← België

Arrest 263657 - Dierenwelzijn - 20/06/2025

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 juni 2025 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.657 Rolnummer: A. 241904/XII-9684 Zaak: Arrest 263657 - Dierenwelzijn - 20/06/2025 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2025-06-26 Raadplegingen: 80 - laatst gezien 2026-06-16 03:24 Fiche Arrest nr 263.657 van 20 juni 2025 Sociale zaken en volksgezondheid - Dierenwelzijn Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 263.657 van 20 juni 2025 in de zaak A. 241.904/XII-9684 In zake : G.M. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Xander Krijntjes kantoor houdend te 3050 Oud-Heverlee Waversebaan 134A bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steve Ronse en Deborah Smets kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 13 mei 2024, strekt tot de nietigverklaring van de bestemmingsbeslissing van 13 maart 2024 van het Departement Omgeving, Dierenwelzijn Vlaanderen, Inspectie Dierenwelzijn na inbeslagname van 2 honden en 1 konijn. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Anja Somers heeft een verslag opgesteld. XII-9684-1/18 Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 24 april
  3. Staatsraad Frédéric Vanneste heeft verslag uitgebracht. Advocaat Xander Krijntjes, die verschijnt voor verzoeker partij, en advocaat Niels Lemaire, die loco advocaten Steve Ronse en Deborah Smets verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Op 1 februari 2024 wordt er een controle uitgevoerd op het adres van verzoeker naar aanleiding van een anonieme klacht. De vaststellingen worden weergegeven in het navolgend PV 000641/24 van 2 februari
  6. Er worden twee honden en één konijn in beslag genomen. In het proces-verbaal wordt ook het verslag van de dierenarts opgenomen. 3.
  7. Op 20 februari 2024 wordt verzoeker verhoord. Tijdens het verhoor verklaart verzoeker dat hij het konijn niet meer terug wil. 3.
  8. Op 13 maart 2024 worden de hond en het konijn in toepassing van artikel 42, § 2, van de wet van 14 augustus 1986 ‘betreffende de bescherming XII-9684-2/18 en welzijn der dieren’ (hierna: wet van 14 augustus 1986) in volle eigendom gegeven aan het erkend asiel waar de dieren verblijven. De beslissing is als volgt gemotiveerd: “BESTEMMING Dossiernummer: G-24-0579 Heden, 13 maart 2024 Wij, [L.G.], Afdelingshoofd van de Afdeling Dierenwelzijn van het Departement Omgeving, woonst verkiezend te Koning Albert Il laan 20, bus 8 - 1000 Brussel en handelend krachtens de bevoegdheid mij verleend' bij de wet van 14/08/1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren beteken hierbij de beslissing genomen in toepassing van artikel 42 §2 van deze wet. BETROKKENE [M.G.] HISTORIEK LE.63.LD.000166/2017 en navolgend PV met nummer 001093/17: Controle dd. 13/1/2017: ➢ De woning bevindt zich in een onhygiënische toestand; ➢ In de woning bevinden zich 5 volwassen honden en 5 pups; 2 niet- geïdentificeerde pups werden gratis weggeven; ➢ Betrokkene doet afstand van 4 pups; ➢ 2 volwassen honden zijn niet van betrokkene, maar verblijven er slechts tijdelijk; ➢ Er worden maatregelen opgelegd over de huisvesting en verzorging van de overgebleven honden; Controle dd. 24/3/2017: ➢ Tijdens de controle worden er 3 volwassen honden. 1 juniorpup en 1 kat aangetroffen; ➢ De toestand van de woning is verbeterd; ➢ Maatregelen over de huisvesting van de dieren opgelegd; G-17-819/AWF/AnS: Controle dd. 26/10/2017: inbeslagname 2 volwassen honden wegens onaangepaste huisvesting en verzorging. De honden werden toegewezen aan het asiel. Op 1 februari 2024 werden op hierboven genoemd adres 2 honden en een konijn in toepassing van art. 42 §1 van de wet van 14/08/1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren, administratief in beslag genomen en in afwachting van de bestemmingsbeslissing overgebracht naar een erkend dierenasiel. De vaststellingen werden geacteerd in proces-verbaal met nummer LE.63.LD.000640/
  9. BESTEMMING De hond met chipnummer […] en konijn worden, in toepassing van artikel 42 ,§ 2, van de wet van 14/08/1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren, in volle eigendom gegeven aan het erkend asiel waar hij momenteel verblijft. De bestemming van de hond met chipnummer […] maakt deel uit van een andere bestemmingsbeslissing aangezien deze hond eigendom is van een andere eigenaar. Overeenkomstig artikel 42, §5, van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren, is de betrokkene aan de afdeling XII-9684-3/18 Dierenwelzijn een vergoeding verschuldigd voor de kosten verbonden aan de inbeslagname en de bestemming van de hond en konijn. MOTIVATIE VAN DE BESLISSING De vaststellingen en foto's d.d. 1/2/2024 geacteerd in PV LE.63.LD.000640/2024: ➢ Betrokkene woont in een woning dewelke hij al jaren kraakt; ➢ De woning is in verval en omgeven door een lage omheining en ijzeren poort; ➢ Betrokkene is niet aanwezig tijdens de controle; ➢ Het terras, tuin en kennel liggen vol met rommel, afval en vuil; ➢ Ondanks de open lucht, komt een indringende geur van urine en uitwerpselen tegemoet; ➢ In de kennel zitten 2 honden tussen de rommel, afval en vuiligheid; ➢ Beide honden vertonen angstig gedrag; ➢ De lichtkleurige Mechelaar vertoont kale plekken op zijn rug, hals, poten en staart; ➢ Op een bankje staan 3 eetbakken met restanten van eten en op een lage kast een drinkbak met een bodem drinkwater; ➢ Via de kennel is er toegang tot een bijgebouw waar kapotte matrassen op de grond liggen en vuile met urine doorweekte dekens; ➢ De geur in de kennel en bijgebouw is zeer intens; ➢ In het bijgebouw staat een konijnenhok met 1 konijn; in het hok ligt een dikke laag uitwerpselen; het konijn heeft korrels en wortels ter beschikking. maar geen drinkwater; het konijn heeft zeer lange nagels; ➢ Er staat een boodschappentas met uitwerpselen op de grond; ➢ Via de venster zien we dat er zich mogelijks een kat in de woning bevindt, want er staat een kattenbak en andere spullen voor een kat; we zijn echter niet in het bezit van een visitatiemachtiging en zullen op een later tijdstip terugkomen om nazicht te doen van de kat; ➢ Gezien de omstandigheden worden de dieren in beslag genomen en overgebracht naar het politiekantoor te Sint-Joris-Weert; ➢ De overbrenging verloopt zonder problemen; ➢ De Boxer heeft een waterige stoelgang; Wat erop wijst dat de dieren niet werden gehouden volgens hun fysiologische en ethologische behoeften, waardoor hun welzijn ernstig werd geschaad. De historiek Uit de historiek blijkt dat de feiten zich herhalen en dat betrokkene reeds meerdere waarschuwingen gekregen heeft waaraan hij onvoldoende gevolg gegeven heeft, waardoor het opleggen van bijkomende maatregelen geen zin heeft; Het verhoor van betrokkene [M.] op 20/2/2024 waarin hij onderstaande verklaart: ➢ De hond van [K.] bevindt zich sinds november 2023 bij hem; ➢ Het konijn heeft hij 3 jaar geleden van [K.] overgenomen omdat ze hem niet meer wou; ➢ In de keuken stonden er 4 grote zakken eten en ook potten met nat eten; ➢ De honden verblijven enkel in de kennel als hij weg is; anders doen de honden pipi en moet hij dat opkuisen; ➢ Het was 3 à 4 dagen geleden dat hij de kennel nog had gekuist; ➢ Het was 10 dagen geleden dat hij het konijnenhok nog had gekuist, dat had hij inderdaad moeten doen; XII-9684-4/18 ➢ Hij heeft foto's gestuurd naar zijn dierenarts van de kale plekken en de dierenarts had gezegd dat dit een allergie was; hij is niet naar een dierenarts geweest; ➢ Hij heeft [K.] verschillende keren gezegd dat ze haar hond moest komen halen, maar dat heeft ze niet gedaan; ze kwam één keer per week naar haar hond en bleef dan 10 à 15 minuten; als de hond vrij in tuin was, ontsnapte hij en ging hij naar haar huis; dan bleef hij 2 à 3 dagen bij haar totdat ze belde dat ik hem moest gaan halen; ➢ [K.] haar gezondheid is achteruit gegaan; ze heeft botkanker en moet elke week naar het ziekenhuis; haar gezondheid laat het niet toe om een hond te hebben; ➢ Zijn hond eet niet als hij niet wil; hij eet niet veel; ➢ Hij doet afstand van het konijn, maar wil zijn hond terug; Betrokkene doet in zijn verhoor geen concrete voorstellen om de leefomstandigheden en verzorging van de hond te verbeteren; Betrokkene ziet de ernst van de vaststellingen niet in; Op 5 maart 2024 voert de lokale politie PZ Voer en Dijle en hercontrole uit bij betrokkene; de toestand van de kennel is ongewijzigd ten opzichte van de controle op 1 februari 2024: Het dierenartsverslag van het asiel waaruit blijkt dat: ➢ Milo met chipnummer […]: oBCS: 1/5; dier is zeer mager; oVacht is zeer dof; verschillende kale plekken thv neus, hals, de ganse staart, voor- en achterpoten; oIndringende geur van urine; oRibben en werveluitsteeksels duidelijk voelbaar; ➢ Konijn: oAlgemeen in goede gezondheid; oNagels zijn extreem lang, nl. 5 cm, ze krullen al om; Wat er op wijst dat betrokkene heeft nagelaten zijn dieren de nodige algemene en medische zorgen te bieden waardoor de dieren gedurende een ruime periode fysiek geleden hebben; De feiten zijn ernstig en betrokkene lijkt zich hiervan weinig bewust te zijn Betrokkene toont gebrek aan inzicht in de noden en behoeften van de hond en het konijn; Betrokkene toont een doorgedreven hardleersheid en wil zich niet aanpassen aan de algemeen aanvaarde norm voor het dierenwelzijn in onze maatschappij; Uit bovenstaande blijken onvoldoende garanties dat het welzijn van de dieren gewaarborgd kan worden, waardoor een teruggave onverantwoord zou zijn; De kosten voor opvang en verzorging blijven oplopen.” Dit is de bestreden beslissing. XII-9684-5/18 IV. Ontvankelijkheid van het beroep Belang Standpunt van de partijen
  10. De verwerende partij werpt op dat het beroep niet ontvankelijk is voor wat het konijn betreft. Verzoeker heeft afstand gedaan van het konijn tijdens het verhoor. Bovendien werd het dier geadopteerd.
  11. In de memorie van wederantwoord zet verzoeker uiteen dat hij zijn dieren graag terugwenst. De emotionele band staat vast en de beslissing schaadt het leven van verzoeker en treft hem persoonlijk. Beoordeling
  12. Er wordt niet betwist dat verzoeker mondeling afstand heeft gedaan van het in beslag genomen konijn tijdens het verhoor van 20 februari
  13. Verzoeker heeft aldus het in beslag genomen konijn ten kosteloze titel afgestaan in de zin van artikel 3, 8°, van de wet van 14 augustus
  14. Verzoeker is sindsdien niet langer de eigenaar van het konijn. Het feit dat het in beslag genomen konijn door het nemen van de bestreden beslissing in volle eigendom wordt gegeven door de verwerende partij aan het erkend asiel waar ze verblijven, doet aan die vaststelling niets af. De vernietiging van de bestreden beslissing kan er onmogelijk nog toe leiden dat het konijn aan verzoeker wordt teruggegeven. Nu verzoeker zijn belang bij het beroep steunt op de mogelijkheid dat het konijn, na de vernietiging, zou worden teruggegeven en hij het eigendomsrecht over het konijn zou terugkrijgen, blijkt dat dit belang niet actueel is. Verzoeker heeft geen belang om de bestreden beslissing aan te vechten wat het konijn betreft. XII-9684-6/18 V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  15. In een eerste middel voert de verzoeker de schending aan van de artikelen 1, 4 en 42 van de wet van 14 augustus
  16. Verzoeker benadrukt met verwijzing naar artikel 1 van de wet van 14 augustus 1986 dat “de inbeslaggenomen dieren op geen enkel ogenblik zonder noodzaak zijn omgekomen, een verminking, letsels of pijn hebben moeten doorstaan.” De inbeslagname is derhalve niet verantwoord en de bestemmings- beslissing dient te worden vernietigd. Er kunnen volgens verzoeker geen schendingen op het vlak van artikel 4 van de wet van 14 augustus 1986 in hoofde van verzoeker worden vastgesteld. De dieren verkeerden in een gezonde toestand en waren gelukkig. De inbeslagname is disproportioneel en de beslissing dient te worden vernietigd. Verder zet verzoeker uiteen dat hij nooit klachten heeft gekregen. De dieren hadden voldoende eten en zijn nooit iets tekortgekomen. De dieren werden tijdig gevaccineerd. De kale plekken van de hond hebben volgens verzoeker te maken met een allergie en niet met de leefomstandigheden. De toestand is een momentopname. Verzoeker zet uiteen dat het incident uit 2017 uit de context is getrokken. De toestand van de woning valt te verklaren door renovatiewerken. Verzoeker heeft een alternatievere levensstijl, maar dit is geen dierenmishandeling. De dieren zitten enkel in de kennel als verzoeker weg is. De bestreden beslissing is volgens verzoeker gericht op bestraffing, hetgeen haaks staat op de doelstelling van de wetgeving inzake dierenwelzijn. In de memorie van wederantwoord herneemt verzoeker het middel. In het verzoek tot voortzetting beschouwt de verzoeker zijn argumentatie als reeds neergelegd. XII-9684-7/18 Beoordeling
  17. In zoverre het middel kritiek uit op de beslissing tot inbeslagname heeft het middel geen betrekking op de bestreden beslissing, namelijk de bestemmingsbeslissing, en kan het middel niet tot de nietigverklaring leiden van de bestreden beslissing. Het middel is in die mate niet-ontvankelijk.
  18. In zoverre verzoeker de schending aanvoert van artikel 1 van de wet van 14 augustus 1986, volstaat de vaststelling dat de bestreden beslissing niet is gesteund op voornoemde bepaling, maar op de vaststelling dat de dieren niet werden gehouden volgens hun fysiologische en ethologische behoeften zoals vereist door artikel 4 van de wet van 14 augustus
  19. De uiteenzetting dat de inbeslaggenomen dieren “op geen enkel ogenblik zonder noodzaak zijn omgekomen, een verminking, letsels of pijn hebben moeten doorstaan”, kan niet tot de nietigverklaring leiden van de bestreden beslissing.
  20. Verzoeker voert aan dat er geen schending van artikel 4 van de wet van 14 augustus 1986 kan worden vastgesteld in zijnen hoofde. Hij probeert om de vaststellingen te ontkennen of te weerleggen. Artikel 4, §§ 1 en 2, van de wet van 14 augustus 1986 luidde ten tijde van de bestreden beslissing: “§1 Ieder persoon die een dier houdt, verzorgt of te verzorgen heeft, moet de nodige maatregelen nemen om het dier in overeenstemming met zijn aard, zijn fysiologische en ethologische behoeften, zijn gezondheidstoestand en zijn graad van ontwikkeling, aanpassing of domestikatie, aangepaste voeding, verzorging en huisvesting te verschaffen. §2 Niemand mag de bewegingsvrijheid van het dier dat hij houdt, verzorgt of te verzorgen heeft, zodanig beperken dat het aan vermijdbare pijnen, lijden of letsels is blootgesteld. Wanneer een dier gewoonlijk of voortdurend wordt vastgemaakt of opgesloten, moet het voldoende ruimte en bewegingsvrijheid krijgen, in overeenstemming met zijn fysiologische en ethologische behoeften.” XII-9684-8/18 In de bestreden beslissing wordt verwezen naar diverse vaststellingen en foto’s die in een proces verbaal werden opgenomen en die erop wijzen dat de dieren niet werden gehouden volgens hun fysiologische en ethologische behoeften. Verzoeker spreekt deze vaststelling tegen, zonder enig tegenbewijs te leveren. Zoals uit het volgende randnummer blijkt, weerleggen de argumenten van verzoeker de vaststellingen in het dierenartsenverslag niet. Verzoeker toont geen schending aan van artikel 4 van de wet van 14 augustus
  21. Overeenkomstig artikel 42, § 1, van de wet van 14 augustus 1986 volstaan inbreuken op het artikel 4, § 1, van dezelfde wet om de beslissing tot inbeslagname te verantwoorden. Artikel 42, § 2, stelt dat de dienst de bestemming bepaalt van het dier dat overeenkomstig paragraaf 1 in beslag werd genomen. De verwerende partij heeft de beslissing tot bestemming onder meer gebaseerd op de volgende elementen: -Uit de historiek blijkt dat de feiten zich herhalen en dat verzoeker reeds meerdere waarschuwingen gekregen heeft waaraan hij onvoldoende gevolg gegeven heeft, waardoor het opleggen van bijkomende maatregelen geen zin heeft. -Verzoeker doet in zijn verhoor geen concrete voorstellen om de leefomstandigheden en verzorging van de hond te verbeteren. Verzoeker ziet de ernst van de vaststellingen niet in. Op 5 maart 2024 voert de lokale politie PZ Voer en Dijle een hercontrole uit bij verzoeker; de toestand van de kennel is ongewijzigd ten opzichte van de controle op 1 februari
  22. -Het dierenartsverslag waaruit blijkt dat verzoeker heeft nagelaten zijn dieren de nodige algemene en medische zorgen te bieden, waardoor de dieren gedurende een ruime periode fysiek geleden hebben. - De feiten zijn ernstig en verzoeker lijkt zich hiervan weinig bewust te zijn. -Verzoeker toont gebrek aan inzicht in de noden en behoeften van de hond en het konijn. -Verzoeker toont een doorgedreven hardleersheid en wil zich niet aanpassen aan de algemeen aanvaarde norm voor het dierenwelzijn in onze maatschappij. XII-9684-9/18 Op basis hiervan besluit de verwerende partij dat er onvoldoende garanties blijken dat het welzijn van de dieren gewaarborgd kan worden waardoor een teruggave onverantwoord zou zijn. De beweringen van verzoeker dat hij nooit klachten heeft vernomen, de hond goed gevoed en gevaccineerd werd en de hond een allergie heeft, weerleggen de vaststellingen in het dierenartsenverslag niet waaruit blijkt dat de dieren niet de nodige algemene en medische zorgen kregen. Uit de hercontrole blijkt dat de toestand van de kennel ongewijzigd is en dat er geen sprake is van een momentopname. Het incident uit 2017 heeft niet rechtstreeks geleid tot de bestreden beslissing. De toestand van de tuin, het terras, de kennel en het bijgebouw (rommel, afval, vuil, kapotte matrassen, met urine doorweekte matrassen) waarbij vastgesteld wordt dat verzoeker geen concrete voorstellen doet om de leefomstandigheden te verbeteren en het gegeven dat er bij hercontrole wordt vastgesteld dat de toestand van de kennel ongewijzigd is, kan niet verklaard worden door renovatiewerken die aan de gang zijn of een alternatievere levensstijl. De mening dat de hond gezond en gelukkig is, getuigt van een eigen visie maar weerlegt de vaststellingen niet. Uit de bestreden beslissing blijkt dat deze genomen werd omdat er onvoldoende garanties zijn dat het welzijn van de dieren gewaarborgd kan worden, waardoor een teruggave onverantwoord zou zijn. De beslissing strekt ertoe een bestemming aan de dieren te geven waarbij het welzijn van de dieren gewaarborgd wordt. Er is geen sprake van bestraffing van verzoeker. Verzoeker toont geen schending aan van artikel 42 van de wet van 14 augustus
  23. Het eerste middel is ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  24. In een tweede middel voert verzoeker de schending aan van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, de hoorplicht, het zorgvuldigheids- XII-9684-10/18 beginsel, het vertrouwensbeginsel, het redelijkheidsbeginsel, het evenredigheids- beginsel en de motiveringsplicht. Verzoeker zet uiteen dat de dieren in beslag werden genomen zonder dat hem de mogelijkheid werd geboden dit beslag te vermijden of zijn standpunt uiteen te zetten. Aldus ligt er volgens verzoeker een schending van de hoorplicht voor en dient de bestemmingsbeslissing te worden vernietigd. Verzoeker voert in het verzoekschrift eveneens aan dat hij geen inzage heeft gekregen in het dossier. Het zorgvuldigheidsbeginsel werd volgens verzoeker geschonden omdat er geen rekening werd gehouden met de volgende elementen: - Het feit dat verzoeker voldoende eten en drinken voorzag voor de dieren. - Er werd geen contact opgenomen met de behandelende dierenarts. - De feiten van 2017 staan geheel los van de onderhavige feiten. - Zonder visitatiemachtiging kon geen sluitende beoordeling gemaakt worden van de leefomgeving van de dieren. Het vertrouwensbeginsel werd geschonden omdat verzoeker voorafgaandelijk geen enkele klacht heeft ontvangen en hij dus zekere verwachtingen mocht koesteren ten aanzien van het bestuur. Volgens verzoeker schendt de bestreden beslissing het redelijkheidsbeginsel. Het bestuur had in samenspraak met verzoeker maatregelen dienen te bespreken. Mocht er al een schending van het welzijn van de dierenvoorliggen dan is deze niet gelegen in het handelen van verzoeker doch eerder in de leefomgeving. Verzoeker herneemt het middel in de memorie van wederantwoord met uitzondering van de bewering dat hij geen inzage kreeg in het dossier. In het verzoek tot voortzetting beschouwt verzoeker zijn argumentatie als reeds neergelegd. XII-9684-11/18 Beoordeling
  25. Verzoeker voert de schending aan van de hoorplicht in het kader van de beslissing tot inbeslagname. Dit is echter niet de bestreden beslissing. De beslissing tot inbeslagname maakt niet het voorwerp uit van het verzoekschrift en werd door verzoeker niet aangevochten. Het middel is in die mate niet-ontvankelijk.
  26. De verwerende partij merkt in de memorie van antwoord terecht op dat het proces-verbaal – met inbegrip van de vaststellingen – aan hem werd overgemaakt. Verzoeker herneemt noch in de memorie van wederantwoord noch in de laatste memorie de bewering dat hij geen inzage kreeg in het dossier. In die omstandigheid kan uit de proceshouding van verzoeker worden afgeleid dat hij van dit argument afstand heeft gedaan.
  27. Krachtens het zorgvuldigheidsbeginsel moet elk bestuur zich gedragen zoals een voorzichtig en redelijk handelend bestuur, geplaatst in dezelfde omstandigheden. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt onder meer in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. Het bestuur is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat het met kennis van zaken kan beslissen. Het komt aan verzoeker toe om met concrete gegevens aannemelijk te maken dat de handelwijze van het bestuur niet doet blijken van het vereiste zorgvuldig handelen. Het formuleren door verzoeker van eigen aannames, veronderstellingen en kritieken zonder enig begin van bewijs, volstaat niet om aannemelijk te maken dat de bestreden beslissing op een onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. XII-9684-12/18 Verzoeker voert aan dat de beslissing “dient te stoelen op een correcte feitenvinding op straffe van een motiveringsgebrek”. Aldus wordt de verwijzing naar “de motiveringsplicht” opgevat als een verwijzing naar de materiëlemotiveringsplicht. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat er voor elke administratieve beslissing rechtens aanvaardbare motieven moeten bestaan. Dit betekent onder meer dat die motieven steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die relevant zijn en met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. Bovendien moet de overheid de gegevens die in rechte en in feite juist zijn, correct beoordelen en op grond van deze gegevens in redelijkheid tot een beslissing komen. Een beslissing schendt de materiëlemotiveringsplicht wanneer de motieven waarop ze steunt onjuist of onwettig zijn of de beslissing niet kunnen dragen. Het komt de Raad van State daarbij in principe niet toe het feitenonderzoek over te doen om zich aldus, wat de appreciatie van de zaak betreft, in de plaats te stellen van de administratie. Het behoort daarbij wel tot de bevoegdheid van de Raad van State na te gaan of de ingeroepen feiten werkelijk bestaan indien ze worden betwist. Indien wordt geoordeeld dat de beslissing steunt op onbestaande, onvoldoende bewezen feiten, dan is het materiëlemotiveringsbeginsel geschonden. De elementen die verzoeker aanvoert, tonen niet aan dat de beslissing niet op werkelijk bestaande en concrete feiten zou steunen of dat deze niet deugdelijk zouden onderzocht zijn. Met betrekking tot de voeding van de dieren werd vastgesteld dat er drie eetbakken staan met restanten van eten en een drinkbak met een bodem drinkwater. Verder werd door de dierarts vastgesteld dat het dier zeer mager is, de vacht zeer dof is, verschillende kale plekken vertoont en een indringende geur van urine heeft. Verzoeker toont niet aan dat deze vaststellingen niet correct zijn. Er is voorts geen verplichting voorzien in de wet van 14 augustus 1986 om de dierenarts van verzoeker te contacteren. De bewering dat er geen klachten waren van deze dierenarts ontkracht of weerlegt de vaststellingen waarop de bestreden beslissing berust, niet. Volgens verzoeker kon de leefomgeving van de dieren niet sluitend beoordeeld worden door het ontbreken van een visitatiemachtiging. Op basis van de vaststellingen werd geoordeeld dat de dieren niet werden gehouden volgens hun fysiologische en ethologische behoeften. De leefomstandigheden die werden aangetroffen konden worden vastgesteld XII-9684-13/18 zonder visitatiemachtiging. Verzoeker heeft tijdens het verhoor geen concrete voorstellen gedaan om de leefomstandigheden en verzorging te verbeteren. Verzoeker toont geen schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel of de materiëlemotiveringsplicht.
  28. Het vertrouwensbeginsel – als aspect van het rechtszekerheids- beginsel – houdt in dat het bestuur de rechtmatige verwachtingen, die de burger uit het bestuursoptreden put, niet mag beschamen. De burger moet kunnen vertrouwen op een vaste gedragslijn van het bestuur of op regelmatige toezeggingen of beloften die het bestuur in een concreet geval heeft gedaan. Als rechtmatige verwachtingen kunnen worden beschouwd de verwachtingen die de burger in redelijkheid heeft kunnen puren uit het bestuursoptreden. Indien een normaal voorzichtige en oplettende burger had moeten weten dat de gewekte verwachtingen eventueel niet zouden kunnen of mogen worden gehonoreerd, kan de burger zich niet op het vertrouwensbeginsel beroepen. In zoverre het onderdeel betrekking heeft op de beslissing tot inbeslagname is het onderdeel niet ontvankelijk. Er werden inbreuken vastgesteld op artikel 4 van de wet van 14 augustus
  29. Dit volstaat om de dieren in beslag te nemen op basis van artikel 42, § 1, van dezelfde wet. De dienst dient overeenkomstig dezelfde wet een bestemming te geven aan de inbeslaggenomen dieren. Er kan niet worden ingezien welke rechtmatige verwachtingen er werden geschonden door de toepassing van de wettelijke bepalingen.
  30. Een schending van het redelijkheidsbeginsel – of van het evenredigheidsbeginsel dat er een bijzondere toepassing van is – als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, veronderstelt dat het bestuur bij het nemen van de beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat het de hem toegekende discretionaire beoordelings- of beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt. Van een schending van het redelijkheidsbeginsel en van het evenredigheids- XII-9684-14/18 beginsel kan slechts sprake zijn wanneer een beslissing, waarvan is vastgesteld dat ze berust op deugdelijke grondslagen, inhoudelijk dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon of, nog, er een zodanige wanverhouding bestaat tussen die motieven en de inhoud van de beslissing, dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelend bestuur in dezelfde omstandigheden tot die besluitvorming zou komen of die beslissing zou nemen. De Raad van State is in de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht enkel bevoegd om, desgevraagd, na te gaan of het bestuur op grond van de juiste en correct beoordeelde feitelijke gegevens, in redelijkheid tot de bestreden beslissing is kunnen komen. Het komt de Raad van State evenwel niet toe zijn beoordeling in de plaats te stellen van die van het bevoegde bestuur. De Raad van State gaat bij de beoordeling van de redelijkheid of de evenredigheid van de bestreden beslissing uit van de feiten zoals ze blijken uit de bestreden beslissing en waarvan verzoeker de onwettigheid niet heeft aangetoond, getoetst aan de door verzoeker in het middel aangevoerde argumenten die volgens verzoeker doen blijken dat de bestreden beslissing het redelijkheids- of evenredigheidsbeginsel miskent. De bestemmingsbeslissing wordt reeds afdoende verantwoord door de vaststellingen dat het dier niet werd gehouden volgens zijn fysiologische en ethologische behoeften, dat verzoeker geen concrete voorstellen doet om de leefomstandigheden en verzorging te verbeteren, en er een doorgedreven hardleersheid is en onwil om zich aan te passen aan de algemeen aanvaarde norm voor het dierenwelzijn in onze maatschappij. Het is niet onredelijk om op grond hiervan te besluiten dat het welzijn van de hond bij verzoeker onvoldoende gewaarborgd wordt, zodat een teruggave onverantwoord is. Het blijkt ook niet dat verzoeker aan de verwerende partij een voorstel heeft gedaan met betrekking tot mogelijke maatregelen. In deze omstandigheden komt het niet als onredelijk voor dat voor een eigendomsoverdracht aan een asiel wordt gekozen.
  31. Het tweede middel is ongegrond. XII-9684-15/18 C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  32. Verzoeker voert de schending aan van artikel 1, eerste aanvullend protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) en artikel 8 EVRM. De beslissing tot inbeslagname maakt een inbreuk uit op het recht op eigendom en op het privéleven van verzoeker. Verzoeker “geen fouten [kan] worden toegeschreven die een plotse inbeslagname zouden verantwoorden”. Verzoeker vordert de nietigverklaring van de bestemmingsbeslissing. Verzoeker herneemt het middel in de memorie van wederantwoord. In het verzoek tot voortzetting beschouwt verzoeker zijn argumentatie als reeds neergelegd. Beoordeling
  33. In zoverre het middel betrekking heeft op de beslissing tot inbeslagname, is het middel niet-ontvankelijk aangezien dit middel geen betrekking heeft op de bestreden beslissing (zie ook supra).
  34. De wet van 14 augustus 1986 houdt een beperking in op het volstrekt persoonlijk genot van het eigendomsrecht, wat in overeenstemming is met artikel 1, tweede lid, van het Eerste Aanvullend Protocol bij het EVRM, dat luidt: “De voorgaande bepalingen zullen echter op geen enkele wijze het recht aantasten dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang […]”. Bijgevolg kan de premisse niet worden bijgetreden dat het toekennen in volle eigendom aan een dierenasiel van dieren die in beslag zijn XII-9684-16/18 genomen, een schending inhoudt van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol, indien blijkt dat, zoals te dezen het geval is, geen onwettigheid is vastgesteld en de maatregel evenredig is in verhouding met de beoogde doelstelling. Dezelfde vaststelling geldt voor de aangevoerde schending van artikel 8 van het EVRM. Er wordt opgemerkt dat de vaststellingen die tot de beslissing tot inbeslagname hebben geleid op zich niet door verzoeker worden betwist. Bij de beoordeling van het eerste en het tweede middel werd geoordeeld dat de maatregel evenredig is met de beoogde doelstelling. Er wordt naar deze beoordeling verwezen.
  35. Het derde middel is ongegrond. VI. Vordering tot schadevergoeding tot herstel Uiteenzetting van de vordering tot schadevergoeding
  36. Verzoeker vordert in zijn verzoekschrift een schadevergoeding tot herstel. Verzoeker voert aan dat hij morele schade heeft ondervonden en verzoekt om de verwerende partij te veroordelen tot een schadevergoeding van 2500 euro te verhogen met de gerechtelijke interesten. Beoordeling
  37. Op grond van artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de Raad een schadevergoeding toekennen indien de daarom verzoekende partij een nadeel heeft geleden omwille van de onwettigheid van de akte, het reglement of de stilzwijgend afwijzende beslissing. Artikel 25/3, § 3, van het algemeen procedurereglement bepaalt dat indien geen onwettigheid wordt vastgesteld, het arrest dat de procedure tot nietigverklaring afsluit, eveneens het verzoek om schadevergoeding tot herstel afwijst. Op basis van het onderzoek van de middelen wordt er geen onwettigheid XII-9684-17/18 vastgesteld. Die vaststelling alleen volstaat om het verzoek tot schadevergoeding af te wijzen. BESLISSING
  38. De Raad van State verwerpt het beroep.
  39. De Raad van State verwerpt de vordering tot schadevergoeding tot herstel. 3.Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 154 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twintig juni tweeduizend vijfentwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Chantal Bamps, kamervoorzitter, Ann Coolsaet, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Chantal Bamps XII-9684-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.657 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.