id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 juni 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.591 Rolnummer: A. 244531/XII-9861 Zaak: Arrest 263591 - Tucht (openbaar ambt) - 13/06/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-06-19 Raadplegingen: 83 - laatst gezien 2026-06-16 03:35 Fiche Arrest nr 263.591 van 13 juni 2025 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.591 no lien 283784 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 263.591 van 13 juni 2025 in de zaak A. 244.531/XII-9861 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Walter Van Steenbruggge en Quinten De Keersmaecker kantoor houdend te 9030 Mariakerke Durmstraat 29 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de POLITIEZONE BRUSSEL-WEST
(5340)bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Frédéric Van De Gejuchte kantoor houdend te 1030 Brussel Luzernestraat 40 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 31 maart 2025, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de korpschef van de meergemeentezone van 28 januari 2025 om verzoeker vanaf 3 februari 2025 te herplaatsen in toepassing van artikel 44 van de wet van 7 december 1998 ‘tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus’ en van de artikelen VI.II.85 tot VI.II.91 van het RPPol. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij beschikking van 11 april 2025 werd de procedurekalender vastgesteld. XII-9861-1/11 De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een administratief dossier ingediend. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 juni 2025, om 14 uur. Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. Advocaat Quinten De Keersmaecker, die verschijnt voor verzoeker en advocaat Daisy Daniels, die loco advocaat Frédéric Van De Gejuchte verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is eerste hoofdinspecteur bij de lokalepolitiezone. Hij was voorafgaand aan de bestreden beslissing tewerkgesteld als diensthoofd van de hondenbrigade. 3.
- Op 16 januari 2025 formuleert de korpschef van de lokalepolitiezone het voornemen om verzoeker vanaf 3 februari 2025 bij wijze van ordemaatregel te herplaatsen naar een andere dienst binnen de lokalepolitiezone. XII-9861-2/11 Verzoeker krijgt de mogelijkheid om over het voornemen een schriftelijk standpunt te bezorgen voor 24 januari 2025, alsook om voor diezelfde datum te vragen om (mondeling) te worden gehoord. 3.
- Per e-mail van 22 januari 2025 deelt verzoeker zijn schriftelijk standpunt mee aan de korpschef. 3.
- Op 28 januari 2025 beslist de korpschef om verzoeker vanaf 3 februari 2025 te herplaatsen naar een andere dienst binnen de lokalepolitiezone in toepassing van artikel 44 van de wet van 7 december 1998 ‘tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus’ (hierna: wet van 7 december 1998) en van de artikelen VI.II.85 tot VI.II.91 van het RPPol. Dit is de bestreden beslissing. 3.
- Op 19 maart 2025 formuleert de hogere tuchtoverheid het voorstel om verzoeker de zware tuchtstraf van de schorsing gedurende drie maanden op te leggen. Op 24 maart 2025 dient verzoeker tegen dit voorstel een verzoek tot heroverweging in bij de Tuchtraad. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
- Verzoeker legt enkele dagen voor de terechtzitting zonder verdere toelichting een aantal nieuwe stukken, vergezeld van een inventaris, neer. Ter terechtzitting zet verzoeker uiteen dat hij recent kennisnam van deze aanvullende stukken, die relevant zijn ter beoordeling van de spoedeisendheid. De verwerende partij vraagt dat de aanvullende stukken uit het debat worden geweerd. XII-9861-3/11
- Naar eis van artikel 17, § 2, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet “het verzoekschrift” een uiteenzetting van de feiten bevatten die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van de vordering tot schorsing wordt ingeroepen. Met de argumentatie die een verzoeker voor het eerst tijdens de terechtzitting aanvoert en met stukken die pas enkele dagen voor de terechtzitting worden neergelegd, mag bijgevolg in beginsel geen rekening worden gehouden. De verwerende partij kan daarop immers niet meer schriftelijk repliceren en de auditeur kan daarover niet op een deugdelijke wijze advies verlenen in een procedure die op grond van artikel 22 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State essentieel schriftelijk is. Er mag aldus door de Raad van State enkel rekening gehouden worden met hetgeen een verzoeker in zijn verzoekschrift over de spoedeisendheid uiteenzet én staaft. Uitzonderlijk kan het anders zijn, wanneer verzoeker niet de gelegenheid had om door middel van een in de procedureregeling voorziene mogelijkheid nieuwe stukken alsnog aan te voeren. In dat geval leidt, in het licht van het recht op toegang tot de rechter, de enkele omstandigheid dat een stuk wordt aangevoerd op een niet in de procedureregeling voorziene wijze – te dezen door de neerlegging enkele dagen voor de terechtzitting – op zich niet tot het als niet- ontvankelijk verwerpen ervan.
- Te dezen legt verzoeker vooreerst drie stukken neer – de stukken 1 tot 3 op de aanvullende inventaris – ter ondersteuning van de morele schade. Hoewel verzoeker aanvoert dat het om bijkomende elementen gaat die hem pas recent ter kennis zijn en waarover hij op het ogenblik van het indienen van zijn verzoekschrift nog niet beschikte, stelt de Raad van State vast dat ze alle slaan op de werkonbekwaamheid wegens ziekte sinds 21 januari
- Niettegenstaande de attesten van recentere datum zijn dan het verzoekschrift, verklaart verzoeker niet waarom hij deze of gelijkaardige attesten niet kon neerleggen samen met de op 31 maart 2025 ingediende vordering tot schorsing, daar verzoeker op dat ogenblik toch al meer dan twee maanden werkonbekwaam was. XII-9861-4/11 De stukken 1 tot 3 op de aanvullende inventaris worden uit het debat geweerd.
- Voorts legt verzoeker zes stukken neer – de stukken 4 tot en met 9 op de aanvullende inventaris – ter ondersteuning van een andere schade die hij aanvoert, met name een financieel verlies. Uit deze stukken blijkt dat terwijl op de “loonberekening” van 17 maart 2025 nog melding wordt gemaakt van een vergoeding “hondenbegeleider”, die vanaf de “loonberekening” van 17 april 2025 niet langer wordt toegekend en dat wat reeds onverschuldigd werd uitgekeerd, wordt teruggevorderd. Verzoeker beschikte aldus niet over deze informatie op het ogenblik van het indienen van de vordering tot schorsing. De stukken 4 tot en met 9 op de aanvullende inventaris van verzoeker worden niet uit het debat geweerd. V. Schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd waarvan het onderzoek zich leent voor een versnelde behandeling en waarmee de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan worden verantwoord. VI. Spoedeisendheid Uiteenzetting van de spoedeisendheid
- Verzoeker voert vooreerst aan dat er sprake is van spoedeisendheid omdat de bestreden beslissing zijn mentale welzijn ernstig aantast, zoals hij heeft verduidelijkt in zijn schriftelijk verweer van 22 januari
- Ten tweede voert verzoeker aan dat de bestreden beslissing gepaard gaat met ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.591 XII-9861-5/11 reputatieschade en een uitholling van zijn moreel gezag, zowel in zijn operationele functie als in zijn hoedanigheid van opleider aan de politieschool. De bestreden beslissing wekt bij de collega’s de indruk dat verzoeker zich zou hebben schuldig gemaakt aan ernstige strafbare feiten of tuchtinbreuken, dan wel dat verzoekers aanwezigheid de goede werking van de hondendienst in het gedrang brengt. Een schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing zou volgens verzoeker de geleden reputatieschade kunnen herstellen, door de buitenwereld van de onterechte indruk te ontdoen dat de verwerende partij rechtmatig heeft besloten dat er voldoende bezwaren bestaan ten aanzien van verzoeker met betrekking tot de feiten die hem worden verweten en dat die dermate ernstig zijn dat hij onmogelijk actief kan blijven in de hondendienst. Tot slot voert verzoeker aan dat hij ingevolge de bestreden beslissing ook zijn werkrelatie met zijn honden abrupt moet beëindigen, zoals hij eveneens uiteenzette in zijn schriftelijk verweer van 22 januari
- Het herstellend effect van een uiteindelijk vernietigingsarrest zal volgens verzoeker niet voldoende genoegdoening verschaffen, daar de schadelijke gevolgen voor zijn mentale welzijn en reputatie op dat moment in grote mate onomkeerbaar zullen zijn. Verzoeker besluit dat hij het resultaat van een procedure ten gronde dan ook niet kan afwachten. Beoordeling
- Naar eis van artikel 17, § 2, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van deze vordering wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 4, § 1, eerste lid, 5°, van het koninklijk besluit van 19 november 2024 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding en tot wijziging van diverse besluiten betreffende de procedure voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Dit houdt in dat het aan verzoeker toevalt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een – voortdurende – tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. XII-9861-6/11 Voorts kan luidens artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een vordering tot schorsing worden gevorderd “op elk moment” en dus niet meer, zoals in de voorheen bestaande regelgeving, noodzakelijk in een enig verzoekschrift samen met de vernietiging. Met deze regeling heeft de wetgever precies de situaties willen verlaten waarbij “geen enkele bijzondere gebeurtenis vereist dat de Raad van State zich bij spoedeisendheid over de zaak die [hem] wordt voorgelegd uitspreekt” (Memorie van toelichting, SENAAT, 2012-2013, 7 oktober 2013, nr. 5-2277/1, 4). De spoedeisendheid “zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (Memorie van toelichting, SENAAT, 2012-2013, 7 oktober 2013, nr. 5-2277/1, 13). Bovendien mag een nieuwe vordering worden ingediend, indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen (artikel 17, § 2, derde lid, gecoördineerde wetten op de Raad van State). Uit wat voorafgaat, volgt dat niet zal volstaan te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht.
- Verzoeker voert ter adstructie van de spoedeisendheid in het verzoekschrift vooreerst aan dat de bestreden beslissing zijn mentale welzijn ernstig aantast. Verzoeker blijft echter in gebreke om – in zijn verzoekschrift – te concretiseren wat precies de impact van de bestreden beslissing op zijn mentale welzijn is, alsook om die gevolgen voor zijn mentale welzijn met stukken aannemelijk te maken. Verzoeker toont aldus niet aan dat hij zich wat zijn mentale welzijn betreft, bij gebrek aan schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, in een toestand “met onherroepelijke schadelijke gevolgen” zal bevinden, indien hij het resultaat van de procedure ten gronde moet afwachten. XII-9861-7/11 Met de stukken die in dat verband kort voor de terechtzitting zijn neergelegd, wordt – zoals hiervoor uiteengezet (zie supra, nr. 7) – geen rekening gehouden.
- Verzoeker voert voorts ter adstructie van de spoedeisendheid aan dat de bestreden beslissing gepaard gaat met reputatieschade en de uitholling van zijn moreel gezag. Ook dit argument overtuigt niet. De bestreden beslissing is een herplaatsing in de zin van artikel VI.II.85 RPPol. Naast een expliciete opsomming van een aantal objectieve redenen waarin de herplaatsing van een politieambtenaar mogelijk is (met name de gevallen voorzien in 1° tot 7° en in 9°), kan een herplaatsing luidens deze bepaling ook gebeuren wanneer dat “wegens enigerlei oorzaak” vereist is (8°). Op grond van deze laatste bepaling is het herplaatsen van een personeelslid derhalve mogelijk in alle gevallen waarin de korpschef dit, met het dienstbelang voor ogen, gerechtvaardigd acht en daarvoor een deugdelijke reden heeft om het personeelslid aan te wijzen voor een andere dan de eigen betrekking. Uit de aard van een dergelijke herplaatsing volgt ipso facto niet dat op de politieambtenaar die er het voorwerp van is, een verdenking of smet zou rusten, die zijn reputatie en gezag aantast, laat staan dat een dergelijke herplaatsing de indruk zou wekken dat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan “ernstige strafbare feiten dan wel tuchtinbreuken”. Hoewel niet bij voorbaat kan worden uitgesloten dat het uitzonderlijk anders is, valt het dan aan verzoeker toe om aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen waarom de ordemaatregel van de herplaatsing zijn reputatie schaadt of zijn gezag aantast. Verzoeker brengt evenwel geen bijzondere omstandigheden aan die aannemelijk maken dat dit te dezen het geval is. Voorts merkt de Raad van State op dat – zelfs indien zou moeten worden aangenomen dat de herplaatsing enige reputatieschade met zich brengt voor verzoeker – een schorsingsprocedure er niet toe strekt om élk moreel nadeel ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.591 XII-9861-8/11 dat met een bestreden beslissing zoals een ordemaatregel gepaard gaat, versneld te kunnen ondervangen. De eventueel uit te spreken nietigverklaring verwijdert de ordemaatregel immers met terugwerkende kracht uit het rechtsverkeer en het vereiste rechtsherstel zal moeten volgen. De genoegdoening van een vernietigingsarrest wordt in beginsel ook geacht het moreel nadeel te herstellen, behoudens wanneer er bijzondere omstandigheden worden aangetoond die ervan kunnen overtuigen dat de aangevoerde morele schade van die aard is dat een later tussen te komen vernietigingsarrest niet voldoende genoegdoening zal kunnen verschaffen, zodat het resultaat ten gronde niet kan worden afgewacht. Verzoeker brengt ook wat dit betreft geen bijzondere omstandigheden aan die aannemelijk maken dat dit te dezen het geval is.
- Tot slot voert verzoeker aan dat er sprake is van spoedeisendheid omdat de bestreden beslissing zijn werkrelatie met zijn honden abrupt beëindigt. Behoudens de vermelding in de uiteenzetting van de spoedeisendheid “zoals geduid in zijn verweer van 22 januari 2025” licht verzoeker evenwel niet toe waarom de beëindiging van de werkrelatie met zijn honden zou aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een – voortdurende – tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Nog daargelaten dat in een schorsingsprocedure van de Raad van State niet mag worden verwacht dat hij zelf op zoek gaat naar gegevens die de spoedeisendheid onderbouwen, blijkt ook uit het verweer van 22 januari 2025 waarnaar verzoeker verwijst niet waarom er sprake is van de vereiste spoedeisendheid. Dit blijkt niet ipso facto uit het gegeven dat verzoeker specialist hondenteam en operationeel patrouillehondgeleider is, uit de vermelding dat verzoekers diensthond een “operationeel patrouille en dual drughond” is, uit de mededeling dat verzoeker een nieuwe hond aan het trainen is om op termijn zijn diensthond te vervangen, noch uit de aangevoerde “praktische overwegingen” wat verzoeker dan met zijn honden moet doen of uit andere verweerelementen. Zo er al elementen zouden bestaan die verband houden met de inzetbaarheid en training van de diensthonden en het abrupt verbreken daarvan om te dezen de ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.591 XII-9861-9/11 spoedeisendheid te verantwoorden, wordt vastgesteld dat verzoeker die alleszins niet voldoende duidelijk en concreet uiteenzet noch staaft.
- In de mate dat verzoeker besluit dat het herstellend effect van een eventueel vernietigingsarrest niet voldoende genoegdoening zal verschaffen, daar de schadelijke gevolgen voor zijn mentale welzijn en zijn reputatie dan in grote mate onomkeerbaar zullen zijn, komt verzoeker niet verder dan een algemene bewering die niet door concrete elementen wordt onderbouwd.
- Ter terechtzitting voert verzoeker voor het eerst ook een financieel nadeel aan, bestaande uit het maandelijkse verlies van een vergoeding als hondengeleider. Het zet uiteen dat hij nog wel de zorg draagt voor de hond, maar dat hij ingevolge de bestreden beslissing niet langer de maandelijkse vergoeding als hondengeleider ontvangt. Het inroepen van een financieel nadeel volstaat op zich niet om de behandeling bij spoedeisendheid te verantwoorden. Dit is uitzonderlijk anders als bijzondere redenen worden aangevoerd waaruit blijkt dat de omvang van dit financieel nadeel een zodanige impact heeft op de situatie van verzoeker dat hij deze niet kan dragen tot de uitspraak ten gronde. Uit de stavingsstukken die verzoeker bijbrengt, blijkt dat hij sinds de maand maart 2025 de vergoeding als hondenbegeleider niet langer ontvangt. Deze vergoeding bedraagt 157,84 euro netto per maand op een maandelijkse nettowedde van net geen 4000 euro per maand. Men kan bezwaarlijk voorhouden dat dit verlies van 157,84 euro per maand een zodanige impact heeft op de situatie van verzoeker dat hij deze niet kan dragen tot de uitspraak ten gronde. Verzoeker toont een dergelijke impact ook niet aan. Het door verzoeker aangehaalde financieel nadeel toont de spoedeisendheid van de vordering niet aan.
- Uit wat voorafgaat, volgt dat verzoeker niet aantoont dat er sprake is van spoedeisendheid. XII-9861-10/11 VII. Conclusie
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoeker niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op dertien juni tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Ann Coolsaet, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Ann Coolsaet XII-9861-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.591 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div