer maatregelen zou hebben genomen dan wordt vereist, doet daar geen enkele afbreuk aan. Ook de omstandigheid dat verzoeker de gevolgen van zijn han- delen heeft aanvaard door het betalen van een minnelijke schikking en dat hij te kennen heeft gegeven dat hij in de toekomst de regelgeving strikt zal naleven, doet geen afbreuk aan het bestaan van de feiten – die verzoeker thans ook niet ontkent – en belet geenszins dat de verwerende partij voor onder meer de inbreuk op de veiligheidsvoorschriften inzake de opslag van wapens en munitie een preventieve maatregel inzake verzoekers vuurwapenbezit oplegt. In zoverre verzoeker zich afvraagt waarom dit feit de definitieve maatregel van de intrekking van het wapenbezit kan verantwoorden, veeleer dan een tijdelijke maatregel, moet vooreerst worden opgemerkt dat verzoeker eraan voorbijgaat dat de intrekking van het wapenbezit niet enkel steunt op het niet-na- leven van de veiligheidsvoorwaarden inzake het bewaren van vuurwapens en mu- nitie, maar ook op het bezit van verboden wapens en vergunningsplichtige wapens zonder daarvoor over een vergunning te beschikken. Voorts is, zoals hierna ook zal worden vastgesteld, het niet onredelijk dat de verwerende partij uit het niet-naleven van de veiligheidsvoorwaarden inzake de opslag van wapens en munitie (en de andere inbreuken op de wapenregelgeving) afleidt dat verzoeker niet over de ver- eiste moraliteit beschikt om hem wapenbezit toe te staan en dat een definitieve maatregel zoals de intrekking van het wapenbezit noodzakelijk is ter vrijwaring van de openbare orde. Dat verzoeker ondertussen wel de veiligheidsvoorwaarden ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.586 IX-10.458-18/28 naleeft, doet geen afbreuk aan het bestaan van de inbreuk in het verleden en aan het feit dat de verwerende partij daaruit – in samenhang overigens met de andere vaststellingen – kan afleiden dat een tijdelijke maatregel niet volstaat ter vrijwaring van de openbare orde omdat er sprake is van een moraliteitsprobleem bij verzoeker. Anders dan verzoeker stelt, wordt in de bestreden beslissing ten slotte ook geenszins aangenomen dat hij nog steeds niet voldoet aan de regels in- zake de opslag van vuurwapens. Er wordt uitdrukkelijk in overweging genomen dat verzoeker ondertussen de nodige maatregelen heeft genomen. In die zin is de bestreden beslissing niet in tegenstrijd met het advies van de lokale politie van 3 april 2023. Zoals gezegd, belet dit echter niet dat de inbreuk op de veiligheids- voorwaarden zich heeft voorgedaan en dat de verwerende partij dit element mee in aanmerking neemt bij haar onderzoek of vuurwapenbezit in hoofde van verzoeker de openbare orde kan verstoren. 14.1. Het illegaal bezit van niet-gehomologeerde alarmpistolen wordt afgeleid uit proces-verbaal OU.36.L4.003256/2022 van 2 juni 2022 dat is opge- steld naar aanleiding van de huiszoeking bij verzoeker op dezelfde datum. In dat proces-verbaal verklaren de inspecteurs die de huiszoeking hebben uitgevoerd dat zij in de slaapkamer van verzoeker twee niet-gehomologeerde alarmpistolen heb- ben aangetroffen en in de berging-dressing nog een niet-gehomologeerd alarmpi- stool. Volgens de inspecteurs worden deze vuurwapens, in strijd met de wapenwet, illegaal voorhanden gehouden. Daarom zijn zij, na een beschrijving te hebben op- gesteld van (onder meer) deze niet-gehomologeerde alarmwapens in het navol- gende proces-verbaal 3258/2022, overgegaan tot de inbeslagname ervan. Verzoeker stelt terecht dat de feiten vermeld in proces-verbaal OU.36.L4.003256/2022 van 2 juni 2022 – waaronder dus het illegale bezit van niet-gehomologeerde alarmpistolen – geen aanleiding hebben gegeven tot een strafrechtelijke veroordeling. Het proces-verbaal is zonder gevolg geklasseerd na- dat verzoeker een minnelijke schikking van 1000 euro heeft betaald. IX-10.458-19/28 14.2. Bij de beoordeling of er al dan niet sprake is van een mogelijke verstoring van de openbare orde, mag de minister van Justitie steunen op feiten die niet tot een strafrechtelijke veroordeling hebben geleid. Dat een proces-verbaal nadien zonder gevolg wordt geklasseerd door het betalen van een minnelijke schikking, houdt niet in dat de feiten die in het proces-verbaal worden vermeld zich niet hebben voorgedaan, noch dat uit deze feiten door de verwerende partij niet mocht worden afgeleid dat het voorhanden hebben van wapens een gevaar kan opleveren voor de openbare orde. Het klasseren van het proces-verbaal na het betalen van een minnelijke schikking op zich sluit dus evenmin uit dat de minister bij de uitoefening van zijn discretionaire beoordelingsbevoegdheid, de door de politie in een proces-verbaal opgenomen verklaringen en vaststellingen in aanmerking neemt en de inhoud ervan bewezen acht. Het strafrechtelijk vermoeden van onschuld staat daaraan niet in de weg. Het proces-verbaal heeft evenwel geen bijzondere bewijs- waarde, zodat de verwerende partij bij de feitenvinding de overige gegevens uit het dossier met betrekking tot deze feiten, eveneens in aanmerking dient te nemen bij de beoordeling van de bewijswaarde van de in het proces-verbaal vervatte feiten. 14.3. Dat verzoeker drie niet-gehomologeerde alarmpistolen illegaal voorhanden hield, is vastgesteld door de inspecteurs die de huiszoeking bij verzoeker hebben uitgevoerd. Het betreft eigen, objectieve vaststellingen van de politie, die door geen enkel element in het dossier worden tegengesproken. Verzoeker heeft van zijn kant in de loop van de administratieve procedure op geen enkel moment tegengesproken dat de drie niet-gehomologeerde alarmpistolen daadwerkelijk illegaal voorhanden werden gehouden. Het liet de minister toe om in de bestreden beslissing vast te stellen: “het bezit van de niet-gehomologeerde alarmwapens ontkent u niet.” Integendeel haalt verzoeker zowel in zijn schriftelijk verweer van 24 oktober 2022 als in zijn beroepschrift van 9 maart 2023 als argument in zijn voordeel aan dat hij vrijwillig afstand heeft gedaan van de niet- gehomologeerde alarmpistolen. Op geen enkel moment voert hij aan dat hij de alarmpistolen, gelet op de datum waarop hij ze heeft verworven en het type en ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.586 IX-10.458-20/28 model, zonder vergunning voorhanden mocht houden en dat de verwerende partij dus ten onrechte aanneemt dat het bezit ervan illegaal is. Ook in het kader van huidig beroep beweert verzoeker niet, laat staan dat hij aantoont, dat de niet- gehomologeerde alarmpistolen niet vergunningsplichtig zijn. Hij stelt enkel dat de verwerende partij had moeten onderzoeken om welk type en model van alarmwapens het gaat, of hij deze in zijn bezit had vόόr de inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 18 november 1996 en of de overgangsregeling bedoeld in artikel 4 van het koninklijk besluit van 18 november 1996 toepassing kan vinden. Daarmee ontkracht hij evenwel niet de eigen, objectieve vaststellingen van de politie vervat in proces-verbaal OU.36.L4.003256/2022 en de navolgende processen-verbaal dat de drie niet-gehomologeerde alarmpistolen illegaal voorhanden werden gehouden. Het valt aan verzoeker toe, als eigenaar van de alarmpistolen, om geconfronteerd met de conclusie van de politie dat de alarmpistolen illegaal voorhanden worden gehouden, aannemelijk te maken dat dit niet het geval is en dat hij voor de bewuste drie alarmpistolen geen vergunning nodig had. Verzoeker doet dat niet. In die omstandigheden mocht de verwerende partij, zonder schending van de zorgvuldigheidsplicht, aannemen dat de eigen, objectieve vaststellingen van de politie correct zijn en dat verzoeker de alarmpistolen illegaal voorhanden hield. De verwerende partij mocht dit element dan ook mee in rekening brengen bij het beoordelen van het gevaar dat vuurwapenbezit in hoofde van verzoeker inhoudt voor de openbare orde. 14.4. Verzoeker formuleert ook nog kritiek op het advies van de pro- cureur des Konings waarin sprake is van illegaal bezit van munitie voor alarmwa- pens. Die kritiek kan op zich evenwel niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing leiden. 15. Ook het derde motief van de bestreden beslissing – het bezit van verboden wapens, namelijk geluidsdempers en een laserpointer – wordt door ver- zoeker niet ontkend. Met verwijzing naar arrest nr. 228.348 van 12 september 2014 voert verzoeker wel aan dat verboden wapens aanzienlijk verschillen van ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.586 IX-10.458-21/28 vergunningsplichtige wapens en dat feiten met verboden wapens niet dienstig zijn om het vuurwapenbezit in te trekken. Die stelling verdient geen bijval. Verzoekers standpunt berust op een onjuiste lezing van het voormelde arrest, waarin de Raad van State louter overweegt dat het verboden wapen waarvan sprake in die zaak – een verdovende spray – van een heel andere aard is dan de vuurwapens waarvoor de bestreden beslissing de vergunningen weigert en dat het bezit van dat verboden wapen de weigering van de hernieuwing van de vergunningen niet kan motiveren aangezien het de verwerende partij niet heeft belet de vergunningen uit te reiken. Het bezit van verboden wapens is een directe inbreuk op artikel 3, § 1, van de wapenwet en is aldus een element bij uitstek waaruit de verwerende partij mag afleiden dat vuurwapenbezit in hoofde van verzoeker een potentieel gevaar voor de openbare orde doet ontstaan aangezien verzoeker de wapenwetgeving niet res- pecteert. Dat verzoeker onmiddellijk afstand heeft gedaan van de verbo- den wapens, een minnelijke schikking heeft betaald voor onder meer deze inbreuk, de lokale politie een gunstig advies heeft verstrekt en hij naar eigen zeggen een lange carrière als jager heeft waarbij nooit enige inbreuk is vastgesteld en in de toekomst geen verboden wapens meer zal aanschaffen, doet geen afbreuk aan het feit dat verzoeker zich daadwerkelijk schuldig heeft gemaakt aan verboden wapen- bezit. Het belet evenmin dat de verwerende partij dit element mee in overweging neemt bij haar afweging of verzoeker de moraliteit heeft die van een wapenbezitter mag worden verwacht en of een intrekking van verzoekers wapenbezit noodzake- lijk is ter vrijwaring van de openbare orde. 16. In haar afweging over de ernst van de feiten stelt zij tegenover de argumenten van verzoeker – onder meer dat hij zich ondertussen in regel heeft gesteld met betrekking tot de veiligheidsvoorschriften, afstand deed van de verbo- den wapens, een minnelijke schikking heeft betaald, al veertig jaar jager is en op het moment van de bestreden beslissing al anderhalf jaar niet meer over wapens kan beschikken – dat het gaat om feiten die “recent” en “relevant op heden” zijn omdat ze in het kader van het uitzonderlijk toestaan van particulier wapenbezit bijzonder ernstig zijn, dat uit het plegen ervan “een gebrek aan kennis en/of respect ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.586 IX-10.458-22/28 blijkt voor de wapenwetgeving” en dat ze duiden op “de afwezigheid van enige verantwoordelijkheidszin en van besef omtrent de gevaren van vuurwapenbezit”. Zij wijst erop dat de veelheid aan inbreuken weerspreekt dat het “maar ‘een stom- miteit’ was” of een “slordigheidje” of een “vergetelheid”. De verwerende partij blijft alzo binnen haar toegemeten beoor- delingsruimte, als zij tot het besluit komt dat de voormelde inbreuken op de wa- penwetgeving – waarvan verzoeker het bestaan niet aan het wankelen heeft ge- bracht – duiden op een ernstig gebrek aan respect voor de wapenwetgeving en op de afwezigheid van enige verantwoordelijkheidszin en van besef omtrent de geva- ren van vuurwapenbezit en dat verzoeker aldus niet over een moraliteit beschikt die mag worden verwacht van een vuurwapenbezitter. De verwerende partij moti- veert daarmee afdoende dat de door verzoeker begane inbreuken dermate zwaar- wichtig zijn dat zijn wapenbezit moet worden ingetrokken ter vrijwaring van de openbare orde. 17. Anders dan verzoeker in een eerste van zijn algemene opmerkin- gen aanvoert, heeft de verwerende partij in de bestreden beslissing – zoals de wa- penwet het vereist – aangetoond dat wapenbezit in hoofde van verzoeker de open- bare orde in het gedrang kan brengen. De verwerende partij overweegt in de be- streden beslissing herhaaldelijk dat uit de vaststellingen op 2 juni 2022 blijkt “dat particulier vuurwapenbezit in [verzoekers] hoofde een te groot risico zou inhouden voor de openbare orde en veiligheid”. Dat de verwerende partij dit risico op een verstoring van de openbare orde in verband brengt met en afleidt uit verzoekers moraliteit als wapenbezitter is daarbij de evidentie zelve aangezien het vaststaat dat indien een wapenbezitter niet over de moraliteit beschikt die van een wapenbe- zitter mag worden verwacht, diens wapenbezit de openbare orde in het gedrang brengt. 18. Verzoekers argument dat de verwerende partij heeft nagelaten te motiveren waarom zijn moraliteit dermate problematisch is dat een definitieve in- trekking van zijn wapenbezit zich opdringt, houdt verband met de IX-10.458-23/28 formelemotiveringsplicht. In het middel heeft verzoeker evenwel geen schending van de formelemotiveringsplicht aangevoerd. Het middel is in die mate onontvan- kelijk. Geheel ten overvloede wordt opgemerkt dat de verwerende partij in de bestreden beslissing wel degelijk motiveert waarom, ondanks het gunstig ad- vies van de lokale politie van 3 april 2023, verzoekers wapenbezit moet worden ingetrokken. De verwerende partij zet immers uiteen dat er bij de door verzoeker begane overtredingen op de wapenwetgeving geen sprake is van een slordigheidje of een vergetelheid, maar dat de verschillende inbreuken wijzen op een duidelijk gebrek aan verantwoordelijkheidszin en respect voor de geldende rechtsregels. Om die reden, zo overweegt de verwerende partij, voldoet verzoekers moraliteit niet om hem wapenbezit toe te staan en is een definitieve intrekking van zijn wapenbe- zit noodzakelijk ter vrijwaring van de openbare orde. Een tijdelijke schorsing vol- staat volgens de verwerende partij niet aangezien er geen sprake is van een tijde- lijke gevaarsituatie maar van een duidelijk moraliteitsprobleem in geval van vuur- wapenbezit. 19. Voorts voert verzoeker aan dat de verwerende partij ten onrechte uit één vaststelling afleidt dat hij niet over de vereiste moraliteit beschikt. Hij wijst er daarbij op dat hij al veertig jaar jager is, nooit negatief in aanraking is gekomen met het gerecht of de politie en voor een eenmalige inbreuk in juni 2022 zijn straf heeft ondergaan. Hij heeft meer dan de nodige maatregelen genomen om voortaan zijn wapens veilig op te slaan en heeft geen enkele intentie om nog inbreuken op de wapenwetgeving te plegen. Hiervόόr is reeds gebleken dat de verwerende partij mocht aan- nemen dat verzoeker de veiligheidsvoorschriften inzake het bewaren van vuurwa- pens en munitie niet heeft nageleefd, dat hij in het bezit was van vergunningsplich- tige wapens zonder daarvoor over een vergunning te beschikken (niet-gehomolo- geerde alarmwapens) en dat hij verboden wapens in zijn bezit had (geluidsdempers en een laserpointer). Het is niet onredelijk dat de verwerende partij oordeelt dat deze inbreuken niet zomaar een slordigheidje of een vergetelheid zijn, maar wijzen ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.586 IX-10.458-24/28 op een ernstig gebrek aan respect voor de wapenwetgeving, de afwezigheid van verantwoordelijkheidszin en het gemis aan besef omtrent de gevaren van vuurwa- penbezit waaruit moet worden besloten dat verzoeker niet beschikt over een voor wapenbezit geschikte moraliteit, wat immers impliceert dat men beschikt over vol- doende verantwoordelijkheidszin, de gevolgen van zijn handelen draagt en bewust opteert voor een gedrag dat geen onnodige risico’s doet ontstaan. Dat verzoeker naar eigen zeggen al veertig jaar jager is, nooit negatief in aanraking is gekomen met het gerecht of de politie, een minnelijke schikking heeft betaald voor de in- breuken op de wapenwetgeving, meer dan de nodige maatregelen heeft genomen om voortaan zijn wapens veilig op te slaan en geen enkele intentie heeft om nog inbreuken op de wapenwetgeving te plegen vermag aan die conclusie geen afbreuk te doen. 20. In de bestreden beslissing stelt de verwerende partij met verwij- zing naar artikel 5, § 4, 2°, juncto artikel 11, § 3, eerste lid, 2°, van de wapenwet dat verzoeker, indien hij veroordeeld zou zijn voor de door hem begane inbreuken op de wapenwetgeving, geen wapenvergunning meer zou kunnen krijgen en dat een aanvraag daartoe onontvankelijk zou worden bevonden. Met deze verwijzing naar de zogenaamde interdicerende veroordelingen wil de verwerende partij enkel het belang onderstrepen dat aan de door verzoeker begane inbreuken moet worden gehecht. Zij stelt daaromtrent terecht dat uit de omstandigheid dat de inbreuken zijn opgenomen in artikel 5, § 4, 2°, van de wapenwet blijkt dat ze ook relevant moeten worden geacht bij de beoordeling of vuurwapenbezit een gevaar inhoudt voor de openbare orde en dat uit het plegen van dergelijke inbreuken als het ware een vermoeden blijkt van gevaar voor de openbare orde ingeval van vuurwapenbe- zit. Terecht stelt verzoeker dat de in artikel 5, § 4, 2°, van de wapenwet bedoelde inbreuken slechts aanleiding geven tot de onontvankelijkheid van een aanvraag voor een wapenvergunning indien de betrokkene als dader of medeplichtige is ver- oordeeld tot een andere correctionele hoofdstraf dan een geldboete van ten hoogste vijfhonderd euro en dat hij in casu niet in dat geval verkeert aangezien zijn straf- dossier is geklasseerd na het betalen van een minnelijke schikking van 1000 euro. Dit belet echter niet dat, zoals verzoeker ook zelf erkent, de in artikel 5, § 4, 2°, van de wapenwet bedoelde misdrijven die geen aanleiding hebben gegeven tot een ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.586 IX-10.458-25/28 dergelijke veroordeling ook in aanmerking mogen worden genomen bij de afwe- ging van het risico dat wapenbezit kan inhouden voor de openbare orde. Anders dan verzoeker beweert, wordt in de bestreden beslissing geenszins uit het begaan van de inbreuken bedoeld in artikel 5, § 4, 2°, a), van de wapenwet automatisch afgeleid dat wapenbezit in hoofde van verzoeker een gevaar inhoudt voor de open- bare orde. Er wordt daarentegen concreet gemotiveerd dat de door verzoeker be- gane inbreuken wijzen op een ernstig gebrek aan respect voor de wapenwetgeving en op de afwezigheid van enige verantwoordelijkheidszin en van besef omtrent de gevaren van vuurwapenbezit en dat verzoeker aldus een moraliteit heeft die niet overeenstemt met de moraliteit die van een vuurwapenbezitter mag worden ver- wacht zodat een intrekking van het wapenbezit noodzakelijk is ter vrijwaring van de openbare orde en veiligheid. Daarmee motiveert de verwerende partij afdoende waarom de door verzoeker begane inbreuken ook op het moment van het nemen van de bestreden beslissing nog wijzen op een potentieel gevaar voor de openbare orde. Voor zover verzoeker nog aanvoert dat de lijst met misdrijven bedoeld in artikel 5, § 4, 2°, van de wapenwet enkel relevant is in het kader van het voorhanden houden van vergunningsplichtige wapens op grond van artikel 11 van de wapenwet en de verwerende partij in de bestreden beslissing nalaat om te motiveren waarom zij geen onderscheid maakt tussen het voorhanden houden van wapens op grond van artikel 11 en op grond van artikel 12 van de wapenwet, gaat verzoeker eraan voorbij dat de intrekking van zijn wapenbezit niet steunt op het feit dat hij een misdrijf heeft gepleegd waarvoor hem een interdicerende veroordeling is opgelegd zoals bedoeld in artikel 5, § 4, 2°, van de wapenwet, maar op de vaststelling dat vuurwapenbezit in hoofde van verzoeker de openbare orde kan verstoren in de zin van artikel 11, § 1, of artikel 13, eerste lid, van de wapenwet omdat uit de door verzoeker begane inbreuken op de wapenwetgeving blijkt dat hij niet de geschikte moraliteit heeft om hem vuurwapenbezit toe te staan. De verwerende partij diende dan ook geen onderscheid te maken tussen het vuurwapenbezit op grond van artikel 11 of artikel 12 van de wapenwet. 21. Ten onrechte betoogt verzoeker ten slotte dat in de bestreden be- slissing niet afdoende wordt gemotiveerd dat een definitieve intrekking van het vuurwapenbezit noodzakelijk is, veeleer dan een schorsing of een beperking. IX-10.458-26/28 Hiervόόr is reeds vastgesteld dat de verwerende partij tot het oordeel mocht komen dat verzoeker niet over de moraliteit beschikt die van een wapenbezitter mag wor- den verwacht. Binnen de grenzen van haar discretionaire bevoegdheid mocht de verwerende partij in de bestreden beslissing dan tot het oordeel komen dat een tij- delijke schorsing van het wapenbezit in hoofde van verzoeker onvoldoende is om de vrijwaring van de openbare orde te verzekeren omdat er geen sprake is van een tijdelijke gevaarsituatie maar van een moraliteitsprobleem in geval van vuurwa- penbezit. De verwerende partij motiveert daarmee afdoende dat een intrekking van verzoekers vergunningen en het recht tot het voorhanden hebben van vuurwapens noodzakelijk is ter vrijwaring van de openbare orde en veiligheid. 22. Het enige middel is ongegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nie- tigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de ver- werende partij. IX-10.458-27/28 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twaalf juni tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Jurgen Neuts, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren IX-10.458-28/28 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.586 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div