← België

Arrest 263637 - Wegenwezen - 18/06/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 juni 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.637 Rolnummer: Zaak: Arrest 263637 - Wegenwezen - 18/06/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-06-19 Raadplegingen: 84 - laatst gezien 2026-06-16 03:22 Fiche Arrest nr 263.637 van 18 juni 2025 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Wegenwezen Beslissing : Verwerping Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 263.637 van 18 juni 2025 in de zaken A. 237.757/X-18.276 (I) A. 240.883/X-18.544 (II) In zake : I + II

  1. M.D.
  2. P.B.
  3. M.D.
  4. S.D. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat John Toury kantoor houdend te 1800 Vilvoorde Jean Baptiste Nowélei 13 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : I + II
  5. de GEMEENTE SINT-KATELIJNE-WAVER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sven Vernaillen en Katrien Dams kantoor houdend te 2600 Antwerpen - Berchem Borsbeeksebrug 36 bij wie woonplaats wordt gekozen II
  6. het VLAAMSE GEWEST -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  7. Het beroep in de zaak A. 237.757/X-18.276 (hierna: de zaak sub I), ingesteld op 25 november 2022, strekt tot de nietigverklaring van: “- het Besluit van de gemeenteraad van de gemeente Sint-Katelijne-Waver van 26 september 2022 strekkende tot de vestiging van een publiek recht van doorgang en de opname van de stroken grond gelegen [tussen Lemanstraat en Wilsonstraat]; - het Besluit van het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente Sint-Katelijne-Waver van 12 september 2022 waarbij het college aan de gemeenteraad voorlegt om vast te stellen dat de stroken grond gelegen [tussen Lemanstraat en Wilsonstraat] door publiek gebruik zijn ingenomen […]”. X-18.276-1/14 Het beroep in de zaak A. 240.883/X-18.544 (hierna: de zaak sub II), ingesteld op 31 december 2023, strekt tot de nietigverklaring van: “het Ministerieel Besluit dd. 23 oktober 2023 betreffende het beroep tegen het besluit dd. 19 juni 2023 van de gemeenteraad van de gemeente Sint- Katelijne-Waver waarbij tot de definitieve vaststelling wordt overgegaan van het rooilijnplan […] voor de trage verbinding […] tussen de Wilsonstraat en de Lemanstraat”. II. Verloop van de rechtspleging
  8. In de zaak sub I heeft de verwerende partij een memorie van antwoord ingediend en hebben de verzoekende partijen een memorie van wederantwoord ingediend. In de zaak sub II hebben de verzoekende partijen een toelichtende memorie ingediend. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft in beide zaken een verslag opgesteld. In de zaak sub I hebben de verwerende partij en de verzoekende partijen een laatste memorie ingediend. In de zaak sub II hebben de verzoekende partijen en de eerste verwerende partij een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 maart
  9. Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht. Advocaat John Toury, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Katrien Dams, die verschijnt voor de verwerende partij in de zaak sub I en voor de eerste verwerende partij in de zaak sub II, zijn gehoord. X-18.276-2/14 Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  10. III. Feiten 3.
  11. In de gemeente Sint-Katelijne-Waver bevindt zich tussen de Lemanstraat en de Wilsonstraat een onbebouwd binnengebied. In dit binnengebied liggen graslanden, met aan de randen ervan een onverharde voetweg (de betrokken voetweg). De betrokken voetweg loopt over percelen waarvan de verzoekende partijen eigenaar en vruchtgebruiker zijn en heeft volgens de verzoekende partijen een privaat karakter. 3.
  12. Aangaande de betrokken voetweg, deelt de gemeente Sint- Katelijne-Waver met een brief van 26 juli 2022 aan de verzoekende partijen het volgende mee: “Wij verwijzen naar de gesprekken die de afgelopen twee jaar met jullie zijn gevoerd omtrent […] het openhouden van de ‘buurtweg’ omwille van het publiek karakter. Hieromtrent is de afgelopen maanden […] uitvoerig gecommuniceerd door de gemeente en in overleg gegaan met u en enkele aanpalende belanghebbenden. […] de gemeente [beoogt] alle veel gebruikte en veilige autoluwe verbindingen te bestendigen in de eerste plaats via minnelijke overleg. Uit verschillende meldingen die wij sinds afgelopen woensdag mochten ontvangen blijkt overduidelijk het veelvuldige ‘publieke’ gebruik door wandelaars en fietsers. Wij stellen samen met deze melders vast dat u op 20 juli ’22 ten onrechte een ‘buurtweg’ heeft afgesloten die sedert meer dan dertig jaar in publiek gebruik is. […] U kan ons best contacteren via de Juridische Dienst […] om een datum en uur af te spreken, u mag onze patrimoniumdeskundige D. M. ook rechtsreeks contacteren[;] u heeft al zijn gsm nummer uit eerdere contacten.” X-18.276-3/14 3.
  13. In een, mede namens de andere verzoekende partijen, aan de gemeente verstuurde brief van 29 juli 2022 zet eerste verzoeker zijn argumenten uiteen om te stellen dat de betrokken voetweg een private weg is, meer bepaald dat er in de voorgaande dertig jaar nooit sprake is geweest van enig deugdelijk open- baar gebruik nu de verzoekende partijen hun eigendom steeds afgesloten hebben en er steeds verbodsborden tot het betreden van hun eigendom aanwezig waren. Onderaan deze brief wordt het volgende vermeld: “Ik wil niet meer met [patrimoniumdeskundige D. M.] onderhandelen”. 3.
  14. Met een e-mail van 30 juli 2022 deelt de schepen van Omgeving, Patrimonium, Huisvesting en Toerisme van de gemeente Sint-Katelijne-Waver het volgende mee aan eerste verzoeker: “[patrimoniumdeskundige D. M.] blijft voor ons de contactpersoon vanuit de gemeente en overleg verloopt steeds via hem: hij kent het dossier door en door en het heeft geen zin om dit over te dragen aan anderen. Hij kent zijn vak en krijgt de volledige steun van het schepencollege in het opvolgen van dit dossier. Indien van uw zijde dit overleg niet kan plaats vinden om gelijk welke reden, zullen de volgende stappen van juridische aard zijn. Spijtig genoeg, want het is steeds de betrachting van onze diensten en de gemeente om tot een onderling akkoord te komen met onze inwoners.” 3.
  15. Met een besluit van 12 september 2022 beslist het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Katelijne-Waver (hierna: het collegebesluit) om als agendapunt aan de gemeenteraad voor te leggen het in aanmerking nemen van de betrokken voetweg als gemeenteweg op grond van artikel 13 van het decreet van 3 mei 2019 ‘houdende de gemeentewegen’ (hierna: het gemeentewegendecreet). 3.
  16. Met een besluit van 26 september 2022 neemt de gemeenteraad van de gemeente Sint-Katelijne-Waver de betrokken voetweg in aanmerking als gemeenteweg op grond van artikel 13 van het gemeentewegendecreet (hierna: het gemeenteraadsbesluit van 26 september 2022). X-18.276-4/14 3.
  17. Met een besluit van 27 maart 2023 stelt de gemeenteraad van de gemeente Sint-Katelijne-Waver het ontwerp van rooilijnplan voor de betrokken voetweg voorlopig vast (hierna: het gemeenteraadsbesluit van 27 maart 2023). 3.
  18. Van 19 april tot 22 mei 2023 wordt een openbaar onderzoek georganiseerd. 3.
  19. Met een besluit van 19 juni 2023 stelt de gemeenteraad van de gemeente Sint-Katelijne-Waver het rooilijnplan voor de betrokken voetweg definitief vast (hierna: het gemeenteraadsbesluit van 19 juni 2023). 3.
  20. Met een besluit van 23 oktober 2023 verwerpt de Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken het door de verzoekende partijen tegen het gemeenteraadsbesluit van 19 juni 2023 ingestelde bestuurlijk beroep (hierna: het ministerieel verwerpingsbesluit). IV. Samenhang
  21. Er is reden om de zaak sub I en de zaak sub II in het belang van een goede rechtsbedeling samen te voegen en over die beroepen in één arrest uitspraak te doen. V. Precisering van het voorwerp van het beroep in de zaak sub II
  22. Met het ministerieel verwerpingsbesluit heeft de bevoegde Vlaamse minister louter een vernietigings- en geen hervormingstoezicht uitgeoefend. Haar beslissing is niet in de plaats van het gemeenteraadsbesluit tot definitieve vaststelling van het rooilijnplan gekomen, maar heeft er zich aan toegevoegd. Rekening houdend met de aangevoerde middelen is er reden om, naast het ministerieel verwerpingsbesluit, ook de gemeenteraadsbeslissing van 19 juni 2023 tot het voorwerp van het beroep te rekenen. X-18.276-5/14 VI. Onderzoek van de middelen A. Het tweede middel in de zaak sub I Uiteenzetting van het middel 6.
  23. Het tweede middel in de zaak sub I is afgeleid uit de schending van de hoorplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. 6.
  24. De verzoekende partijen bekritiseren het feit dat zij voorafgaandelijk aan het gemeenteraadsbesluit van 26 september 2022 niet op de hoogte zijn gebracht van het voornemen van de gemeente om deze beslissing te nemen en niet in de gelegenheid zijn gesteld om hierover hun standpunt te doen kennen, meer bepaald dat er in de voorgaande dertig jaar nooit sprake is geweest van enig deugdelijk openbaar gebruik van de betrokken voetweg nu de verzoekende partijen hun eigendom steeds afgesloten hebben en er steeds verbodsborden tot het betreden van hun eigendom aanwezig waren. De verzoekende partijen beroepen zich op de rechtspraak van de Raad van State volgens welke diegenen die door een individuele beslissing op een negatieve wijze worden getroffen en als dusdanig een ernstig nadeel ondergaan, steeds voorafgaandelijk gehoord dienen te worden. Indien de Raad van State niet overtuigd zou zijn van de gevolgen die de verzoekende partijen uit de aangevoerde beginselen trekken, stellen zij voor om over artikel 13 van het gemeentewegendecreet een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof. X-18.276-6/14 Beoordeling 7.
  25. Artikel 13 van het gemeentewegendecreet stelt: “§
  26. Grondstroken waarvan met enig middel van recht bewezen wordt dat ze gedurende de voorbije dertig jaar door het publiek werden gebruikt, kunnen in aanmerking komen als gemeenteweg. […] §
  27. De gemeenteraad die op eigen initiatief of op grond van een verzoekschrift vaststelt dat een grondstrook gedurende de voorbije dertig jaar door het publiek gebruikt werd, belast het college van burgemeester en schepenen met de opmaak van een rooilijnplan, en met de vrijwaring en het beheer van de weg overeenkomstig de in dit decreet opgenomen instrumenten en handhavingsbevoegdheden. De vaststelling door de gemeenteraad van een dertigjarig gebruik door het publiek heeft van rechtswege de vestiging van een publiek recht van doorgang tot gevolg. […].” 7.
  28. Zoals in herinnering is gebracht in ’s Raads arrest nr. 253.704 van 10 mei 2022, dient de gemeenteraad, wanneer hij op grond van artikel 13, §§ 1 en 2, van het gemeentewegendecreet een grondstrook in aanmerking neemt als gemeenteweg, het algemeen belang in acht te nemen en moet hij onder meer nagaan of de grondstrook past in een uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening doordacht wegennet. Een besluit waarin de gemeenteraad een dertigjarig gebruik door het publiek vaststelt, heeft krachtens artikel 13, § 2, tweede lid, van het gemeente- wegendecreet de vestiging van een publiek recht van doorgang tot gevolg.
  29. Als zodanig is de hoorplicht niet van toepassing bij het tot stand brengen van een reglementaire akte, zoals een gemeenteraadsbesluit tot inaanmerkingneming op grond van artikel 13, §§ 1 en 2, van het gemeentewegen- decreet er – gelet op de in het vorige randnummer vermelde kenmerken – een is. Het is evenwel terecht dat de verzoekende partijen aanvoeren dat te dezen uit het zorgvuldigheidsbeginsel voor de gemeente de verplichting volgde om – voorafgaand aan het gemeenteraadsbesluit van 26 september 2022 – de X-18.276-7/14 belanghebbenden te consulteren en aldus voldoende informatie in te winnen over de reële situatie ter plaatse en de op het spel staande belangen (hierna: de consultatieplicht). In dat verband kan worden verwezen naar het arrest nr. 130/2021 van 7 oktober 2021 van het Grondwettelijke Hof (overweging B.24.6). Uit hetgeen voorafgaat volgt dat het niet nodig is dit Hof prejudicieel te ondervragen.
  30. Te dezen moet worden vastgesteld dat de gemeente Sint- Katelijne-Waver voldaan heeft aan de op haar rustende consultatieplicht. De verzoekende partijen betwisten immers niet dat er – zoals de gemeente in haar brief van 26 juli 2022 heeft meegedeeld – “de afgelopen twee jaar” met hen gesprekken zijn gevoerd en dat de gemeente over het publiek karakter van de betrokken voetweg “de afgelopen maanden […] uitvoerig gecommuniceerd [heeft en met de verzoekende partijen] in overleg [is] gegaan” (randnr. 3.2). Voorts blijkt dat de verzoekende partijen in de brief aan de gemeente van 29 juli 2022 hun argumenten uiteen hebben gezet om te stellen dat de betrokken voetweg een private weg is (randnr. 3.3). Na deze brief heeft de gemeente de verzoekende partijen (opnieuw) uitgenodigd om te overleggen (randnr. 3.4), doch op dit aanbod blijkt niet meer te zijn ingegaan.
  31. De conclusie is dat de verzoekende partijen geen schending van de aangevoerde rechtsregels aannemelijk maken. Het middel wordt verworpen. B. Het eerste middel in de zaak sub I Uiteenzetting van het middel 11.
  32. Het eerste middel in de zaak sub I is genomen uit de schending van artikel 4 in samenhang met artikel 13 van het gemeentewegendecreet, evenals X-18.276-8/14 van het motiverings-, het rechtszekerheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. 11.
  33. In het eerste middelonderdeel bekritiseren de verzoekende partijen dat bij het nemen van het gemeenteraadsbesluit van 26 september 2022 de exacte grenzen van het tracé van de betrokken voetweg nog niet waren bepaald. In dit besluit is immers nergens in concrete cijfers de breedte van de betrokken voetweg vermeld. Dat is geen evidentie daar deze voetweg onverhard is “en bovendien op verschillende plaatsen een verschillende breedte heeft”. 11.
  34. In het tweede middelonderdeel stellen de verzoekende partijen dat het gemeenteraadsbesluit van 26 september 2022 geen motivering bevat waaruit blijkt dat de betrokken voetweg past in een uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening doordacht wegennet. Er worden enkel algemeenheden vermeld die voor elk tracé gelden. Er is geen aandacht besteed aan de omgeving die uit soortenrijk permanent cultuurlandschap bestaat. Er heeft ook geen belangenafweging plaatsgevonden, terwijl de verzoekende partijen terecht vrezen voor het verder betreden van hun eigendom, het achterlaten van zwerfvuil, lawaai en vandalisme. Beoordeling
  35. Wat het eerste middelonderdeel betreft, moet worden opgemerkt dat de betrokken voetweg een bestaande weg is die op het terrein waarneembaar is. Er bestaat geen enkele onduidelijkheid over de plaats waar deze voetweg ligt, noch over het feit dat de grondstrook waarop het gemeenteraadsbesluit van 26 september 2022 betrekking heeft, de wegzate is van deze bestaande voetweg. Anders dan de verzoekende partijen blijkbaar menen, is het voor de wettigheid van een gemeenteraadsbesluit tot inaanmerkingneming op grond van artikel 13, §§ 1 en 2, van het gemeentewegendecreet, niet vereist dat het admini- stratief dossier een grafisch plan met de exacte grenzen van de weg zou bevatten. Ten overvloede kan erop worden gewezen dat de exacte grenzen van de betrokken X-18.276-9/14 voetweg aangeduid zijn op de grafische rooilijnplannen die horen bij het gemeente- raadsbesluit van 27 maart 2023 en het gemeenteraadsbesluit van 19 juni 2023 en dat de verzoekende partijen niet betwisten dat deze rooilijnplannen correct zijn. Het eerste middelonderdeel wordt verworpen.
  36. Wat het tweede middelonderdeel betreft, moet vooreerst in herinnering worden gebracht dat de beoordeling van opportuniteitskritiek niet behoort tot de bevoegdheid van de Raad van State, die een wettigheidsrechter is. Voorts moet worden vastgesteld dat de motivering van het gemeenteraadsbesluit van 26 september 2022 wel degelijk specifiek ingaat op de rol van de betrokken voetweg in het gemeentelijke wegennet, waarbij er aandacht is besteed aan de ruimtelijke omgeving. Zo wordt uiteengezet dat de betrokken voetweg ertoe strekt voetgangers en fietsers toe te laten op een veilige manier naar het dorp en het rust- en verzorgingscentrum te gaan, zonder in conflict te moeten komen met gemotoriseerd verkeer. Gesteld wordt dat de zwakke weggebruikers dankzij deze voetweg de drukte van het centrum kunnen vermijden. Er wordt op gewezen dat de voetweg aansluit op het zebrapad over de aanpalende straat zodat er toegang kan worden genomen op een plaats waar de auto’s traag rijden omdat ze voorrang moeten verlenen. Er wordt ook aangegeven dat het gebruik als wandelweg past bij de in het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan voorziene doelstelling om aan dit binnengebied een groene invulling te geven in aansluiting op de achterliggende bossen. De verzoekende partijen slagen er niet in deze motivering te ontkrachten. Mede in het licht van het in randnummer 9 gestelde, maken zij evenmin aannemelijk dat er onvoldoende rekening zou zijn gehouden met hun belangen. Daar de verzoekende partijen niet overtuigen van een schending van de aangevoerde rechtsregels wordt ook het tweede middelonderdeel verworpen. X-18.276-10/14 C. Het derde middel in de zaak sub I Uiteenzetting van het middel 14.
  37. Het derde middel in de zaak sub I is genomen uit de schending van het motiverings- en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur in samenhang met artikel 16 van de Grondwet, artikel 1 van het eerste (aanvullend) protocol van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 13 van het gemeentewegendecreet. 14.
  38. In het eerste middelonderdeel bekritiseren de verzoekende partijen de in de bestreden besluiten ingenomen stelling dat de betrokken voetweg sedert meer dan dertig jaar door het publiek wordt gebruikt. De beweringen van een dertigjarig gebruik zijn onjuist en worden tegengesproken door de feitelijkheden van het dossier. 14.
  39. In het tweede middelonderdeel stellen de verzoekende partijen dat de gemeenteraad te dezen gevat is door het collegebesluit. Het gemeentewegen- decreet voorziet echter niet in de mogelijkheid dat de gemeenteraad een beslissing neemt op verzoek van het college van burgemeester en schepenen. Volgens de verzoekende partijen is artikel 13 van het gemeentewegendecreet geschonden doordat de gemeenteraad geenszins op eigen initiatief heeft gehandeld en er ook geen verzoekschrift van derden voorligt. Beoordeling
  40. Het eerste middelonderdeel betwist het standpunt van de gemeenteraad dat er sprake is van het in artikel 13 van het gemeentewegendecreet bedoelde dertigjarig gebruik door het publiek van de betrokken grondstrook. Er dient evenwel te worden vastgesteld dat een dergelijke betwisting een burgerlijk recht in de zin van artikel 144, eerste lid, van de Grondwet betreft, zodat het aan de justitiële rechter – en niet aan de Raad van State – toekomt om erover te oordelen. X-18.276-11/14 Daaruit volgt dat het eerste middelonderdeel niet ontvankelijk is.
  41. Wat het tweede middelonderdeel betreft, moet worden opgemerkt dat de woordengroep “op eigen initiatief” in artikel 13, § 2, eerste lid, van het gemeentewegendecreet (randnr. 7.1) staat tegenover de woordengroep “op grond van een verzoekschrift” en dat uit de eerstgenoemde woordengroep niet voortvloeit dat de algemene regeling inzake het voorbereiden van de beslissingen van de gemeenteraad buiten werking zou zijn gesteld. Daar het collegebesluit louter toepassing maakt van deze algemene regeling, wordt het middelonderdeel verworpen. D. De middelen in de zaak sub II Uiteenzetting van de middelen 17.
  42. Het eerste en het tweede middel in de zaak sub II zijn genomen uit de schending van de artikelen 4, 11, 13 en 25, § 2, van het gemeentewegendecreet en van artikel 159 van de Grondwet, evenals van de hoorplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. 17.
  43. In hun toelichting bij het eerste middel verwijzen de verzoekende partijen naar het eerste onderdeel van het derde middel in de zaak sub I (randnr. 14.2). Zij herhalen hun kritiek dat het gemeenteraadsbesluit van 26 september 2022 ten onrechte vaststelt dat de betrokken voetweg sedert meer dan dertig jaar door het publiek wordt gebruikt. De beweringen van een dertigjarig gebruik zijn onjuist en worden tegengesproken door de feitelijkheden van het dossier. Deze kritiek mocht in het ministerieel verwerpingsbesluit niet als onontvankelijk worden verworpen. 17.
  44. In hun toelichting bij het tweede middel wijzen de verzoekende partijen erop dat de exacte nummers van alle betrokken kadastrale percelen pas opgenomen zijn in het rooilijnplan en niet vermeld worden in het X-18.276-12/14 gemeenteraadsbesluit van 26 september
  45. Zij herhalen de kritiek uit het eerste onderdeel van het eerste middel in de zaak sub I (randnr. 11.2) dat bij het nemen van het laatstgenoemde gemeenteraadsbesluit ten onrechte de exacte grenzen van het tracé van de betrokken voetweg nog niet waren bepaald. 17.
  46. De verzoekende partijen menen dat het gemeenteraadsbesluit van 26 september 2022 op grond van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing moet worden gelaten, wat de wettigheid van het gemeenteraadsbesluit van 19 juni 2023 aantast. 17.
  47. In hun laatste memorie voegen de verzoekende partijen “[l]outer ter volledigheid” toe dat zij een procedure voor de vrederechter hebben opgestart ”teneinde aan te tonen dat er van enig (aangetoond) 30 jarig gebruik, geen sprake is”. Beoordeling
  48. Het uitgangspunt van de aangevoerde middelen is dat het eerste onderdeel van het derde middel in de zaak sub I en het eerste onderdeel van het eerste middel in de zaak sub I gegrond zijn. Daar deze middelonderdelen hiervoor verworpen zijn, overtuigen de verzoekende partijen niet van de juistheid van hun uitgangspunt. Het enkele feit dat de kritiek van de verzoekende partijen in verband met het dertigjarig gebruik onontvankelijk is bevonden in het ministerieel verwerpingsbesluit kan – in het licht van het gestelde in de randnummers 15 en 17.5 – geen nietigverklaring verantwoorden.
  49. De middelen worden verworpen. X-18.276-13/14 VII. Conclusie
  50. Gelet op de verwerping van de aangevoerde middelen hiervoor, moeten de beroepen hoe dan ook worden verworpen. BESLISSING
  51. De zaken A 237.757/X-18.276 en A 240.883/X-18.544 worden gevoegd.
  52. De Raad van State verwerpt het beroep.
  53. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van de beroepen tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 1.600 euro, een bijdrage van 48 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 1540 euro, die verschuldigd is aan de gemeente Sint-Katelijne-Waver. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op achttien juni tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Jan Clement, kamervoorzitter, Stephan De Taeye, staatsraad, David D’Hooghe, staatsraad, bijgestaan door Karin Meerschaut, griffier. De griffier De voorzitter Karin Meerschaut Jan Clement X-18.276-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.637 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.